Overigens zou ook wanneer verzoeker zelf geen geweld zou hebben toegepast, hem dit niet hebben geholpen. Ik verwijs daarvoor naar HR 14 oktober 2003, LJN AJ1396, NJ 2004/103, HR 8 mei 2001, LJN AB1472, NJ 2001/480 (Bacchus) en HR 29 oktober 1934, LJN BG9443, NJ 1934/p. 1673 (Wormerveerse brandstichting).
HR, 09-10-2012, nr. 11/03317
ECLI:NL:HR:2012:BX5559
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
09-10-2012
- Zaaknummer
11/03317
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
BX5559
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX5559, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5559
ECLI:NL:HR:2012:BX5559, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5559
- Vindplaatsen
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Hofstee
Partij(en)
Nr. 11/03317
Mr. Hofstee
Zitting: 21 augustus 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1.
Verzoeker is bij arrest van 28 juni 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, wegens "Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/03309, 11/03317, 11/03183 en 11/03184. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3.
Namens verzoeker hebben mr. A.S. ten Doesschate en H.J. Voors, beiden advocaat te Zwolle, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat het door het Hof gebezigd bewijsmiddel inhoudend de verklaring van verzoeker strijdig is met de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet van verzoeker op het gebruik van geweld, althans dat de bewezenverklaring zonder nadere toelichting die ontbreekt, in zoverre onbegrijpelijk is.
5.
Het tweede middel klaagt, mede gezien de toelichting daarop, dat het Hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verzoeker geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het gebruik van geweld, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven.
6.
Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
7.
Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezen verklaard dat:
"hij op 21 maart 2010 te Hoogland, gemeente Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1],
welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat verdachte en/of zijn mededader(s):
- -
een vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en tegen de buik van [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt, en
- -
[slachtoffer 1] naar de slaapkamer heeft/hebben geduwd, en
- -
het hoofd en/of de haren van [slachtoffer 1] heeft/hebben beetgepakt en het hoofd van [slachtoffer 1] tegen de vloer heeft/hebben geslagen, en
- -
de handen en de voeten van [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgebonden, en
- -
een doek en tape rond de mond en het hoofd van [slachtoffer 1] heeft/hebben gedaan, en
- -
[slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of gestompt."
8.
De bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, op de volgende bewijsmiddelen:
"(...)
2.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van bevindingen (inhoudende het verhoor van slachtoffer [slachtoffer 1]) van verbalisant [verbalisant 1]:
Ik heb die jongens binnengelaten, vrij vroeg 's morgens. Ik ken de jongens helemaal niet. Ze hebben aangebeld, kwamen binnen en duwden mij aan de kant. Die ene had een revolvertje in zijn hand, daar dreigde hij mee. Ze bonden mij vast. Ze bonden mijn benen vast met plastic, dat ik niet bewegen kon, en om mijn mond. Ik stond in de gang bij de slaapkamer. Toen ik de deur opendeed, pakten ze mij gelijk beet en gooiden mij op bed. Dat bed zakte in elkaar. Een van de jongens sloeg mij.
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 3]:
(samenvatting van het verhoor)
- p.
954-955
De verdachte verklaarde onder andere dat hij een tip had gekregen van [medeverdachte 1] dat er zwart geld lag in huis bij [slachtoffer 1]. Hij wist niet hoeveel, maar meer dan 50.000 euro. [Medeverdachte 1] vertelde dat bij het adres waar zij al eens waren geweest, bij de opa van [medeverdachte 1], geld lag. [Medeverdachte 1] had niet gezegd wat ze moesten doen, maar als er iets zou gebeuren dan wilde [medeverdachte 1] wel een deel van de opbrengst hebben. [Medeverdachte 1] is [medeverdachte 1]. Op 20 maart (het hof begrijpt: 20 maart 2010) is hij met [verdachte] naar Hoogland gereden. Ze waren niet uitgestapt. De volgende morgen had hij [verdachte] opgehaald in zijn eigen auto. [Medeverdachte 4] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] en [betrokkene 2]) waren met de bus van [betrokkene 2] gegaan. Iedereen stapte uit. [Medeverdachte 4] en hij zijn linksom naar het huis van het slachtoffer gelopen en [betrokkene 2] en [verdachte] rechtsom door de wijk. Op de terugweg heeft hij [betrokkene 2] en [medeverdachte 4] weer bij de bus afgezet. Hij zag dat [medeverdachte 4] een handje met sieraden toonde. Het waren een goudkleurig en zilverkleurig horloge en wat van het soort Otazu sieraden.
