Hof Den Haag, 17-08-2023, nr. BK-21/01046, nr. BK-21/01047, nr. BK-21/01048, nr. BK-21/01049, nr. BK-21/01050, nr. BK-21/01051, nr. BK-21/01052, nr. BK-21/01053, nr. BK-21/01054, nr. BK-21/01055, nr. BK-21/01056, nr. BK-21/01057, nr. BK-21/01058, nr. BK-21/01059, nr. BK-21/01060, nr. BK-21/01061, nr. BK-21/01062, nr. BK-21/01063, nr. BK-21/01064, nr. BK-21/01065, nr. BK-21/01066, nr. BK-21/01067, nr. BK-21/01068, nr. BK-21/01069, nr. BK-21/01070
ECLI:NL:GHDHA:2023:1853
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
17-08-2023
- Zaaknummer
BK-21/01046
BK-21/01047
BK-21/01048
BK-21/01049
BK-21/01050
BK-21/01051
BK-21/01052
BK-21/01053
BK-21/01054
BK-21/01055
BK-21/01056
BK-21/01057
BK-21/01058
BK-21/01059
BK-21/01060
BK-21/01061
BK-21/01062
BK-21/01063
BK-21/01064
BK-21/01065
BK-21/01066
BK-21/01067
BK-21/01068
BK-21/01069
BK-21/01070
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:1853, Uitspraak, Hof Den Haag, 17‑08‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1407
ECLI:NL:GHDHA:2023:561, Uitspraak, Hof Den Haag, 01‑03‑2023; (Hoger beroep, Wraking)
- Vindplaatsen
NLF 2023/2383
NLF 2023/1042
Viditax (FutD) 2023050205
FutD 2023-1194
Uitspraak 17‑08‑2023
Inhoudsindicatie
BPM; taxatierapporten, schade, onderhoudspakket, historische nieuwprijs, correctiefactoren Eurotaxglass's, controle op fiscale discriminatie, onbekend verleden, kosten deskundige, proceskosten machtigde.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-21/01046 tot en met BK-21/01070
Uitspraak van 17 augustus 2023
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: H. van Dam)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 september 2021, nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552, van 7 september 2021, nummer SGR 20/5771 en van 10 september 2021, nummer SGR 20/5799.
Procesverloop
1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende drie naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd en telkens daarbij bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de zaken ter verdere behandeling en beslissing heeft verwezen naar de Rechtbank. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
(in de zaken met de nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552)
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 19.449 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.999,50;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht € 338 aan haar te vergoeden.”
(in de zaak met nummer SGR 20/5771)
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 948 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.333;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.”
(in de zaak met nummer SGR 20/5799)
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.581;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.333;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is driemaal een griffierecht van € 541 geheven. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk, gedagtekend 10 oktober 2022, ingediend en de Inspecteur heeft nog een nader stuk, gedagtekend 4 november 2022, ingediend.
1.5.
Na indiening van nadere stukken op 8 november 2022 (waarop de Inspecteur bij e-mail van 14 november 2022 heeft gereageerd) en 15 november 2022 heeft belanghebbende vóór de geplande mondelinge behandeling op 17 november 2022 een verzoek tot wraking ingediend.
1.6.
De wrakingskamer heeft het onder 1.5 vermelde verzoek bij beslissing van 1 maart 2023 afgewezen.
1.7.
Belanghebbende heeft bij e-mail van 27 juni 2023 (later ingediend via het webportaal) en via het webportaal op 4 juli 2023 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de Inspecteur.
1.8.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 juli 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
(in de Hofzaken met de nummers BK-21/01046 t/m BK-21/01068; Rechtbank-nummers SGR 20/5530 t/m SGR 20/5552)
2.1.
Belanghebbende heeft in de periode van 12 januari 2016 tot en met 13 maart 2017 ter zake van de registratie van de volgende auto’s afkomstig uit Italië, Spanje en Duitsland (de auto’s) op aangifte bpm voldaan.
Nummer | merk/type | aangifte | voldaan | zaaknummer Rechtbank |
1 | Opel Zafira Tourer | 12-1-2016 | € 5.344 | SGR 20/5530 |
2 | Opel Mokka | 21-1-2016 | € 2.781 | SGR 20/5531 |
3 | Suzuki Swift | 3-1-2016 | € 1.001 | SGR 20/5532 |
4 | Ford C-Max | 5-2-2016 | € 1.092 | SGR 20/5533 |
5 | Opel Zafira Tourer | 5-2-2016 | € 2.376 | SGR 20/5534 |
6 | Opel Mokka | 18-4-2016 | € 2.751 | SGR 20/5535 |
7 | BMW 525D | 19-4-2016 | € 4.781 | SGR 20/5536 |
8 | Opel Meriva | 21-6-2016 | € 2.874 | SGR 20/5537 |
9 | Opel Mokka | 22-6-2016 | € 3.317 | SGR 20/5538 |
10 | Opel Meriva | 4-7-2016 | € 2.549 | SGR 20/5539 |
11 | Opel Meriva | 4-7-2016 | € 2.488 | SGR 20/5540 |
12 | BMW 530D | 20-7-2016 | € 5.354 | SGR 20/5541 |
13 | Opel Mokka | 2-8-2016 | € 2.826 | SGR 20/5542 |
14 | Opel Meriva | 22-8-2016 | € 3.526 | SGR 20/5543 |
15 | Ford C-Max | 29-8-2016 | € 968 | SGR 20/5544 |
16 | Ford Focus | 19-9-2016 | € 2.450 | SGR 20/5545 |
17 | Opel Mokka | 26-9-2016 | € 3.106 | SGR 20/5546 |
18 | Opel Mokka | 17-10-2016 | € 3.312 | SGR 20/5547 |
19 | Opel Adam | 17-11-2016 | € 876 | SGR 20/5548 |
20 | Opel Zafira Tourer | 7-12-2016 | € 2.305 | SGR 20/5549 |
21 | Opel Zafira Tourer | 28-12-2016 | € 2.845 | SGR 20/5550 |
22 | Renault Captur | 16-1-2017 | € 1.328 | SGR 20/5551 |
23 | Renault Kadjar | 13-3-2017 | € 1.687 | SGR 20/5552 |
2.2.
Belanghebbende heeft de in de aangiften vermelde handelsinkoopwaarden gebaseerd op taxatierapporten van [naam taxateur] (de taxatierapporten). In de taxatierapporten is, behalve voor auto 22, steeds uitgegaan van koerslijstinformatie van XRAY voor een marge-auto. Voor auto 22 is uitgegaan van koerslijstinformatie van Eurotaxglass’s. Op de aldus bevonden koerslijstwaarden is steeds een bedrag aan schade in mindering gebracht gebaseerd op bij de taxatierapporten gevoegde schadecalculaties. Die schadebedragen zijn verminderd met een bedrag voor normale gebruikssporen, dat is bepaald aan de hand van een matrix die uitgaat van de ouderdom van de auto en het aantal daarmee gereden kilometers.
2.3.
De Inspecteur heeft de aangiften geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en belanghebbende verzocht de auto’s daartoe te tonen op de locatie Soesterberg respectievelijk Bleiswijk. Belanghebbende heeft aan die verzoeken niet voldaan.
2.4.
Belanghebbende heeft vervolgens met dagtekening 15 september 2017 een naheffingsaanslag opgelegd, gebaseerd op de handelsinkoopwaarden volgend uit de koerslijsten zonder rekening te houden met een waardevermindering vanwege schade. De naheffingsaanslag bedraagt inclusief belastingrente € 31.377, de belastingrente is berekend op € 800.
2.5.
Voor de auto’s 20 en 21 heeft de Inspecteur in het verweerschrift in eerste aanleg vermeld dat belanghebbende een deel van de schade aannemelijk heeft gemaakt en dat de naheffingsaanslag met respectievelijk € 419 en € 327 moet worden verminderd.
2.6.
In het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur verder vermeld dat aanspraak bestaat op extra leeftijdskorting en dat de naheffingsaanslag daarom met € 5.487 moet worden verminderd.
(in de Hofzaak met nummer BK-21/01069; Rb nummer SGR 20/5771)
2.7.
Belanghebbende heeft op 1 september 2017 aangifte voor de bpm gedaan ter zake van de registratie van een uit Italië afkomstige personenauto van het merk en type Opel Mokka-X 1.4 (auto 24). De datum van eerste toelating is 16 februari 2017. De aangifte resulteert in een te betalen bedrag van € 2.798. Dit bedrag heeft belanghebbende voldaan.
2.8.
Belanghebbende heeft de in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde van € 10.825 gebaseerd op een taxatierapport van [naam taxateur] van 31 augustus 2017. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 20.685, gebaseerd op de koerslijstinformatie van XRAY marge. Dit bedrag is verminderd met een schadecalculatie van € 9.860.
2.9.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door DRZ en belanghebbende verzocht de auto daartoe te tonen op de locatie Soesterberg. Belanghebbende heeft aan dat verzoek niet voldaan.
2.10.
De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 23 maart 2018 een naheffingsaanslag opgelegd. Deze naheffingsaanslag is gebaseerd op een handelsinkoopwaarde van de auto van € 20.685, zonder rekening te houden met een waardevermindering vanwege schade. Wel is een extra leeftijdskorting toegepast van € 416. De naheffingsaanslag bedraagt € 2.133, de belastingrente is berekend op € 19.
De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank erkend dat het tarief van 2016 mag worden toegepast.
