Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.1.5.1:4.1.5.1 Vereniging
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.1.5.1
4.1.5.1 Vereniging
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644816:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136 (B&W Almere, Woonark).
Zie hierover Van der Plank (2016), 2.1.2 e.v. en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/90.
HR 24 december 2010, 10/01452: ECLI:NL:HR:2010:BO3644 (Havenkranen-arrest).
HR 24 december 2010, 10/01452: ECLI:NL:HR:2010:BO3644, r.o. 3.3.4 (Havenkranen-arrest).
Hierop is ook de nodige kritiek ontstaan. Zie bijvoorbeeld: Verheul (2018) p. 268; Kortmann, AA 1998/02, p. 105; Janssen, WPNR 2009/6691, p. 863 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een zaak die via fundamenten met de grond was verbonden, was in de regel bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Een woonark die via beugels verbonden was met de in de bodem verankerde meerpalen was dit daarentegen niet, ondanks dat de belastinginspecteur deze als een onroerende zaak kwalificeerde.1 De ark was ingesloten tussen twee lage bruggen waar zij niet onder door kon. Ze kon daarom niet meer worden verplaatst naar een andere locatie. Voorts lag ze aan een grondkavel (parkeerplaats) van de belanghebbende en de entree van de ark had een specifieke aansluiting op de wandelpromenade aan de wal. Desalniettemin stelde de Hoge Raad dat de ark een roerende zaak was. Ze was bedoeld om te drijven en daarom een schip in de zin van art. 8:1 BW, aldus de Hoge Raad. Hij voegde hieraan toe dat schepen over het algemeen roerende zaken waren. Ongetwijfeld waar, maar of een zaak roerend of onroerend is, bepaalt art. 3:3 BW. Hoe het ook zij, de Hoge Raad stelde:
“Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, kan niet leiden tot een oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van art. 3:3, lid 1 BW.”
De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het Hof met een duidelijke opdracht: nu er geen sprake was van een vereniging met de grond diende het Hof te onderzoeken of er sprake was van een verbinding met de oever. Hij gaf aan het Hof alvast de overweging mee, dat zo’n vereniging niet kon worden aangenomen enkel op grond van aansluitingen op de riolering en op nutsleidingen via kabels. Een vereniging moet kennelijk meer inhouden.2
Uit het woonark-arrest zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de Hoge Raad terughoudend is met het aannemen van een vereniging met de grond. Het later gewezen Havenkranen-arrest wijst echter in een andere richting.3 Deze kranen, bestemd om ter plaatse zeeschepen te laden en te lossen, waren indirect met de grond verbonden, doordat ze op rails waren geplaatst. De vraag die centraal stond, was of deze kranen onroerende zaken waren. De beantwoording van die vraag was onder meer van belang in verband met de te betalen overdrachtsbelasting voor onroerende goederen. De eigenaar van deze kranen had met een beroep op het woonark-arrest betoogd dat de kranen roerende zaken zijn, onder meer omdat ze dat in hun algemeenheid zijn. De Hoge Raad stelde hierover:
“De vraag of kranen als de onderhavige in verbinding staan met de (onder)grond kan echter niet op eenzelfde wijze worden beantwoord als de vraag of een woonark als in dat arrest bedoeld in verbinding staat met de bodem. Een dergelijke woonark is niet met de bodem verenigd in de zin van artikel 3:3 BW, omdat zij blijkens haar constructie bestemd is om op het water te drijven en ook in feite drijft. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige kranen blijkens hun constructie bestemd zijn om zich op het land te bevinden en dat zij, zij het indirect via rails, ook feitelijk in voortdurende verbinding staan met de onder de kranen gelegen grond.”4
Volgens de Hoge Raad is dus een feitelijke en voortdurende verbinding voldoende om van vereniging te spreken, ook als deze feitelijke verbinding een indirecte is. Zo bezien is aan het vereiste van “vereniging” snel voldaan.5