(...)
- p.
966-967
Er wordt gevraagd hoe het idee is ontstaan om dit feit te plegen. Verdachte zegt dat hij er over heeft gesproken met [betrokkene 2], [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 4] en dat ze er van daaruit samen heen zijn gegaan. Op de vraag welke afspraken er zijn gemaakt over de verdeling van de buit, zegt verdachte dat afhankelijk van wat ze zouden vinden, [medeverdachte 1] er tien van zou krijgen en de rest zou verdeeld worden.
- p.
969
Verdachte zegt dat er niet over gesproken is, maar dat hij er van uit ging dat de handen van het slachtoffer getapet zouden gaan worden.
4.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 4]:
In het weekend waarin het feit gepleegd is ben ik naar [betrokkene 2] toe gereden. [Betrokkene 2] was er zelf en [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) was er. Ze vertelden mij dat er bij een man geld was te halen. Er moest een hoop geld liggen in de meterkast. Dat was de eerste keer dat er over Hoogland werd gesproken. De tape lag bij [medeverdachte 3] in de auto. Dat was om diegene vast te plakken, dat hij rustig blijft. Ik ging met [betrokkene 2] in de bus en [medeverdachte 3] met zijn Peugeot. Ik ben achter [medeverdachte 3] aangereden. Een vierde persoon is bij [medeverdachte 3] ingestapt. In een woonwijk in Hoogland zijn we bij [medeverdachte 3] in de auto gestapt en zijn we eerst een keer langs de woning gereden. [Medeverdachte 3] en ik zijn erheen gelopen. Er werd aangebeld en de deur ging los. Ik zet dat pistool op de buik van die man, [medeverdachte 3] heeft het pistool op de buik gedrukt. Ik zei: als je meewerkt, gebeurt je niks, anders leg ik je om. [Medeverdachte 3] heeft de man als eerste vast, ik loop de slaapkamer in en doe de gordijnen dicht. Toen kreeg ik dat geworstel om hem vast te plakken. [Medeverdachte 3] heeft hem nog vast, ik heb hem meegenomen naar de slaapkamer en hem op het bed geduwd. Het vuurwapen dat ik bij mij had was een Glock. Alle vier de jongens wisten dat ik een wapen bij mij had. [Medeverdachte 3] had ook een vuurwapen, [betrokkene 2] volgens mij ook. [Verdachte] is binnen geweest, hij heeft spullen van mij gekregen. De sieraden die ik heb meegenomen zijn een bloedkoralen ketting, een horloge en manchetknopen. U vraagt mij hoe ik de man hebt getapet. Ik heb zijn handen en zijn mond en als laatste zijn voeten getapet. [Betrokkene 2] of [verdachte] gaf bruine tape aan. [Verdachte] was aan het zoeken in de gang, in die periode is [medeverdachte 3] weggegaan. Ik was bezig zijn mond te tapen omdat hij zo schreeuwde. [Betrokkene 2] gaf een theedoek, die heb ik op zijn mond gelegd. Toen [betrokkene 2] binnen kwam schopte hij mij van de man af en hebben wij hem samen getapet. Ik heb overal aan mee geholpen. Er is wel wat kracht bij gebruikt. Ik had mijn voeten in zijn rug.
5.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 4]:
Ik nam de man mee naar de slaapkamer, hij viel tussen de bedden op de grond. Ik kreeg de man niet rustig en op dat moment kwam [betrokkene 2] binnen, die heeft mij van de man afgetrapt. Hij heeft die man bij de haren gepakt en op het beton geslagen, net zolang tot hij rustig was. [Betrokkene 2] zat boven op hem, [betrokkene 2] en ik zaten onder het bloed. De man bewoog nog wel een beetje maar niet echt heel veel.
