Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast 6.1
6.1 Voldoende gemotiveerd stellen en betwisten
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-09-2025
- Actueel t/m
23-09-2025
- Auteur
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, RvdW 2024/1072, rov. 3.4.
Zie o.a. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058, NJ 2022/264, rov. 3.2.
Zie o.a. HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1375, RvdW 2023/952, rov. 3.2.
Zie bijv. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, RvdW 2020/940, rov. 3.4.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865, NJ 2004, 520, rov. 3.3; HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605, RvdW 2024/1072, rov. 3.4.
Zie o.a. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:161, RvdW 2022/217, rov. 3.3; HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1813, NJ 2022/382, rov. 3.2.2; HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:315, RvdW 2023/282, rov. 3.2; HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1380, RvdW 2023/946, rov. 3.2; HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, NJ 2024/41, rov. 2.4 en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1601, RvdW 2024/1074, rov. 3.2.3.
De vraag op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten gaat over wie van de partijen welke feiten moet stellen en bewijzen, met andere woorden over wát er moet worden gesteld en eventueel bewezen. Die vraag moet worden onderscheiden van de vraag in hoeverre een partij de door haar te stellen feiten van een motivering of onderbouwing moet voorzien. Die kant van de stelplicht wordt ook wel de motiveringsplicht genoemd. Het gaat daarbij om het geven van context aan de gestelde feiten en het waar mogelijk onderbouwen van gestelde feiten met bijvoorbeeld schriftelijke stukken, getuigenverklaringen of deskundigenrapporten. De mate waarin van een partij een motivering van de gestelde feiten wordt verlangd, hangt af van het debat tussen partijen. In essentie geldt dat hoe gemotiveerder de betwisting, hoe hoger de eisen die aan de motivering van de gestelde feiten mogen worden gesteld. Daarbij geldt overigens wel een bovengrens: van een partij mag niet meer motivering worden geëist dan waartoe zij redelijkerwijs in staat is of, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van haar verlangd mag worden.1 Daarbij kan onder andere een rol spelen of de voor de onderbouwing benodigde gegevens zich in het domein van de wederpartij bevinden (zie ook hierna onder 6.2).2
Feiten die zijn gesteld maar niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter op grond van art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv als vaststaand aannemen. Bij geen of onvoldoende betwisting, komt de rechter dus ook niet aan bewijslevering toe. Voor de vraag of een betwisting voldoende is, geldt spiegelbeeldig hetgeen hiervoor is gezegd ten aanzien van de stelplicht: hoe gemotiveerder de feiten zijn gesteld, hoe hoger de eisen die aan de motivering van de betwisting mogen worden gesteld, met dien verstande dat die eisen nooit hoger mogen zijn dan hetgeen redelijkerwijs van de betwister kan worden verlangd.
Bij de beantwoording van de vraag of aan de motiveringsplicht (zowel aan de zijde van de steller als aan de zijde van de betwister) is voldaan, heeft de rechter een zekere beoordelingsvrijheid. Het gaat immers om een weging van alle omstandigheden, in het licht van het partijdebat.3 Als bij deze weging de weegschaal van art. 149 Rv naar de ene of de andere kant doorslaat, dan komt de rechter aan bewijslevering en het beoordelen van een eventueel bewijsaanbod niet toe. Dan zal het oordeel luiden dat de vordering wordt toegewezen (of het verweer gehonoreerd) omdat de gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, of dat de vordering wordt afgewezen (of het verweer niet gehonoreerd) omdat de stellende partij tegenover de gemotiveerde betwisting de gestelde feiten onvoldoende heeft gemotiveerd.4 Maar als de weegschaal voldoende in balans is, of niet is doorgeslagen omdat de bovengrens van de motiveringsplicht is bereikt, is sprake van een zogenoemde non liquet-situatie. Dan treedt de fase van bewijslevering in. De motiveringsplicht gaat niet zover dat een partij haar stellingen op voorhand aannemelijk moet maken en hetgeen de wederpartij daartegen aanvoert, moet ontzenuwen;5 daarvoor is de bewijsfase bedoeld. De Hoge Raad is kritisch op uitspraken waarin een zaak te gemakkelijk wordt ‘afgedaan’ op de motiveringsplicht waardoor aan bewijslevering niet wordt toegekomen.6