(in de Hofzaak met nummer BK-21/01070; Rb nummer SGR 20/5799)
2.11.
Belanghebbende heeft op 7 mei 2018 aangifte voor de bpm gedaan ter zake van de registratie van een uit Italië afkomstige personenauto van het merk en type Opel Mokka-X 1.4 (auto 25). De datum van eerste toelating is 16 februari 2017. De aangifte resulteert in een te betalen bedrag van € 2.067. Dit bedrag heeft belanghebbende voldaan.
2.12.
Belanghebbende heeft de in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde van € 7.999 gebaseerd op een taxatierapport van [naam taxateur] van 1 mei 2018. Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 17.393, gebaseerd op de koerslijstinformatie van XRAY marge. Dit bedrag is verminderd met € 9.394 schade.
2.13.
De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door DRZ en belanghebbende verzocht de auto daartoe te tonen op de locatie Soesterberg. Belanghebbende heeft aan dat verzoek niet voldaan.
2.14.
De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 31 oktober 2018 een naheffingsaanslag opgelegd. Deze naheffingsaanslag is gebaseerd op een handelsinkoopwaarde van de auto van € 17.393, zonder rekening te houden met een waardevermindering vanwege schade. De naheffingsaanslag bedraagt € 2.326. De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank erkend dat het tarief van 2016 mag worden toegepast.
Oordelen van de Rechtbank
3.1.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak in de zaken met de nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552 voor zover van belang het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
Bijlagen bij de pleitnota
8. De gemachtigde van eiseres heeft de dag voor de zitting om 17:02 een pleitnota met drie bijlagen naar de rechtbank gefaxt. Deze bijlagen zijn dus niet binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn ingediend. Bijlage 1 bij de pleitnota betreft een (slecht leesbare) cijfermatige uitwerking van de verschillende door eiseres ingenomen standpunten. Eiseres beschikt reeds sedert eind mei 2018 over het verweerschrift en de bijlagen daarbij en sedert half februari 2020 over het nader stuk van verweerder. Gesteld noch gebleken is dat eiseres de bijlagen bij haar pleitnota niet tijdig heeft kunnen indienen. De rechtbank heeft bijlage 1 daarom tardief verklaard wegens strijd met de goede procesorde en daarbij mede in aanmerking genomen dat verweerder bezwaar heeft gemaakt tegen het tot de gedingstukken rekenen van de bijlagen 1 en 2 bij de pleitnota. Bijlagen 2 en 3 maken wel deel uit van de gedingstukken.
Toonplicht
9. Nu in de taxatierapporten schade aan de auto’s wordt vermeld, heeft verweerder kunnen en mogen besluiten de auto’s aan een onderzoek door DRZ te onderwerpen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een verzoek van DRZ om een auto voor onderzoek te tonen op een daartoe aangewezen locatie op zichzelf proportioneel is2. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. Het niet voldoen aan de toonplicht heeft echter geen bewijsrechtelijke gevolgen.3 Eiseres heeft immers, bij betwisting door verweerder, al de bewijslast voor haar stelling dat de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen.
Historische nieuwprijs auto’s 1, 8 tot en met 11, 13 en 14
10. Aan de berekeningen in de taxatierapporten voor de auto’s 1, 8 tot en met 11, 13 en 14 zijn XRAY koerslijsten ten grondslag gelegd waarop zowel de handelsinkoopwaarde als de historische nieuwprijs van het desbetreffende voertuig staan vermeld. Eiseres is uitgegaan van de in die koerslijsten vermelde handelsinkoopwaarde. De rechtbank leidt daaruit af dat het hier volgens eiseres geschikte referentieobjecten betreft. Verweerder heeft dat niet bestreden en de rechtbank ziet ook geen reden daar anders over te oordelen. De enkele stelling dat er gelijkwaardige binnenlandse voertuigen zijn met een lagere CO2 uitstoot, geeft de rechtbank dan ook geen aanleiding om enkel voor wat betreft de historische nieuwprijs af te wijken van de gegevens vermeld op die aan de taxatierapporten ten grondslag gelegde koerslijsten. Dat betekent dat voor deze auto’s moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijzen zoals die blijken uit de XRAYkoerslijsten.
Vermindering koerslijstwaarde auto 22
11. Eiseres is voor auto 22 in het taxatierapport uitgegaan van een Eurotaxglass’s koerslijst waarin voor de onderdelen marksituatie en dealersituatie nihil is ingevuld. In het arrest van de HR van
15 november 2019 is onder meer het volgende overwogen:
“Aangenomen moet worden dat alle in een koerslijst gespecificeerde factoren van invloed kunnen zijn op de prijs die een wederverkoper bereid is te betalen bij de inkoop van een particulier van een in Nederland geregistreerd, gebruikt motorvoertuig. Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass’s rekening houdt, behoort de ‘marktsituatie handelaar”.
Verder kan uit dat arrest worden afgeleid dat de invloed van de marktsituatie handelaar ten hoogste 5% bedraagt. In dit geval is in de gebruikte koerslijst van Eurotaxglass’s geen rekening gehouden met de marktsituatie handelaar zodat alsnog een vermindering van 5% in aanmerking genomen mag worden. Dat ook de in de koerslijst vermelde ‘dealersituatie’ een vermindering van 5% met zich mee zou moeten brengen, blijkt daaruit niet. Gesteld noch gebleken is echter dat dit niet het geval is. De rechtbank zal dan ook aan beide factoren een vermindering van 5% toekennen. De koerslijstwaarde wordt dan € 12.128.
Schade
12. Zoals hiervoor reeds is overwogen, rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op eiseres. Zij wijst daartoe op de taxatierapporten en de daarbij behorende foto’s en schadecalculaties.
13. Verweerder heeft aangevoerd dat in de taxatierapporten ten onrechte de volgende zaken als schade in aanmerking worden genomen: Polijsten, Nederlandstalig onderhoudsboekenpakket, huurverleden en expertisekosten. Verder heeft verweerder aangevoerd dat eiseres ten onrechte meer dan 72% van de door haar gecalculeerde schade in aanmerking heeft genomen.
14. Ter zitting is vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat eiseres ten onrechte voor iedere auto een schadebedrag van € 1.139 heeft opgevoerd vanwege het huurverleden van de auto’s en ten onrechte voor de auto’s 2 tot en met 5 een schadebedrag van € 101 aan expertisekosten in aanmerking heeft genomen.
15. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket schade is die van invloed is op de handelsinkoopwaarde van de auto. De rechtbank acht alleen het originele onderhoudsboekje van belang, aangezien een nieuwe Nederlandstalige versie geen vastleggingen van het eerder in het buitenland gepleegde onderhoud bevat.
16. Aan de hand van de foto’s die bij de taxatierapporten zijn gevoegd, de toelichting daarop ter zitting door eiseres en de analyses uit bijlage 13 bij het verweerschrift heeft de rechtbank het volgende vastgesteld. Voor de auto’s 4, 15, 16 en 23 heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schade. Voor de auto’s 3, 8, 9, 11 tot en met 14, 17, 19, 20 en 21 heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer schade dan door verweerder in bijlage 13 als maximaal schadebedrag is vermeld. Voor de auto’s 1, 2, 6, 7, 10, 18 en 22 heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat er van een hoger bedrag aan schade moet worden uitgegaan dan door verweerder in bijlage 13 is vermeld.
Voor wat betreft voertuig 5 heeft verweerder in bijlage 13 bij zijn verweerschrift geen gegevens verstrekt. Ter zitting heeft verweerder verklaard een maximale schade van
€ 1.651,15 aannemelijk te achten. Eiseres heeft met wat zij heeft aangevoerd en overgelegd voor deze auto echter aannemelijk gemaakt dat sprake is van lakschade waarmee volgens de schadecalculatie een bedrag van € 3.677 is gemoeid. Dat betekent dat bovenop het bedrag van € 1.651 nog een bedrag van € 2.026 in aanmerking moet worden genomen.
17. Uit artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) in samenhang bezien met Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling volgt dat van de vastgestelde schade 72% in mindering mag worden gebracht op de handelsinkoopwaarde tenzij eiseres aannemelijk maakt dat de schade naar een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen4. Eiseres is daarin niet geslaagd. In de schadecalculaties in de taxatierapporten, ook in samenhang bezien met het in die taxatierapporten opgenomen beeldmateriaal, is onvoldoende steun te vinden voor de conclusie dat met betrekking tot één of meer van de auto’s sprake is van schade die tot een hogere waardevermindering dan 72% dient te leiden. De taxatierapporten bevatten daarvoor ook geen onderbouwing. Dat sprake is van schade van uitzonderlijke aard is verder gesteld noch gebleken. De rechtbank zal de vastgestelde schade dan ook slechts voor 72% in aanmerking nemen.
Tarief voorgaande jaar
18. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat voor de auto’s 8, 9, 10, 11, 13, 14 en 19 het tarief van het voorgaande jaar, te weten 2015, kan worden toegepast moet voor die auto’s worden uitgegaan van de volgende bruto bpm bedragen:
-auto 8 € 7.415
-auto 9 € 8.087
-auto 10 € 7.415
-auto 11 € 7.415
-auto 13 € 6.967
-auto 14 € 10.586
-auto 19 € 3.607
Leeftijdskorting
19. Eiseres heeft het totaalbedrag van de door verweerder in het verweerschrift alsnog toegekende extra leeftijdskorting niet weersproken. De rechtbank gaat daarom uit van dit bedrag. Dat betekent dat de naheffingsaanslag ook moet worden verminderd met een bedrag van € 5.487.
rentebeschikking
20. Eiseres heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de rentebeschikking aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat de rente in strijd met hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is berekend. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslag.
