HR, 17-01-2025, nr. 24/01216
ECLI:NL:HR:2025:90
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-2025
- Zaaknummer
24/01216
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:90, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:255
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑01‑2025
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/100
Viditax (FutD) 2025011710
FutD 2025-0108
NTFR 2025/174 met annotatie van mr. R.J. de Jong
NLF 2025/0205 met annotatie van drs. O.M. Menger
Belastingblad 2025/73 met annotatie van L.J. Boone
FED 2025/22 met annotatie van G. GROENEWEGEN
BNB 2025/66 met annotatie van A.W. Schep
2025/0205 met annotatie van drs. O.M. Menger
Uitspraak 17‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 225, lid 2, Gemeentewet. Parkeerbelasting, laden en lossen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01216
Datum 17 januari 2025
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nrs. BK-23/233 en BK-23/2341., op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/478 en ROT 22/479) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.
1. Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende levert pakketten met groente en fruit. Hiervoor rijden busjes rond om bij haar klanten de pakketten af te leveren en de lege verpakkingen van eerder afgeleverde pakketten terug te nemen.
2.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd omdat een busje van belanghebbende op 10 respectievelijk 22 september 2021 stil stond op een parkeerplaats die was aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd, terwijl tijdens een controle met een scanauto is geconstateerd dat op het moment van de controle geen parkeerbelasting was voldaan.
2.3
Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Rotterdam gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2021 (hierna: de Verordening). Volgens artikel 1 van de Verordening wordt onder parkeren verstaan:
“gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het (...) onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden”.
Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.2 bedoelde data, toen het busje stil stond, sprake was van parkeren of van onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Verordening.
3.2
Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
3.3
Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat een medium ‘combibox’ van het type dat belanghebbende levert, 1.200 tot 1.500 gram groenten bevat en daarnaast een ‘bijgroente’ en fruit voor twee personen voor drie dagen, dat het grootste pakket 3.200 tot 4.000 gram groente bevat en daarnaast ‘bijgroenten’ voor vier personen voor vier dagen, en dat een fruitpakket in totaal 2 à 2,5 kilo weegt en in combinatie met een groentepakket kan worden besteld. Verder heeft het Hof vastgesteld dat de bestellingen kunnen worden aangevuld met andere producten uit de webwinkel van belanghebbende, dat het formaat van de kistjes waarin de pakketten worden geleverd 40 bij 31 cm is en dat de hoogte van de kistjes afhangt van de bestelling en minimaal 10,5 cm is.
3.4
Het Hof heeft geoordeeld dat de pakketten die belanghebbende bezorgt van een zodanige omvang of gewicht zijn dat zij niet of bezwaarlijk anders dan per auto kunnen worden gebracht. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat bezorging per fiets of bromfiets van de pakketten niet realistisch is, zeker niet nu belanghebbende ook lege verpakkingen terugneemt. Verder moet volgens het Hof rekening worden gehouden met het feit dat belanghebbende ook pakketten ter bezorging bij andere klanten bij zich had. Het bezorgen van de pakketten en het terugnemen van lege verpakkingen kan ook om die reden bezwaarlijk anders dan per auto worden uitgevoerd. Dat geldt ook in het geval zich daartussen pakketten bevinden die afzonderlijk beschouwd ook op een andere wijze dan per auto hadden kunnen worden gebracht, aldus het Hof.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof. Het betoogt daartoe onder meer dat het Hof zijn oordeel ten onrechte niet heeft gebaseerd op datgene wat op het moment van de controle daadwerkelijk is gelost en geladen, maar slechts op hetgeen belanghebbende in zijn algemeenheid over het afleveren van pakketten heeft aangevoerd. Verder betoogt het middel dat het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat zich in het busje van belanghebbende ook pakketten bevonden die bestemd waren voor aflevering op andere adressen.