6.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
In de nacht van 20 op 21 maart ben ik op een verjaardag geweest in Zwolle. Ik ben naar het appartement van mijn neef [betrokkene 3] gegaan. [Medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) haalde mij op. Het klopt dat wij de avond ervoor, 20 maart, al in Hoogland waren geweest maar dat we het niet aan durfden. [Medeverdachte 3] vertelde me dat we nu met meer man waren. [Betrokkene 2] zat bij [medeverdachte 4] in de auto. [Medeverdachte 3] vertelde dat we naar een woning moesten, dat daar gewoon geld in de meterkast lag. We bespraken wie er naar toe zou lopen en dat we een signaaltje zouden krijgen dat we er naar toe moesten komen. Ik en [betrokkene 4] bleven achter, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zouden eerst naar binnen gaan. U vraagt mij wanneer ze het signaal zouden geven en wat ze eerst geregeld moesten hebben. Gewoon, dat die mensen onder schot waren en geen kant op konden. Ik weet dat [medeverdachte 3] een wapen had. De duct tape lag in de auto van [medeverdachte 3]. Ik heb de tape in mijn handen gehad en ik heb de tape aan [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] gegeven. Zij gingen naar de woning toe en ik en [betrokkene 2] liepen de andere kant op. [Medeverdachte 3] of [medeverdachte 4] belde naar [betrokkene 2], dat we snel moesten komen om te helpen. We zijn twee keer gebeld. Ik hoorde geschreeuw door de telefoon, dat was het slachtoffer. De deur ging voor ons open, eerst ging [betrokkene 2] naar binnen en daarna ik. Ik hoorde geschreeuw van die oude man. We stonden met z'n vieren in de slaapkamer. De man lag op zijn buik met zijn hoofd naar beneden en werd met een knie in de nek in bedwang gehouden door [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 3] stuurde mij het kamertje uit. Hij zei: ga maar zoeken, je moet overal zoeken. Ik ben in een klerenkast gaan zoeken. [Medeverdachte 3] kwam de kamer nog in om te vragen of ik wel iets had gevonden. Ik ben nog een keer in de slaapkamer geweest. Ik zag dat het slachtoffer op de grond lag en dat hij vastgebonden was. Ik heb ook bloed gezien bij het slachtoffer. [Medeverdachte 3] en [betrokkene 2] waren ineens weg. Daarna zijn [medeverdachte 4] en ik eruit gegaan. [Medeverdachte 4] had bloed van het slachtoffer aan zijn kleding.
7.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (...) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:
Er was een tip dat er 60.000 euro lag in een huis van een man in Amersfoort. [Medeverdachte 4] werd gebeld door ene [verdachte]. Die vroeg of wij mee gingen daarheen. [Medeverdachte 3] en [verdachte] gingen richting Amersfoort, [medeverdachte 4] en ik zijn er iets later achter aan gereden. [Medeverdachte 3] en [verdachte] zijn uitgestapt en naar binnen gegaan. Daarna zijn wij gaan binnen gegaan. Ik zag die man op de grond liggen, tussen de bedden. [Verdachte] was met tape aan de gang. Hij sloeg de man met zijn handen.
8.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 14 juni 2011 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik door [betrokkene 2] [verdachte] word genoemd in het dossier."
9.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van 14 juni 2011 heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnota. Namens verzoeker is, voor zover hier relevant, het volgende naar voren gebracht:
"Medeplegen.
Is er sprake van medeplegen? Kan hetgeen is gebeurd onder het gezamenlijke opzet van allen worden gebracht? Met in het achterhoofd de jurisprudentiële aanscherping van het begrip medeplegen daarover enkele opmerkingen.
Laat ik beginnen met de vaststelling dat wat mij betreft uit het dossier zonder meer kan worden afgeleid dat geen van de geweldshandelingen zoals die in het dossier worden genoemd, door cl zelf zijn gepleegd. Cl had geen pistool (überhaupt geen wapen), hij heeft daarmee niet gericht/gedreigd, hij heeft [slachtoffer 1] niet de slaapkamer ingeduwd, hem vastgepakt, met zijn hoofd tegen de grond geslagen, hem getaped en geslagen/gestompt. Cl heeft [slachtoffer 1] nooit aangeraakt: en nooit gezien dat er op die wijze geweld tegen hem werd gebruikt.
Daarop - op het geweld - was het opzet ook helemaal niet gericht. Ik roep u in herinnering het beeld dat cl had toen ze naar de woning gingen, en hetgeen hij in de woning vervolgens gewaar werd. "Het was duidelijk het verkeerde huis". De situatie was volstrekt anders dan door cl voorzien, en dan waarop zijn opzet was gericht. En zeer waarschijnlijk geldt dat in zekere zin voor iedereen, en zeker voor [medeverdachte 4] en [betrokkene 2].
Geen door cl zelf gepleegde geweldshandelingen: niet eens wetenschap van het feit dat er (veel) geweld werd gebruikt. Dreigen, dat was alles wat nodig zou zijn, en dat was alles dat er zou gebeuren. Daar was het opzet van cl op gericht. Anderen zijn daarin echter verder gegaan dan waarop cl het opzet had. En nogmaals: wie nu precies wat heeft gedaan, dat weet cl niet, maar dat het veel verder is gegaan, dat blijkt bijvoorbeeld wel uit de foto's.
De rechtbank overweegt dat het opzet op het geweld niet zozeer rechtstreeks maar via het voorwaardelijk opzet bewezen kan worden verklaard. Ten onrechte, zo meen ik. Niet gezegd kan worden dat cl willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen dat het veel verder zou gaan, dat er meer zou gebeuren dan dreigen. Het pistool was alleen bedoeld om mee te dreigen, en is overigens ook alleen maar gebruikt om mee te dreigen. En over iets meer/anders is nooit gesproken, omdat daarvoor immers ook geen enkele aanleiding bestond! Althans: niet in het beeld dat cl had, en dat [medeverdachte 3] kennelijk bij hem had opgewekt/had laten bestaan. Binnen dat beeld was verdergaand geweld helemaal geen optie: dat maakte van dat beeld geen deel uit.
Tegen die achtergrond kan n.m.m. niet zondermeer worden gezegd dat hetgeen de mededaders van cl hebben gedaan, toch binnen het opzet van cl en het gezamenlijk opzet kan worden gebracht. Het lag niet voor de hand, het was niet logisch, "het zat er niet in", die kans daarop was niet aanmerkelijk: en cl heeft de kans daarop ook niet op de koop toegenomen.
Dus: het geweld kan niet binnen het gezamenlijk opzet worden gebracht, ook niet via het voorwaardelijk opzet, en daarmee is er geen sprake van medeplegen van het ten laste gelegde geweld. In zoverre dient cl dan ook vrij te worden gesproken. Uiteraard kan wel bewezen worden het medeplegen van diefstal d.m.v. bedreiging.
De rechtbank overweegt bovendien nog dat cl zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het handelen van de anderen, en ook niet heeft ingegrepen. Daarvoor is echter wél nodig dat cl heeft geweten, heeft gezien dat er geweld werd gebruikt waarvan hij zich kon distantiëren, en waartegen hij handelend kon optreden. Daarvan was echter geen sprake."
10.
Met betrekking tot het bewijs heeft het Hof overwogen:
"(...)
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van een gedeelte van het tenlastegelegde, namelijk het toegepaste geweld, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het geweld niet binnen het gezamenlijke opzet kan worden gebracht, ook niet via het voorwaardelijk opzet, en dat daarmee geen sprake is van medeplegen van het tenlastegelegde geweld. Verdachte dient daarom van dat onderdeel te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat [medeverdachte 3] een wapen bij zich had, om mensen onder schot te houden. Verdachte heeft verklaard dat er tape in de auto van [medeverdachte 3] lag en dat hij, [verdachte], de tape pakte en aan [medeverdachte 3] of [medeverdachte 4] meegaf. Op een gegeven moment stonden hij en de andere drie verdachten in de kamer van het slachtoffer. Verdachte zag dat het slachtoffer op zijn buik lag met zijn hoofd naar beneden en dat [medeverdachte 4] de man in bedwang hield met een knie in de nek. Verdachte zag dat het slachtoffer met tape was vastgebonden en schreeuwde. Verdachte is vervolgens de andere kamer gaan doorzoeken. Verdachte heeft met [medeverdachte 4] als laatste de woning verlaten. Het slachtoffer lag toen nog vastgebonden in de kamer.
Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij een wapen had meegenomen naar de woning van het slachtoffer. Alle andere verdachten wisten dat hij dat wapen bij zich had. Ook [medeverdachte 3] had een wapen. [Medeverdachte 3] drukte zijn pistool op de buik van het slachtoffer. [Medeverdachte 4] heeft het slachtoffer samen met [betrokkene 2] vastgebonden met tape. [Verdachte] was ondertussen de woning aan het doorzoeken. De voeten en handen van het slachtoffer werden door [medeverdachte 4] en [betrokkene 2] vastgebonden en er werd een doek over zijn mond vastgeplakt. [Medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op het slachtoffer zat om hem in bedwang te houden en dat [betrokkene 2] hem eraf schopte en [betrokkene 2] het slachtoffer vervolgens met zijn hoofd een aantal keren tegen de grond sloeg.
Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de meegebrachte tape in zijn auto lag, dat er niet over is gesproken maar dat hij ervan uit ging dat de handen van het slachtoffer getapet zouden worden.
Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat het (voorwaardelijk) opzet was gericht op het gebruik van geweld. Er werden wapens en tape meegenomen en volgens [medeverdachte 4] wist iedereen dat er een wapen zou worden meegenomen. Daarmee hebben de verdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat er in de woning van het slachtoffer geweld zou worden gebruikt. Verdachte [verdachte] heeft daaraan zelf bijgedragen door de tape aan te reiken en heeft zich, terwijl hij wist dat er geweld werd gebruikt, van dat geweld niet gedistantieerd. Het verweer wordt derhalve verworpen."
11.
Voor zover al kan worden gezegd dat het door de raadsman aangevoerde (zoals hierboven onder 9 weergegeven) een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert, heeft het Hof dit standpunt zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd verworpen. De nadere motivering van het Hof - dat bij verzoeker sprake is geweest van een op het gebruik van geweld gericht voorwaardelijk opzet en dat verzoeker derhalve ook met betrekking tot het toegepaste geweld als medepleger kan worden aangemerkt - blijkt uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en zijn aanvullende bewijsoverweging. Aan deze bewijsoverweging voeg ik nog toe dat gelet op de bewijsmiddelen 7 en 8 verzoeker, door medeverdachte [betrokkene 2] [verdachte] genoemd, ook zelf geweld heeft gebruikt door met zijn handen het slachtoffer te slaan. In zoverre mist het standpunt van de stellers van de middelen dat verzoeker geen geweld heeft gebruikt, feitelijke grondslag.1.
12.
Aan het vorengaande kan niet afdoen, dat volgens de stellers van de middelen uit een enkel gedeelte van de door verzoeker afgelegde verklaring zou blijken dat verzoeker ervan uitging dat uitsluitend zou worden gedreigd met geweld en niet dat ook daadwerkelijk geweld zou worden gebruikt. De stellers van de middelen halen in dat verband slechts het volgende uit die verklaring aan: "[Medeverdachte 3] vertelde dat we naar een woning moesten, dat daar gewoon geld in de meterkast lag. We bespraken wie er naar toe zou lopen en dat we een signaaltje zouden krijgen dat we er naar toe moesten komen. Ik en [betrokkene 4] bleven achter, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zouden eerst naar binnen gaan. U vraagt mij wanneer ze het signaal zouden geven en wat ze eerst geregeld moesten hebben. Gewoon, dat die mensen onder schot waren en geen kant op konden." Waar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk veel gewicht aan heeft toegekend, is dat verzoeker (ook) heeft verklaard dat hij: (i) op de hoogte was van de aanwezigheid van een wapen en tape; (ii) heeft gezien dat het slachtoffer onder schot werd gehouden door [medeverdachte 3]; (iii) de tape heeft gepakt en aan [medeverdachte 3] of [medeverdachte 4] meegaf; (iv) heeft gezien dat het slachtoffer met tape was vastgebonden en op zijn buik met zijn hoofd naar beneden in bedwang werd gehouden door een knie van [medeverdachte 4] in zijn nek; (v) heeft gehoord hoe het slachtoffer schreeuwde; en (vi) desondanks is doorgegaan met het doorzoeken van bepaalde ruimtes in de woning van het slachtoffer. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat verzoeker tevens heeft verklaard dat [medeverdachte 3] of [medeverdachte 4] tweemaal naar [betrokkene 4] belde dat verzoeker en [betrokkene 4] snel moesten komen om te helpen, terwijl verzoeker geschreeuw van het slachtoffer door de telefoon hoorde. Waarmee anders zouden verzoeker en [betrokkene 4] kunnen helpen dan het slachtoffer onder bedwang te krijgen of te houden? Wie er, zoals verzoeker, voor kiest deel te nemen aan een gewapende overval in groepsverband, zal er naar mijn inzicht - in gewoon Nederlands - alleen al op grond daarvan ernstig rekening mee moeten houden dat het slachtoffer fysiek weerstand zal gaan bieden of zal gaan schreeuwen en daarom 'uitgeschakeld' of de mond gesnoerd zal moeten worden, hetgeen bij mijn weten niet zonder toepassing van geweld pleegt te geschieden. Vertaald naar het strafrechtelijk woordgebruik betekent dit dat de deelnemer aan zo een van tevoren doorgesproken overval (waarbij dus wapens en tape zijn meegenomen) op voorhand al gezegd kan worden welbewust de aanmerkelijke kans te aanvaarden dat er geweld zal worden gebruikt.
