Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.3.0
4.3.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452946:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In verband hiermee is tevens de aanhef van art. 22 Wet IB (inkomsten uit arbeid), art. 24 Wet IB (inkomsten uit vermogen) en art. 30 Wet IB (inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen) gewijzigd.
Vgl. HR 7 juni 1972, BNB 1972/165; HR 14 maart 1973, BNB 1973/124 en HR 21 december 1977, BNB 1978/94.
L.W. Sillevis constateert verschillende bezwaren tegen het naast elkaar bestaan van twee regimes inzake inkomsten uit aandelen, L.W. Sillevis, Principiële aspecten van de herziening van het aanmerkelijk-belangregime, WFR 1996/6212, blz. 1269 e.v.
HR 2 februari 1972, BNB 1972/83.
Overigens meen ik met de Raad van State dat het de voorkeur had verdiend de bepaling van art. 22, vijfde lid, Wet IB niet in art. 22 Wet IB op te nemen doch in art. 20a Wet IB zelf. In de memorie van toelichting merkt de staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van een dergelijke suggestie van de Raad van State op dat het vanuit een oogpunt van wetssystematiek minder wenselijk voorkomt het aldaar met betrekking tot de inkomsten uit arbeid bepaalde in een eerder artikel op te nemen; verwijzen naar een later opgenomen bepaling in de wet (dus naar een artikel met een hoger nummer) dient naar de mening van de staatssecretaris van Financiën zoveel mogelijk te worden vermeden, Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B.
Schoonheidsargumenten zijn vaker juist niet doorslaggevend om bepalingen op een andere plaats op te nemen. Zie bijvoorbeeld de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer waarin de leden van de PvdA-fractie vragen hoe de staatssecretaris van Financiën de suggesties van J.E.A.M. van Dijck in WFR 1996/6206 met betrekking tot de verplaatsing van sommige wettelijke bepalingen beoordeelt. Voor deze suggesties betoonde de staatssecretaris van Financiën zich (helaas) niet ontvankelijk, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 5, blz. 61.
Zoals in de inleiding reeds is opgemerkt, is het nieuwe aanmerkelijkbelangregime opgenomen in afdeling 2A Wet IB (artt. 20a-20i Wet IB) en is daarmee na de bron winst uit onderneming en vóór de bron inkomsten uit arbeid geplaatst. Sedert 1 januari 1997 ziet de bronnenvolgorde er aldus als volgt uit (art. 4 Wet IB):1
winst uit onderneming (afdeling 2);
winst uit aanmerkelijk belang (afdeling 2A);
zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen (afdeling 3).
In het tot 1 januari 1997 geldende regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen ging de bron 'inkomsten uit vermogen' nog voor op de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Hierbij ging het in het bijzonder om art. 24 Wet IB (formeel en vermomd dividend alsmede inkoop van eigen aandelen door de vennootschap), art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB (liquidatie van de vennootschap), art. 29 Wet IB (winstbonusaandelen en teruggaaf van gestort kapitaal) en art. 31, derde (en vierde) lid, Wet IB (vervreemding van aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap).2 Door de verplaatsing van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' naar de nieuwe afdeling 2A, waardoor de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' op een enkele uitzondering na voorrang heeft op de bron 'inkomsten uit vermogen', bestaan sedert 1 januari 1997 aldus twee fiscale regimes voor de opbrengsten van aandelen naast elkaar: een afzonderlijk regime voor aanmerkelijkbelanghouders en een afzonderlijk regime voor niet-aanmerkelijkbelanghouders.3
