Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/2.7
2.7 Voorrecht en beslag
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625815:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Perrick 3-IV 2007, nr. 63: 'In het algemeen geldt dat de voorrechten op Bepaalde goederen de desbetreffende goederen niet volgen.'
Zie Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 33; Van der Kwaak 1990, p. 236. Dit is uiteraard anders indien een bevoorrechte schuldeiser beslag legt om nakoming van zijn vordering af te dwingen. In dat geval lopen voorrecht en beslag samen. Vgl voor Belgisch recht Jansen 2009, p. 234.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 42. Zie ook Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 12.
Een regeling voor algemene voorrechten is door het onderwerp van dergelijke voorrechten, namelijk het hele vermogen van de schuldenaar, niet nodig, aangezien de schuldeiser zich dan met voorrang kan verhalen op alle goederen van de schuldenaar. Zie voor de stand van zaken vóór 1992, Hammerstein 1977, p. 163-165.
Zie Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III 2003, nr. 383. Het artikel is ongewijzigd overgenomen in art. 285 van het wetsvoorstel tot Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en enige andere wetten in verband met de bevoorrechting van vorderingen, het verbinden van een bijzonder verhaalsrecht aan Bepaalde vorderingen en de invoering van de mogelijkheid van een vereenvoudigde afwikkeling van faillissement (TK 1992-1993, 22 942).
Zie Parl. Gesch. Boek 3, TM p. 864; Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III 2003, nr. 383.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, NvW, p. 864-865; Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III 2003, nr. 383; Van Mierlo 1992, p. 88. Kritisch hierover: Sagaert 2003, p. 603.
Dit is anders indien door de schuldeiser reeds beslag is gelegd op de zaak waarop het voorrecht ziet, zie art. 453a Rv, waarover ook HR 20 februari 2009, NJ 2009, 376 (Ontvanger/De Jong q.q.).
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 864; Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III 2003, nr. 383.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 714.
Zie verder par. 2.8.
Zie hierover Flach 2001, p. 48-53.
Zie Parl. Gesch. Boek 8, p. 284.
Zie Parl. Gesch. Boek 8, p. 777, met verwijzing naar Van Opstall.
Zie Flach 2001, p. 51.
Zie HR 19 september 1958, NJ 1959, 113.
Zie Suijling 1940, nr. 441.
Wanneer van een beslagen zaak vruchten worden afgescheiden, dan vallen die als nieuwe zaken onder een executoriaal beslag op grond van art. 455 en 507 Rv. Burgerlijke vruchten vallen eerst onder het executoriaal beslag, nadat het beslag aan de derde die deze vruchten verschuldigd is, is betekend. Zie Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 35. Afgescheiden vruchten vallen niet onder een conservatoir beslag. Zie Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 37.
Zie Broekveldt 2003, p. 848; Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 39. Onder het oude recht ontbrak een dergelijke regel, zie Broekveldt 2003, p. 848. Voor Belgisch recht wordt toepassing van zaaksvervanging in beginsel mogelijk geacht, zie Dirix 1993, p. 275.
Zie Stein 1998, p. 62.
Zie Broekveldt 2003, p. 853.
Zie Van Mierlo 1997, p. 540.
Vgl. Broekveldt 2003, p. 848.
Zie, ook over de gevolgen van dit verschil, Van Mierlo 1997, p. 541. Vgl. Van Straaten 2009, onder 8, die de eis van betekening afleidt uit art. 507a lid 2 jo art. 507 lid 3 Rv.
Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 235.
Zie Broekveldt 2003, p. 858.
Zie Van Mierlo 1997, p. 543. Zie ook noot Snijders onder HR 9 juni 1995, NJ 1996, 448. Naar Belgisch recht is uitsluitend een regeling getroffen voor beslag op bederfelijke waren, art. 1421 Ger.W. Desondanks wordt aangenomen dat het Belgische recht op algemene wijze bescherming biedt aan beslagleggers door zaaksvervanging. Zie Sagaert 2003, p. 87 en 193.
Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 181; Mijnssen/Van Mierlo 2009, p. 83.
Zie ook noot Steneker onder Rb Rotterdam 29 augustus 2008, JBPr 2008/62, onder 6.
HR 6 februari 2009, NJ 2009, 344. Zie hierover ook Breedveld-de Voogd 2009.
Zie HR 6 februari 2009, NJ 2009, 344, onder 3.4. Zie ook par. 5.2.3.
48.
In de meeste gevallen geeft art. 3:276 BW een voldoende ruime bepaling om verhaalsmogelijkheden van schuldeisers te waarborgen bij veranderingen in de samenstelling van het vermogen van de schuldenaar. Zij mogen zich immers verhalen op alle goederen van de schuldenaar, ongeacht wijzigingen in de samenstelling van diens vermogen. Dit is echter anders als een schuldeiser het recht krijgt zich met voorrang te verhalen op (de opbrengst van) een specifiek goed. Hierboven is reeds aan de orde geweest hoe zaaksvervanging de positie van de pand- en hypotheekhouder versterkt. Ook bij voorrang op grond van bijzondere voorrechten speelt zaaksvervanging in bepaalde gevallen een rol door de hiertoe gerechtigden, in aanvulling op de voorrang bij verhaal op een oorspronkelijk goed, tevens voorrang toe te kennen op een goed dat in de plaats van het oorspronkelijke goed treedt.1
Ook de beslaglegger kan geconfronteerd worden met aantastingen van een zaak waarop hij beslag heeft gelegd. De beslaglegger heeft in beginsel geen bijzondere voorrang bij verhaal ten opzichte van andere schuldeisers en heeft geen goederenrechtelijk recht op de beslagen goederen.2 Beslag is, zoals Mijnssen dat verwoordt, een rechtsbetrekking die (slechts) een zekere gelijkenis vertoont met een zakelijk recht.3 Desondanks spelen vervangingen een rol bij het realiseren van een executieopbrengst en verdienen regels die zien op veranderingen in het beslagen goed, hier enige aandacht.
49.
Art. 3:283 BW geeft een algemene regel van zaaksvervanging voor bijzondere voorrechten.4 Een voorrecht op een bepaald goed strekt zich mede uit over vorderingen tot vergoeding die in de plaats van dat goed zijn getreden, met inbegrip van vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed. Dit is een uitzondering op de regel dat een (bijzonder) voorrecht tenietgaat indien het goed waarop het voorrecht rust, tenietgaat of uit het vermogen van de schuldenaar geraakt.5 De vervanging betreft zowel vorderingen uit verzekering als vorderingen op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.6 Koopsomvorderingen, die in het oorspronkelijke ontwerp van dit artikel voor zaaksvervanging in aanmerking kwamen, vallen uitdrukkelijk niet onder het bereik van deze bepaling.7 Vervreemding van de zaak waarop de schuldeiser een bijzonder voorrecht heeft, leidt tot het einde van het voorrecht.8
Indien het goed waarop het voorrecht betrekking heeft beschadigd raakt, treedt zaaksvervanging op ten aanzien van de vordering die met de waardevermindering samenhangt. De bevoorrechte schuldeiser moet in dat geval derdenbeslag leggen om zijn verhaalsrechten uit te oefenen. Deze vervanging is slechts gedeeltelijk, omdat naast de vordering het oorspronkelijke object voorwerp blijft van het voorrecht.9 Wanneer het voorrecht rust op een zaak waarop bij tenietgaan of beschadiging ook art. 3:229 BW van toepassing is,10 wordt de rangorde van de verschillende aanspraken bepaald door de rang die ten aanzien van het oorspronkelijke goed bestond.
De wet kent op enkele plaatsen regels die vergelijkbaar zijn met art. 3:283 BW. In Boek 5 BW is met betrekking tot voorrechten (en beslag) op een appartementsrecht een bijzondere regeling opgenomen in art. 5:114 lid 1 en 2 BW.11 Boek 8 BW bevat art. 8:214 en 8:824 BW, waarin voorrechten op zeeschepen van art. 8:211 BW en op binnenschepen van art. 8:821 BW worden uitgebreid tot schadevergoedingen verschuldigd voor het verlies van het schip of voor de niet-herstelde beschadiging daarvan.12
Art. 8:824 BW heeft een bijzondere achtergrond. Het vindt zijn herkomst in art. 14 lid 2 onder b van het Protocol Nr. 1 Geneefs Verdrag inschrijving binnenschepen 1965. Art. 8:214 BW is hierop afgestemd vanwege de interne consistentie van de wet.13 Voor beide bepalingen geldt dat vorderingen op grond van verzekering van het schip tegen risico van verlies of averij worden uitgesloten. Om verwarring met het anders uitgewerkte art. 3:283 BW te voorkomen, wordt dit artikel uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard. Mede gezien de herkomst van de bepalingen, wordt in de parlementaire geschiedenis aangenomen dat deze regel van zaaksvervanging slechts geldt voor vorderingen tot betaling van schadevergoeding en niet voor geïnde bedragen.14 Flach merkt hierbij mijns inziens terecht op dat dit, gezien de ratio van de bepaling, niet vanzelfsprekend is.15
Onder het oude recht bestond geen algemene regel van zaaksvervanging voor voorrechten en een dergelijke toepassing werd in de rechtspraak afgewezen.16 Uitsluitend indien een specifieke wettelijke grondslag bestond, werd hierop een uitzondering gemaakt. Een dergelijke grondslag kon voor bepaalde voorrechten op schepen worden gevonden in het Wetboek van Koophandel. De voorrechten van art. 318c en 318f WvK strekten zich op grond van art. 318g WvK uit tot de vergoedingen die uit andere hoofde dan krachtens overeenkomst van verzekering, verschuldigd waren wegens beschadiging of verlies van het schip, of wegens gedeeltelijk of geheel verlies van een vordering die voortspruit uit het met het schip uitgeoefende bedrijf.17
50.
