Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.3.3
8.2.3.3 Inzage in de administratie
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971941:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3:15j BW.
Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 824, nr. 3 (MvT), p. 8-9: “Omdat niet uitgesloten kan worden dat zich ook buiten de in artikel 11 WvK genoemde gevallen verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging gevorderd kan worden, is het limitatieve karakter van die bepaling niet gehandhaafd.”
Zie Van der Korst 2022, p. 1083; Van der Korst (diss.) 2007, p. 176; Wijers & Haasjes 2006, p. 52; en Van Veersen 2006, p. 9. Vgl. De Groot & Bakker 2011, p. 260-261, waar een iets terughoudender standpunt lijkt te worden ingenomen.
Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 824, nr. 3 (MvT), p. 8
Zie HR 9 oktober 1942, NJ 1942/821 (Ter Horst q.q./Bouman), waarin de Hoge Raad overwoog “dat art. 36 K. den aandeelhouder eener N. V. vennoot noemt en geen afdoende reden aanwezig is, waarom in art. 11 van dit zelfde Wetboek deze term den aandeelhouder niet zou omvatten; dat dan ook de Rechtbank terecht heeft aangenomen, dat ook den aandeelhouder, mits hij daarbij een regelrecht belang heeft, het bij art. 11 gegeven recht toekomt;”, waarover ook Rutgers (diss.) 1949, p. 230-231.
Aldus ook Asser/Maeijer 2-III 1994, nr. 47; en Handboek 1992, nr. 67.
HR 8 april 2016, NJ 2016/221 (Schmitz q.q./Aerts), r.o. 3.4.3.
Op grond van artikel 3:15j BW kan openlegging van administratie worden gevorderd, indien en voor zover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, door (a) erfgenamen, ten aanzien van de boekhouding van de erflater; (b) deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de boekhouding betreffende die gemeenschap; (c) vennoten, ten aanzien van de boekhouding van hun vennootschap; en (d) schuldeisers in het geval van faillissement ten aanzien van de boekhouding van de failliet.1 Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:15j BW volgt dat deze opsomming niet limitatief is bedoeld,2 als gevolg waarvan de vraag opkomt of aandeelhouders zich ook op deze bepaling zouden kunnen beroepen. Ik sluit mij aan bij de meerderheidsopvattingen uit de literatuur dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord.3
Het is ongelukkig dat artikel 3:15j BW niet verwijst naar aandeelhouders en dat in de parlementaire geschiedenis ook geen aandacht is besteed aan de positie van de aandeelhouder. Met de invoering van het huidige artikel 3:15j BW in 2001 heeft de wetgever beoogd de redactie van diens voorganger, artikel 11 WvK (oud), te verduidelijken en te moderniseren.4 Kennelijk zijn daar geen wezenlijke inhoudelijke wijzigingen mee beoogd. Dat de aandeelhouder niet uitdrukkelijk wordt genoemd, wringt dan des te meer gezien de onduidelijke reikwijdte van artikel 11 WvK (oud) op dit punt.
In 1942 overwoog de Hoge Raad in Ter Horst q.q./Bouman dat onder ‘vennoten’ in de zin van artikel 11 WvK (oud) mede diende te worden verstaan ‘aandeelhouders’.5 Deze overweging was gebaseerd op een grammaticale uitleg van het oude 36 WvK (oud), waarin aandeelhouders nog werden aangeduid als vennoten. Die terminologie is – in ieder geval sinds de inwerkingtreding van Boek 2 BW in 1976 – achterhaald;6 de term ‘vennoot’ wordt uitsluitend nog gebruikt in de context van personenvennootschappen. Indien de wetgever had beoogd dat aandeelhouders ook een beroep zouden kunnen doen op artikel 3:15j BW, gelijk de Hoge Raad overwoog in Ter Horst q.q./Bouman, dan had het op de weg van de wetgever gelegen om dit te verduidelijken in de wettekst. Het lijkt echter erop dat de wetgever eenvoudigweg over het hoofd heeft gezien artikel 3:15j BW op dit punt te moderniseren of te verduidelijken. Dat is een gemiste kans.
Er is weinig richtinggevende doctrine over wat dient te worden verstaan onder een rechtstreeks en voldoende belang. Het Schmitz q.q./Aerts-arrest impliceert een beperkte uitleg van dit criterium:
“Van een dergelijk belang is sprake indien de schuldeiser inzage in de boekhouding van de failliet verlangt teneinde zijn rechtsbetrekking met de failliet – en daarmee met de boedel – nader vast te (doen) stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot de hoogte, aard of inhoud van zijn vordering. Indien echter inzage wordt verlangd met het oog op een mogelijk door hem in te stellen vordering tegen een derde, zoals de voormalige beleidsbepaler van een failliete vennootschap, is geen sprake van een rechtstreeks en voldoende belang als bedoeld in art. 3:15j, aanhef en onder d, BW.”7
De Hoge Raad lijkt het vereiste rechtstreeks en voldoende belang te koppelen aan het doel dat het inzagerecht heeft te dienen. Ook hier wreekt zich het gegeven dat de aandeelhouder niet is opgenomen in de opsomming van artikel 3:15j BW. Daarmee is het niet eenvoudig te bepalen voor welke doelen de aandeelhouder een beroep kan doen op het inzagerecht. Mijns inziens ligt voor de hand dat met het redelijk belang waaraan de aandeelhouder zijn informatierecht ontleent, het vereiste rechtstreeks en voldoende belang is gegeven. Het doel van het inzagerecht ex artikel 3:15j BW is dan gelegen in de mogelijkheid van de aandeelhouder om zijn rechtspositie te bepalen, en zo nodig te beschermen, althans om hem in staat te stellen op geïnformeerde wijze deel te nemen aan besluitvorming.