Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.3.3
16.3.3 Tijdelijk karakter aanstelling
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369766:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover in algemene zin par. 8.3.3.5, 8.4.2 en 9.3.2.
HR 9 februari 2010, NJ 2010, 296 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/92 m.nt. Schmieman (Fuldauer).
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman / Van der Ven). Zie hierover ook Borrius, p. 78.
Aldus Hammerstein (2011, p. 108). Zie ook Assink, Bröring, Timmerman en De Valk, nr. 36 en 37.
Zie het citaat hierboven.
Aldus ook Makkink.
Kamerstukken TK 9596, nr. 5 (Voorlopig Verslag) p. 20 en nr. 6 (MvA), p. 16.
Vgl. Kamerstukken TK 9596, nr. 3 (MvT), p. 9 waar de benoeming van een tijdelijke bestuurder als een diepingrijpende voorziening wordt aangemerkt.
Strikt genomen neemt een tijdelijke bestuurder geen besluiten, maar gebruikt hij zijn stemrecht in het bestuur om bestuursbesluiten tot stand te laten komen. Deze stem is nietig in de gevallen waarin éénzijdige rechtshandelingen nietig zijn (art. 2:13 lid 1 BW).
Art. 2:15 lid 1 sub b BW.
Vgl. bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 10 december 2008 en 12 januari 2010, JOR 2009/ 38 en 2010/61 m.nt. De Bres (AHAM); 24 april 2003 en 15 maart 2005, JOR 2003/166 en 2005/88 (EMBA); 18 oktober 2013, ARO 20123/160 en 13 mei 2015, ARO 2015/146 (Meromi en Jeemer); 17 maart 2014, ARO 2014/61 en 8 december 2015, ARO 2016/14 (Fuhler); en 4 april 2014, JOR 2014/93 m.nt. Olden en 12 april 2016, JOR 2016/234 m.nt. Olden.
Zie over deze problematiek verder par. 9.3.2, 9.5 en par. 16.6.3.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt Doorman, r.o. 3.6 (DSM).
De tekst van art. 2:356 sub c BW bepaalt dat de aanstelling van een bestuurder door de ondernemingskamer “tijdelijk” is. Deze term drukt uit de ondernemingskamer niet op permanente basis mag bepalen wie zitting hebben in het bestuur.1 In de Fuldauer-beschikking2 oordeelde de Hoge Raad over het tijdelijke karakter van de aanstelling van een bestuurder. De Hoge Raad overwoog als volgt:
“3.5.1 Bij de beoordeling van onderdeel 1 is, in cassatie onbestreden, uitgangspunt dat een op de voet van art. 2:298 lid 2 BW door de rechter te treffen voorlopige voorziening kan inhouden dat een tijdelijke bestuurder van de stichting wordt benoemd. Bij de uitleg van deze bepaling kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 2:22 BW en de regeling van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW dan wel die van de voorzieningen van art. 2:356 BW in verbinding met art. 2:357 lid 2 en 3 BW.
[…]
3.6.1 Een op de voet van art. 2:298 lid 2 benoemde bestuurder behoort van zijn bevoegdheden in zoverre een terughoudend gebruik te maken dat hij in beginsel niet meer doet dan past bij de hem als tijdelijke bestuurder opgedragen taak en in de gegeven omstandigheden noodzakelijk is voor een behoorlijk bestuur van de stichting. Dit kan betekenen dat de tijdelijke bestuurder zich moet beperken tot besluiten die geen uitstel kunnen verdragen, maar de in het onderdeel bepleite opvatting dat een tijdelijke bestuurder zich – behoudens bijzondere omstandigheden – steeds daartoe dient te beperken, kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard.”
Deze overweging sluit aan bij het Staleman/Van der Ven-arrest.3 Daaruit valt af te leiden dat de omstandigheden bepalend zijn voor de vraag wat de bestuurstaak in een concreet geval inhoudt. Van een eigenaar van een kickbox- school wordt een andere taakvervulling verwacht dan van een bestuurder van een beursgenoteerde multinational.4 Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren (onder meer) de aard van de door de vennootschap uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen. Uit Fuldauer-beschikking blijkt dat ook het feit dat een bestuurder tijdelijk is aangesteld tevens een omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden.5 Niet goed valt in te zien, hoe dat anders zou kunnen zijn.
De omstandigheid dat de aanstelling tijdelijk is, noopt tot terughoudendheid bij het gebruikmaken van bevoegdheden. Die omstandigheid is niet altijd doorslaggevend.6 Andere omstandigheden kunnen meebrengen dat de bestuurstaak vergt dat niet-terughoudend, of zelfs op ingrijpende wijze gebruik wordt gemaakt van de bestuursbevoegdheid. Dat is ook in lijn met de wetsgeschiedenis. Tijdens de parlementaire behandeling7 van art. 54a WvK (oud, thans art. 2:356 sub c BW) kwam ter sprake of het niet beter is om vast te leggen dat de ondernemingskamer een tijdelijke “beheerder” kan benoemen, in plaats van een tijdelijke “bestuurder”. Daar wilde de minister van Justitie niet aan, omdat daardoor de indruk kan ontstaan dat deze functionaris een beperkte taak heeft. Bedoelde functionaris moet krachtig kunnen optreden om de verhoudingen in de vennootschap te saneren.8
Op deze materie wordt teruggekomen in par. 16.5.3.3 en 16.6.3.
Dat het tijdelijke karakter van de benoeming niet meer is dan een omstandigheid die relevant is bij de beoordeling van bestuurshandelingen blijkt ook als de navolgende overweging uit de Fuldauer-beschikking:
“Als een tijdelijke bestuurder besluiten heeft genomen waartoe hij weliswaar bevoegd is, doch die verder gaan dan past bij de rol van tijdelijke bestuurder als hiervoor bedoeld, zijn deze besluiten niet op de voet van art. 2:14 BW nietig. Het hof heeft vastgesteld dat ook niet binnen de in art. 2:15 lid 5 BW bepaalde termijn tegen de gewraakte besluiten is opgekomen.”9
Het tijdelijke karakter van de aanstelling is dus geen wettelijk vereiste dat op straffe van nietigheid moet worden nageleefd bij het nemen van besluiten. Deze omstandigheid kan wel worden betrokken bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van een besluit wegens strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid.10 De laatste zin in bovenstaand citaat hint daar ook op.
Dat een tijdelijke bestuurder in zijn algemeenheid terughoudendheid moet betrachten, is mijns inziens een uitvloeisel van het subsidiariteitsbeginsel. De aanstelling van een tijdelijke bestuurder is namelijk eerder in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, indien deze in beginsel terughoudend gebruik moet maken van zijn bevoegdheden.
Een verdere vraag is of de tijdelijke bestuurder in beginsel terughoudender moet zijn als deze is aangesteld bij wijze van onmiddellijke voorziening, dan als deze bij wijze van eindvoorziening is aangesteld. In de Fuldauer-beschikking wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang de grondslag waarop de tijdelijke bestuurder is benoemd. Toch zijn er gronden om een dergelijk onderscheid te maken. Een onmiddellijke voorziening is immers een ordemaatregel die wordt getroffen in afwachting van de uitkomst van de derde fase. Het resultaat van die derde fase kan ook zijn dat er achteraf geen reden bleek te zijn om in te grijpen.11 Als de tijdelijke bestuurder in zo’n geval in de tussentijd op vergaande wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden, is dat zuur voor de daardoor getroffen partijen. Om die reden meen ik dat de mate van terughoudendheid die een bij wijze van onmiddellijke voorziening aangestelde bestuurder moet betrachten, mede afhangt van de waarschijnlijke uitkomst van de derde fase.12 In termen van de DSM-beschikking13 dient deze dan voor ogen te houden dat voor het treffen van eindvoorzieningen slechts plaats is indien dit nodig is om wanbeleid te verhelpen. Voor een bij wijze van eindvoorziening aangestelde tijdelijke bestuurder geldt dit niet, zodat deze doortastender kan optreden.