Procestaal: Duits.
HvJ EU, 12-01-2023, nr. C-396/21
ECLI:EU:C:2023:10
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-01-2023
- Magistraten
A. Prechal, M.L. Arastey Sahún, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer
- Zaaknummer
C-396/21
- Conclusie
L. medina
- Roepnaam
FTI Touristik (Voyage à forfait aux îles Canaries)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:10, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑01‑2023
ECLI:EU:C:2022:688, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑09‑2022
Uitspraak 12‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn (EU) 2015/2302 — Artikel 14, lid 1 — Pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen — Uitvoering van een pakketreisovereenkomst — Aansprakelijkheid van de betrokken organisator — Maatregelen om de wereldwijde verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan — COVID-19-pandemie — Beperkingen die zijn opgelegd op de plaats van bestemming en in de woonplaats van de betrokken reiziger, alsook in andere landen — Non-conformiteit van de in het kader van de betrokken pakketreis verrichte diensten — Passende verlaging van de prijs van deze pakketreis
A. Prechal, M.L. Arastey Sahún, F. Biltgen, N. Wahl, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-396/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht München I (regionale rechter München I, Duitsland) bij beslissing van 18 mei 2021, ingekomen bij het Hof op 29 juni 2021, in de procedure
KT,
NS
tegen
FTI Touristik GmbH,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, M. L. Arastey Sahún, F. Biltgen, N. Wahl en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juni 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A. Ferrand als gemachtigden,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann, I. Rubene en C. Valero als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 september 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding van twee reizigers, KT en NS (hierna: ‘verzoekers in het hoofdgeding’), tegen een reisorganisator, FTI Touristik GmbH, over een verlaging van de prijs van een pakketreis, die deze twee reizigers vorderen naar aanleiding van beperkingen die op hun plaats van bestemming waren opgelegd om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan, en vanwege hun vervroegde terugkeer naar hun plaats van vertrek.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 31 en 34 van richtlijn 2015/2302 luiden:
- ‘(31)
Reizigers dienen ook in staat te zijn de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis te allen tijde te beëindigen tegen betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding, rekening houdend met te verwachten kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Zij dienen eveneens het recht te hebben de pakketreisovereenkomst zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen wanneer onvermijdbare en buitengewone omstandigheden aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis. Voorbeelden zijn oorlog of andere ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming, of natuurrampen zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden.
[…]
- (34)
Er dienen specifieke regels te worden vastgesteld voor het verhelpen van de non-conforme uitvoering van de pakketreisovereenkomst. De reiziger dient erop te kunnen rekenen dat problemen worden opgelost en dient geschikte alternatieve arrangementen aangeboden te krijgen wanneer een aanzienlijk deel van de reisdiensten waarop de pakketreisovereenkomst betrekking heeft niet kan worden verstrekt. Indien de organisator de non-conformiteit niet binnen een door de reiziger bepaalde redelijke termijn verhelpt, moet de reiziger dat zelf kunnen doen en om terugbetaling van de noodzakelijke uitgaven kunnen verzoeken. In bepaalde gevallen dient het bepalen van een termijn niet nodig te zijn, met name wanneer onmiddellijk herstel nodig is. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer, als gevolg van een vertraging van een door de organisator ter beschikking gestelde bus, de reiziger een taxi moet nemen om zijn vlucht te halen. De reizigers dienen ook aanspraak te hebben op een prijsverlaging, beëindiging van de pakketreisovereenkomst en/of schadevergoeding. Ook immateriële schade dient te worden vergoed; deze kan bestaan uit schadevergoeding voor een derving van reis- of vakantiegenot ten gevolge van aanzienlijke problemen bij de uitvoering van de desbetreffende reisdiensten. De reiziger dient te worden verplicht om, rekening houdend met de omstandigheden, de organisator onverwijld op de hoogte te brengen van iedere non-conformiteit die hij ervaart tijdens de uitvoering van een in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdienst. Indien hij dat nalaat, kan daarmee bij het bepalen van de redelijke prijsverlaging of schadevergoeding rekening worden gehouden voor zover een dergelijke mededeling van de non-conformiteit de schade had kunnen voorkomen of beperken.’
4
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van deze richtlijn luidt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van een hoog en zo uniform mogelijk niveau van consumentenbescherming door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen reizigers en handelaren gesloten overeenkomsten betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen onderling aan te passen.’
5
Artikel 3 (‘Definities’) van die richtlijn bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- 12.
‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’: een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren;
- 13.
‘non-conformiteit’: het niet of niet goed uitvoeren van de reisdiensten die deel uitmaken van een pakketreis;
[…]’
6
Artikel 13 (‘Verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de pakketreis’) van richtlijn 2015/2302 bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de organisator aansprakelijk is voor de uitvoering van de reisdiensten waarop de pakketreisovereenkomst betrekking heeft, ongeacht of deze diensten door de organisator of door andere dienstverleners worden verricht.
[…]
- 2.
De reiziger stelt de organisator onverwijld, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, in kennis van een eventuele non-conformiteit die hij tijdens de uitvoering van een in de pakketreisovereenkomst opgenomen reisdienst heeft geconstateerd.
- 3.
Indien een of meer reisdiensten niet conform de pakketreisovereenkomst worden uitgevoerd, zorgt de organisator dat de non-conformiteit wordt verholpen, tenzij dat:
- a)
onmogelijk is; of
- b)
onevenredig hoge kosten met zich brengt, rekening houdend met de mate van non-conformiteit en de waarde van de desbetreffende reisdiensten.
Indien de organisator de non-conformiteit niet overeenkomstig de eerste alinea, onder a) of b), van dit lid, verhelpt, is artikel 14 van toepassing.
[…]’
7
In artikel 14 (‘Prijsverlaging en schadevergoeding’) van richtlijn 2015/2302 is bepaald:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de reiziger recht heeft op een passende prijsverlaging voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit, tenzij de organisator bewijst dat de non-conformiteit aan de reiziger toe te schrijven is.
- 2.
De reiziger heeft recht op passende schadevergoeding van de organisator voor alle schade die hij oploopt als gevolg van non-conformiteit. De schadevergoeding wordt onverwijld uitbetaald.
- 3.
De reiziger heeft geen recht op schadevergoeding indien de organisator aantoont dat de non-conformiteit te wijten is aan:
- a)
de reiziger;
- b)
een derde die niet bij de uitvoering van de in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdiensten is betrokken, en de non-conformiteit niet kon worden voorzien of voorkomen; of
- c)
onvermijdbare en buitengewone omstandigheden.
[…]’
Duits recht
8
§ 651i van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’) bepaalt:
- ‘(1)
De reisorganisator is verplicht om de reiziger in het genot te stellen van de pakketreis zonder dat er sprake is van reisgebreken.
- (2)
De pakketreis is vrij van reisgebreken wanneer zij de overeengekomen kenmerken heeft. Wanneer geen kenmerken zijn overeengekomen, wordt de pakketreis geacht vrij van reisgebreken te zijn
- 1.
wanneer zij geschikt is voor het gebruik als bedoeld in de overeenkomst, dan wel
- 2.
wanneer zij geschikt is voor het normale gebruik en kenmerken heeft die gebruikelijk zijn bij soortgelijke pakketreizen en die de reiziger gelet op de aard van de pakketreis mag verwachten.
Van een reisgebrek is tevens sprake wanneer de reisorganisator reisdiensten niet of met onredelijke vertraging verricht.
- (3)
Wanneer de pakketreis gebreken vertoont, kan de reiziger, mits voldaan is aan de voorwaarden van de volgende bepalingen en tenzij anders is bepaald,
[…]
- 6.
de rechten doen gelden die voortvloeien uit een verlaging van de reissom (§ 651m) […]
[…]’
9
§ 651m BGB luidt:
‘Voor de duur van het reisgebrek wordt de reissom verlaagd. Hierbij wordt de reissom verlaagd naar evenredigheid van de werkelijke waarde van de pakketreis ten opzichte van de waarde die de pakketreis op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst zou hebben gehad indien zij vrij van gebreken was geweest. Indien nodig dient de verlaging door schatting te worden vastgesteld.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Op 30 december 2019 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij FTI Touristik een pakketreis gekocht die bestond uit een heen- en terugvlucht tussen Duitsland en Gran Canaria (Spanje) en een verblijf op dit eiland van 13 tot en met 27 maart 2020. Verzoekers in het hoofdgeding konden zoals gepland naar hun bestemming reizen.
11
Op 15 maart 2020 hebben de Spaanse autoriteiten evenwel op het gehele Spaanse grondgebied maatregelen genomen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan, waarbij onder andere de stranden op Gran Canaria werden gesloten en er een avondklok op dit eiland werd ingesteld. In het hotel waar verzoekers in het hoofdgeding verbleven, mochten de gasten dienovereenkomstig hun kamer alleen verlaten om te eten, waren de zwembaden en de ligstoelen niet langer toegankelijk en was het animatieprogramma geannuleerd. Op 18 maart 2020 werd verzoekers in het hoofdgeding meegedeeld dat zij zich gereed moesten houden om dat eiland elk moment te kunnen verlaten en twee dagen daarna moesten zij naar Duitsland terugkeren.
12
Bij hun terugkeer hebben verzoekers in het hoofdgeding FTI Touristik verzocht om hun een verlaging ten belope van 70 % van de prijs van hun pakketreis, dat wil zeggen een bedrag van 1 018,50 EUR, toe te kennen. FTI Touristik heeft geweigerd om hun deze prijsverlaging toe te kennen, omdat zij van mening was dat zij niet aansprakelijk kon worden gesteld voor een ‘algemeen levensrisico’. Na die weigering hebben verzoekers in het hoofdgeding beroep ingesteld bij het Amtsgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland) om die prijsverlaging te verkrijgen.
13
Bij uitspraak van 26 november 2020 heeft deze rechter dat beroep verworpen op grond dat de door de Spaanse autoriteiten genomen maatregelen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan maatregelen ter bescherming van de gezondheid van verzoekers in het hoofdgeding waren, en dat een dergelijke bescherming niet kon leiden tot een ‘gebrek’ in hun pakketreis in de zin van § 651i BGB. Die rechter benadrukt in dit verband dat de exploitanten van het hotel waar verzoekers in het hoofdgeding verbleven, genoodzaakt waren om maatregelen ter bescherming van hun gasten te treffen.
14
Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij het Landgericht München I (regionale rechter München I, Duitsland), de verwijzende rechter. Volgens deze rechter kan inderdaad worden aangenomen dat de organisator van een pakketreis, gelet op de in § 651i BGB bedoelde risicoaansprakelijkheid van deze reisorganisator, aansprakelijk kan worden gesteld voor non-conformiteit van de betrokken reisdiensten ten gevolge van de toepassing van maatregelen ter bescherming van de gezondheid. Tijdens de reis van verzoekers in het hoofdgeding zijn echter ook in Duitsland maatregelen vastgesteld die vergelijkbaar zijn met die welke door de Spaanse autoriteiten zijn genomen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan, zodat de op de reisbestemming van verzoekers in het hoofdgeding opgelegde maatregelen zouden kunnen worden beschouwd als ‘gewone omstandigheden’ die in heel Europa wegens deze pandemie waren opgelegd, en niet als buitengewone omstandigheden die specifiek waren voor die bestemming.
15
Voorts heeft de verwijzende rechter er twijfels over of de aldus opgelegde beperkingen konden worden geacht deel uit te maken van het ‘algemene levensrisico’ dat aansprakelijkheid van de organisator van de betrokken pakketreis uitsluit. De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar een beslissing van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), waarin onder meer is geoordeeld dat de contractuele waarborg inzake reizen kan worden beperkt met betrekking tot omstandigheden die uitsluitend verband houden met de persoonlijke sfeer van de reiziger of met omstandigheden waarin zich risico's voordoen die de reiziger ook in het dagelijks leven moet dragen. In gevallen waarin geen enkele niet-nakoming van een verplichting of enig ander feit dat aanleiding geeft tot aansprakelijkheid kan worden toegerekend aan de betrokken reisorganisator, moet de reiziger dus de risico's dragen die verbonden zijn aan een activiteit die onder het ‘algemene levensrisico’ valt. Dit is het geval wanneer de reiziger, los van de reisdiensten van de pakketreis, een ongeval op zijn vakantiebestemming heeft, ziek wordt, het slachtoffer is van een strafbaar feit of om andere persoonlijke redenen niet langer in staat is om verder van deze diensten gebruik te maken.
16
De verwijzende rechter wijst er nog op dat de auteurs van richtlijn 2015/2302, zoals blijkt uit overweging 31 van deze richtlijn, de ‘uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming’ weliswaar hebben opgenomen onder de ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 12, lid 2, van die richtlijn, maar verondersteld kan worden dat die auteurs niet het geval van een pandemie voor ogen hadden.
17
In deze omstandigheden heeft het Landgericht München I (regionale rechter München I, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Vormen beperkingen in verband met een op de plaats van bestemming heersende besmettelijke ziekte ook een geval van non-conformiteit in de zin van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 wanneer die beperkingen wegens de wereldwijde verspreiding van die besmettelijke ziekte zowel in de woonplaats van de reiziger als in andere landen zijn opgelegd?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een reiziger recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis wanneer een non-conformiteit van de in zijn pakketreis begrepen reisdiensten te wijten is aan beperkingen die op de plaats van bestemming van deze reiziger zijn opgelegd om de verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan en dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van deze reiziger en in andere landen zijn opgelegd wegens de wereldwijde verspreiding van deze ziekte.
19
In dit verband moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan (arrest van 18 oktober 2022, IG Metall en ver.di, C-677/20, EU:C:2022:800, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 betreft, deze bepaling schrijft voor dat de lidstaten erop toezien dat een reiziger recht heeft op een passende prijsverlaging voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit, tenzij de organisator bewijst dat die non-conformiteit aan deze reiziger toe te rekenen is.
21
Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dus dat het recht van die reiziger op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis uitsluitend afhangt van de voorwaarde dat er sprake is van non-conformiteit van de verrichte reisdiensten. Overeenkomstig artikel 3, punt 13, van richtlijn 2015/2302 wordt het begrip ‘non-conformiteit’ gedefinieerd als het niet of niet goed uitvoeren van de reisdiensten die deel uitmaken van een pakketreis.
22
Hieruit volgt dat het niet of niet goed uitvoeren van de reisdiensten volstaat om de betrokken reiziger het recht te geven om een verlaging van de prijs van zijn pakketreis te verkrijgen van de organisator die hem deze heeft verkocht. In dit verband is de oorzaak van deze non-conformiteit, met name dat zij aan deze organisator toe te rekenen is, irrelevant. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 17 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de vaststelling van een non-conformiteit objectief, in die zin dat zij enkel vereist dat de in de pakketreis van de betrokken reiziger begrepen diensten worden vergeleken met de diensten die feitelijk ten behoeve van deze reiziger zijn verricht.
23
De bewoordingen van die bepaling voorzien slechts in één uitzondering op dat recht van de koper van een pakketreis, namelijk dat de non-conformiteit aan deze laatste toe te rekenen is. Gelet op de duidelijke betekenis van deze uitzondering en de strikte uitlegging die aan elke uitzondering moet worden gegeven, kan die uitzondering geen betrekking hebben op andere situaties dan die waarin de non-conformiteit aan deze reiziger toe te rekenen is.
24
Uit de letterlijke uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 volgt dus dat het niet of niet goed uitvoeren van de in een pakketreis begrepen reisdiensten de betrokken reiziger in alle omstandigheden een recht op prijsverlaging geeft, behalve wanneer het niet of niet goed uitvoeren aan deze reiziger toe te rekenen is. Dat de non-conformiteit van die reisdiensten is toe te rekenen aan de organisator of aan andere personen dan die reiziger, of dat zij te wijten is aan omstandigheden waarop de organisator geen invloed heeft, zoals ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 3, punt 12, van richtlijn 2015/2302, doet derhalve niet af aan het bestaan van het recht van die reiziger op een prijsverlaging.
25
Wat in de tweede plaats de context van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling deel uitmaakt van de geharmoniseerde regeling van contractuele aansprakelijkheid van organisatoren van pakketreizen, die is ingevoerd bij de artikelen 13 en 14 van deze richtlijn, die staan in hoofdstuk IV ervan, met als opschrift ‘Uitvoering van de pakketreis’. Deze aansprakelijkheidsregeling wordt gekenmerkt door een risicoaansprakelijkheid van de betrokken organisator en een limitatieve omschrijving van de gevallen waarin hij zich daarvan kan bevrijden.
26
Artikel 13 (‘Verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het pakket’) van die richtlijn bepaalt immers in lid 1 dat de lidstaten ervoor zorgen dat deze organisator aansprakelijk is voor de uitvoering van de reisdiensten waarop de pakketreisovereenkomst betrekking heeft, ongeacht of deze diensten door de organisator dan wel door andere dienstverleners worden verricht. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat indien een of meer van die reisdiensten niet conform de pakketreisovereenkomst worden uitgevoerd, deze organisator in beginsel moet zorgen dat de non-conformiteit wordt verholpen, en in situaties waarin die organisator deze niet kan verhelpen, is artikel 14 van richtlijn 2015/2302 van toepassing.
27
Artikel 14 (‘Prijsverlaging en schadevergoeding’) van richtlijn 2015/2302 geeft de betrokken reiziger, naast het recht op prijsverlaging waarin lid 1 van dit artikel voorziet, het daarvan onderscheiden recht op schadevergoeding, dat in de leden 2 en 3 van dat artikel is gedefinieerd. Dit recht op schadevergoeding door de betrokken organisator heeft betrekking op alle schade die deze reiziger oploopt als gevolg van de non-conformiteit van de verstrekte reisdiensten, behalve wanneer deze non-conformiteit te wijten is aan die reiziger zelf, aan een derde die niet bij de uitvoering van de betrokken reisdiensten is betrokken en de non-conformiteit niet kon worden voorzien of voorkomen, of aan ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 23 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgt uit de opzet van artikel 14 van richtlijn 2015/2302 dat de uitzonderingen op het recht op schadevergoeding specifiek op dat recht betrekking hebben en niet kunnen worden toegepast op het recht op een prijsverlaging.
28
De contextuele uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 biedt dus steun voor de letterlijke uitlegging van deze bepaling, aangezien daaruit blijkt dat die bepaling deel uitmaakt van een aansprakelijkheidsregeling die de contractuele aansprakelijkheid bij de organisator legt.
29
Wat in de derde plaats het doel van richtlijn 2015/2302 betreft, blijkt uit artikel 1 ervan dat zij onder andere beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen. De letterlijke uitlegging van artikel 14, lid 1, van deze richtlijn wordt dus ook door de teleologische uitlegging ervan geschraagd. Een hoog niveau van consumentenbescherming wordt immers verwezenlijkt door reizigers in alle gevallen van non-conformiteit van de reisdiensten een recht op een prijsverlaging toe te kennen, ongeacht de oorzaak en de toerekenbaarheid van deze non-conformiteit, en door te bepalen dat de enige uitzondering op dat recht het geval is waarin die non-conformiteit aan de betrokken reiziger toe te rekenen is.
30
In de vierde en laatste plaats vindt de letterlijke uitlegging van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 ook steun in de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 25 van haar conclusie heeft opgemerkt, was in het oorspronkelijke voorstel voor die richtlijn bepaald dat op het recht op een prijsverlaging en het recht op schadevergoeding voor de betrokken reiziger dezelfde uitzonderingen zouden gelden. Tijdens het wetgevingsproces zijn de uitzonderingen op dit recht op een prijsverlaging echter losgekoppeld van die op dat recht op schadevergoeding.
31
Uit de bewoordingen en de context van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 alsmede uit het doel en de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn volgt dus dat de betrokken reiziger recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis in alle gevallen waarin de verrichte reisdiensten niet conform zijn, behalve in één geval, namelijk wanneer deze non-conformiteit aan deze reiziger toe te rekenen is. Dit recht op een prijsverlaging wordt dus aan die reiziger toegekend, ongeacht of die non-conformiteit te wijten is aan ‘buitengewone en onvermijdbare omstandigheden’ waarop de betrokken organisator geen invloed kan uitoefenen.
32
In casu zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde non-conformiteiten van de reisdiensten, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, te wijten aan gezondheidsmaatregelen die op de reisbestemming van verzoekers in het hoofdgeding zijn genomen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan.
33
Die gezondheidsmaatregelen doen net zomin als de soortgelijke maatregelen die in de woonplaats van verzoekers in het hoofdgeding en in andere landen genomen zijn, af aan hun recht op een prijsverlaging krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302. In het bijzonder zijn de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen, ten eerste, of maatregelen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan niet als buitengewone omstandigheden, maar als gewone omstandigheden kunnen worden beschouwd, aangezien zij in vele andere landen waren genomen, en, ten tweede, of deze maatregelen en de gevolgen ervan behoren tot het door een reiziger te dragen ‘algemene levensrisico’, irrelevant voor de beoordeling of de reiziger recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302.
34
Zoals blijkt uit punt 22 van het onderhavige arrest, vereist de vaststelling van non-conformiteit van de verrichte diensten immers slechts een vergelijking van de in de pakketreis van de betrokken reiziger begrepen diensten met de diensten die daadwerkelijk voor die reiziger zijn verricht, zodat het feit dat de omstandigheden van deze non-conformiteit buitengewoon dan wel gewoon zijn, geen invloed heeft op de toekenning van dat recht. Voorts houden de beperkingen die overheidsinstanties aan deze reiziger opleggen wegens de wereldwijde verspreiding van de COVID-19-pandemie weliswaar een risico voor hem in, maar is het feit dat de pakketreisdiensten wegens deze beperkingen niet of niet goed worden uitgevoerd niet aan die reiziger toe te rekenen. Zoals uiteengezet in punt 23 van het onderhavige arrest, kan alleen een dergelijke toerekenbaarheid de betrokken organisator bevrijden van zijn verplichting om die reiziger in geval van non-conformiteit van de verstrekte diensten een verlaging van zijn pakketprijs toe te kennen.
35
Het betoog van de Tsjechische regering dat de naleving van de op de reisbestemming toepasselijke regeling een impliciet beding van elke pakketreisovereenkomst is, zodat de eerbiediging van de beperkende maatregelen van de autoriteiten op de reisbestemming niet kan worden beschouwd als een non-conformiteit van de verrichte diensten, doet niet af aan de conclusie in punt 31 van het onderhavige arrest. Het is ongetwijfeld juist dat de partijen bij een pakketreisovereenkomst een dergelijke regeling dienen na te leven, ongeacht of daar in deze overeenkomst op is gewezen, en dat die naleving door de organisator kan leiden tot non-conformiteit van de aangeboden reisdiensten, maar dat neemt niet weg dat deze non-conformiteit hoe dan ook niet aan de betrokken reiziger kan worden toegerekend, zodat deze laatste recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis. Dat die non-conformiteit ook niet aan de betrokken organisator kan worden toegerekend, is evenmin relevant, aangezien het recht op een prijsverlaging berust op een risicoaansprakelijkheid van laatstgenoemde, zoals in punt 25 van het onderhavige arrest is opgemerkt.
36
Bij de beoordeling of er krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 een recht op prijsverlaging bestaat, dient de verwijzende rechter verder de volgende aspecten in aanmerking te nemen.
37
In de eerste plaats volgt uit deze bepaling juncto artikel 3, punt 13, van richtlijn 2015/2302 dat de verplichting van de organisator tot toekenning van een dergelijke prijsverlaging enkel wordt beoordeeld in het licht van de in de pakketreisovereenkomst begrepen diensten die niet of niet goed zijn uitgevoerd. Deze organisator is niet verplicht om compensatie te betalen voor diensten waartoe hij zich niet heeft verbonden. Deze pakketreisovereenkomst beperkt aldus die verplichting van die organisator.
38
Gelet op het doel van richtlijn 2015/2302 om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen, mogen de verplichtingen van de organisator uit hoofde van een dergelijke overeenkomst echter niet restrictief worden uitgelegd. Bijgevolg omvatten zij niet alleen de verplichtingen die uitdrukkelijk in de pakketreisovereenkomst zijn overeengekomen, maar ook de hiermee verband houdende verplichtingen die voortvloeien uit het doel van deze overeenkomst (zie in die zin arrest van 18 maart 2021, Kuoni Travel, C-578/19, EU:C:2021:213, punt 45). In het onderhavige geval dient de verwijzende rechter aan de hand van de diensten die de betrokken organisator overeenkomstig de met verzoekers in het hoofdgeding gesloten pakketreisovereenkomst moest verrichten, te beoordelen of met name de sluiting van de zwembaden van het betrokken hotel, het ontbreken van een animatieprogramma in dat hotel en het feit dat er geen gebruik kon worden gemaakt van de stranden op Gran Canaria en dat dit eiland niet kon worden bezichtigd ten gevolge van de vaststelling door de Spaanse autoriteiten van maatregelen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan, konden worden aangemerkt als het niet of niet goed uitvoeren van deze overeenkomst door die organisator.
39
In de tweede plaats moet volgens de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 de verlaging van de prijs van de betrokken pakketreis passend zijn voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit. De beoordeling of deze verlaging passend is moet, net zoals de vaststelling van een non-conformiteit, op objectieve wijze worden verricht, waarbij de verplichtingen van de organisator uit hoofde van de pakketreisovereenkomst in aanmerking moeten worden genomen. Deze beoordeling moet dus gebaseerd zijn op een raming van de waarde van de in de betrokken pakketreis begrepen reisdiensten die niet of niet goed zijn uitgevoerd, daarbij rekening houdend met de duur van dit niet of niet goed uitvoeren en de waarde van deze pakketreis. De verlaging van de prijs van die pakketreis moet overeenkomen met de waarde van de reisdiensten die niet conform zijn.
40
In de derde plaats is de betrokken reiziger blijkens overweging 34 en artikel 13, lid 2, van richtlijn 2015/2302 verplicht om, rekening houdend met de omstandigheden, de organisator onverwijld op de hoogte te brengen van iedere non-conformiteit die hij ervaart tijdens de uitvoering van een in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdienst. Als hij dat nalaat, kan daarmee bij het bepalen van de prijsverlaging voor deze pakketreis rekening worden gehouden indien een dergelijke mededeling de duur van de vastgestelde non-conformiteit had kunnen beperken.
41
Voor zover deze gevallen van non-conformiteit in casu te wijten zijn aan de maatregelen die door de Spaanse autoriteiten zijn genomen om de verspreiding van de COVID-19-pandemie tegen te gaan, kon de mededeling van die gevallen door verzoekers in het hoofdgeding de duur ervan niet beperken. Bij het bepalen van die prijsverlaging kan dan ook geen rekening worden gehouden met de achterwege gebleven mededeling.
42
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een reiziger recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis wanneer een non-conformiteit van de in zijn pakketreis begrepen reisdiensten te wijten is aan beperkingen die op zijn reisbestemming zijn opgelegd om de verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan en dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van de reiziger alsmede in andere landen zijn opgelegd vanwege de wereldwijde verspreiding van die ziekte. Om passend te zijn, moet deze prijsverlaging worden beoordeeld in het licht van de in de betrokken pakketreis begrepen diensten en overeenkomen met de waarde van de diensten waarvan de non-conformiteit is vastgesteld.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 14, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
een reiziger recht heeft op een verlaging van de prijs van zijn pakketreis wanneer een non-conformiteit van de in zijn pakketreis begrepen reisdiensten te wijten is aan beperkingen die op zijn reisbestemming zijn opgelegd om de verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan en dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van de reiziger alsmede in andere landen zijn opgelegd vanwege de wereldwijde verspreiding van die ziekte. Om passend te zijn, moet deze prijsverlaging worden beoordeeld in het licht van de in de betrokken pakketreis begrepen diensten en overeenkomen met de waarde van de diensten waarvan de non-conformiteit is vastgesteld.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑01‑2023
Conclusie 15‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Artikel 267 VWEU — Richtlijn (EU) 2015/2302 — Uitvoering van een pakketreisovereenkomst — Non-conforme verrichting van een in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdienst — Prijsverlaging voor elke periode waarin er sprake was van non-conformiteit — Onvermijdbare en buitengewone omstandigheden — Beperkingen die op de plaats van bestemming zijn opgelegd wegens de wereldwijde verspreiding van een besmettelijke ziekte — COVID-19
L. medina
Partij(en)
Zaak C-396/211.
KT,
NS
tegen
FTI Touristik GmbH
[verzoek van het Landgericht München I (rechter in eerste aanleg München I, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
De COVID-19-pandemie is een van de ernstigste situaties op gezondheidsgebied sinds mensenheugenis en heeft een reeks crises teweeggebracht. Om de verspreiding van de pandemie tegen te gaan, hebben overheden wereldwijd beperkingen opgelegd met een duur en omvang die ongekend zijn in vredestijd. De COVID-19-pandemie heeft gezorgd voor vele uitdagingen van uiteenlopende aard. In bepaalde gevallen heeft de pandemie het bestaande juridische kader en de doelmatigheid daarvan voor de beheersing van de gevolgen van dergelijke crises op de proef gesteld.
2.
Het toerisme was een van de sectoren die het hardst zijn geraakt door de pandemie.2. De gevolgen van de pandemie voor deze sector duren tot op heden voort en de meeste deskundigen verwachten dat pas in 2024 sprake zal zijn van volledig herstel.3. De onderhavige zaak betreft een zeer specifiek aspect van de impact van de pandemie dat betrekking heeft op de uitvoering van pakketreisovereenkomsten die onder richtlijn (EU) 2015/23024. vallen, alsmede op de uitoefening van rechten wegens de non-conforme uitvoering van die overeenkomsten. De onderhavige zaak en de verwante zaak C-407/21, UFC — Que choisir en CLCV, waarover ik vandaag conclusie neem, hebben ondanks hun specifieke karakter bredere gevolgen, aangezien het Hof in deze zaken voor het eerst wordt verzocht te onderzoeken welke gevolgen de pandemie heeft voor de contractuele uitvoering van pakketreizen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2015/2302
3.
Artikel 3, punten 12 en 13, van richtlijn 2015/2302 bevat de volgende definities:
- ‘12)
‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’: een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren;
- 13)
‘non-conformiteit’: het niet of niet goed uitvoeren van de reisdiensten die deel uitmaken van een pakketreis’.
4.
Artikel 14 van richtlijn 2015/2302, met als opschrift ‘Prijsverlaging en schadevergoeding’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de reiziger recht heeft op een passende prijsverlaging voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit, tenzij de organisator bewijst dat de non-conformiteit aan de reiziger toe te schrijven is.
- 2.
De reiziger heeft recht op passende schadevergoeding van de organisator voor alle schade die hij oploopt als gevolg van non-conformiteit. De schadevergoeding wordt onverwijld uitbetaald.
- 3.
De reiziger heeft geen recht op schadevergoeding indien de organisator aantoont dat de non-conformiteit te wijten is aan:
- a)
de reiziger;
- b)
een derde die niet bij de uitvoering van de in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdiensten is betrokken, en de non-conformiteit niet kon worden voorzien of voorkomen; of
- c)
onvermijdbare en buitengewone omstandigheden.
[…]’
Nationaal recht
5.
§ 651i van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’) bepaalt:
- ‘(1)
De reisorganisator is verplicht om de reiziger in het genot te stellen van de pakketreis zonder dat er sprake is van reisgebreken.
- (2)
De pakketreis is vrij van reisgebreken wanneer zij de overeengekomen kenmerken heeft. Wanneer geen kenmerken zijn overeengekomen, wordt de pakketreis geacht vrij van reisgebreken te zijn
- 1.
wanneer zij geschikt is voor het gebruik als bedoeld in de overeenkomst, dan wel
- 2.
wanneer zij geschikt is voor het normale gebruik en kenmerken heeft die gebruikelijk zijn bij soortgelijke pakketreizen en die de reiziger gelet op de aard van de pakketreis mag verwachten.
Van een reisgebrek is tevens sprake wanneer de reisorganisator reisdiensten niet of met onredelijke vertraging verricht.
- (3)
Wanneer de pakketreis gebreken vertoont, kan de reiziger, mits voldaan is aan de voorwaarden van de volgende bepalingen en tenzij anders is bepaald,
[…]
- 6.
de rechten doen gelden die voortvloeien uit een verlaging van de reissom (§ 651m) […]
[…]’
6.
§ 651m, lid 1, BGB, luidt:
‘Voor de duur van het reisgebrek wordt de reissom verlaagd. Hierbij wordt de reissom verlaagd naar evenredigheid van de werkelijke waarde van de pakketreis ten opzichte van de waarde die de pakketreis op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst zou hebben gehad indien zij vrij van gebreken was geweest. Indien nodig dient de verlaging door schatting te worden vastgesteld.’
Feiten, procedure en prejudiciële vraag
7.
Op 30 december 2019 hebben verzoekers in het hoofdgeding een veertiendaagse vakantie van Duitsland naar de Canarische Eilanden in Spanje geboekt voor de periode van 13 maart 2020 tot en met 27 maart 2020. Verzoekers zijn, zoals gepland, op vakantie vertrokken.
8.
Op 15 maart 2020 werden de stranden echter afgesloten en werd er een avondklok ingesteld om de COVID-19-pandemie te beteugelen. In het hotelcomplex waar verzoekers verbleven, waren de zwembaden en ligstoelen niet langer toegankelijk en werd het animatieprogramma geschrapt. Verzoekers mochten hun kamer uitsluitend verlaten om te eten of om drankjes te halen. Op 18 maart 2020 kregen verzoekers van de autoriteiten te horen dat zij te allen tijde moesten klaarstaan om binnen het uur naar de luchthaven te kunnen vertrekken. Na zeven dagen is hun reis geëindigd en zijn zij teruggekeerd naar Duitsland.
9.
Verzoekers hebben tegen verweerster, FTI Touristik GmbH, bij het Amtsgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland) een procedure ingesteld en daarbij een prijsverlaging van 70 % van het evenredige deel van de reissom voor zeven dagen gevorderd. In haar beslissing van 26 november 2020 heeft die rechter de vordering afgewezen omdat maatregelen die wegens een dodelijk virus worden genomen ter bescherming van de gezondheid van reizigers, niet kunnen worden aangemerkt als een reisgebrek in de zin van § 651i BGB.
10.
Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze merkt op dat § 651i BGB voorziet in risicoaansprakelijkheid van de organisator. Derhalve zou kunnen worden beargumenteerd dat de organisator aansprakelijk is voor de beperkingen die worden opgelegd als maatregelen ter bescherming van de gezondheid. De verwijzende rechter vermeldt echter dat soortgelijke beperkingen ten tijde van de reis ook in Duitsland werden opgelegd. Om die reden zou het mogelijk zijn om de door de Spaanse autoriteiten vastgestelde maatregelen niet als buitengewone omstandigheden op de plaats van bestemming aan te merken, maar als gebruikelijke maatregelen die in heel Europa werden genomen om de pandemie te bedwingen.
11.
Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of de opgelegde beperkingen kunnen worden beschouwd als een ‘algemeen levensrisico’ dat moet worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302. Zoals die rechter uiteenzet, vindt deze doctrine haar oorsprong in de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland). Volgens die doctrine kan de aansprakelijkheid voor schadevergoeding op grond van reisovereenkomsten worden beperkt in het licht van omstandigheden die uitsluitend verband houden met de persoonlijke sfeer van de reiziger of omstandigheden waarin zich risico's voordoen die de reiziger ook in het dagelijks leven moet dragen. In gevallen waarin er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verplichting van de organisator of waarin de schade anderszins niet te wijten is aan een gebeurtenis die leidt tot aansprakelijkheid van de organisator, moet de reiziger dus de risico's aanvaarden van een onderneming die onderhevig is aan het algemene levensrisico. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de reiziger — zonder dat dit in verband staat met de ontvangst van reisdiensten — op de vakantiebestemming een ongeval krijgt, ziek wordt of het slachtoffer wordt van een strafbaar feit dan wel anderszins om persoonlijke redenen niet in staat is om verder van de reisdiensten gebruik te maken.
12.
Volgens de verwijzende rechter is het denkbaar dat de eventuele uitbraak van een pandemie niet in aanmerking werd genomen toen richtlijn 2015/2302 werd vastgesteld.
13.
In die omstandigheden heeft het Landgericht München I (rechter in eerste aanleg München I, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Vormen beperkingen in verband met een op de plaats van bestemming heersende besmettelijke ziekte ook een geval van non-conformiteit in de zin van artikel 14, lid 1, van [richtlijn 2015/2302] wanneer die beperkingen wegens de wereldwijde verspreiding van die besmettelijke ziekte zowel in de woonplaats van de reiziger als in andere landen zijn opgelegd?’
Analyse
14.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat de reiziger recht heeft op een prijsverlaging wegens de non-conforme uitvoering van de pakketreisovereenkomst in gevallen waarin de non-conformiteit te wijten is aan beperkingen die zijn opgelegd om de verspreiding van een op de reisbestemming heersende besmettelijke ziekte te voorkomen, wanneer dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van de reiziger en wereldwijd zijn opgelegd.
a) Recht op een prijsverlaging in de context van de COVID-19-pandemie
15.
Volgens vaste rechtspraak vereisen de uitleggingsmethoden van het Hof dat niet enkel rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de bepaling in kwestie, maar ook met haar context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.5. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een bepaling van Unierecht kan relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten.6.
16.
Om te beginnen heeft de reiziger volgens de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 recht ‘op een passende prijsverlaging voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit, tenzij de organisator bewijst dat de non-conformiteit aan de reiziger toe te schrijven is’. Uit deze bepaling volgt dat voor het recht op een prijsverlaging één voorwaarde geldt, te weten ‘non-conformiteit’, alsmede één uitzondering, te weten de omstandigheid dat de non-conformiteit is toe te schrijven aan de reiziger.
17.
Het begrip ‘non-conformiteit’ wordt in artikel 3, punt 13, van richtlijn 2015/2302 gedefinieerd als ‘het niet of niet goed uitvoeren van de reisdiensten die deel uitmaken van een pakketreis’. In deze definitie is er geen sprake van een schuldvereiste, noch wordt in die definitie in aanmerking genomen aan welke omstandigheden de non-conformiteit te wijten is. De vaststelling dat er sprake is van non-conformiteit, houdt dus niets meer in dan het trekken van een vergelijking tussen enerzijds de in de pakketreis begrepen diensten en anderzijds de feitelijk verrichte diensten. Dit is een objectieve vaststelling. Derhalve kan het recht van de reiziger op een prijsverlaging wegens non-conformiteit niet afhangen van de oorzaak van die non-conformiteit of — in de woorden van de Commissie — van de grondslag daarvan.
18.
De in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 neergelegde uitzondering op het recht op een prijsverlaging is duidelijk: de non-conformiteit is toe te schrijven aan de reiziger. Als uitzondering op de regel moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd. Zij kan bijgevolg niet worden uitgebreid tot situaties die niet uitdrukkelijk worden genoemd.
19.
Hieruit volgt dat het recht van de reiziger op een prijsverlaging niet uitgesloten is wanneer de non-conformiteit te wijten is aan enige andere persoon (de organisator, de dienstverlener of een derde die niet betrokken is bij de pakketreisovereenkomst) of aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 3, punt 12, van richtlijn 2015/2302. Zoals de Finse regering terecht heeft beklemtoond in haar schriftelijke opmerkingen, is het voor de beoordeling van non-conformiteit niet van belang wat een redelijke consument zou hebben verwacht in het licht van omstandigheden die zich voordoen nadat de pakketreisovereenkomst is gesloten. Die beoordeling kan uitsluitend gebaseerd worden op de feitelijk in de reisovereenkomst begrepen diensten.
20.
Deze uitlegging wordt bovendien bevestigd door de context van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302, dat deel uitmaakt van hoofdstuk IV van deze richtlijn, dat bepalingen over de uitvoering van de pakketreis bevat. Voor de verwezenlijking van de doelstelling van onderlinge aanpassing met betrekking tot pakketreizen voorziet deze richtlijn in een regeling van contractuele aansprakelijkheid van de pakketreisorganisator tegenover de consument die met hem een pakketreisovereenkomst heeft gesloten.7. Die regeling van contractuele aansprakelijkheid vertoont twee belangrijke kenmerken. Ten eerste is er sprake van risicoaansprakelijkheid en worden de uitsluitingsgronden limitatief opgesomd. Ten tweede wordt de aansprakelijkheid voor non-conformiteit bij de organisator gelegd.
21.
Met name bepaalt artikel 13, lid 1, van richtlijn 2015/2302 dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de organisator aansprakelijk is voor de uitvoering van de reisdiensten waarop de pakketreisovereenkomst betrekking heeft, ongeacht of deze diensten door de organisator of door andere dienstverleners worden verricht. Indien een of meer reisdiensten niet conform de pakketreisovereenkomst worden uitgevoerd, moet de organisator er krachtens artikel 13, lid 3, van die richtlijn voor zorgen dat de non-conformiteit wordt verholpen, tenzij dit onmogelijk is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, rekening houdend met de mate van non-conformiteit en de waarde van de desbetreffende reisdiensten. Wanneer de organisator de non-conformiteit niet verhelpt, is artikel 14 van richtlijn 2015/2302 van toepassing.
22.
Artikel 14 van richtlijn 2015/2302 voorziet op zijn beurt in twee afzonderlijke rechten in geval van non-conformiteit: het recht op een prijsverlaging (lid 1) en het recht op passende schadevergoeding (leden 2 en 3). Voor deze rechten gelden verschillende voorwaarden. Zoals in punt 16 hierboven is opgemerkt, ontstaat het recht op een prijsverlaging wanneer er sprake is van non-conformiteit en is dat recht slechts uitgesloten indien de organisator bewijst dat de non-conformiteit is toe te schrijven aan de reiziger. Het recht op schadevergoeding ontstaat daarentegen wanneer de reiziger schade lijdt ten gevolge van welke non-conformiteit ook en de enige uitzonderingen op dit uitgangspunt worden limitatief opgesomd in artikel 14, lid 3, van richtlijn 2015/2302. Meer bepaald dient de organisator aan te tonen dat de non-conformiteit te wijten is aan de reiziger of aan een derde die niet betrokken is bij de uitvoering van de in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdiensten, dan wel aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden.
23.
Uit de opzet van artikel 14 van richtlijn 2015/2302 volgt dat de uitzonderingen op het recht op schadevergoeding specifiek op dat recht betrekking hebben en niet kunnen worden toegepast op het recht op een prijsverlaging.
24.
Ten slotte wordt die uitlegging bevestigd door de met richtlijn 2015/2302 nagestreefde doelstelling, die er — volgens artikel 1 van deze richtlijn — onder meer in bestaat een hoog niveau van consumentenbescherming te verwezenlijken. Gelet op deze doelstelling mogen de uit een pakketreisovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waarvan de onbehoorlijke uitvoering of de niet-uitvoering leidt tot de aansprakelijkheid van de organisator, niet restrictief worden uitgelegd.8. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen heeft verklaard9., is die uitlegging verenigbaar met het doel van de bij richtlijn 2015/2302 ingevoerde regeling van contractuele aansprakelijkheid, die de aansprakelijkheid bij de organisator legt in alle gevallen waarin de overeenkomst niet of niet naar behoren is uitgevoerd. In dergelijke gevallen kan de consument verhaal nemen op de organisator zonder dat nader onderzoek hoeft te worden verricht om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de non-conformiteit of wat daarvan de oorzaak is, waardoor een hoog niveau van consumentenbescherming kan worden bereikt.
25.
Dat het recht op een prijsverlaging wordt losgekoppeld van de oorzaak van de non-conformiteit, vindt steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling in kwestie. Artikel 12 van het wetgevingsvoorstel van de Commissie bepaalde dat voor het recht op een prijsverlaging en het recht op schadevergoeding dezelfde uitzonderingen zouden gelden.10. Meer bepaald zou de reiziger geen recht op een prijsverlaging hebben indien de organisator onder meer zou bewijzen dat de non-conformiteit te wijten is aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden. Tijdens het wetgevingsproces werd het recht op prijsverlaging evenwel losgekoppeld van het recht op schadevergoeding. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen stelt, bevestigt dit de gevolgtrekking dat de wetgever de reiziger het recht op een prijsverlaging heeft willen toekennen ongeacht overwegingen die verband houden met schuld of met de oorzaak van de non-conformiteit, ook in het geval van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden.
26.
Uit de bewoordingen, de context en het doel van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 alsook uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze richtlijn volgt dat de reiziger recht heeft op een prijsverlaging wanneer er geen sprake is van schuld van de organisator en wanneer de non-conformiteit te wijten is aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden.
27.
In de onderhavige zaak staat het vast dat de non-conformiteit te wijten was aan de door de administratieve autoriteiten opgelegde beperkingen om de uitbreiding van de COVID-19-pandemie in maart 2020 te voorkomen. Dergelijke maatregelen vormen rechtsgevolgen van de pandemie die te onderscheiden zijn van de feitelijke gevolgen daarvan (zoals bijvoorbeeld ziekte, isolatie of het overlijden van medewerkers met een sleutelpositie).11. De rechtsleer hanteert het concept fait du prince om te verwijzen naar regulerende maatregelen of verbodsbepalingen op grond waarvan een overeenkomst niet kan worden uitgevoerd en de schuldenaar vrijgesteld is van de verplichting om schadevergoeding te betalen.12. Wanneer overheidsinstanties zich in een contractuele verhouding mengen, levert dit doorgaans overmacht op.13. Zoals ik in mijn conclusie in de verwante zaak C-407/21, UFC — Que choisir en CLCV, in verband met richtlijn 2015/2302 uiteenzet, valt het begrip overmacht onder het begrip ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 3, punt 12, van die richtlijn. In de onderhavige zaak moet worden aangenomen dat de in maart 2020 in reactie op de pandemie opgelegde regelgevende beperkingen onder dat begrip vallen. Dergelijke beperkingen leveren immers een situatie op die zich voordoet buiten de wil van de organisator en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren.14.
28.
Zoals ik reeds heb vermeld, is de organisator niet vrijgesteld van zijn verplichting om een prijsverlaging toe te kennen wanneer zich onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen. Wil een reiziger recht op een prijsverlaging hebben, dan dient de nationale rechter eenvoudigweg vast te stellen dat de in de pakketreisovereenkomst begrepen reisdiensten niet of niet naar behoren zijn verricht. Derhalve wordt aan het recht op een prijsverlaging geen afbreuk gedaan door het feit dat de non-conformiteit te wijten is aan beperkingen die zijn opgelegd in reactie op de pandemie en die onvermijdbare en buitengewone omstandigheden opleveren, noch door het feit dat soortgelijke maatregelen ook in de woonplaats van de reiziger werden opgelegd.
29.
Tegen een dergelijke uitlegging zijn in het kader van de COVID-19-pandemie echter verschillende argumenten aangevoerd. Om te beginnen heeft de Tsjechische regering in haar schriftelijke opmerkingen betoogd dat richtlijn 2015/2302 in dergelijke omstandigheden niet van toepassing is. Ook de verwijzende rechter twijfelt of de pandemie binnen de reikwijdte van de door die richtlijn geboden bescherming valt. Met dat standpunt ben ik het oneens om de redenen die ik in mijn vandaag genomen conclusie in de verwante zaak C-407/21, UFC — Que choisir en CLCV, toelicht in het kader van de analyse van de tweede prejudiciële vraag. Bij de huidige stand van het recht is de toepassing van richtlijn 2015/2302 namelijk niet beperkt tot gevallen waarin er sprake is van een verstoring van de reis op een bepaalde schaal of op lokaal niveau.
30.
Aangaande het belang van de doctrine van het ‘algemene levensrisico’, zoals die door de verwijzende rechter is toegelicht15., merk ik op dat zij geen betrekking heeft op het recht op een prijsverlaging, maar op de verplichting van de organisator om schadevergoeding te betalen. Zoals ik in punt 22 hierboven heb uiteengezet, gelden krachtens richtlijn 2015/2302 andere voorwaarden voor het recht op een prijsverlaging dan voor het recht op schadevergoeding. Die doctrine is mijns inziens dan ook niet relevant voor de vaststelling van het recht op een prijsverlaging. Bovendien is in de onderhavige zaak niet aan de orde dat de reiziger geen gebruik kon maken van de diensten van de pakketreisovereenkomst wegens een algemeen levensrisico dat voor hem was ontstaan (omdat hij bijvoorbeeld met het virus besmet was). Het gaat erom dat de diensten niet zijn uitgevoerd en dat die uitvoering wettelijk onmogelijk was geworden omdat er van overheidswege maatregelen waren vastgesteld.
31.
De Tsjechische regering heeft betoogd dat de naleving van de geldende wetgeving een impliciete bepaling van elke overeenkomst vormt. De beperkingen die werden opgelegd toen de reiziger op de plaats van bestemming was, golden erga omnes en moesten worden nageleefd door zowel de organisator als de dienstverlener als de reiziger. Volgens de Tsjechische regering behoort de organisator dan ook niet aansprakelijk te zijn voor een gebrek dat voortvloeit uit de door de staat opgelegde beperkingen.
32.
De partijen zijn inderdaad verplicht om zich te houden aan de in het land van bestemming geldende wetten. In de omstandigheden van de onderhavige zaak betekent dit dat zowel de organisator als de dienstverlener verplicht waren om zich te houden aan de beperkingen die de Spaanse regering had opgelegd. Doordat de geldende wettelijke maatregelen moesten worden nageleefd, werd het rechtens onmogelijk om bepaalde diensten te verrichten die gepaard gaan met sociaal contact. De organisator zou vervolgens ten gevolge van de overheidsbeperkingen vrijgesteld moeten worden van de nakoming van de contractuele verplichtingen die door die beperkingen worden geraakt. Bovendien behoort de organisator in beginsel niet aansprakelijk te worden gesteld voor schade op grond van artikel 14, lid 3, onder c), van richtlijn 2015/2302. Gelet op de opzet van artikel 14 van deze richtlijn, zoals ik die in de punten 20 en volgende van deze conclusie heb toegelicht, is de organisator echter niet vrijgesteld van zijn verplichting om een passende verlaging van de prijs van de pakketreis toe te kennen. Derhalve ben ik van mening dat het argument van de Tsjechische regering over de impliciete bepaling van een overeenkomst niet van invloed is op het recht van de reiziger op een prijsverlaging.
33.
De verwijzende rechter heeft benadrukt dat de beperkingen niet alleen op de plaats van bestemming, maar ook in de woonplaats van de reiziger waren opgelegd. Dat zou betekenen dat de non-conformiteit wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheden die zich voordeden op het tijdstip waarop er sprake was van de non-conformiteit. Zoals ik hierboven duidelijk heb gemaakt, wordt non-conformiteit evenwel niet beoordeeld in het licht van omstandigheden die zich voordoen nadat de overeenkomst is gesloten. Bij de beoordeling ervan wordt rekening gehouden met de in de overeenkomst begrepen reisdiensten die na het begin van de pakketreis niet langer kunnen worden uitgevoerd. Een andere, in casu niet aan de orde gestelde kwestie is of er sprake is van non-conformiteit wanneer de partijen de overeenkomst sluiten nadat de beperkingen zijn opgelegd.
34.
Tevens moet worden beklemtoond dat de nakoming door de organisator van zijn verplichting om een prijsverlaging toe te kennen, zelfs indien de non-conformiteit te wijten is aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden, niet afdoet aan zijn verhaalrecht op grond van artikel 22 van richtlijn 2015/2302. Dit artikel bepaalt dat de lidstaten erop moeten toezien dat de organisator die een prijsverlaging toekent, het recht heeft om verhaal te halen op derden die hebben bijgedragen aan de gebeurtenis die heeft geleid tot de prijsverlaging. Die bepaling vormt als het ware een tegenwicht voor het stelsel van risicoaansprakelijkheid waarin artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 voorziet. De verplichting van de organisator om een prijsverlaging toe te kennen kan ook een element zijn waarmee de lidstaten rekening houden bij hun besluitvorming over de mate van steun die wegens de pandemie aan organisatoren moet worden verleend overeenkomstig de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun.16.
35.
Derhalve kom ik tot de voorlopige slotsom dat de reiziger krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 recht heeft op een prijsverlaging wegens de non-conforme uitvoering van de pakketreisovereenkomst in gevallen waarin de non-conformiteit te wijten is aan beperkingen die zijn opgelegd om de verspreiding van een besmettelijke ziekte tegen te gaan, wanneer dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van de reiziger en wereldwijd zijn opgelegd.
36.
Dat de oorzaak van de non-conformiteit niet van invloed is op het recht van de consument op een prijsverlaging, neemt echter niet weg dat zij — zoals ik in de volgende onderafdeling zal toelichten — van invloed behoort te zijn op het bedrag van de prijsverlaging waarop de reiziger recht heeft.
b) Beperking van het recht op een prijsverlaging in de context van de COVID-19-pandemie
37.
De verplichting van de organisator om op grond van artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 een prijsverlaging toe te kennen is niet onbeperkt qua omvang. In de eerste plaats kan deze verplichting uitsluitend worden beoordeeld in het licht van de omvang van de in de pakketreis begrepen diensten waarvan de niet-uitvoering of de onbehoorlijke uitvoering non-conformiteit oplevert. Zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, is non-conformiteit op haar beurt onderhevig aan een ‘intrinsieke beperking’, aangezien zij uitsluitend kan worden beoordeeld in het licht van de reisovereenkomst. De organisator kan dan ook niet aansprakelijk worden gesteld voor de derving van het genot van diensten die buiten de werkingssfeer van de reisovereenkomst vallen. In de onderhavige zaak blijkt dat de reisovereenkomst geen betrekking had op de toegang tot openbare stranden of winkels, restaurants en uitgaansgelegenheden buiten het hotelcomplex. Dat is echter een kwestie die de nationale rechter dient te beoordelen.
38.
In de tweede plaats heeft de reiziger volgens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 recht op een ‘passende’ prijsverlaging. De wetgever heeft noch een specifiek percentage noch een specifieke forfaitaire som of berekeningsmethode vermeld. Het bedrag van de ‘passende’ verlaging dient door de rechter te worden bepaald, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het specifieke geval. Bij zijn beoordeling kan de nationale rechter dan ook in aanmerking nemen wat de grondslag van de non-conformiteit was, of de organisator schuld trof en of de organisator verhaal kan nemen op anderen in de bedrijfsketen of op de gelden die door de staat aan de reiziger zijn uitgekeerd. In de omstandigheden van de onderhavige zaak behoort tot de voor die beoordeling relevante factoren onder andere het feit dat de non-conformiteit uitsluitend te wijten was aan de maatregelen die wegens de noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid waren vastgesteld en die tot doel hadden het publiek, daaronder begrepen de reizigers, te beschermen.
39.
Ten slotte is het van belang om te benadrukken dat in richtlijn 2015/2302 geen specifieke termijn is vastgesteld voor de betaling van de prijsverlaging waarop de reiziger recht heeft in het geval van non-conformiteit. Wat schadevergoeding betreft, bepaalt artikel 14, lid 2, van richtlijn 2015/2302 dat deze ‘onverwijld’ moet worden uitbetaald. Hoewel een soortgelijke verwijzing ontbreekt ten aanzien van de betaling van een prijsverlaging, zou het in overeenstemming zijn met het beschermingsdoel van die richtlijn om aan te nemen dat ook de prijsverlaging ‘onverwijld’ moet worden toegekend. In de onderhavige zaak zou een dergelijke uitlegging de nationale rechter in staat stellen om rekening te houden met de liquiditeitsproblemen van de reisorganisatoren, die zwaar getroffen werden door de COVID-19-pandemie.
40.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het bedrag van de prijsverlaging waarop een reiziger krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2015/2302 recht heeft, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval passend dient te zijn, hetgeen de nationale rechter dient te beoordelen.
Conclusie
41.
Op grond van de voorgaande analyse geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Landgericht München I te beantwoorden als volgt:
Artikel 14, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad
dient als volgt te worden uitgelegd:
‘De reiziger heeft recht op een prijsverlaging wegens de niet-conforme uitvoering van de pakketreisovereenkomst in gevallen waarin de non-conformiteit te wijten is aan beperkingen die zijn opgelegd om de verspreiding van een op de reisbestemming heersende besmettelijke ziekte te voorkomen, wanneer dergelijke beperkingen ook in de woonplaats van de reiziger en wereldwijd zijn opgelegd. Het bedrag van de prijsverlaging dient echter met inachtneming van alle omstandigheden van het geval passend te zijn, hetgeen de nationale rechter dient te beoordelen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑09‑2022
Oorspronkelijke taal: Engels.
Zie de door de Wereldorganisatie voor Toerisme (World Tourism Organization) verzamelde gegevens (https://www.unwto.org/tourism-data/international-tourism-and-covid-19).
Zie Wereld Economisch Forum, ‘This is the impact of COVID-19 on the travel sector’ (https://www.weforum.org/agenda/2022/01/global-travel-tourism-pandemic-covid-19/).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
Arrest van 30 september 2021, Commerzbank (C-296/20, EU:C:2021:784, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 1 oktober 2019, Planet49 (C-673/17, EU:C:2019:801, punt 48).
Zie naar analogie arrest van 18 maart 2021, Kuoni Travel (C-578/19, EU:C:2021:213, punt 34).
Zie in die zin arrest van 18 maart 2021, Kuoni Travel (C-578/19, EU:C:2021:213, punt 45).
De Commissie citeert in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Kuoni Travel (C-578/19, EU:C:2020:894, punt 40).
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende pakketreizen en geassisteerde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU, en intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad, [COM(2013) 512 final — 2013/0246 (COD)].
Berger, K. P., en Behn, D., ‘Force Majeure and Hardship in the Age of Corona: A Historical and Comparative Study’, McGill Journal of Dispute Resolution, deel 6 (2019–2020), nr. 4, blz. 79–130, blz. 91.
ZieHeinich, J., ‘L'incidence de l'épidémie de coronavirus sur les contrats d'affaires: de la force majeure à l'imprévision’, Recueil Dalloz, 2020, blz. 611, en Philippe, D., ‘The Impact of the Coronavirus Crisis on the Analysis and Drafting of Contract Clauses’, in Hondius, E., Santos Silva, M., Nicolussi, A., Salvador Coderch, P., Wenderhorst, C., en Zoll, F. (red.), Coronavirus and the Law in Europe, Intersentia, Cambridge, Antwerpen, Chicago, 2021, blz. 527–552, blz. 537. Zie in het algemeen Aune, A. C., Le ‘fait du prince’ en droit privé,RLDC 2008, 2930.
Zie Philippe, D., ‘The Impact of the Coronavirus Crisis on the Analysis and Drafting of Contract Clauses’, in Hondius, E., et al., op. cit., blz. 527 en 537.
Zie Borghetti, J.-S., ‘Non-Performance and the Change of Circumstances under French Law’, in Hondius, E., et al., op. cit., blz. 509–526, blz. 515, die erop wijst dat de lockdownmaatregelen, ‘behalve in het uitzonderlijke geval waarin zij bij de sluiting van de overeenkomst redelijkerwijs voorzienbaar waren, als overmacht moeten worden beschouwd’.
Zie punt 11 hierboven.
Mededeling van de Commissie. Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak, 2020/C 91 I/01, C/2020/1863 (PB 2020, C 91I, blz. 1; hierna: ‘tijdelijke kaderregeling’). De tijdelijke kaderregeling is na haar vaststelling zesmaal gewijzigd.