4.2
In zoverre slaagt het middel. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het doen of laten stilstaan van een voertuig nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet en de op dit punt gelijkluidende Verordening, moet worden beoordeeld of de gedurende het stilstaan van het voertuig te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Het is dus niet van belang of zich in het voertuig andere zaken bevinden, hebben bevonden of zullen bevinden die op een andere plaats zijn of zullen worden geladen of gelost. Het Hof heeft dit miskend.
4.3
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen aangezien niet zonder meer uit de gedingstukken volgt hoeveel pakketten van welke omvang en welk gewicht zijn geladen of gelost op elk van beide plaatsen waar de auto stilstond.
4.4
Met het oog op de procedure na verwijzing overweegt de Hoge Raad nog het volgende. Op de heffingsambtenaar rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het feit dat een voertuig heeft stilgestaan op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. In dit geval is niet in geschil dat de heffingsambtenaar dit bewijs heeft geleverd. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, zich erop beroept dat geen parkeerbelasting is verschuldigd omdat sprake was van onmiddellijk laden en lossen van goederen, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de daarvoor benodigde feiten op die belanghebbende.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met in achtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑01‑2025
Beroepschrift 17‑01‑2025
Edelhoogachtbaar College,
Hierbij doe ik u met verschuldigde eerbied een beroepschrift in cassatie toekomen gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 15 februari 2024, in de zaaknummers BK-23/233en BK-23/234, ECLI:NL:GHDHA:2024:255. Een afschrift van deze uitspraak is als bijlage bij dit beroepschrift gevoegd (bijlage 5).
1. Bevoegdheid
In het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2021 is door het college van burgemeester en wethouders in artikel 4.22(Paragraaf 4.8) de algemeen directeur bevoegd verklaard om te beslissen tot het instellen van beroep in een cassatieprocedure (bijlage 1).
In het Besluit onder mandaat, onder volmachten onder machtiging van de algemeen directeur 2021is in artikel 11 aan de concerndirecteur Dienstverlening is onder mandaat, onder volmacht en onder machtiging verleend tot de in Paragraaf 4.8 van het Besluit mandaat, volmachten machtiging Rotterdam 2021genoemde bevoegdheden (bijlage 2).
In het Besluit onder mandaat, onder volmacht en onder volmachtiging cluster Dienstverlening 2022 in artikel 17 heeft de Concerndirecteur Dienstverlening onder mandaat verleend aan de directeur Burgerzaken en Belastingen (bijlage 3).
2. Inleiding en principiële karakter van de procedure
De procedure heeft betrekking op twee naheffingsaanslag en parkeerbelasting die door de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam zijn opgelegd aan [X] (hierna: belanghebbende). Grondslag voor deze naheffingsaanslagen parkeerbelasting is artikel 225van de Gemeentewet en de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2021(hierna: de Verordening). Belanghebbende is ondernemer en bezorger van groente- en fruitpakketten. De (rechts)vraag die voorligt is of in casu sprake is van laden en lossen en in het bijzonder de vraag of de geleverde (onduidelijk gebleven) pakketten voldoen aan het criterium ‘zaken van enige omvang of enig gewicht ’. En de daarmee samenhangende vraag of bij de(ze) beoordeling van belang is dat belanghebbende ook pakketten bij zich had ter bezorging op andere adressen. Deze procedure is zaak overstijgend en redelijk principieel voor de dagelijkse praktijk van de bezorg diensten.
3. Cassatiemiddel
Schending van het rechten/of verkeerde toepassing van het recht, met name artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 8:69van de Awb, daar het Hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de rechtsregels omtrent het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’, althans zijn oordeel daaromtrent onvoldoende dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd. Dit cassatiemiddel valt uiteen in twee middelonderdelen.
4. Toetsingskader
Volgens artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet wordt, voor zover hier van belang, onder ‘parkeren ’ verstaan (deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 1, aanhef en onder bullet 14, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2021van de gemeente Rotterdam):
‘(…) onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten
In het arrest HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445heeft Uw Raad het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ als volgt omschreven:
‘3.3.2
Uit het arrest van de Hoge Raad van 12mei 1999, nr. 33286,ECLi:NL:HR:1999: AA 2760, BNB 1999/257, volgt dat onder ‘onmiddellijk laden en lossen’ dien te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht (vgl. HR 10 juni1975, nr. 67 757, NJ 1975/481).