13.
Beide middelen falen.
14.
Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, bevat de klacht dat het Hof bij de strafoplegging is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het aandeel van verzoeker met betrekking tot de geweldpleging minder is dan dat van zijn mededaders en verzoeker daarom ten opzichte van hen lager gestraft zou moeten worden, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven.
15.
In de onder 9 genoemde pleitnota is namens verzoeker het volgende aangevoerd:
"Strafmaat
Zou uw Hof desalniettemin van oordeel zijn dat ook hetgeen waar cl letterlijk en figuurlijk het zich niet op had toch aan hem kan worden toegerekend, dan verzoek ik u bij de uiteindelijke vaststelling van de strafmaat rekening te houden met hetgeen ik u over de rol en de positie van cl heb geschetst. Zeker: cl heeft zich schuldig gemaakt aan strafbaar gedrag, en verdient ook een pittige straf.
Maar het onderscheid tussen de rol van de medeverdachten aan de ene zijde en de rol van cl aan de andere zijde rechtvaardigt naar mijn oordeel wel een verschil in afdoening. Wat cl kan worden verweten is dat hij onder bedreiging van geweld iemand wilde beroven: dat hij er mee instemde en het prima vond dat iemand onder bedreiging van een vuurwapen van zijn eigendommen zou worden bestolen. En dat dat voor iedereen - ook voor iemand zelf wellicht crimineel was en over zwart/crimineel geld beschikte - een zeer traumatische ervaring is, ook als er verder geen geweld zou zijn gebruikt.
Maar in deze zaak is toch het meest in het oog springende element, het meest schandalige, het feit dat tegen een hoogbejaarde man die zich krachtig verzette tegen zijn overvallers, vervolgens grof geweld is gebruikt. Dat is wat deze zaak zoveel ernstiger maakt dan andere zaken. En juist daarin onderscheidt cl zich van de anderen."
16.
Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een gewapende overval op een hoogbejaarde man, [slachtoffer 1]. De vier medeverdachten zijn de woning van het slachtoffer binnengedrongen en hebben het slachtoffer met een vuurwapen bedreigd, vast getapet en hem ernstig mishandeld. Vervolgens zijn zij met geld en sieraden weer weggegaan waarbij zij het slachtoffer in hulpeloze toestand hebben achtergelaten. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de overval zeer veel impact heeft gehad op het slachtoffer en dat het slachtoffer ten gevolge van de overval zowel fysiek als geestelijk achteruit is gegaan en niet meer zelfstandig kan wonen.
Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2011 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van vermogensdelicten en geweldsdelicten. Kennelijk hebben die veroordelingen verdachte er niet van weerhouden wederom tot het plegen van een strafbaar feit over te gaan.
Naar het oordeel van het hof is het door verdachte gepleegde feit zo ernstig en voor de direct betrokkene en de samenleving zo verontrustend dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf een passende is."
17.
Laat ik vooropstellen dat hetgeen namens verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd mijns inziens niet oplevert een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat een verplichting tot respons in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv met zich brengt. Daarvoor is lijkt mij meer nodig.2. Het Hof was dan ook niet gehouden om op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen op te geven waarom het de raadsman niet heeft gevolgd in diens strafmaatverweer. Voorts merk ik op dat de strafmotivering van het Hof, die in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst, niet onbegrijpelijk en toereikend is.3.
18.
Het middel faalt.
19.
De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
20.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
21.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
Wil het standpunt de uiteindelijk in cassatie te toetsen verplichting tot beantwoording scheppen, dan zal het duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dienen te worden gebracht. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 186. Vgl. voorts HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 (rov. 3.7.1.) m.nt. Buruma, en HR 9 januari 2007, LJN AZ2184, NJ 2007/124 (rov. 3.4.).
Vgl. Van Dorst, a.w., p. 264-266.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
HR: art. 81 RO.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/03317
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 28 juni 2011, nummer 21/004224-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. A.S. ten Doesschate en mr. H.J. Voors, beiden advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.