Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.7.1
5.7.1 De rechtsvorm stichting
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633513:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 2012, p. 89, 90.
Van der Ploeg 2014, p. 394.
Van der Ploeg 2014, p. 392, 393.
Van der Ploeg 2012, p. 91.
Overes 2021, Commentaar op art. 2:285 BW, aant. 7; Asser/Rensen 2-III 2017/324; Van Veen 2012, p. 391.
Overes 2021, Commentaar op art. 2:285 BW, aant. 7.
Schmieman 2021, aant. 1 en 4 bij artikel 2:285 BW, digitale versie, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Van Veen 2012, p. 394, 398.
Het instellen van een raad van commissarissen is mogelijk, hiervoor biedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (wbtr) een wettelijke basisregeling. Het instellen van een raad voor commissarissen is echter niet verplicht.
Van der Ploeg 2014, p. 394-396.
Een geestelijk genootschap kan kiezen voor de rechtsfiguur stichting. Een stichting is een rechtspersoon zonder leden die met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel beoogt te verwezenlijken (art. 2:285, lid 1 BW). Deze rechtsvorm komt vooral voor bij rsl-gemeenschappen die minder belang hechten aan zeggenschap van de leden of wanneer ze bepaalde activiteiten afzonderlijk willen financieren.1
De stichting als rechtsvorm is voor het eerst wettelijk geregeld in de Wet op Stichtingen van 31 mei 1956, hoewel ze voordien als rechtspersoon bekend was. Voor de stichting geldt een leden- en een uitkeringsverbod (art. 2:285 BW). Het ledenverbod houdt in dat de stichting geen leden kent noch een orgaan kent met dezelfde bevoegdheden als de algemene vergadering in de vereniging. Verspreiden van die bevoegdheden over diverse organen met verschillende personen is wel mogelijk.2 De stichting kent weliswaar geen leden, maar ze kan wel aangeslotenen, contribuanten en deelnemers hebben, aan wie statutair een of meer organisatorische bevoegdheden kunnen worden toegekend.3 Van der Ploeg geeft als voorbeeld dat de statuten van een geloofsgemeenschap met de rechtsvorm stichting kunnen bepalen dat gelovigen zich op hun verzoek als aangeslotenen aan de stichting kunnen binden, daarmee deel gaan uitmaken van de vergadering van aangeslotenen en dat deze vergadering de bevoegdheid heeft om een of meer, of alle leden van het stichtingsbestuur te benoemen en te ontslaan.4 Op die manier is ook bij de stichting enige mate van medezeggenschap en controle op het bestuur mogelijk.5 Er is volgens Rensen pas sprake van overtreding van het ledenverbod als de vergadering van aangeslotenen, deelnemers of contribuanten overwegende zeggenschap heeft over structuur, inrichting en samenstelling van de overige organen van de stichting.6
Het uitkeringsverbod betekent dat de stichting niet als doel – zowel statutair als feitelijk7 – mag hebben uitkeringen te doen aan haar oprichters en leden van haar organen. Aan anderen mag ze evenmin uitkeringen doen, tenzij de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben (art. 2:285, lid 3 BW). Een uitkering is een prestatie waar geen gelijkwaardige tegenprestatie tegenover staat.8 Een redelijk bestuursloon is dan ook niet uitgesloten.9 Het uitkeringsverbod kenmerkt de stichting als een ideële organisatie, die niet direct materieel voordeel voor de betrokkenen nastreeft, maar houdt geen verbod in om winst te maken.10 De ratio van het uitkeringsverbod is dat de stichting weliswaar een onderneming mag drijven, maar niet tot eigen profijt van oprichters, bestuurders, leden van haar organen of anderen. Daarmee heeft de wetgever de stichting net als de vereniging willen onderscheiden van commerciële rechtsvormen als de nv, bv en de coöperatieve vereniging.11
Omdat de stichting in tegenstelling tot andere rechtspersonen geen controlerend en corrigerend orgaan naast het bestuur kent,12 heeft de rechter bepaalde wettelijke bevoegdheden – ambtshalve of op verzoek van het OM of van belanghebbenden – zoals statutenwijziging (art. 2:294-2:296 BW), ontslaan van bestuurders (art. 2:298 BW) en ontbinding van de stichting (art. 2:301 BW).13