Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.2.2
II.4.3.2.2 Bepaaldheid van verbintenissen…
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625073:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Rutten-I 1981, p. 14. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 23. Zie voor verbintenissen die uit de wet voortvloeien, art. 1388-1416 oud BW en Asser/Rutten-I 1981, p. 51 e.v. Een voorbeeld is de onrechtmatige daad. Thans bepaalt art. 6:1 BW dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit. De wet is hiermee de enige bron van verbintenissen geworden en de overeenkomst is als bron van verbintenissen aan haar ondergeschikt. Brunner & De Jong 2004, nr. 23-25. Zie over bronnen van de verbintenis uitgebreid Asser/ Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 47 e.v.
Zie over het erfrecht als bron van verbintenis B. Schols 2007a over de grondslagen van executele als erfrechtelijke verbintenis. Zie over de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenis Cauffman 2005.
Zou hierbij het onderwerp van de rechtshandeling dan niet enkel het object/voorwerp van de verbintenis beslaan, maar tevens het subject van de verbintenis?
Over het bepaaldheidsvereiste in het kader van de uiterste wilsbeschikking wel Breemhaar 1992, nr. 72. Zie ook subparagraaf 2.2.2.5 ‘Link met wilsdelegatie’ en Bauduin 2011.
Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 50 waarin wordt opgemerkt dat ‘wegens haar [bedoeld wordt ‘de eenzijdige rechtshandeling’, toev. NB] gelijkenis met de overeenkomst is het gewenst daarop zo veel mogelijk de voor de overeenkomst geldende regels toe te passen’ en Asser/ Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 101. Zie voorts het citaat in B. Schols 2007a, p. 115 uit de Parl. Gesch. Vast. (Boek 4), p. 772: ‘Door het legaat ontstaat een verbintenisrechtelijke verhouding, welke op één lijn moet worden gezien met de verbintenisrechtelijke verhouding, die uit een overeenkomst ontstaat.’
Asser/Rutten-II 1982, p. 159.
Vgl. hetgeen ik heb opgemerkt in subparagraaf 4.3.2.1 ‘Onderwerp’.
Over art. 1368 oud BW Asser/Rutten-II 1982, p. 169-170. Zie ook Hofmann & Abas 1977, p. 108-109.
Hierover Asser/Rutten-II 1982, p. 161 e.v.
Zie ook Asser-Rutten-II, p. 160.
Asser-Rutten-II, p. 159 e.v.
Asser-Rutten-II, p. 159.
Vgl. ook art. 1370 lid 1 oud BW, waarover Parl. Gesch. Boek 6, p. 915.
Asser/Rutten-I 1981, p. 14.
Dit vloeit ook voort uit het gegeven dat rechtsgevolgen enkel kunnen worden vastgesteld indien er sprake is van een zekere mate van bepaaldheid (vgl. paragraaf 2.2.2 en 4.1).
Asser/Rutten-I 1981, p. 14. Zie in dit kader ook Asser/Rutten-II 1982, p. 157 e.v.
Asser/Rutten-I 1981, p. 14. Zie in dit kader ook Asser/Rutten-II 1982, p. 157 e.v.
Zie over het vereiste van een bepaald onderwerp in het oude BW ook Hofmann & Van Opstall 1959, p. 358-361; Hofmann & Abas 1977, p. 106-115; Pitlo/Bolweg 1979, p. 224-227.
Pitlo/Bolweg 1979, p. 224.
Pitlo/Bolweg 1979, p. 224.
A) …uit overeenkomst
Het onderwerp van de verbintenis dient steeds in voldoende mate te zijn bepaald. Rutten merkt op dat de eis van voldoende bepaaldheid enkel praktisch belang heeft voor verbintenissen uit overeenkomst, omdat de verbintenissen die uit de wet voortvloeien steeds met de nodige bepaaldheid zijn omkleed.1 De eis van voldoende bepaaldheid heeft evenwel ook praktisch belang voor verbintenissen uit een uiterste wilsbeschikking.2 Sinds 1 januari 2003 heeft, door het toen ingevoerde erfrecht, de testeervrijheid aanzienlijk terrein gewonnen. Er worden steeds flexibelere uiterste willen mét keuzeverlening voor anderen gemaakt. Hierbij mag het bepaaldheidsvereiste mijns inziens niet uit het oog worden verloren.3 Hoeveel keuzes mogen er aan een ander worden gegeven? De wet is hierover verre van duidelijk. En ook in de literatuur is over de bepaaldheid van de uiterste wilsbeschikking en de daaruit voortkomende verbintenissen nagenoeg niets geschreven.4 Het is om deze reden dat ik hierna de bepaaldheid van verbintenissen uit overeenkomst, zoals de schenking, nader bestudeer.5 Wat is hierover opgemerkt in de wet en in de literatuur en wat kan hieruit vervolgens voor de bepaaldheid van verbintenissen uit de uiterste wilsbeschikking worden geleerd?
Alvorens ik de stap naar het huidige verbintenissenrecht maak, volg ik de reeds bewandelde route en besteed ik nog aandacht aan het bepaaldheidsvereiste zoals dat tot uitdrukking kwam in het oude BW.
B) …in de wet
In art. 1368, 1369 en 1370 oud BW heeft de wetgever getracht het bepaaldheidsvereiste voor verbintenissen uit overeenkomst nader in te kleden. De wetgever zou hierin slechts gebrekkig zijn geslaagd:
‘Vooreerst schijnt hij daarbij uitsluitend te hebben gedacht aan overeenkomsten om te geven en heeft hij, sprekende over het onderwerp der overeenkomst, daarmede kennelijk bedoeld het voorwerp der prestatie [ofwel de ‘zaak’, in plaats van de prestatie, toev. NB]. Voorts houden de artt. 1368 en 1370, lid 2, nauwelijks verband met de bepaaldheid van het onderwerp.’6
Art. 1368, 1369 en 1370 oud BW meldden niets over de bepaaldheid van het onderwerp van verbintenissen. Ze zagen namelijk slechts op de bepaaldheid van de zaak, zoals het huis of de boekenkast.7 En zelfs ten aanzien van de vraag naar de bepaaldheid van zaken, vertelden de bovengenoemde artikelen bitter weinig.
Art. 1368 oud BW schreef voor dat ‘de zaken welke in den handel zijn kunnen alleenlijk het onderwerp van overeenkomst uitmaken.’ Daarmee was niets gezegd over de mate van bepaaldheid van zaken.8 Ook art. 1370 lid 2 oud BW zei hierover niets. In dit artikel was enkel vastgelegd dat men in de regel geen afstand kon doen van een erfenis die nog niet was opengevallen, noch enig beding hierover kon aangaan, ook niet met toestemming van de erflater (vgl. in dit kader art. 4:4 BW).9 In art. 1370 lid 1 oud BW was evenwel neergelegd dat toekomstige zaken in beginsel het onderwerp van een overeenkomst konden zijn. In het woord ‘toekomstig’ lag besloten dat over zaken kon worden beschikt, terwijl de bestaanskans van de zaken onzeker was.10 Het leek daarmee met de bepaaldheid van zaken niet zo nauw te komen. Hetgeen mijns inziens door art. 1369 oud BW werd bevestigd:
‘1. Eene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is.
2. De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveelheid naderhand kunnen worden bepaald of uitgemaakt.’
Zaken in overeenkomsten hoefden niet individueel te zijn bepaald. Het was voldoende dat zij naar soort bepaald waren. Evenmin hoefde de zaak, de soort zaken of de hoeveelheid van de zaak bij aanvang van de overeenkomst vast te staan. Bepaalbaarheid voldeed. De zaak, soort zaken of hoeveelheid kon dan ook op een later tijdstip door een persoon of door omstandigheden nader worden vastgesteld.11
Rutten geeft hierbij overigens aan dat er evenwel soorten in soorten bestaan en dat art. 1369 lid 1 oud BW niet meebracht dat aan het bepaaldheidsvereiste was voldaan indien de zaak ten aanzien van haar soort was bepaald. Of aan het bepaaldheidsvereiste was voldaan, dient zijns inziens steeds naar de omstandigheden te worden beoordeeld. Toch voorzag hij geen moeilijkheden bij de toepassing van deze wetsbepaling, die hij overigens als overbodig heeft aangeduid:
‘De omstandigheden zullen bijna steeds een voldoende bepaaldheid rechtvaardigen. Vergelijk bijvoorbeeld Hof Amsterdam 6 juni 1946, NJ 1947, 265. Het wil mij voorkomen, dat de eventuele moeilijkheden op dit gebied grotendeels liggen op het terrein van de uitlegging van overeenkomsten.’12
Deze aanduiding als overbodig is kennelijk ook door de minister gedeeld. Hij heeft de bepalingen over de bepaaldheid van een zaak naar soort en hoeveelheid (art. 1369 oud BW) weggelaten in het huidige BW.13
Met de bepaaldheid van zaken luisterde het dus niet zo nauw. Maar hoe zat het met de bepaaldheid van het onderwerp, ofwel met de bepaaldheid van het voorwerp van de verbintenis? De wettelijke bepalingen die volgen op art. 1356 oud BW gaven hierover geen indicatie. Wat kan hierover uit de literatuur worden afgeleid? Ik bekijk dit in de onderstaande paragraaf.
C) …in de literatuur
Wanneer was het onderwerp van een overeenkomst onder het oude BW voldoende bepaald?
‘Het is moeilijk in abstracto aan te geven wanneer voldoende bepaaldheid aanwezig is. Tussen bepaald en onbepaald is nu eenmaal geen scherpe grens. De verbintenis is waardeloos, ongeldig, wanneer haar voorwerp geheel onbepaald is, zodat niet kan worden uitgemaakt waartoe de schuldenaar verplicht is. Krachteloos is dus de verbintenis om ‘een huis’ te bouwen zonder nadere aanduiding. Vergelijk o.a. Hof ’s-Gravenhage, 15 maart 1915, N.J. 1916 p. 50, Rb. Rotterdam, 7 april 1922, N.J. 1923 p. 232, W. 10941, H.R. 4 dec. 1924, N.J. 1925 p. 265, Ktg. Rotterdam 21 april 1936, N.J. 1937 no. 411, Ktg. Utrecht 9 dec. 1970, Praktijkgids 1971 no. 667 en Ktg. Groenlo 10 sept. 1971, Praktijkgids 1972 no. 693 (curs. NB).’14
Een geheel onbepaald voorwerp maakte de verbintenis onder het oude recht ongeldig.15 Diende de verbintenis dan steeds in alle bijzonderheden te zijn bepaald? Het
antwoord op deze vraag luidde ontkennend:
‘Voldoende – maar dan ook vereist – is, dat die bepaaldheid later kan worden verkregen. Met andere woorden, de prestatie moet bepaalbaar zijn. Aldus uitdrukkelijk H.R. 27 febr. 1980, N.J. 1980, 352 m.nt. G.J.S.’16
Met het ‘later verkrijgen’ van de bepaalbaarheid werd bedoeld:
‘De nadere bepaling kan dan geschieden door de handeling van een derde (zie bijvoorbeeld art. 1501, lid 2 B.W.) of van een der partijen (art. 135boek 2 B.W.), door rechterlijke beslissing (zie bijvoorbeeld art. 1637w B.W.) of door andere omstandigheden (bijvoorbeeld bij verkoop tegen de marktprijs van de dag der levering). Vergelijk ook H.R. 13 jan. 1938, N.J. 1938 no. 566 m.nt. P.S. en 30 jan. 1953, 578 m.nt. PH.A.N.H.’17
Het gegeven dat de nadere bepaling van de prestatie door de handeling van een derde, door een van de partijen of door de rechter kon geschieden, laat doorschemeren dat het bepaaldheidsvereiste niet een onrekbaar vereiste is dat telkens strikt dient te worden opgevat. De inhoud van de prestatie hoefde immers niet in volledigheid te zijn bepaald, maar kon op een later moment worden aangevuld. Deze vaststelling is in het kader van de uitleg van het bepaaldheidsvereiste voor de uiterste wilsbeschikking zeer interessant. Zou een derde of bijvoorbeeld een begiftigde daar (ten aanzien van de uiterste wilsbeschikking) ook de prestatie nader kunnen bepalen? Op deze vraag ga ik in het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 5) nader in.18
Bolweg19 merkt op dat voldoende bepaald wil zeggen: bepaalbaar aan de hand van objectieve maatstaven. Dit zou erop kunnen duiden dat er volgens hem voor bepaalbaarheid aan de hand van subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, geen plaats is (en voor wilsdelegatie zodoende evenmin). Toch zal Bolweg dit niet hebben bedoeld, want hij merkt eveneens op dat:
‘Zo heeft de verkoop van een partij goederen tegen een door een taxateur vast te stellen prijs een bepaald voorwerp […]
Men besluite echter niet te gauw tot nietigheid op deze grond [bedoeld wordt onbepaaldheid, toev. NB] want een objectieve maatstaf als hierboven bedoeld is ook gelegen in hetgeen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is en voorts in art. 1374 lid 3: overeenkomsten moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gelegd. Deze verplichting geeft veelal de nodige bepaaldheid aan een schijnbaar te onbepaalde inhoud. A had aan B geld geleend en daarbij bedongen dat B hem zoveel roerende en onroerende goederen tot zekerheid zou overdragen als hij (A) zou aanwijzen. Bij arrest van 13 januari 1928 [1938, correctie N.B.] (N.J. 1938, 566) besliste de H.R. dat deze overeenkomst niet aan het euvel van een onbepaald voorwerp leed, aangezien de eis van de goede trouw aan A een limiet stelde; […] (curs. NB).’20
De ‘objectieve maatstaf’ van Bolweg kan dus toch ook subjectieve elementen bevatten. Ik meen dat Bolweg met zijn ‘objectieve maatstaf’ bedoeld dat in de overeenkomst duidelijk moet zijn vastgelegd hoe de concretisering van de inhoud van de overeenkomst zal plaatsvinden (‘deskundige X zal het bedrag dat verschuldigd is bepalen’). Ofwel de vaststelling van de inhoud dient te geschieden aan de hand van tevoren vaststaande criteria, die evenwel ook het oordeel van een derde of een der partijen kunnen omvatten. Dit is ook de regel van de rechtspraak, zoals ik hierna zal toelichten.