Overigens was de rangorderegeling in het tot 1 januari 1997 geldende regime onvolkomen uitgewerkt. Tot 1 januari 1997 was het immers nog zo dat in geval van samenloop tussen de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit (andere) arbeid' (art. 22 e.v. Wet IB) de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' vóórging. 4 Dit was een gevolg van het feit dat in art. 39, eerste lid, (oud) Wet IB niet mede een verwijzing naar de bron 'inkomsten uit (andere) arbeid' was opgenomen. Hoewel in de sedert 1 januari 1997 nieuw vormgegeven bronnenvolgorde de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' voorrang heeft op de (zuivere) inkomstenbronnen en in het nieuwe systeem deze voorrang van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' op de bron 'inkomsten uit (andere) arbeid' juist wel passend zou zijn, is gemeend dit te moeten wijzigen. Onder het nieuwe regime bepaalt art. 22, vijfde lid, Wet IB uitdrukkelijk dat op voordelen die als winst uit aanmerkelijk belang kunnen worden aangemerkt en als inkomsten uit (andere) arbeid, de bron 'inkomsten uit (andere) arbeid' vóórgaat. Dit betekent dat voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen die kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit (andere) arbeid, bijvoorbeeld in het geval de aanmerkelijkbelanghouder de aanmerkelijkbelangaandelen goedkoop heeft kunnen verwerven als gevolg van bijzondere wetenschap, het met de verkoop van de aanmerkelijkbelangaandelen behaalde voordeel voortaan in aanmerking wordt genomen als inkomsten uit (andere) arbeid en niet als winst uit aanmerkelijk belang. Het belang van deze wijziging betreft met name het van toepassing zijnde tarief: Het normale tabeltarief van maximaal 60% in plaats van het nieuwe proportionele 25%-tarief. De vraag rijst dan wel waarom de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' vóór de bron 'inkomsten uit arbeid' is geplaatst en niet erna. Zou de nieuwe bron 'winst uit aanmerkelijk belang' immers na de bron 'inkomsten uit arbeid' - en vóór de bron 'inkomsten uit vermogen' - zijn geplaatst, dan zou een bepaling als art. 22, vijfde lid, Wet IB overbodig zijn.5 Voor de huidige bronnenvolgorde pleit de parallel met de ondernemingssfeer, hoewel deze parallel, zoals hierna in onderdeel 4.5 nog zal blijken, niet consequent is uitgewerkt, alsmede het schoonheidsargument dat de Wet IB nu eerst de twee (subjectieve) winstbronnen noemt en daarna pas de drie (meer objectieve) inkomstenbronnen. Over de vraag of dit een extra bepaling in art. 22 Wet IB rechtvaardigt, kan anders worden gedacht.6
Een soortgelijke afwijking op de bronnenvolgorde wordt aangetroffen in art. 24 Wet IB. Ingevolge art. 24, tweede lid, Wet IB vindt met betrekking tot aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen die ingevolge art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, krachtens een ingevolge art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB of art. 68aa Wet IB voor zover betreft vervreemdingsvoordelen geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zgn. fictief aanmerkelijk belang, de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing voor zover die inkomsten uitgaan boven hetgeen aan vervreemdingsvoordelen wordt genoten. Deze afwijking op de bronnenvolgorde kan worden gebillijkt, aangezien de positie van fictieve aanmerkelijkbelanghouders volledig vergelijkbaar is met die van niet-aanmerkelijkbelanghouders, met als enige verschil hun aanmerkelijkbelangverleden. Passender in het systeem zou zijn geweest om de overgang van de positie van aanmerkelijkbelanghouder naar de positie van niet-aanmerkelijkbelanghouder vergezeld te doen gaan van een afrekening van de gedurende de aanmerkelijkbelangperiode opgebouwde aanmerkelijkbelangclaim, maar op grond van liquiditeitsoverwegingen is hiervoor het fictieve aanmerkelijk belang gecreëerd. De ex-aanmerkelijkbelan-gaandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden dan louter voor zover het de vervreemdingsvoordelen betreft geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren. Deze ten gunste van de belastingplichtige getroffen regeling, maakt vervolgens een afwijking op de bronnenvolgorde in art. 24, tweede lid, Wet IB noodzakelijk.
Een laatste inbreuk op de bronnenvolgorde kan worden aangetroffen in art. 24, derde lid, Wet IB. Ingevolge deze bepaling vindt met betrekking tot voordelen getrokken uit schuldvorderingen die kunnen worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang en als inkomsten uit vermogen, de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing. Deze afwijking van de rangorderegeling is een logisch gevolg van het feit dat voor de reguliere voordelen van tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen de bron 'inkomsten uit vermogen' relevant is gebleven en deze voordelen niet onder de vernieuwde bron 'winst uit aanmerkelijk belang' zijn gaan vallen (zie onderdeel 4.2.1. hiervoor).