Slotsom
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en moet de naheffingsaanslag worden verminderd tot € 19.449. Zie voor de cijfermatige uitwerking de bijlage bij deze uitspraak.
Immateriële schade
22. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
23. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad5 een tarief van € 500 per halfjaar (naar boven afgerond) dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
24. Het bezwaarschrift is op 19 september 2017 door verweerder ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 2 februari 2018. De uitspraak van de rechtbank wordt op 10 september 2021 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase bijna vier heeft geduurd. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond twee jaar. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig te worden toegerekend aan de beroepsfase.
Proceskosten
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.999,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken). De overige door eiseres genoemde kosten, te weten de kosten voor deskundigenbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het taxatierapport is niet uitgebracht ten behoeve van de bezwaar en beroepsfase maar ten behoeve van de aangifte. Er is dan ook geen sprake van een door een deskundige uitgebracht verslag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit. Voor vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding nu niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8.60, lid 4 van de Awb.6 Dat ter zitting is verklaard dat de deskundige een toelichting kan geven op de taxatierapporten leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van de deskundige lijkt aldus vooral ingegeven te zijn door de wens de positie van de gemachtigde te versterken voor het geval er vragen gesteld zouden worden over de taxatierapporten. Dat is onvoldoende reden voor vergoeding van daarmee gemoeide kosten7.
2 Vgl. Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317
3 Vgl. Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317 en ECLI:NL:HR:2020:318
3.2.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak in de zaak met nummer SGR 20/5771 voor zover van belang het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
(…)[De overwegingen 8 en 9 zijn identiek aan de overwegingen 8 en 9, hiervoor vermeld onder 3.1]
Schade
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de sporen van normaal gebruik zijn verdisconteerd in de koerslijstwaarde, zodat hiermee niet nogmaals rekening kan worden gehouden. Er kan dus alleen een aftrek op de koerslijstwaarde worden toegepast indien en voor zover sprake is van waardevermindering als gevolg van meer dan normale gebruikssporen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, rust de bewijslast hiervoor op eiseres.
11. Voor wat betreft het boekenpakket van € 103 (incl. btw) heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van schade die van invloed is op de handelsinkoopwaarde van de auto3. De rechtbank acht alleen het originele onderhoudsboekje van belang, aangezien een nieuwe Nederlandstalige versie geen vastleggingen van het eerder in het buitenland gepleegde onderhoud bevat.
12. Met het taxatierapport en de daarbij behorende foto’s, met name de foto’s op pagina 19, 20 en 23 heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van schade aan het portier linksvoor, het portier linksachter en het portier rechtsachter voor een bedrag van € 2.963 (incl. btw). Voor het overige heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van enige schade die niet kan worden beschouwd als normale gebruikssporen.
13. Van de schade mag 72% in aanmerking worden genomen tenzij eiseres aannemelijk maakt dat de schade naar een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen4. Eiseres is daarin niet geslaagd.
14. Nu het taxatierapport is gebaseerd op de koerslijst XRAY waarin is aangegeven dat er sprake is van een ex-rental, is er geen ruimte voor een extra correctie op de handelsinkoopwaarde vanwege het gegeven dat de auto een huurverleden heeft. Deze waardevermindering zit reeds verwerkt in de koerslijst. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat moet worden uitgegaan van de koerslijst Eurotaxglass’s in plaats van de koerslijst XRAY en dat daarbij rekening gehouden moet worden met de markt- en dealer situatie. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 20195. Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 20166 volgt dat indien de afschrijving bij de aangifte is gebaseerd op een koerslijst, het is toegestaan in bezwaar of beroep uit te gaan van een andere koerslijst mits daaraan dezelfde gegevens ten grondslag liggen. Dat daarvan in dit geval sprake is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt reeds omdat de koerslijsten uitgaan van verschillende bedragen aan fabrieksopties. Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat uit de koerslijst Eurotaxglass’s niet blijkt of sprake is van een margeauto.
15. Rekening houdend met de onder 12 vastgestelde schade, moet worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van € 20.685 minus de schade van € 2.134 (72% van € 2.963). De handelsinkoopwaarde komt dan uit op € 18.551. Gelet op de historische nieuwprijs van de auto, die volgens eiseres en verweerder € 34.954 bedraagt, is de afschrijving 46,93%. Het bruto Bpm tarief voor het jaar 2016 bedraagt € 7.844 en de verschuldigde Bpm € 4.162. Rekening houdend met een extra leeftijdskorting van € 416 en het reeds op aangifte voldane bedrag van € 2.798 dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 948.
16. Eiseres heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de rentebeschikking aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat de rente in strijd met hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is berekend. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslag.
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
18. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
19. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad7 een tarief van € 500 per halfjaar (naar boven afgerond) dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
20. Het bezwaarschrift is op 4 april 2018 door verweerder ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 16 oktober 2018. De uitspraak van de rechtbank wordt op 10 september 2021 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase drie jaar en vijf maanden heeft geduurd. De redelijke termijn is daarom overschreden met een jaar en vijf maanden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig te worden toegerekend aan de beroepsfase.
Proceskosten
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). De overige door eiseres genoemde kosten, te weten de kosten voor deskundigenbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het taxatierapport is niet uitgebracht ten behoeve van de bezwaar en beroepsfase maar ten behoeve van de aangifte. Er is dan ook geen sprake van een door een deskundige uitgebracht verslag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit. Voor vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding nu niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8.60, lid 4 van de Awb.8 Dat ter zitting is verklaard dat de deskundige een toelichting kan geven op het taxatierapport leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van de deskundige lijkt aldus eerder ingegeven door de wens de positie van de gemachtigde te versterken voor het geval er vragen gesteld zouden worden over het taxatierapport. Dat is onvoldoende reden voor vergoeding van daarmee gemoeide kosten9.
(…)
4 Vgl. Hoge Raad, 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084
3.3.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak in de zaak met nummer SGR 20/205799 voor zover van belang het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
(…) [De overwegingen 8 en 9 zijn identiek aan de overwegingen 8 en 9, hiervoor vermeld onder 3.1]
Schade
(…) [De overwegingen 10 en 11 zijn identiek aan de overwegingen 10 en 11, hiervoor vermeld onder 3.2]
12. In het taxatierapport is verder een waardevermindering van € 1.000 opgenomen wegens het schadeverleden van de auto. Volgens eiseres heeft de gehele linkerzijde van de auto schade gehad wat volgens haar blijkt uit de afwijkende lakdikte die daar is gemeten. Weliswaar kan het verschil in lakdikte er op duiden dat de auto een schadeverleden heeft, maar dat dit daadwerkelijk het geval is en dat daaraan een waardevermindering van € 1.000 zou moeten worden toegekend heeft eiseres met die enkele vaststelling niet aannemelijk gemaakt.
13. Met het taxatierapport heeft eiseres verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ten minste enige schade die niet kan worden beschouwd als normale gebruikssporen. Op de foto’s bij het taxatierapport is dergelijke schade niet te zien.
14. Nu het taxatierapport is gebaseerd op de koerslijst XRAY waarin is aangegeven dat er sprake is van een ex-rental, is er geen ruimte voor een extra correctie op de handelsinkoopwaarde vanwege het gegeven dat de auto een huurverleden heeft. Deze waardevermindering zit reeds verwerkt in de koerslijst.
15. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de gestelde schade aan de auto niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat verweerder de verschuldigde belasting heeft kunnen en mogen berekenen op basis van de koerslijst.
16. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat moet worden uitgegaan van de koerslijst Eurotaxglass’s in plaats van de koerslijst XRAY en dat daarbij rekening gehouden moet worden met de markt- en dealer situatie. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 20194.
17. Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 20165 volgt dat indien de afschrijving bij de aangifte is gebaseerd op een koerslijst, het is toegestaan in bezwaar of beroep uit te gaan van een andere koerslijst mits daaraan dezelfde gegevens ten grondslag liggen. Dat dit het geval is, dient eiseres aannemelijk te maken. Eiseres heeft geen kopie overgelegd van de koerslijst Eurotaxglass’s waarop zij een beroep wenst te doen. Bij het verweerschrift zit wel afschrift van een koerslijst Eurotaxglass’s.
18. In de XRAY koerslijst die ten grondslag ligt aan het taxatierapport is voor een bedrag van € 2.884 aan fabrieksopties vermeld. Dit bedrag bestaat uit € 495 voor lichtmetalen velgen, € 695 voor de metalliclak en € 1.195 voor het navigatiesysteem. Verder wordt daarop de optie “electrisch schuif/kanteldak” voor een bedrag van € 499 vermeld. Op de bij het verweerschrift gevoegde koerslijst Eurotaxglass’s worden aan de fabrieksopties veel lagere bedragen toegekend namelijk € 228 aan de velgen, € 321 aan de lak en € 552 aan het navigatiesysteem. De aanwezigheid van een electrisch dak wordt daarin niet vermeld. Dat dezelfde gegevens aan de verschillende koerslijsten ten grondslag liggen, is dan ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat uit de koerslijst Eurotaxglass’s niet blijkt of die ziet op een margeauto.
19. Verweerder is in zijn verweerschrift van een handelsinkoopwaarde uitgegaan van
€ 16.740. Aangezien eiseres dit niet heeft weersproken en dit bedrag lager is dan de handelsinkoopwaarde van € 17.393 waarop het taxatierapport is gebaseerd, sluit de rechtbank aan bij een handelsinkoopwaarde van € 16.740. Gelet op de historische nieuwprijs van de auto, die volgens eiseres en verweerder € 34.953 bedraagt, is de afschrijving 52,11%. Het bruto Bpm tarief voor het jaar 2016 bedraagt € 7.844 en de verschuldigde Bpm € 3.756.
20. Ten tijde van de aangifte (7 mei 2018) was de auto 14 maanden en 21 dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm (2018) was op dat moment 36,664%. Op het moment van de tenaamstelling (9 juni 2018) was de auto 15 maanden en 24 dagen oud. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment 39,552%. Dit betekent dat recht bestaat op een extra leeftijdskorting van 2,888% (39,552% - 36,664%) van € 3.756 oftewel € 108. Gelet hierop, bedraagt de door eiseres verschuldigde Bpm € 3.684 (€ 3.756 - € 108). Belanghebbende heeft op aangifte € 2.067 voldaan, zodat de naheffingsaanslag op grond van het voorgaande dient te worden verminderd tot € 1.581.
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
22. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
23. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad6 een tarief van € 500 per halfjaar (naar boven afgerond) dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
24. Het bezwaarschrift is op 22 oktober 2018 door verweerder ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 18 maart 2019. De uitspraak van de rechtbank wordt op 10 september 2021 gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee en elf maanden heeft geduurd. De redelijke termijn is daarom overschreden met elf maanden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig te worden toegerekend aan de beroepsfase.
Proceskosten
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). De overige door eiseres genoemde kosten, te weten de kosten voor deskundigenbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het taxatierapport is niet uitgebracht ten behoeve van de bezwaar- en beroepsfase maar ten behoeve van de aangifte. Er is dan ook geen sprake van een door een deskundige uitgebracht verslag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit. Voor vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding nu niet is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8.60, lid 4 van de Awb.7 Dat ter zitting is verklaard dat de deskundige een toelichting kan geven op het taxatierapport leidt niet tot een ander oordeel. De aanwezigheid van de deskundige lijkt aldus eerder ingegeven door de wens de positie van de gemachtigde te versterken voor het geval er vragen gesteld zouden worden over het taxatierapport. Dat is onvoldoende reden voor vergoeding van daarmee gemoeide kosten8.
(…)
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is primair of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en daarmee ook of de juiste bedragen aan belastingrente in rekening zijn gebracht. In geschil is subsidiair of recht bestaat op teruggaaf van de op aangifte betaalde bpm. Voorts is in geschil of recht bestaat op een hogere vergoeding van proceskosten dan al door de Rechtbank is toegekend en of recht bestaat op vergoeding van de kosten van de taxateur.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen, subsidiair tot een teruggaaf van bpm, tot een hogere proceskostenvergoeding en tot het alsnog toekennen van een vergoeding voor de aanwezigheid van de taxateur. Belanghebbende betoogt primair dat per auto een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, subsidiair dat de factor 2 moet worden toegepast, en meer subsidiair dat de factor 1,5 moet worden toegepast. Voorts dienen de kosten van de taxateur te worden vergoed.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank van 10 september 2021, nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552, en tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank van 7 september 2021, nummer SGR 20/5771 en van 10 september 2021, nummer SGR 20/5799. De naheffingsaanslag in de zaken met de nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552 dient te worden verminderd tot € 17.704, als gevolg van een rekenfout van de Rechtbank. De proceskosten dienen daarom niet ten laste van de Inspecteur te komen, aldus de Inspecteur.
Beoordeling van de hoger beroepen
De taxatierapporten
5.1.
De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm is uitgegaan van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en die stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen, heeft bij betwisting de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben gehad (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rechtsoverweging 2.3.3). Het Hof zal aan de hand van de taxatierapporten beoordelen of belanghebbende in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Hierbij zal het Hof acht slaan op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld. Aangezien de bewijslast op belanghebbende rust en het Hof geen gevolgen zal verbinden aan de weigering om de auto’s te tonen op de locatie van DRZ, zal het Hof voorbij gaan aan hetgeen over en weer is gesteld over het beleid dat de Inspecteur in dezen (niet) zou voeren.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat alle auto’s een verleden als huurauto hebben en dat daarmee, voor de auto’s 1 tot en met 21 en 23 al voldoende rekening is gehouden door de keuze voor de koerslijst XRAY Rental. Uitsluitend in aftrek komt de waardevermindering als gevolg van meer dan normale gebruikssporen na een verleden als huurauto. Het is een feit van algemene bekendheid dat met een huurauto minder voorzichtig wordt gereden door een lange reeks gebruikers. Een ex-huurauto heeft normaal gesproken dan ook meer gebruikssporen dan een gemiddelde gebruikte auto. Op de facturen die aan belanghebbende zijn uitgereikt staat niet vermeld dat het om auto’s met meer dan gebruikelijke sporen van gebruik als huurauto zou gaan. De Inspecteur heeft in de analyses die hij van iedere auto heeft gemaakt, aan de hand van de relevante gegevens zijn standpunt onderbouwd dat de in de taxatierapporten genoemde handelsinkoopwaardes niet juist kunnen zijn. Het Hof begrijpt dat de Inspecteur hiermee een beroep doet op interne compensatie, voor het geval het Hof om een andere reden aanleiding zou zien de naheffingsaanslag op een lager bedrag vast te stellen. Indien het standpunt van belanghebbende over de handelsinkoopwaardes van de 25 auto’s wordt gevolgd, is immers de conclusie dat belanghebbende per auto duizenden euro’s te veel heeft betaald. Het Hof acht dit, gelet op de ervaring van belanghebbende als autohandelaar, niet aannemelijk.
5.3.1.
Over de taxatierapporten merkt het Hof op dat de close-up foto’s vaag zijn en dat door de belichting (of het gebrek hieraan), de aangebrachte markeringen en de reflecties niet goed te zien zijn om welke schade het zou gaan. Bovendien is niet vast te stellen of de foto’s van de auto zijn genomen, omdat de hiervoor genoemde effecten kleurverschillen kunnen veroorzaken, niet alleen tussen de close-ups maar ook tussen de close-ups en de overzichtsfoto’s in hetzelfde rapport. Aan de hand van een foto is het lastig om te beoordelen hoe diep een kras is en of een vlek of plek een beschadiging is, een oppervlakkige veeg of vuil. De foto’s die van het interieur zijn genomen zijn donker en geven geen duidelijk beeld van de inrichting en de staat van onderhoud. Door de slechte staat van de foto’s is ook niet vast te stellen of de in het overzicht van reparaties vermelde kosten aan arbeid en materiaal nodig zijn, of dat een goedkopere oplossing, zoals schoonmaken en polijsten, zou volstaan. Tot slot ontbreekt een mogelijkheid om de grootte of de omvang van een gestelde beschadiging te meten, zodat onduidelijk is van welke afstand deze met het blote oog zichtbaar is.
5.3.2.
Het Hof heeft voor de auto’s 1 tot en met 23 de taxatierapporten bekeken en vergeleken met de analyses van de Inspecteur en de bevindingen van de Rechtbank. De Rechtbank heeft voor een aantal auto’s te veel schade in aanmerking genomen. Het Hof verwijst naar het hierna opgenomen schema. Het Hof komt tot de conclusie dat, gelet op de hiervoor vermelde onduidelijkheden, uit deze rapporten niet meer schade blijkt dan volgt uit de conclusies van de Inspecteur. Het Hof acht de analyses van de Inspecteur voor de auto’s 1 tot en met 23 beter onderbouwd en realistischer dan de taxatierapporten van belanghebbende. Belanghebbende gaat bovendien standaard uit van de meest ingrijpende (en duurste) behandeling, zoals spuiten en vervangen, terwijl uit de onduidelijke foto’s (vooral de close-ups van gestelde schade) de ernst van de schade (deuk, kras of put) niet kan worden afgeleid. Het tonen van de auto bij DRZ kan meer duidelijkheid scheppen over noodzaak en wijze van reparatie en herstel en wellicht het aantal geschilpunten verminderen.
5.3.3.
De Inspecteur bestrijdt in hoger beroep voor auto 24 dat er (meer) schade is dan door de Rechtbank is vastgesteld. Het Hof is het met de Inspecteur eens dat de Rechtbank te veel schade in aanmerking heeft genomen. Ook hier geldt dat het taxatierapport niet helemaal duidelijk is. Hoewel op de foto’s schade te zien is aan de portieren, betwijfelt het Hof of de totale schade in de buurt komt van € 2.963, inclusief het nadeel van het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. De overige sporen, zoals die aan de dorpels en de bumpers, zijn niet ongewoon op een intensief gebruikte huurauto van bijna zeven maanden oud met 12.607 kilometer op de teller. Gelet op dit oordeel, komt het Hof niet toe aan het beroep dat de Inspecteur heeft gedaan op interne compensatie op basis van de koerslijst XRAY Rental.
5.3.4.
Voor auto 25 heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van schade. Op de foto’s in het taxatierapport zijn reflecties te zien, markeringen, is sprake van te veel of te weinig belichting en het lijkt zelfs of de auto twee verschillende kleuren banden heeft (vergelijk de foto links midden op pagina 28 met de foto linksboven op pagina 29). Op de overzichtsfoto’s heeft de auto zwarte banden. Ook komt de tijd op de klok op het dashboard (16.19 uur) niet overeen met de tijdspanne van de inspectie (15.10 tot 15.40 uur). Het Hof twijfelt aan de juistheid van dit rapport, een extra reden om geen schade in aanmerking te nemen.
5.3.5.
Belanghebbende heeft een extra waardevermindering vanwege het schadeverleden van de auto’s 22, 24 en 25 niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft in dit verband volstaan met de stelling dat een bedrag van € 1.193 in aftrek moet worden gebracht. Voor de auto’s 22 en 25 geldt bovendien dat geen schade aan deze auto’s is geconstateerd, zodat een aftrek niet op zijn plaats is. Voor auto 24 is alleen schade aan de carrosserie vastgesteld. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze schade een nog zwaarder effect heeft op de handelsinkoopwaarde dan het al in aftrek toegestane bedrag.
5.3.6.
Voorts is in geschil of belanghebbende een extra aftrek toekomt vanwege het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. Ter zitting hebben partijen toegelicht dat dit pakket uit twee onderdelen bestaat: het instructieboekje en het onderhoudsboekje. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het ontbreken ervan per auto een nadeel oplevert van € 102. Zij claimt dit bedrag extra voor alle auto’s. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat alleen het originele onderhoudsboekje van belang is, omdat daarin informatie staat over eerder gepleegd onderhoud, en dat het instructieboekje ook op internet te vinden is. Het Hof is van oordeel dat van het ontbreken van het boekenpakket enig ongemak uitgaat. Weliswaar is veel op internet te vinden, maar het is voorstelbaar dat een koper dit toch lastig vindt. Het is bovendien wel gebruikelijk dat de boekjes aanwezig zijn in een in Nederland rondrijdende huurauto. Het Hof staat daarom een extra aftrek toe van € 85 conform de berekening in het taxatierapport, voor de auto’s waarvan de taxateur heeft geconstateerd dat de boekjes ontbreken. Het Hof ziet geen aanleiding om de extra aftrek voor alle auto’s in aanmerking te nemen of om van een hoger bedrag uit te gaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de boekjes in alle auto’s ontbraken. Het Hof verwijst naar het schema.
5.4.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade die voor aftrek in aanmerking komt, tot de in de taxatierapporten vermelde bedragen in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Het Hof acht een aftrek van 72% gelet op de leeftijd, de kilometerstand en de status als voormalige huurauto voldoende. Met het in aanmerking nemen van 100% verdwijnt immers ook het effect van de onderliggende normale gebruikssporen op de handelsinkoopwaarde van de auto. In tegenstelling tot wat belanghebbende betoogt, is niet maatgevend dat kopers geen genoegen zouden nemen met krassen, vegen en kleine oneffenheden als gevolg van eerder gebruik. Kopers die geen sporen van eerder gebruik dulden, kunnen beter een nieuwe auto kopen. Dit geldt nog sterker voor zover zij aanschaf van een voormalige huurauto overwegen. Zoals uit het voorgaande volgt, is met dit aspect al voldoende rekening gehouden. De auto’s worden dus niet getaxeerd met aftrek van een dergelijk bedrag aan kosten opdat zij na eventuele reparatie en behandeling als waren zij ongebruikt de weg op kunnen. Aangezien het Hof geen gebruik maakt van het recente onderzoeksrapport over de invloed van schade op de handelsinkoopwaarde van voertuigen (onderzoeksrapport VMS / Insight van 1 juli 2022), gaat het Hof voorbij aan het verzoek van belanghebbende om de samenstellers van dit rapport te horen.
5.5.
Het Hof heeft de bevindingen per auto samengevat in het volgende schema:
nummer | merk/type | aangifte | voldoening | oordeel Hof |
1 | Opel Zafira Tourer | 12-1-2016 | € 5.344 | De schade dient te worden berekend op € 760 (72% van € 1.055,25); conform het standpunt van de Inspecteur. Uit de foto’s kan de ernst van de gestelde schade niet worden afgeleid. |
2 | Opel Mokka | 21-1-2016 | € 2.781 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. |
3 | Suzuki Swift | 1-2-2016 | € 1.001 | De schade dient te worden berekend op € 674 (72% van € 936,76); conform het standpunt van de Inspecteur. De auto vertoont alleen lichte sporen van gebruik als huurauto. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. |
4 | Ford C-Max | 5-2-2016 | € 1.092 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. |
5 | Opel Zafira Tourer | 5-2-2016 | € 2.376 | De schade dient te worden berekend op € 1.189 (72% van € 1.651,15) conform het standpunt van de Inspecteur. De foto’s zijn niet duidelijk. |
6 | Opel Mokka 1.4 T | 18-4-2016 | € 2.751 | De schade dient te worden berekend op € 977 (72% van € 1.356,05) conform het standpunt van de Inspecteur. De foto’s zijn niet duidelijk. |
7 | BMW 5-serie 525D | . 19-4-2016 | € 4.781 | De schade dient te worden berekend op € 1.432 (72% van € 1.988,30) conform het standpunt van de Inspecteur. Wel kan extra € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
8 | Opel Meriva | 21-6-2016 | € 2.874 | De schade dient te worden berekend op € 284 (72% van € 393,49) conform het standpunt van de Inspecteur. De foto’s zijn onduidelijk. |
9 | Opel Mokka 1.4 T | 22-6-2016 | € 3.317 | De schade dient te worden berekend op € 581 (72% van € 806,73) conform het standpunt van de Inspecteur. Wel kan extra € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
10 | Opel Meriva | 4-7-2016 | € 2.549 | De schade dient te worden berekend op € 1.644 (72% van € 2.282,64) conform het standpunt van de Inspecteur. Wel kan extra € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
11 | Opel Meriva | 4-7-2016 | € 2.488 | De schade dient te worden berekend op € 690 (72% van € 957,69) conform het standpunt van de Inspecteur. Wel kan extra € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
12 | BMW 5 serie 530D | 20-7-2016 | € 5.354 | De schade dient te worden berekend op € 960 (72% van € 1.332,50) conform het standpunt van de Inspecteur. |
13 | Opel Mokka | 2-8-2016 | € 2.826 | De schade dient te worden berekend op € 748 (72% van € 1.038,41) conform het standpunt van de Inspecteur. |
14 | Opel Meriva | 22-8-2016 | € 3.526 | De schade dient te worden berekend op € 1.351 (72% van € 1.876,20) conform het standpunt van de Inspecteur. |
15 | Ford C-Max | 29-8-2016 | € 968 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. Wel kan € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
16 | Ford Focus | 19-9-2016 | € 2.450 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. Wel kan € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
17 | Opel Mokka | 26-9-2016 | € 3.106 | De schade dient te worden berekend op € 369 (72% van € 512,01) conform het standpunt van de Inspecteur. |
18 | Opel Mokka | 17-10-2016 | € 3.312 | De schade dient te worden berekend op € 594 (72% van € 824,56) conform het standpunt van de Inspecteur. |
19 | Opel Adam | 17-11-2016 | € 876 | De schade dient te worden berekend op € 322 (72% van € 446,49) conform het standpunt van de Inspecteur. |
20 | Opel Zafira Tourer | 7-12-2016 | € 2.305 | De schade dient te worden berekend op € 1.798 (72% van € 2.496,23). Het Hof ziet geen noodzaak om naast de zwaar beschadigde dorpel ook schade in aanmerking te nemen voor de bumper. De foto’s zijn te onduidelijk. De schade is op de overzichtsfoto’s niet te zien. Wel kan extra € 85 in aftrek worden gebracht voor het boekenpakket. |
21 | Opel Zafira Tourer | 28-12-2016 | € 2.845 | De schade dient te worden vastgesteld op € 1.322 (72% van € 1.834,74) conform het standpunt van de Inspecteur. |
22 | Renault Captur | 16-1-2017 | € 1.328 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. Wel kan € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
23 | Renault Kadjar | 13-3-2017 | € 1.687 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. Wel kan € 85 worden afgetrokken voor het boekenpakket. |
24 | Opel Mokka-X 1.4 | 01-09-2017 | € 2.798 | De aftrek kan niet op een hoger bedrag worden vastgesteld dan € 2.134 (72% van € 2.963), inclusief de kosten van het boekenpakket. Voor het vaststellen van meer schade ziet het Hof geen aanleiding. |
25 | Opel Mokka | 07-05-2018 | € 2.067 | De gestelde schade betreft normale gebruikssporen, zoals lichte krassen. De schade dient te worden berekend op nihil. De close-up foto’s zijn niet duidelijk. |
Historische nieuwprijs
5.6.1.
Voor de auto’s 1, 8 tot en met 11, 13 en 14 is in geschil of bij de berekening van de historische nieuwprijs moet worden uitgegaan van de bruto bpm van de referentievoertuigen of van die van de te registreren auto zelf.
5.6.2.
Anders dan de Inspecteur bepleit, dient voor de voor de auto verschuldigde bpm niet te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de referentieauto’s, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto zelf. De vermindering wordt immers uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, hierna: Wet bpm). Niets in de aangehaalde wettekst wijst erop dat met het motorrijtuig niet het voorwerp van de belastingheffing wordt bedoeld, maar het referentievoertuig waarmee het wordt vergeleken. De Inspecteur leidt uit de definitie van het begrip catalogusprijs (artikel 9, lid 5, Wet bpm), die indien niet bekend, door vergelijking wordt bepaald, kennelijk af dat ook de bpm in voorkomende gevallen bij vergelijking kan worden bepaald. Het Hof acht deze lezing in strijd met de doelstelling van de wetgever, om de CO2-uitstoot bepalend te laten zijn voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dat de interpretatie van het Hof tot een hogere afschrijving leidt en dus de doelstelling van de wetgever ondergraaft, is een wellicht onbedoeld neveneffect, dat wordt veroorzaakt door de combinatie van het gebruik van de CO2-uitstoot als maatstaf van heffing en het verschil in CO2-uitstoot tussen het te registreren voertuig en het referentievoertuig. De lezing van de Inspecteur zou leiden tot een hogere bpm-druk op het te registreren voertuig in vergelijking met het referentievoertuig, waarmee het concurreert. Dat laatste is in strijd met artikel 110 VWEU. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende.
Correctiefactoren EurotaxGlass’s (auto’s 22, 24 en 25)
5.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat gelet op HR 15 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, BNB 2020/23, alle correctiefactoren die in de koerslijst van EurotaxGlass’s zijn opgenomen dienen te worden toegepast en dat derhalve ten aanzien van de auto’s 22 en 24 nog een correctie op de voor iedere auto bepaalde handelsinkoopwaarde dient te worden toegepast van in totaal 15%. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank een te laag percentage in aanmerking genomen, namelijk 10 en geen 15, terwijl de Inspecteur de door de Rechtbank toegepaste correctie van 10% in haar geheel betwist.
5.8.
EurotaxGlass’s heeft inmiddels een disclaimer opgenomen in de koerslijst:
“Het gebruik van de schuifknoppen ”marktsituatie handelaar” en ”marktsituatie” worden niet meer toegelaten. Eurotax is van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsindicatoren niet meer relevant zijn voor de handelsinkoopwaarde te bepalen zoals vermeld in het arrest ECLI:NL:HR:2019:1783 van de Hoge Raad. Eveneens is Eurotax van mening dat het gebruik van eender welke correctiefactoren gegrond moet zijn en effectief bewezen moet worden door de gebruiker zelf, waar het arrest dit anders heeft belicht. Daarom zijn de indicatoren ”marktsituatie handelaar” en ”marktsituatie” voortaan op 0% vastgelegd.”
5.9.
Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer is het Hof van oordeel dat thans niet meer van een aftrek ”marktsituatie handelaar” en ”marktsituatie” kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing is door belanghebbende niet gegeven. In het door belanghebbende aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad overigens, anders dan belanghebbende meent, geoordeeld dat met dergelijke factoren in voorkomend geval – dus niet in het algemeen – rekening mag worden gehouden. De taxateur van belanghebbende heeft geen aanleiding gezien met de hiervoor genoemde factoren rekening te houden. Het Hof ziet geen aanleiding in dit geval een aftrek in aanmerking te nemen.
5.10.
Belanghebbende komt, anders dan de Rechtbank heeft beslist, geen beroep toe op de correctiefactoren van EurotaxGlass’s.
Controle op fiscale discriminatie
5.11.
Belanghebbende heeft zich (meer) subsidiair beroepen op de lagere bpm die voor vergelijkbare voertuigen is betaald. Voor de in geding zijnde voertuigen is sprake van fiscale discriminatie, die op de voet van artikel 110 VWEU is verboden. Uit gegevens van het kentekenregister blijkt dat met de onderhavige auto’s vergelijkbare voertuigen zijn geregistreerd waarvoor een lager bedrag aan bpm is vermeld in het kentekenregister. Belanghebbende wijst in dit verband op nieuwe, door de officiële dealer in Nederland ingevoerde auto’s, waarvoor een zeer laag bedrag (€ 70) aan bpm is betaald. De Inspecteur heeft de vergelijkbaarheid van de opgevoerde voertuigen betwist. Zij hebben een andere catalogusprijs en een andere CO2-uitstoot.
5.12.
Om te beginnen volgt het Hof het standpunt van de Inspecteur dat de stukken van 4 juli 2023 te laat zijn ingediend. Deze stukken zijn buiten de termijn van tien dagen van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht ingediend, en ter zitting is gebleken dat de Inspecteur en het Hof te weinig tijd hebben gehad om deze te bestuderen. De stukken van 27 juni 2023 zijn net (niet) op de valreep ingediend, maar omdat de Inspecteur en het Hof deze wel hebben kunnen bestuderen en de Inspecteur akkoord is gegaan met het in aanmerking nemen van deze stukken, zal het Hof geen oordeel geven over de tijdigheid maar deze stukken in de beoordeling betrekken en het standpunt van belanghebbende aan de hand daarvan beoordelen.
5.13.1.
Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende en wel om de volgende redenen.
5.13.2.
Het Hof begrijpt dat belanghebbende in het kentekenregister heeft gezocht naar voertuigen met een datum eerste toelating binnen een bepaalde periode (twaalf maanden), die merk en bepaalde andere kenmerken delen met de desbetreffende auto van belanghebbende, waarvan voor een aantal eveneens een bandbreedte is aangegeven. Het Hof vindt dit geen goede methode om fiscale discriminatie vast te stellen. De opgevoerde voertuigen zijn geen soortgelijke voertuigen, althans, dit heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De nieuwprijzen van de voertuigen zijn niet gelijk. Voor de opties worden verschillende bedragen vermeld en soms verschilt ook de CO2-uitstoot. Niet bekend is of deze voertuigen ook voormalige huurauto’s zijn, of zij een vergelijkbare schade en een vergelijkbare slijtage hebben.
5.13.3.
Tijdens de zitting is een concreet voorbeeld besproken, namelijk over een nieuw voertuig, dat door de officiële dealer is ingevoerd en waarvoor € 70 bpm is betaald. Ook dit voorbeeld brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Nieuwe, door de officiële dealer ingevoerde voertuigen zijn niet vergelijkbaar met de onderhavige auto’s (gebruikte voormalige huurauto’s). Ook voor de overige voorbeelden geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de opgevoerde voertuigen vergelijkbaar zijn. Zo verschilt de catalogusprijs van de voertuigen van die van de auto waarmee wordt vergeleken. Ook is niet duidelijk of de voertuigen dezelfde mate van slijtage hebben en hetzelfde aantal kilometers hebben gereden.
5.13.4.
Bovendien acht het Hof de juistheid van de in het kentekenregister voor de opgevoerde voertuigen vermelde bpm niet juist. Zo is niet duidelijk of de (door de officiële dealer) vermoedelijk op aangifte betaalde bedragen conform de regelgeving en jurisprudentie zijn berekend of door de Inspecteur zijn gecontroleerd en aanvaard. Het Hof is van oordeel dat uit artikel 110 VWEU niet voortvloeit dat onwaarschijnlijk lage en vermoedelijk onjuiste bedragen aan bpm in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of voor uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte voertuigen, zoals de auto’s 1 tot en met 25, te veel bpm is geheven.
Onbekend verleden
5.14.
Tot slot verwerpt het Hof het algemene standpunt van belanghebbende dat voor geïmporteerde auto’s standaard een extra aftrek moet worden gehanteerd, omdat het (schade)verleden van deze auto’s niet bekend is en kopers daarom minder voor deze auto’s zouden willen betalen. Belanghebbende doelt hierbij op onbekendheid met eventuele schade, het gepleegde onderhoud en de juistheid van de kilometerstand. Belanghebbende heeft dit standpunt niet voldoende concreet onderbouwd. De informatie van de website van de ANWB is te grof en te algemeen om hieraan voor de onderhavige auto’s gevolgen te verbinden. Zoals hiervoor al overwogen, gaat het Hof uit van de objectieve gegevens in de taxatierapporten. Het Hof heeft dit punt voor iedere auto al individueel beoordeeld. Voor een extra, forfaitaire aftrek ziet het Hof geen aanleiding.
Conclusie bpm
5.15.
Het Hof komt tot de conclusie dat de Rechtbank de naheffingsaanslagen voor de auto’s 24 en 25 niet te hoog heeft vastgesteld. De naheffingsaanslag voor de auto’s 1 tot en met 23 dient te worden vastgesteld op € 17.704, conform het standpunt van de Inspecteur in hoger beroep. Gelet op het impliciete beroep op interne compensatie van de Inspecteur (zie 5.2) is deze naheffingsaanslag hiermee eerder te laag dan te hoog, na verrekening van de rekenfout van de Rechtbank en de verhoging van de historische nieuwprijs voor de auto’s 1, 8 tot en met 11, 13 en 14 (voordeel belanghebbende) en de terugname van de correctie EurotaxGlass’s voor auto 22 en de vermindering van de aftrek wegens schade (voordeel Inspecteur). Het Hof zal laatstbedoelde naheffingsaanslag verminderen.
Kosten deskundige
5.16.
Het Hof wijst net als de Rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten van de deskundige af. De Rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden toelichting van de deskundige [naam taxateur] . De Rechtbank heeft geoordeeld dat de deskundige bijstand heeft verleend aan de gemachtigde en volstaan met vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand volgens het forfait. Het Hof heeft de deskundige [naam taxateur] ter zitting meer ruimte gegeven, maar komt tot dezelfde conclusie als de Rechtbank over de aard van de werkzaamheden. Het Hof stelt voorop dat [naam taxateur] de onderhavige auto’s niet heeft gezien. [naam taxateur] heeft ter zitting uitsluitend de bevindingen van de taxateurs herhaald en gewezen op de foto’s in het dossier. Hij heeft hierbij enige algemene opmerkingen gemaakt over schadeauto’s en hoe hij aankijkt tegen de Nederlandse praktijk rond de invoer van gebruikte auto’s in het algemeen en het in aanmerking nemen van normale gebruikssporen en het daaraan gekoppelde percentage van 72 in het bijzonder. Ook heeft hij aandacht besteed aan de strijd van de parallelimporthandel om bepaalde vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en zo de Commissie te dwingen diverse inbreukprocedures tegen Nederland te starten. Het Hof acht een dergelijke toelichting niet heel waardevol voor zover het de onderhavige auto’s betreft. De algemene opmerkingen hadden ook door de gemachtigde H. van Dam kunnen worden gemaakt. Het Hof komt tot de conclusie dat de werkzaamheden van de deskundige en de gemachtigde in samenhang moeten worden bezien, en kwalificeren als rechtsbijstand. Daarvoor zal het Hof een passende vergoeding toekennen.
Proceskosten gemachtigde
5.17.1.
Het Hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd over de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand geen aanleiding om tot een andere berekening te komen dan de Rechtbank. Voor de auto’s 1 tot en met 23 heeft de Rechtbank wegingsfactor 1 en factor 1,5 wegens samenhang toegepast, en voor de auto’s 24 en 25 wegingsfactor 1, zonder samenhang. Het Hof acht dit juist en motiveert dit als volgt.
5.17.2.
Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat per auto een vergoeding moet worden toegekend. Voor een hogere wegingsfactor van 1,5 of zelfs 2 ziet het Hof evenmin aanleiding. Voor de beide hiervoor gegeven oordelen geeft het Hof de volgende motivering. Er is sprake van zaken van gemiddeld gewicht, waarin veel dezelfde geschilpunten spelen. De aangevoerde standpunten komen veelvuldig voor in procedures over de bpm en het Hof pleegt hiervoor wegingsfactor 1 te gebruiken.
5.17.3.
Dat het om veel auto’s gaat, maakt de zaak niet zwaar(der) en is onvoldoende om van de hiervoor beschreven lijn af te wijken.
5.17.4.
Voor zover belanghebbende meent dat de taxatiewerkzaamheden bij de beoordeling van het gewicht een rol (zouden) moeten spelen, overweegt het Hof dat deze werkzaamheden inherent zijn aan de keuze voor aangifte met een taxatierapport. De daaraan verbonden kosten en moeite horen bij de voldoeningsfase en komen in bezwaar en (hoger) beroep niet voor vergoeding in aanmerking.
Slotsom
5.18.
Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond voor zover het de auto’s 1 tot en met 23 betreft.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor het hoger beroep tegen de naheffing voor auto’s 1 tot en met 23. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 437 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 874 en een wegingsfactor 0,25). Het Hof past deze wegingsfactor toe, aangezien sprake is van een telfout van de Rechtbank, die door de Inspecteur is berekend. Anders dan de Inspecteur heeft bepleit, komt deze vergoeding toch voor zijn rekening.
6.2.
Gelet op de reden voor de gegrondverklaring zal het Hof de griffier gelasten het voor die procedure geheven griffierecht van € 541 aan belanghebbende te vergoeden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- -
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 10 september 2021, nummers SGR 20/5530 tot en met SGR 20/5552, behoudens de beslissingen over de immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht;
- -
bevestigt de uitspraken van de Rechtbank van 7 september 2021, nummer SGR 20/5771 en van 10 september 2021, nummer SGR 20/5799;
- -
vermindert de naheffingsaanslag voor auto’s 1 tot en met 23 tot € 17.704;
- -
vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- -
wijst het verzoek om teruggaaf af;
- -
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 437;
- -
gelast de griffier het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 541 aan belanghebbende terug te storten.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 17 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Uitspraak 01‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Artikel 8:15 Awb
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummers: BK-21/01046 W tot en met BK-21/01070 W
Rolnummers hoofdzaak: BK-21/01046 tot en met BK-21/01070
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 1 maart 2023
inzake het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de hoofdzaak met genoemde rolnummers van:
[X] B.V., gevestigd te [Z] , verzoekster,
(gemachtigde: H. van Dam)
Het geding
1. De belastingprocedure waarin verzoekster het bovenvermelde wrakingsverzoek heeft gedaan (de hoofdzaak), zou op 17 november 2022 door de meervoudige belastingkamer van het Hof worden behandeld. De hoofdzaak betreft zaken van verzoekster tegen de inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur). In de uitnodigingsbrief van 27 juli 2022 voor de zitting is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Tot uiterlijk tien dagen voor de zitting kunt u nadere stukken indienen bij het Gerechtshof, onder vermelding van kenmerknummers en datum van de zitting.
(…)
Eventueel kunt u een getuige of deskundige meebrengen of bij aangetekende brief of
deurwaardersexploot oproepen, mits u daarvan uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan het Gerechtshof en aan de andere partij(en) mededeling hebt gedaan, met vermelding van hun naam en woonplaats.”
2. Bij e-mail van 10 oktober 2022 heeft verzoekster een nader stuk ingediend. In dit nader stuk is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Tevens meld ik als deskundige aan dhr. [naam deskundige 1] , wonende te [woonplaats] , beëdigd taxateur. Afschrift van dit stuk zond ik per mail aan de Belastingdienst.”
3. De Inspecteur heeft op 4 november een nader stuk met een bijlage ingediend (het tiendagenstuk).
4. Bij e-mail van 8 november 2022 aan het Hof, heeft verzoekster aangekondigd dat zij eveneens deskundige [naam deskundige 2] zal meebrengen naar de zitting.
5. De Inspecteur heeft bij brief van 14 november 2022 bezwaar gemaakt tegen het meebrengen van de deskundige [naam deskundige 2] . In die brief, is voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Volgens artikel 8:60 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht mogen getuigen en deskundigen naar de zitting worden meegebracht, mits daarvan uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan.
Ik wil uw Gerechtshof in overweging geven de deskundige [naam deskundige 2] niet toe te laten tot de zitting aangezien de gestelde termijn niet in acht is genomen.”
6. Verzoekster heeft bij brief van 14 november 2022 verzocht om uitstel van de zitting. In het verzoek is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:
“Naar aanleiding van het tiendagenstuk van [de Inspecteur] (…), wil ik uw Hof verzoeken om de zitting aan te houden in verband met getuigenverhoor omtrent het Onderzoek naar Forfaits in de BPM (bijlage bij het tiendagenstuk) en het daaraan gekoppelde onderzoeksrapport van de Stichting NIVRE; Richtlijn berekening waardevermindering parallelimport met taxatierapport. Beide onderzoeksrapporten kennen een sterke samenhang en zijn, blijkens de rapportages, in onderlinge samenwerking tot stand gekomen.”
7.1.
Naar aanleiding van de aankondiging van de deskundigen is er op 15 november 2022 telefonisch contact geweest tussen [naam griffier] , de griffier van de hoofdzaak, en de gemachtigde van verzoekster.
7.2.
Bij brief en e-mail van 15 november 2022 heeft het Hof het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen:
“Uw verzoek om aanhouding en/of het horen van getuigen wordt afgewezen. Het Hof zal de zaken aanstaande donderdag op zitting behandelen.”
8. Bij e-mails van 15 november 2022 met bijlage en 16 november 2022 heeft verzoekster een verzoek tot wraking van de raadsheren A. van Dongen, W.M.G. Visser en B.G. van Zadelhoff gedaan (het wrakingsverzoek).
9.1.
Bij schriftelijke reactie van 16 november 2022 hebben raadsheren Van Dongen en Visser meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking en gereageerd op het wrakingsverzoek. Verder hebben zij te kennen gegeven dat zij wensen te worden gehoord op het wrakingsverzoek.
9.2.
Op 16 november 2022 is er nogmaals telefonisch contact geweest tussen [naam griffier] (de griffier) en de gemachtigde van verzoekster. De griffier heeft van dit gesprek een telefoonnotitie gemaakt.
9.3.
Bij schriftelijke reactie van 17 november 2022 heeft raadsheer Van Zadelhoff meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking en gereageerd op het wrakingsverzoek. Voorts heeft hij te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.
10. Bij e-mail van 17 november 2022 heeft verzoekster gereageerd op de in 9.1 vermelde schriftelijke reactie van de raadsheren Van Dongen en Visser.
11. Bij e-mail van 18 november 2022 heeft raadsheer Van Dongen gereageerd op de onder 10 vermelde reactie van verzoekster.
12. Bij e-mail van 22 november 2022 heeft verzoekster gereageerd op de in 9.3 vermelde schriftelijke reactie van raadsheer Van Zadelhoff.
13. Bij e-mail van 22 november 2022 heeft raadsheer Van Dongen gereageerd op de in 12 vermelde reactie van verzoekster en verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.
14. De wrakingskamer heeft het verzoek om uitstel gehonoreerd.
15. Bij e-mail van 25 november 2022 heeft verzoekster gereageerd op de in 13 vermelde reactie van raadsheer Van Dongen.
16. Bij e-mail van 25 november 2022 heeft raadsheer Van Dongen gereageerd op de in 15 vermelde reactie van verzoekster.
17. De wrakingskamer heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bepaald op 15 februari 2023. Verzoekster, de Inspecteur, alsmede de raadsheren, zijn van de behandeling op deze datum op de hoogte gebracht.
18. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 15 februari 2023 ter zitting behandeld, waarbij zijn verschenen: de gemachtigde van verzoekster en tot bijstand R. Lammers, de raadsheren Van Dongen en Visser en de griffier. Namens de Inspecteur is [naam] verschenen. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Het wrakingsverzoek
19. Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek – zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd:
i. i) De raadsheren hebben haar bevolen om geen deskundige(n) mee te brengen naar de zitting, omdat dat nutteloos zou zijn. Zij verwijst daarbij naar de volgende transcriptie van het telefoongesprek op 15 november 2022 met de griffier:
“(de griffier) Als u mij hoort dan … ik bel u even over u heeft aangekondigd dat u twee deskundigen meeneemt naar de zitting’
(de gemachtigde) ‘Ja … als de zitting doorgaat. Zál ik u even terugbellen’?’
(de griffier) ‘De zitting gáát door. Daar krijgt u nog een mail van… misschien is die al binnen …’
(de gemachtigde) ‘U heeft mijn verzoek tot uitstel (i.v.m. het aangevraagde getuigenverhoor) wel gezien?’
(de griffier) ‘Ja als het goed is geeft de administratie daar een reactie op via de e-mail …
(de gemachtigde) ‘ehhh…’
(de griffier) ‘maar daar bel ik niet voor.. het gaat over de deskundigen die u heeft aangekondigd … want het Hof heeft geen vragen aan de deskundigen, dus ja… het lijkt het Hof ja ehh .. ja … ik zeg maar nutteloos als ze meekomen naar de zitting…
(de gemachtigde) ‘Nou dat is zeker niet nutteloos want het gaat om schades en het hof is niet gespecialiseerd in schades en de deskundige kan daar zeker iets over zeggen waar het hof daarmee minder bekend is over hoe je daarover kunt oordelen. Dus het nut van een deskundige is er zeer zeker wel.’
(de griffier) (zucht) ‘Ja .. maar dit is wat het Hof mij heeft gevraagd om door te geven dus … ja … bij deze …
(de gemachtigde) Geldt dat voor allebei de deskundigen?
(de griffier) ‘Ja! Want ze hebben ook allebei de auto’s niet gezien hé de deskundigen?’
(de gemachtigde) ‘Dat hoeft ook niet …’
(de griffier) ‘Nee … maar ja … het zijn ook niet de eerste bpm zaken en schades voor het Hof.
(de gemachtigde) ‘nou ja .. afgezien daarvan .. ik heb het recht om een deskundige mee te nemen’
(de griffier) ‘Ja dat klopt, maar ik geef u dit door dus u kunt erover nadenken maar … ik kan u ook weer niet verplichten om ze thuis ze thuis te laten maaruh …
(de gemachtigde) ‘Nou ja .. ik kan er over nadenken om de tweede niet mee te nemen maar de eerste die ik tijdig heb aangekondigd zal ik zeer zeker meenemen
(de griffier) ‘Nou ja maar dan weet u in elk geval dat dat ’t kan dat die persoon er zit en dat er niets zal worden gevraagd en dat er geen behoefte is .. of .. nou jaahh … maar dan bent u op de hoogte …t
(de gemachtigde) ‘Dat vind ik dan wel een vooringenomen standpunt van de Raadsheren dat ze nu al bij voorbaat weten dat ze geen vragen hebben voor de deskundigen. Daar ben ik wel een beetje door geschokt en heel onaangenaam.’
(de griffier) Ze hebben toch zich voorbereid dus .. de stukken .. dus nou ja …
(de gemachtigde) ‘Het gaat om 25 verschillende voertuigen en die zullen toch allemaal individueel behandeld moeten worden …(….) en dan is het niet noodzakelijk dat de deskundige ter zitting de auto’s zelf gezien moet hebben.. (…)’
(de griffier) ‘Nee dat zeg ik ook niet…’
(de gemachtigde) ‘Ik vind het heel vreemd dat ik daar 2 dagen van te voren een telefoontje over krijg… ’
(de gemachtigde) ‘En kunt u mij vertellen waarom het verzoek tot uitstel is afgewezen?’
(de griffier) ‘Nou … eh dat zal u Donderdag van het Hof horen … Dat eh …’
(de gemachtigde) ‘Ik krijg dat niet schriftelijk van te voren?’
(de griffier) ‘Ehm nou … u krijgt een e-mail … een reactie op uw e-mail…met dat het verzoek om aanhouden en de getuigenverhoren wordt afgewezen’
(de gemachtigde) ‘Dat mailtje is al onderweg?’
(de griffier) ‘Dat doet de ehm .. administratie bij ons dus ehm .. ik weet niet .. misschien hebben ze nog een paar andere zaken die ze moeten afhandelen…”
ii) Verzoekster heeft verzocht om uitstel van de zitting teneinde een getuigenverhoor te kunnen initiëren. Het Hof heeft dit uitstel bij brief van 15 november 2022 zonder nadere motivering afgewezen. Volgens verzoekster is het ontbreken van een motivering laakbaar en een omissie van de zijde van het Hof.
Verzoekster acht de onder i) en ii) geschetste gang van zaken zozeer onzorgvuldig dat daaruit kan worden afgeleid dat sprake is van vooringenomenheid bij de behandelend raadsheren.
20. De raadsheren Van Dongen en Visser hebben als volgt schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. De griffier heeft de gemachtigde op 15 november 2022 gebeld met twee voorlopige mededelingen: het Hof heeft geen vragen voor de deskundigen over de auto’s en het Hof ziet vooralsnog geen aanleiding om de getuigen op te roepen.
Volgens de raadsheren Van Dongen en Visser is niet gezegd dat het niet is toegestaan om de aangekondigde deskundigen mee te nemen naar de zitting, maar om teleurstelling te voorkomen, is alleen medegedeeld dat het Hof geen vragen voor hen heeft. De gemachtigde kan vervolgens zelf de afweging maken of het nodig is de deskundigen toch mee te nemen.
Over de weigering om getuigen op te roepen, hebben de raadsheren Van Dongen en Visser toegelicht dat de beslissing om geen getuigen te horen een voorlopige beslissing is die niet nader gemotiveerd hoeft te worden. Raadsheer Van Zadelhoff onderschrijft de schriftelijke reactie van de raadsheren Van Dongen en Visser.
21. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster in aanvulling op het wrakingsverzoek de wrakingskamer verzocht om, indien het verzoek tot wraking wordt afgewezen, het verzoek tot wraking te verwijzen naar, bij voorkeur, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
22. Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, lid 1, Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.
23. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3625).
24. Verzoeksters wrakingsverzoek steunt in de eerste plaats op de grond dat de gang van zaken rond het meebrengen van twee deskundigen wijst op partijdigheid van de kant van de raadsheren, althans dat bij verzoekster de schijn van partijdigheid door die gang van zaken is gewekt. Daarbij wijst verzoekster met name op het telefonische contact met de griffier op 15 november 2022 en 16 november 2022. Ten tweede klaagt zij over het ontbreken van een motivering bij de afwijzing van haar uitstelverzoek dat zij had gedaan om getuigen te kunnen horen.
Vooraf; aangeboden geluidsopname telefoongesprek
25. Verzoekster heeft in haar reactie van 22 november 2022 (zie 12) een transcriptie van het telefoongesprek op 15 november 2022 met de griffier opgenomen. Tevens heeft zij aangeboden de geluidsopname, indien de wrakingskamer daarover wenst te beschikken, te verstrekken. De wrakingskamer gaat ervan uit dat de transcriptie een getrouwe weergaven van de werkelijkheid is en gaat daarom niet in op het aanbod om de geluidsopname over te leggen.
Het wrakingsverzoek
26. De wrakingskamer oordeelt als volgt. De stelling van verzoekster dat de raadsheren haar – via de griffier – hebben bevolen geen deskundigen mee te brengen mist feitelijke grondslag. Nog daargelaten dat de telefonische mededelingen zijn gedaan door de griffier en niet door een van de raadsheren zelf, kan uit de transcriptie van het telefoongesprek niet worden afgeleid dat de boodschap van de griffier inhield dat het Hof had beslist dat er geen deskundigen naar de zitting mochten worden meegebracht. Het dossier biedt evenmin anderszins steun voor de stelling van verzoekster dat het haar niet was toegestaan deskundigen mee te brengen naar de zitting, althans dat zij heeft kunnen menen dat dat het geval was. In al hetgeen verzoekster op dit punt voor het overige heeft aangevoerd, ziet de wrakingskamer evenmin grond voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
27. De beslissing van het Hof om geen getuigen op te roepen en de beslissing om het uitstelverzoek te weigeren, is een procedurele beslissing.
28. Over de juistheid van procedurele beslissingen komt de wrakingskamer geen oordeel toe. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich eveneens ertegen dat de motivering van de procedurele beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat daarvan in deze zaak sprake is, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. Overigens is verzoekster telefonisch op de hoogte gesteld dat het Hof de afwijzing van dit verzoek tijdens de zitting zou toelichten.
29. Verzoeksters subsidiaire verzoek om het wrakingsverzoek te verwijzen naar een ander gerechtshof wordt afgewezen. Het enkele feit dat de wrakingskamer is samengesteld uit raadsheren van het gerechtshof Den Haag is onvoldoende om het wrakingsverzoek te laten behandelen door raadsheren van een ander gerechtshof.
Slotsom
30. Gelet op het voorgaande is het verzoek tot wraking ongegrond en dient het afgewezen te worden.
Beslissing
De wrakingskamer:
- -
wijst het verzoek tot wraking af;
- -
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de gemachtigde van verzoekster, aan de raadsheren, alsmede aan de Inspecteur.
Deze beslissing is gegeven op 1 maart 2023 door J.M. van de Poll, voorzitter, C.A. Joustra en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in aanwezigheid van de griffier N. Veenstra.
aangetekend aan
verzoeker verzonden: