Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/20
20 Geen specifiek belang vereist
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS397094:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema, NJB 1932, p. 182.
Zie bijvoorbeeld Rb.’s-Gravenhage 3 april 1901, W. 7585; Hof ’s-Gravenhage 29 juni 1903, W. 7992; HR 13 maart 1914, NJ 1914, 614; Hof ’s-Hertogenbosch 20 maart 1917, NJ 1918, 151; HR 6 december 1918, NJ 1919, 137.
Zie voor een overzicht van de rechtspraak de bijlagen 1 t/m 13.
Scheltema, NJB 1932, p. 187.
Parser 1903, p. 290 e.v. en Suyling 1931, nr. 515.
Molengraaff, RM Themis 1905, p. 216-226; Star Busmann 1937, Cohen 1938, RM Themis 1926, p. 283 t/m 289; Scheltema, NJB 1932, p. 189.
Volgens Scheltema weigerden rechters tot het begin van de twintigste eeuw declaratoire vonnissen te wijzen en veranderde dat vlak na de eeuwwiseling.1 Uitspraken waarin de rechter de vordering afwees of de eiser niet-ontvankelijk verklaarde omdat het declaratoire vonnis als zodanig niet wettelijk was geregeld of omdat het vonnis in strijd was met de aard en/of het doel van het procesrecht, komen inderdaad vanaf circa 1900 nauwelijks meer voor.2 In de Nederlandse Jurisprudentie ben ik zelfs vanaf 1913 geen enkele uitspraak tegengekomen waarin de rechter de vordering niet toelaatbaar achtte om een van de hiervoor genoemde redenen.3 Deze gewijzigde houding van rechters tegenover de toelaatbaarheid van het declaratoire vonnis is volgens Scheltema voor een belangrijk deel te verklaren door het proefschrift van Parser.4 Overigens leidde deze nieuwe houding ten opzichte van het declaratoire vonnis volgens hem wel tot een nieuwe vraag, namelijk in welke gevallen het mogelijk is om een declaratoir vonnis te wijzen. Scheltema beschrijft (anno 1932) dat hierover verschil van mening bestaat. Volgens Parser en Suyling is voor ontvankelijkheid van de vordering vereist dat de eiser belang heeft bij de vordering.5 Molengraaff, Star Busmann, Cohen en Scheltema zelf betwisten dat.6 Volgens Scheltema wordt de eis van het belang ingegeven door de vrees dat anders de rechter en de gedaagde met overbodige processen zouden worden lastiggevallen. Scheltema meent dat hiervoor niet gevreesd hoeft te worden omdat er andere instrumenten zijn die voorkomen dat de eiser onnodig een verklaring voor recht vordert. Scheltema wijst in de eerste plaats op de mogelijkheid van de proceskostenveroordeling. In de tweede plaats meent Scheltema dat onnodig procederen een onrechtmatige daad oplevert en de gedaagde partij dus schadevergoeding kan vorderen van de eiser die onnodig een verklaring voor recht vorderde.