De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.3
4.3.3 Toestemming voor bestemmingswijziging
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS386062:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1091, Nota van Prof. J.H. Beekhuis naar aanleiding van het Voorlopig Verslag en eigen opmerkingen, 12 juli 1967, p. 5.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Toelichtende aantekeningen bij de voorlopige tekst opgesteld door Prof.mr. J.H. Beekhuis d.d. 12 januari 1968, 1 februari 1968, p. 3. Nadruk in origineel.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Korte aantekeningen van mr. J.H. Beekhuis over de nieuwe tekst van Titel 7, 29 april 1970, p. 9: “De toestemming bedoeld in het tweede lid, kan – anders dan volgens artikel 3.8.6a (nieuw) – niet vervangen worden door die van de boedelrechter, omdat in het tweede lid de eis gesteld wordt dat de waarde van de zaak niet verminderd wordt, welke eis bij vruchtgebruik niet geldt.”
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Erfpacht. Voorlopige tekst met Toelichting, mr. W.C. Treurniet, maart 1971, p. 4: “In dit verband vraag ik mij af hoe het staat met het bij de industriële erfpacht gebruikelijk verbod om de bestemming van de zaak te veranderen (ook al zou de waarde van de zaak niet verminderen). Kan een dergelijk verbod in de toekomst niet meer een kwalitatieve verbintenis in het leven roepen?”
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Nota van Mr. J.H. Beekhuis naar aanleiding van de opmerkingen over deze titels van Mr. W.C. Treurniet, 3 maart 1971, p. 3.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Bespreking over de titels erfpacht en opstal, Opmerkingen van Mr. W.B. Plantenga, 29 maart 1971, p. 1 (punt 3).
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Notities bij afdeling 5.7.1, Mr. W. Snijders, april 1971, p. 14.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Bespreking dd. 18 mei 1971 te 10.30 uur tussen Mr. J.H. Beekhuis en Mr. W. Snijders, p. 3.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Bespreking dd. 3 juni 1971 over de titels 5.7.1 en 5.8, Aanwezig zijn: Mr. J.H. Beekhuis, Mr. W.B. Plantenga, Mr. W. Snijders, Mr. W.C. Treurniet en Mej. Mr. M. Bartels, p. 4.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Bespreking dd. 3 juni 1971 over de titels 5.7.1 en 5.8, Aanwezig zijn: Mr. J.H. Beekhuis, Mr. W.B. Plantenga, Mr. W. Snijders, Mr. W.C. Treurniet en Mej. Mr. M. Bartels, p. 5: “Artikel 3. Lid 1. Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, heeft de erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar. Lid 2. Hij mag echter zonder toestemming van de eigenaar niet een andere bestemming aan de zaak geven of een handeling in strijd met de bestemming van de zaak verrichten, indien daardoor de waarde van de zaak zou verminderen.” Zie ook NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Voorlopige tekst titel 5.7.1 opgesteld door Mr. J.H. Beekhuis, 24 mei 1971, p. 2. Van Ewijk kwam nog terug op het woordje ‘echter’ en wilde voorkomen dat deze constructie ook bij andere toestemmingsbepalingen in het ontwerp zou worden gevolgd, NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1091, Enige aantekeningen bij de eerste drukproef m.v.a. en g.o. van Mr. O.W. van Ewijk aan mr. Snijders, p. 5-6. Dit heeft niet tot wijziging van de tekst geleid.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1091, Eerste concept van de memorie van antwoord van Mr. J.H. Beekhuis behorende bij de tekst van 24 juni 1971, p. 13.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1042, Brief aan de Minister van Justitie van de Koninklijke Notariële Broederschap van 23 april 1976 ter aanbieding van het rapport inzake het gewijzigd ontwerp van wet voor Boek 5 Nieuw B.W., p. 15.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1042, Brief aan de Minister van Justitie van de Koninklijke Notariële Broederschap van 23 april 1976 ter aanbieding van het rapport inzake het gewijzigd ontwerp van wet voor Boek 5 Nieuw B.W., p. 15.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1042, Brief aan de Minister van Justitie van de Koninklijke Notariële Broederschap van 23 april 1976 ter aanbieding van het rapport inzake het gewijzigd ontwerp van wet voor Boek 5 Nieuw B.W., p. 16.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1092, Voorbereidende notities titel 5.7, Mr. W. Snijders, 16 juni 1976, p. 2.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv. nr. 1092, Voorbereidende notities titel 5.7, Mr. W. Snijders, 16 juni 1976, p. 2-3.
Vgl. het pleidooi van Vonck 2011a, p. 113.
De Jong 1984b, p. 16-17.
NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 288, Mr. W. Snijders, ‘Notitie bij Ontwikkelingen in het gemeentelijk grondbeleid, verslag derde kwartaalvergadering Vereniging voor Bouwrecht op 12 december 1985’, Bouwrecht 1986, p. 161 e.v., 1 juli 1986, p. 2.
Dat de erfpachter toestemming van de erfverpachter nodig had voor wijziging van de bestemming of het gebruik van de onroerende zaak was al in de eerste ontwerpen opgenomen en heeft geen aanleiding gegeven tot discussie. Gedurende de wetsgeschiedenis werd wel enige aandacht geschonken aan de vraag of bij weigering van deze toestemming de erfpachter ook een beroep op de kantonrechter moest kunnen doen. De analogie was hier het recht van vruchtgebruik. Uiteindelijk werd afgezien van een vergelijkbare regeling voor het recht van erfpacht.
In zijn eerste nota over titel 5.7 BW had Beekhuis zich de vraag gesteld of de toestemming van de grondeigenaar voor het wijzigen van de bestemming van de zaak moest kunnen worden vervangen door de toestemming van de rechter, zoals ook was geregeld voor het recht van vruchtgebruik.1 In de toelichting op het eerste ontwerp kwam Beekhuis daarop echter terug:
“Achteraf acht ik het niet juist te bepalen dat toestemming van de eigenaar kan worden vervangen door die van de boedelrechter. Het verschil met artikel 3.8.6 lid 3 (thans 6a [art. 3:208]) is, dat bij vruchtgebruik voor elke wijziging in de bestemming toestemming nodig is, terwijl bij erfpacht alleen toestemming voor wijziging van de bestemming nodig is, indien daardoor de waarde van de zaak zou verminderen.”2
De voorwaarde die van oudsher bij bestemmingswijziging aan toestemming werd gesteld, dat de onroerende zaak door de verandering van gebruik of bestemming in waarde achteruit ging, maakte een rechterlijke machtiging niet nodig of niet wenselijk. Bij vruchtgebruik gold een dergelijke voorwaarde niet, was toestemming voor bestemmingswijziging altijd vereist en kon deze vervangen worden door toestemming van de rechter. Niet bleek of de lastige vaststelling van de waardevermindering bij erfpachtrechten bij dit oordeel een rol heeft gespeeld. In de concept-toelichting op het tekstvoorstel voor het gewijzigd ontwerp van maart 1970 heette het wel dat de voorwaarde waardevermindering een belemmering vormde voor de vervangende machtiging van de rechter voor toestemming voor bestemmingswijziging.3 Tijdens de consultaties van de preadviseurs bleek dat de vereiste waardevermindering van de onroerende zaak in de praktijk niet altijd werd toegepast. Preadviseur Treurniet stelde dat in de praktijk bij industriële erfpachtrechten bestemmingswijziging ook uitgesloten werd indien de waarde van de onroerende zaak niet verminderde, en vroeg zich af of een dergelijk beding onder het nieuwe recht nog gemaakt zou kunnen worden.4 Beekhuis antwoordde bevestigend, partijen konden in de akte van vestiging afwijken het bepaalde in het tweede lid.5 Preadviseur Plantenga wees erop dat een grondeigenaar ook een niet-financieel belang kon hebben bij een bepaald gebruik van de zaak, zoals een planologisch, landschappelijk of milieubelang, zodat de voorwaarde ‘indien daardoor de waarde van de zaak zou verminderen’ naar zijn mening te eng geformuleerd was.6 Regeringscommissaris Snijders was in zijn eerste nota over titel 5.7 BW van mening dat voor alle vormen van bestemmingswijziging toestemming van de erfverpachter nodig was, ook indien de erfpachter met toestemming van de erfverpachter de bestemming had gewijzigd en deze daarna weer terug wilde naar de oorspronkelijke bestemming.7
Het wegvallen van de vereiste waardevermindering van de zaak verliep via de omweg van de vervallenverklaring. Indien de erfpachter zijn verplichtingen uit het erfpachtrecht niet nakwam door de afgesproken bestemming van de grond te wijzigen zonder dat de onroerende zaak daardoor in waarde achteruit ging, kon de erfverpachter er veel belang bij hebben van de erfpachter af te komen. Dat leidde tot de conclusie dat de in art. 5.7.1.3 lid 1 NBW gestelde voorwaarde waardevermindering moest vervallen.8 Voor gevallen zoals de verandering van bestemming moest een regel komen die neerkwam op vervallenverklaring. Ook de preadviseurs waren het erover eens dat de voorwaarde waardevermindering geschrapt kon worden omdat een onaanvaardbare bestemmingswijziging niet altijd gepaard hoefde te gaan met waardevermindering.9 Enerzijds kon de erfverpachter de kwestie van de waardevermindering betrekken in zijn beslissing al dan geen toestemming te verlenen, terwijl partijen anderzijds waardevermindering als vereiste konden overeenkomen. Op grond van het woord ‘echter’ in het tweede lid moest namelijk worden aangenomen dat partijen de toestemming voor bestemmingswijziging in de vestigingsakte anders konden regelen.10 De toestemming voor wijziging van de bestemming of het gebruik was dus niet dwingend voorgeschreven, zoals ook bleek uit de eerste versie van de memorie van antwoord die als toelichting op het gewijzigd ontwerp fungeerde. Het wegvallen van de waardeverminderingsvoorwaarde was geschied in het belang van de overheid als erfverpachter:
“Gezien het belang dat de overheid dikwijls heeft bij handhaving van een bepaalde bestemming, dient wijziging daarvan ook niet mogelijk te zijn, indien door de gewijzigde bestemming de waarde van de zaak niet zou verminderen.”11
In de definitieve memorie van antwoord werd benadrukt dat dat belang vaak van publiekrechtelijke aard was en werden enige voorbeelden gegeven. Het rapport van de KNB-commissie voor Boek 5 NBW stelde daarop de vraag of ook toestemming was vereist indien het gebruik van de onroerende zaak wel moest wijzigen op grond van een gewijzigd bestemmingsplan, of dat het gebruik dan automatisch wijzigde.12 Snijders beantwoordde deze vraag ontkennend, bij wijziging van een bestemmingsplan bleef privaatrechtelijke toestemming nodig.13
Nadat de voorwaarde waardevermindering van de zaak op verzoek van de gemeenten uit de wettekst was gehaald merkte de KNB-commissie op dat zij bij art. 5.7.1.3 NBW ‘een soortgelijke bepaling als in art. 5.7.1.5 lid 3’ het meest geëigend achtte.14 Op dit pleidooi om de vervangende machtiging van de kantonrechter bij toestemming voor bestemmingswijziging alsnog wettelijk te regelen, werd door Snijders in zijn nota niet gereageerd en ook het verslag van de bespreking van Snijders met de KNB-commissie maakte hiervan geen melding. In een latere nota overwoog Snijders de kwestie opnieuw en betwijfelde of de rechterlijke machtiging moest worden opgenomen in de bepaling over bestemmingswijziging, omdat:
‘(…) de vraag of wijziging van de inhoud van een erfpachtrecht op haar plaats is, omdat exploitatie overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming bezwaren op gaat leveren, in de eerste plaats dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 5.7.1.8a. De klacht dat de gemeente niet tijdig op een verzoek om toestemming reageert, lijkt me niet voldoende om hierin verandering te brengen. Wel kan m.i. een zodanig gedrag van de eigenaar in strijd komen met wat naar redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is; zie artikel 6.5.3.1, hier van overeenkomstige toepassing krachtens artikel 6.5.1.6. Maar daarop kan geen bevoegdheid van de boedelrechter worden gebaseerd.’15
De argumentatie kan als volgt worden samengevat. Bestemmingswijziging verschilt van overdracht en splitsing omdat bij bestemmingswijziging de inhoud van het erfpachtrecht zoals vastgelegd in de vestigingsakte in het geding is. Voor een wijziging van die inhoud is primair de imprévision van art. 5:97 BW bedoeld, een wijziging van de bestemming tegen de zin van een der partijen kan alleen door de rechter geschieden op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dat is wat anders dan dat de rechter zal toetsen of de erfverpachter zijn bedongen toestemming voor overdracht door de erfpachter terecht heeft geweigerd, daaraan komt geen wijziging van het recht te pas, alleen een wijziging van de persoon van de erfpachter en daarbij kan de erfverpachter belang hebben. De rechtszekerheid vergt dan een wijziging bij rechterlijke uitspraak en niet eenzijdig door partijen en nu dat is geregeld in art. 5.7.1.8a NBW is een afzonderlijke bepaling als onderdeel van art. 5.7.1.3 NBW niet nodig.
Indien partijen echter in onderling overleg een bestemmingswijziging overeenkomen en die vastleggen in een notariële akte en inschrijven in de openbare registers, bestaat er geen probleem. In dat kader kunnen zich nog andere situaties voordoen rond een verzoek tot bestemmingswijziging:
“Wel zijn m.i. situaties denkbaar dat de erfpachter krachtens redelijkheid en billijkheid bevoegd is aan de eigenaar een redelijke termijn te stellen, waarbinnen hij zich over een voorstel tot bestemmingswijziging kan uitlaten op straffe van dit voorstel niet meer te kunnen aanvaarden, of van schadevergoeding, wanneer de erfpachter schade heeft geleden doordat hij gedurende langere tijd met de mogelijkheid van toestemming tot wijziging rekening heeft moeten houden en hem aldus is belet een redelijk alternatief voor de zonder deze wijziging voor hem niet meer bruikbare zaak te vinden.”16
De vraag of bepaalde erfpachtvoorwaarden, die een ander toestemmingsvereiste inhouden dan al aan de orde was gekomen, geoorloofd zijn moet worden behandeld aan de hand van art. 3.2.10 lid 4 NBW en art. 6.5.1.3 NBW. Snijders refereert hier aan het latere art. 3:44 lid 4 BW, de vernietiging van een rechtshandeling wegens misbruik van omstandigheden,17 en aan de op dat moment nog niet uitgewerkte regeling over algemene voorwaarden. Al met al waren er voldoende alternatieven en daarmee argumenten tegen een vervangende machtiging van de kantonrechter bij toestemming voor bestemmingswijziging.
In het gewijzigd ontwerp werd de toestemming voor bestemmingswijziging gehandhaafd, maar verviel de voorwaarde dat de wijziging moest leiden tot waardevermindering van de onroerende zaak. Dat voor alle wijzigingen in beginsel toestemming was vereist vormde echter geen reden om, net als bij vruchtgebruik, het weigeren van de toestemming te vervangen door de rechterlijke machtiging. Voor een wijziging van de inhoud van een erfpachtrecht was voorzien bij de imprévision-regeling. Bovendien konden partijen in de vestigingsakte de toestemming voor bestemmingswijziging anders regelen. De wettelijke regeling sloot daarmee beter aan op de praktijk van de stedelijke erfpacht. In art. 5.7.1.3 NBW over de inhoud van het recht wordt bij het gewijzigd ontwerp een toestemmingsvereiste opgenomen voor het wijzigen van de bestemming van de zaak. Toestemming voor overdracht of splitsing moet bij vestiging worden bedongen, maar toestemming voor bestemmingswijziging is op grond van de wet steeds vereist tenzij partijen anders hebben afgesproken. Toestemming voor het door de erfpachter verrichten van een handeling in strijd met de bestemming van de zaak wordt op verzoek van overheden als erfverpachter niet langer gekoppeld aan de vermindering van de waarde van de zaak.
Tijdens de behandeling van de Invoeringswet kwam De Jong terug op de kwestie van de vervangende machtiging bij bestemmingswijziging. De Jong achtte de beperking van de vervangende rechterlijke machtiging tot bepaalde vormen van toestemming ongewenst en bepleitte uitbreiding van deze vorm van rechtsbescherming naar alle vormen van toestemming binnen erfpachtverhoudingen:
“Gelet op het voorgaande zou het mijns inziens gewenst zijn de regeling van artikel 5.7.1.5 uit te breiden en in titel 5.7.1 één algemene regeling op te nemen, welke ertoe strekt de erfpachter de mogelijkheid te geven in geval zijn bevoegdheid met betrekking tot de beschikking over het recht of het genot van de grond is ingeperkt en (rechts)handelingen alleen met toestemming van de eigenaar kunnen worden verricht, daarvoor de vervangende machtiging van de kantonrechter te vragen. Een dergelijke regeling zou tegemoet komen aan de wens tot verbetering van de rechtsbescherming van de burger in geval van privaatrechtelijk maar bestuurlijk gericht optreden van de overheid.”18
Uit de notities van regeringscommissaris Snijders blijkt dat deze het voorstel voor een algemene regeling niet wenselijk achtte omdat dit onder het mom van het ‘weigeren van toestemming’ zou kunnen leiden tot een redelijkheidstoetsing van de gehele inhoud van het erfpachtrecht:
‘(…) hiertegen [zijn] bezwaren (…) aan te voeren. Bovendien is niet duidelijk aan welke andere toestemmingsvoorschriften gedacht wordt. In titel 5.7 staan er niet meer, hetgeen op de gedachte brengt dat de bedoeling is dit bij elke weigering van toestemming door de eigenaar voor wat de erfpachter in verband met zijn recht wil, vervanging door machtiging van de kantonrechter mogelijk moet zijn. M.i. gaat dat veel te ver; het zou immers neerkomen op een toetsing van de gehele erfpacht aan redelijkheid, zodra maar verschil van mening tussen partijen bestaat en de eigenaar weigert "toestemming" te geven voor wat de erfpachter zich gedacht had.’19
Zo algemeen was de regeling door De Jong echter niet bedoeld, haar aanbeveling betreft vooral toestemming voor bestemmingswijziging en andere (rechts)handelingen die verband houden met de beschikkingsmacht van de erfpachter over zijn recht en/of de onroerende zaak. Een algemene regeling voor vervangende machtiging voor (rechts)handelingen die de bevoegdheid van de erfpachter om over zijn recht of de onroerende zaak te beschikken lijkt nog steeds een goed idee.