Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.5:3.5 Conclusie
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.5
3.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264541:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik van het ius commune stemde op veel punten overeen met het Romeinse recht. In het geleerde recht bestond het recht van pandgebruik als onderdeel van het pandrecht. Als een pandrecht rustte op een goed met gebruikswaarde, was de pandhouder van rechtswege bevoegd tot pandgebruik. Als een zaak geen economische gebruikswaarde had, was de pandhouder niet van rechtswege bevoegd tot pandgebruik. Wie bevoegd was tot pandgebruik, pleegde geen diefstal als hij het onderpand gebruikte. Het recht van pandgebruik ontstond zodra de pandhouder het onderpand onder zich kreeg. Het had goederenrechtelijke werking.
De auteurs die ik voor dit hoofdstuk heb bestudeerd, besteedden geen aandacht aan het recht van zelfstandige antichrese. Er waren wel verschillende rechtsfiguren die niet kwalificeerden als een pandrecht, maar aan een schuldeiser de bevoegdheid toekenden om een zaak van de schuldenaar te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Voorts kon een zelfstandig recht van antichrese feitelijk ontstaan door de vestiging van een recht van pandgebruik: door de gesecureerde vordering niet-opeisbaar te maken sloten partijen de executiebevoegdheid van de pandhouder uit. Deze constructie gold juridisch als een pandrecht, maar functioneerde als een zelfstandig recht van antichrese. Bovendien kon recht van pandgebruik rusten op moeilijk overdraagbare goederen, zodat in de praktijk sprake was van een recht van zelfstandige antichrese.
De pandgebruiker was bevoegd het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Het gebruik stond in dienst van de vruchttrekking: de pandgebruiker mocht gebruikshandelingen verrichten die vruchten voortbrachten. Voorts was hij bevoegd noodzakelijk en nuttig onderhoud te verrichten ten aanzien van het onderpand. Kosten die hij hiertoe had gemaakt, kon hij verhalen op de pandgever. Het was echter gebruikelijk dat de pandgebruiker de gemaakte kosten eerst voldeed uit de vruchtopbrengst van het onderpand. Pas als de vruchtopbrengst onvoldoende was, kon de pandgebruiker de pandhouder aanspreken met de actio pigneraticia contraria. De pandgebruiker kon het recht van pandgebruik zowel in als buiten verzuim van de schuldenaar uitoefenen. De pandgebruiker was niet verplicht – en soms zelfs niet bevoegd – tot executie. Bij insolventie van de schuldenaar ging de pandgebruiker daarom vaak door met de uitoefening van het recht van pandgebruik, soms decennialang.
De belangrijkste objecten van pandgebruik waren onroerende zaken, leenrechten en heerlijke rechten. Deze objecten brachten naar hun aard een constante vruchtopbrengst voort. Bij onroerende zaken en leenrechten daarop bestond deze vruchtopbrengst uit de natuurlijke vruchten van akkers en burgerlijke vruchten in de vorm van huurvorderingen. De pandgebruiker was inningsbevoegd ten aanzien van deze huurvorderingen, ongeacht de rechtsverhouding waaruit zij voortvloeiden. De pandgebruiker kon dus zelfs huurvorderingen bij een huurder van het pandobject innen als hij geen partij was bij de huurovereenkomst. De publiekrechtelijke bevoegdheden van de pandgebruiker van heerlijke rechten waren het (doen) uitoefenen van bestuur of rechtspraak. Geïnde belasting was de belangrijkste inkomstenbron uit een heerlijk recht.
De bevoegdheden tot uitoefening van de rechten uit verpande onroerende zaken, leenrechten en heerlijke rechten kwamen samen bij de verpanding van steden, graafschappen en hertogdommen. Deze grondgebieden vormden een algemeenheid van goederen: zij omvatten zowel de heerlijke rechten als de leenrechten die betrekking hadden op het gebied. De publiekrechtelijke en privaatrechtelijke bevoegdheden van een leenman gingen bij verpanding over op de pandgebruiker. De uitoefening van al deze rechten was een hoge en constante inkomstenbron. Deze periodieke inkomsten, niet een eventuele executie-opbrengst, maakte een stad tot een gewild zekerheidsobject.
Andere objecten van pandgebruik waren roerende zaken, slaven, beperkte rechten en vorderingen. De uitoefening van een recht van pandgebruik op roerende zaken heeft zich vermoedelijk beperkt tot de exploitatie van vee. Voor het overige verminderden roerende zaken immers door gebruik in waarde. In dat geval was de pandhouder niet bevoegd tot pandgebruik: hij was aansprakelijk voor de waardedaling met de actio pigneraticia directa en mogelijk zelfs met de actio furti.
Het recht van pandgebruik kon twee verschillende functies hebben: de rentefunctie of de aflossingsfunctie. In de praktijk was de rentefunctie het gangbaarst. Dit betekende dat de pandgebruiker de gebruiksopbrengst van het onderpand onder zich mocht houden in plaats van een rentepercentage. Er kwam niets in mindering op de gesecureerde vordering. Het rentepandgebruik was onderworpen aan de gemeenrechtelijke rentemaxima en zelfs aan het canonieke renteverbod. Financiers lieten zich door deze regelgeving echter niet weerhouden om hun leningen te verzekeren met een recht van rentepandgebruik. De financier had dan ook het vooruitzicht op een rendement van mogelijk wel 15% van de gesecureerde vordering per jaar.
Overeenkomsten van rentepandgebruik bevatten vaak clausules die erop gericht waren het recht van pandgebruik zo lang mogelijk te laten voortduren. De geldlening bevatte vaak een aflossingsverbod van enkele jaren. Om de investeringen van de pandgebruiker in de exploitatie van het onderpand te beschermen, was lossing daarnaast maar gedurende een beperkte periode in het jaar mogelijk. Soms was zelfs de gesecureerde vordering niet-opeisbaar, om voor de pandgever een prikkel weg te nemen zo snel mogelijk het onderpand te lossen.
Ondanks de populariteit van het recht van rentepandgebruik gold als hoofdregel dat het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Deze hoofdregel gold als partijen geen nadere afspraken hadden gemaakt over de functie van het recht van pandgebruik. De waarde van de vruchtopbrengst diende ten goede te komen aan de pandgever, doordat zij in mindering kwam op de gesecureerde vordering en eventueel verschuldigde rente. De pandgebruiker was verplicht om een zo hoog mogelijke gebruiksopbrengst te realiseren. Dit bracht mee dat hij verplicht was om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Slaagde de pandgebruiker er niet in een optimale gebruiksopbrengst te realiseren, dan was hij jegens de schuldenaar aansprakelijk voor het verschil met de opbrengst die hij werkelijk had gerealiseerd. Dit verschil kwam in mindering op de gesecureerde vordering.
Het recht van pandgebruik was een populair zekerheidsrecht op goederen die naar hun aard natuurlijke of burgerlijke vruchten voortbrachten. Dit waren – zoals gezegd – onroerende zaken, leenrechten daarop en heerlijke rechten. Deze rechten hadden gemeenschappelijk dat zij in de praktijk vaak moeilijk overdraagbaar waren. Het pandrecht op deze goederen verschafte de pandhouder dan ook geen zekerheid in de vorm van voorrang op de executie-opbrengst. Toch had hij de zekerheid van voldoening van de gesecureerde vordering of een rentevergoeding. Deze zekerheid kreeg hij door het recht van pandgebruik. Hiermee had de pandhouder recht op de constante inkomensstroom die bestond uit natuurlijke of burgerlijke vruchten.