Indien een schuldeiser beslag heeft gelegd op een goed van zijn schuldenaar, kunnen veranderingen in dat goed gevolgen hebben voor dit beslag. Het object van het beslag verandert bijvoorbeeld wanneer dit ernstig beschadigd raakt.18 Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft ook regels van zaaksvervanging, in de zin dat een goed in een bepaalde rechtsbetrekking wordt vervangen door een ander goed.19 Voorbeelden hiervan zijn art. 455a en 507a Rv, welke bepalingen zijn ingevoerd naar aanleiding van de hiervoor behandelde art. 3:283 en 3:229 BW.20 Zij bevatten regelingen voor gevallen waarin vergoedingsvorderingen op derden ontstaan die samenhangen met enerzijds roerende zaken, niet-registergoederen en anderzijds onroerende zaken waarop een executoriaal beslag rust. Voor het verkrijgen van het vervangende recht is op grond van de regeling van art. 455a Rv vereist dat het beslag aan de schuldenaar van de vervangende vordering wordt betekend.21 Daarnaast geldt, niet-constitutief, dat de beslagene hiervan binnen acht dagen op de hoogte moet worden gesteld (art. 455a lid 2 jo art. 475i Rv).22 Het vervangende beslag ontstaat dus niet zuiver van rechtswege.23 Bekendheid van de schuldenaar van de beslagen vordering met het recht van de beslaglegger is, evenals bij direct gelegd derdenbeslag op grond van art. 475 Rv, een voorwaarde voor het ontstaan van diens recht. Hierin wijkt de regel af van de zaaksvervanging die op grond van art. 3:229 BW optreedt ten behoeve van de pandhouder.24
Bij beslag op onroerende zaken wordt deze extra voorwaarde niet gesteld door art. 507a Rv.25 De parlementaire geschiedenis stelt uitsluitend dat dit artikel overeenkomt met art. 455a Rv en zwijgt over het geconstateerde verschil.26 Een reden hiervoor kan zijn dat een dergelijk beslag ook zonder betekening voor de derde (indirect) kenbaar is uit de openbare registers (art. 505 Rv). Broekveldt neemt aan dat hier echter ook geldt dat de vergoedingsvordering pas door het beslag wordt getroffen, nadat het ingeschreven beslag op de onroerende zaak aan de derde is betekend.27
Voor beslag op andere goederen ontbreken vergelijkbare regels van zaaksvervanging.28 Wel bepaalt art. 477 lid 5 Rv dat bij derdenbeslag op vorderingen tot afgifte van goederen ten aanzien van goederen die in handen van de deurwaarder zijn gesteld, deze geëxecuteerd kunnen worden overeenkomstig de gewone regels die voor executie van dergelijke goederen gelden. De afgifte van de te leveren zaak aan de deurwaarder geldt als levering aan de beslagene. De derde is daarmee van zijn verplichting bevrijd en de beslagen vordering gaat teniet.29 De beslaglegger krijgt echter het recht het ontvangen goed, dat toebehoort aan de beslagene, te executeren. Het ontvangen goed valt dus onder het beslag. Hieruit is af te leiden dat deze goederen blijkbaar in de plaats treden van de vordering tot afgifte als object van het beslag.30
Voor zaaksvervanging is geen plaats in het geval een beslag op een registergoed vervalt door vervreemding op grond van een vóór het beslag ingeschreven koopovereenkomst. Een later gelegd beslag kan op grond van art. 7:3 lid 3 onder f BW niet tegen de koper worden ingeroepen. Het beslag gaat teniet en de beslaglegger krijgt geen vervangend beslag op de koopsom die bij de notaris is betaald in het kader van deze overdracht, zo bevestigde de Hoge Raad.31 De beslaglegger dient zich volgens de wetgever en de Hoge Raad tegen dit verlies te wapenen door beslag te leggen op de koopsomvordering onder de koper en/of de notaris.32