3.3.3
Indiendebelanghebbende zich erop beroept dat sprake is geweest van laden en lossen, zal daarom vastgesteld moeten worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken als hiervoor in onderdeel 3.3.2 bedoeld ter plaatse in ontvangst te nemen en in het voertuig te brengen, dan wel uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven. ’
In het eerste lid van artikel 8:69van de Awb is de grondslag geregeld waarop de rechter de uitspraak moet baseren:
‘De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.’
Door te oordelen als in onderdeel 5.5.3en 5.5.4van de uitspraak is weergegeven, heeft het Hof het recht geschonden door een onjuiste toepassing te geven, althans een onjuiste maatstaf aan te leggen bij de beoordeling of er sprake is van ‘onmiddellijk laden en lossen’ in de zin van artikel 225, lid 2,van de Gemeentewet en zoals dat artikellid is uitgelegd door Uw Raad in voornoemd arrest, althans buiten de rechtsstrijd is getreden door de (betwiste en niet vaststaande) feiten zelf in/aan te vullen, althans zijn oordelen onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd dat in casu gezien de voorliggende feiten en omstandigheden sprake is van laden en lossen in voormelde zin. Wij lichten dat hieronder nader toe middels twee middelonderdelen.
5.1. Cassatie middelonderdeel 1
Middelonderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende op wie te dezen de bewijslast rust middels overlegging van de routeoverzichten aannemelijk heeft gemaakt dat bij beide parkeerincidenten sprake is van laden en lossen en in het bijzondere dat de afgeleverde pakketten voldoen aan het criterium ‘zaken van enige omvang en enig gewicht.’
Toelichting
Het Hof had op grond van hetgeen door belanghebbende is aangevoerd niet mogen concluderen dat sprake was van laden en lossen. Het staat vast dat het voertuig aanwezig was op de betreffende plaatsen en dat er op de door de scanauto gemaakte foto's niets te zien was dat concreet zou wijzen op laden en lossen (bewijslast gemeente). Het is vervolgens aan belanghebbende om te concretiseren en aannemelijk te maken dat er volgens de hierboven genoemde criteria door Uw Raad sprake was van laden en lossen (bewijslast belanghebbende), zoals in deze gevallen met name dat sprake zou zijn van ‘zaken van enige omvang of gewicht.’
In dit kader verwijzen wij naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:880 waarbij is geoordeeld dat de bewijslast voor het aantonen van laden en lossen bij de belanghebbende ligt. Wij citeren:
- ‘7.
Onder het onmiddellijk laden en lossen van goederen dient te worden begrepen het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht- bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (vgl. Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, LJN: AA 2760). De bewijslast dat in dit geval sprake was van onmiddellijk laden en lossen, rust op [belanghebbende].’
Ook verwijzen wij in dit kader nog naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2604 waarin is bepaald dat een beroep op de uitzondering van laden- en lossen geconcretiseerd zal moeten worden.
In de onderhavige uitspraak geeft het Hof hierover aan:
‘5.5.3.
Naar het oordeel van het Hof volgt uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde routeoverzichten dat belanghebbende bij de stop op de [a-straat] op twee adressen een groente- en/of fruitpakket heeft afgeleverd; een pakket voor twee personen en een pakket voor vier personen. Wat betreft de stop op de [b-straat] is het Hof niet duidelijk of belanghebbende naast een groente- en/of fruitpakket, gelet op de extra vermelde lettercodes, wellicht nog andere zaken heeft afgeleverd. ’(…).
De gemeente betwist dat uit wat door belanghebbende is aangegeven duidelijk zou zijn geworden dat sprake was van zaken van enige omvang en enig gewicht en daarmee van laden en lossen. Het valt op grond van wat belanghebbende heeft aangevoerd niet te begrijpen waarom het Hof tot de conclusie is gekomen dat zou zijn voldaan aan de hierboven genoemde criteria om te voldoen aan de uitzondering van laden en lossen. Dit omdat belanghebbende alleen behoorlijk cryptische routelijsten overlegt waaruit feitelijk niet veel kan worden afgeleid en daarnaast in haar toelichting niet verder komt dan in zijn algemeenheid aangeven van mogelijkheden die kunnen voorkomen en niet concretiseert wat er op die bewuste dagen precies is gelost en geladen (terwijl dit toch op grond van de bewijslast van belanghebbende wordt verwacht). In het verweerschrift bij het hoger beroep geeft belanghebbende hierover aan dat (onderstreping door ons):
- —
‘Ter verduidelijking van de omvang en het gewicht van de pakketten kan het om meerdere pakketten per adres gaan. ’
- —
‘Tevens kan ervanuit de webwinkel aanvullend besteld zijn, zie screenshot. ’
- —
‘Een fruitpakket weegt ongeveer 2‘5kilo.’
- —
‘Groentepakketten, aanvullende bestellingen en zuiveldozen kunnen hier ver over heen gaan. ’
- —
‘De omvang van de het aantal pakketten is tenminste1 doos.’
‘De dozen variëren in hoogte, afhankelijk van de bestelling.’
- —
‘Uit de u ter inzage geven bezorglijst is beeld te vormen van de variatie in bestellingen per klant. ’
- —
‘Aanvullend komt het voor dat per stop bij meerder klanten wordt afgeleverd. ’
Uit de hierboven aangehaalde passages uit het verweerschrift in hoger beroep, met name de door ons onderstreepte gedeeltes, blijkt dat belanghebbende niets aanvoert met betrekking tot de twee concrete situaties maar slechts in zijn algemeenheid zaken aangeeft. Verder heeft belanghebbende bij het verweer in hoger beroep bijlagen meegestuurd waarbij is aangegeven:
- —
Een schermprint van de website van belanghebbende met daarop een pijl geschreven die wijst dat er de mogelijkheid is om online bij te bestellen.
- —
Een door belanghebbende gemaakte foto waarop een aantal boodschappen is te zien met daarop een pijl geschreven die wijst naar de foto met daarbij de opmerking:
‘Aanvullende bestellingen 3 verschillende klanten’.
Ook over de bijlagen bij het verweer in hoger beroep kan worden opgemerkt dat dit wederom algemene omschrijvingen van belanghebbende zijn waaruit totaal niet blijkt wat er met betrekking tot de twee concreet opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting is gelost en geladen.
Verder geeft belanghebbende in het verweer in hoger beroep aan niet te begrijpen hoe het werkt met andere bedrijven die bezorgen en of zij wel altijd pakketten van enig gewicht en omvang bezorgen? En of zij wel bij elke stop parkeerbelasting betalen? Hiermee lijkt belanghebbende toch te insinueren dat ook zij niet altijd pakketten van enige omvang of gewicht bezorgt en daarmee dan dus niet altijd aan de criteria voorladen en lossen voldoet. Dan is het toch logisch dat zal moeten geconcretiseerd en aangetoond wat er in deze twee concrete gevallen is gelost en geladen. Tevens lijkt belanghebbende hiermee te insinueren dat we die andere door haar genoemde bedrijven die bezorgen anders zouden behandelen en daarbij niet zouden toetsen aan de criteria voorladen en lossen en dan met name het criterium van enige omvang en enig gewicht, terwijl wij uiteraard in al dit soortsituaties aan deze door Uw Raad gestelde criteria voor laden en lossen zullen moeten toetsen. Belanghebbende is verder niet verschenen ter zitting bij de behandeling van het hoger beroep en heeft dus verder niets meer aangevoerd over wat er toen concreet is gelost en geladen.
Op grond van bovenstaande blijkt dus dat ondanks het bezwaarschrift, het beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het Hof tot op heden nog altijd totaal onbekend is gebleven wat er toen precies concreet is gelost en geladen en of dit enige omvang of enig gewicht had en daarmee aan de gestelde criteria voorladen en lossen zou voldoen. Met een overzicht van wat er toen concreet is geleverd als bestelling (bestelbon), zou dit wel kunnen worden beoordeeld, maar zoals eerder aangegeven is dit tot op heden helemaal onduidelijk gebleven en worden door belanghebbende alleen argumenten aangevoerd in zijn algemeenheid en niet concreet voorde twee concrete data waarop de betreffende naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd. Uit het proces-verbaal van de zitting bij het Hof blijkt ook zeer duidelijk dat door de heffingsambtenaar is benadrukt dat dit totaal onduidelijk is gebleven en hierdoor dus niet kon worden vastgesteld of aan de criteria was voldaan.
Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt naar ons oordeel ook in het geheel niet dat belanghebbende voorde onderwerpelijke parkeerincidenten aannemelijk zou hebben gemaakt dat sprake was van laden en lossen van zaken van enige omvang en gewicht. Het Hof lijkt op basis van aannames, gemaakt op grond van wat door belanghebbende in zijn algemeenheid is aangegeven in combinatie met de gegevens van de website van belanghebbende, feitelijk de bewijslast voorbelanghebbende te hebben ingevuld en is daarbij ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zou zijn gebleken dat er bij deze twee parkeerincidenten sprake zou zijn geweest van zaken van enige omvang en gewicht. Het Hof is daarmee buiten de rechtsstrijd getreden: de rechter moet zich primair richten op het geschil zoals door partijen wordt gepresenteerd.
Daarbij heeft het Hof, bij één van deze parkeerincidenten, zelfs bij het beoordelen of er sprake was van laden en lossen ten onrechte niet alleen rekening gehouden met wat er toen daadwerkelijk is gelost en geladen op het betreffende adres maar tevens rekening gehouden met wat er verder voorzaken (pakketten) in de autoaanwezig waren voor het afleveren opeen aantal andere adressen om te bepalen of werd voldaan aan de criteria voorladen en lossen. Feitelijk is bij allebei deze twee parkeerincidenten niet vastgesteld en ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van laden en lossen van zaken van enige omvang en gewicht door belanghebbende op wie hiervoor de bewijslast rust. Het Hof heeft dan ook ten onrechte aannemelijk geacht dat belanghebbende circa 10 minuten aaneen gesloten nodig had om zaken van enige omvang en enig gewicht te leveren en daarom dat sprake was van laden lossen. Van het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken als bedoeld in onderdeel 3.3.2van het arrest van 7 maart 2014ter plaatse in ontvangst te nemen en in het voertuig te brengen, dan wel uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven, is niet vastgesteld door het Hof noch komen vast te staan, althans heeft het Hof ten onrechte op basis van de voorliggende feiten dat aannemelijk geacht.
Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat het Hof het recht heeft geschonden door een onjuiste toepassing te geven aan de rechtsregels omtrent ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken van enige omvang en enig gewicht ’, althans buiten de rechtsstrijd getreden door de (betwiste en niet vaststaande) feiten zelf in/aan te vullen, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het Hof, op grond van stukken die niets zeggen over de daadwerkelijke omvang en gewicht van de zaken, heeft geoordeeld dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat bij beide parkeermomenten sprake is van laden en lossen.
5.2. Cassatie middelonderdeel 2
Middelonderdeel 2borduurt(deels) voortopmiddelonderdeel 1: Is bij de beoordeling dat sprake is van laden en lossen van zaken van enige omvang en enig gewicht van belang dat belanghebbende ook pakketten bij zich had ter bezorging op andere adressen?
Toelichting
Bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen heeft het Hof het geheel aan bedrijfsvoering (activiteiten) van belanghebbende in haar overweging betrokken, terwijl de maatstaf is het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. De beslissing van het Hof om de rest van de pakketten in het voertuig die zouden worden bezorgd op geheel andere adressen, mee te wegen bij de beoordeling of er is voldaan aan de criteria voorladen en lossen en dan met name of daarbij sprake was van enige omvang of enig gewicht, is naar onze mening totaal ten onrechte en een zeer grote en ongewenste uitbreiding van de tot nu toe geldende criteria voorladen en lossen. Als dit zo zou werken dan zou als concreet voorbeeld ook het bezorgen van een pakketje van 500 gram onder laden en lossen kunnenvallen als bijvoorbeeld in de rest van het voertuig nog een (groot) aantal andere pakketjes van 500 gram ter bezorging op evenzovele adressen aanwezig zouden zijn, dit kan onzes inziens echter toch niet de bedoeling zijn van de wetgever en de gestelde criteria uit de jurisprudentie. Ook zou er dan toch ook feitelijk onderscheid worden gemaakt tussen particulieren en professionele bezorgdiensten en daarmee ten onrechte worden afgeweken van de conclusie van A-G IJzerman van 30 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1311, dat een dergelijk onderscheid niet mag worden gemaakt.
Met deze veel te ruime interpretatie van het Hof wordt het feitelijk ook zo goed als onmogelijk om nog te toetsen of sprake is van laden en lossen, omdat de bewijslast in het geheel naar de gemeente wordt verplaatst en die dan zal moeten aantonen dat er geen sprake was van andere zaken in het voertuig en daarmee met een onmogelijke bewijslast zal worden opgezadeld. Feitelijk zou belanghebbende daarmee dan de door haar gewenste algemene vrijstelling krijgen.
Het Hof heeft dan ook een onjuiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen in voormelde zin. Voorde vraag of het belastbare feit per parkeerincident zich heeft voorgedaan is niet van belang dat belanghebbende ook pakketten bij zich had ter bezorging op andere adressen. Het gaat om de criteria ‘bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht ’ (het gedurende een aaneengesloten periode) en dus de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Het parkeren van de (bestel)bus op een parkeerplaats houdt daarom alleen verband met de wijze waarop een parkeerder/bezorger per parkeerincident voldoet aan de voorwaarden voorladen en lossen en niet met het geheel van handelingen/activiteiten die hij opeen dag gaat verrichten. Aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de voornoemde criteria. Dat is onzes inziens niet het geval bij de genoemde parkeer incidenten.
Ook het oordeel van het Hof in onderdeel 5.5.4.dat de bezorging van pakketten per fiets of bromfiets niet realistisch zou zijn, valt niet te begrijpen. Hierbij lijkt het Hof dit eveneens te concluderen omdat ten onrechte rekening wordt gehouden met de overige pakketten die in het voertuig aanwezig zijn om te bezorgen op geheel andere adressen.
Tevens valt de claim van het Hof dat bezorgen met een bromfiets of fiets in deze gevallen niet goed mogelijk zou zijn, niet te begrijpen. Hier lijkt weer sprake te zijn van het mee laten wegen van alles wat er verder nog aan pakketten op andere adressen zal worden afgeleverd. Dat belanghebbende in een wijde omtrek bezorgt en daardoor veel bestellingen in een bus zou (moeten) meenemen, wil toch nog niet zeggen dat de bestelling die is bezorgd niet met een bromfiets of fiets zou kunnen worden bezorgd als bijvoorbeeld een bedrijf om de hoek alleen deze bestelling zou hebben bezorgd.
Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat het Hof het recht heeft geschonden dooreen onjuiste toepassing te geven aan de rechtsregels omtrent ‘onmiddellijk laden en lossen van zaken van enige omvang en enig gewicht ’ door ook de pakketten die belanghebbende bij zich had ter bezorging op andere adressen bij de beoordeling te betrekken, althans buiten de rechtsstrijd getreden door de (betwiste en niet vaststaande) feiten zelf in/aan te vullen, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het Hof op grond van de mogelijk aanwezige pakketten in de (bestel)bus en de activiteiten die belanghebbende verricht (bedrijfsvoering) aannemelijk heeft geacht dat sprake is van laden en lossen bij beide parkeer momenten.
6. Conclusie
Wij concluderen tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en vernietiging van de uitspraak van het Hof met terugwijzing.
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Rotterdam,
namens deze: