Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.7.2
5.7.2 Afschaffing van het bezwaarrecht
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687297:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 14, p. 24 en p. 90-91. Zo ook eerder al Bijlage 2 bij Kamerstukken II 2011/12, 32043, nr. 133, p. 24.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 69 en p. 190.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 98 en p. 125.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 99 en p. 125.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 115-116 en p. 121. De OR kan de standaardoptie meenemen in zijn instemming inzake de gewijzigde pensioenovereenkomst, al behoeft het transitieplan zelf geen instemming.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 92-94 en p. 243. Bestaande bijstortings- en toeslagverplichtingen in een uitkeringsovereenkomst worden fiscaal geëerbiedigd bij niet-invaren: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 80.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 93; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 36. A.G. van Marwijk Kooy, ‘Wet toekomst pensioenen: rollen en regels wijziging pensioenregeling duidelijk?’, TPV 2022/20, ziet hierin een bevestiging van zijn stelling dat de pensioenfondsroute niet mogelijk is. De wetgever lijkt echter slechts het betoog van E. Lutjens te volgen, die stelt dat de pensioenfondsroute wel mogelijk is maar het overdragen van de bevoegdheid tot het aanvragen van collectieve waardeoverdracht te ver vindt gaan: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 5 (bijlage).
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 97, p. 181 en p. 236.
Invaren ziet op het toepassen van de regels van een gewijzigde pensioenovereenkomst op pensioenrechten en -aanspraken die voorafgaand aan die wijziging zijn verworven. Dit gebeurt door middel van een zogenoemde interne collectieve waardeoverdracht (het nieuwe artikel 150l Pw en artikel 150m Pw, dit in afwijking van artikel 83 Pw), waarmee de waarde van bestaande rechten en aanspraken wordt ingebracht in een gewijzigde pensioenregeling. Aan de waardeoverdracht gaat dus een rechtsgeldige wijziging van de pensioenovereenkomst vooraf. Het doel is om specifiek voor pensioenfondsen (dus niet voor andere uitvoerders) de bestaande pensioenaanspraken en -rechten en de nieuwe pensioenopbouw bijeen te houden in één fonds.1 De gedachte is dat werkgevers en werknemers op decentraal niveau zullen bepalen hoe zij op basis van de nieuwe vereisten van de Wtp hun pensioenregeling willen vormgeven. In de standaardsituatie zal de nieuwe pensioenregeling bij een pensioenfonds ook van toepassing zijn op aanspraken en rechten die voor de overgang zijn opgebouwd. In het arbeidsvoorwaardenoverleg worden afspraken gemaakt over onder meer invaren en compensatie (het transitieplan), waarna zij het pensioenfonds de opdracht geven tot uitvoering van de nieuwe pensioenovereenkomst, inclusief voor de standaardsituatie een verzoek tot invaren. Het pensioenfonds beoordeelt de opdracht op uitvoerbaarheid en evenwichtigheid, waarbij het belanghebbendenorgaan of verantwoordingsorgaan een adviesrecht heeft ten aanzien van de (gewijzigde) uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement.2 Daarnaast krijgt het belanghebbendenorgaan een goedkeuringsrecht en het verantwoordingsorgaan een adviesrecht ten aanzien van invaren.3 Ook is het mogelijk dat een geleding van het verantwoordingsorgaan (bijvoorbeeld de pensioengerechtigden) negatief adviseert, waarna de werkgever het invaren moet heroverwegen.4 Als er een OR is kan deze een instemmingsrecht hebben, als er medezeggenschap is via een personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering komt die een adviesrecht toe; daarvoor gelden de normale regels van de WOR.5
Waar invaren voor belanghebbenden onevenredig nadelige gevolgen heeft, kunnen sociale partners ervoor kiezen om de opgebouwde aanspraken en ingegane uitkeringen niet om te zetten. Dit kan het geval zijn als er bijvoorbeeld sprake is bijstortverplichtingen van de (ex-)werkgever. In dat geval kunnen bestaande aanspraken en rechten achterblijven in de ongewijzigde pensioenregeling en doen de sociale partners geen verzoek tot invaren aan het pensioenfonds.6 Als er sprake is van een gesloten pensioenfonds waarvan de werkgever niet meer bestaat, kan er geen keuze worden gemaakt en kan er niet worden ingevaren.7
Het bestaande bezwaarrecht van artikel 83 lid 2 Pw wordt als groot obstakel gezien voor het bovenstaande invaarproces. Een dergelijk bezwaar van deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden zou immers betekenen dat de waardeoverdracht ten aanzien van die persoon geen doorgang vindt. Dat zou het uitgangspunt ondermijnen dat bestaande pensioenaanspraken en -rechten en de nieuwe pensioenopbouw bijeen worden gehouden in één pensioenfonds. Met de Wtp wordt dit individuele bezwaarrecht daarom opzijgezet voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, met de gedachte dat er genoeg aanvullende waarborgen zijn, bestaande uit onder meer de medezeggenschap bij pensioenfondsen. Voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen blijft de bestaande mogelijkheid voor interne of collectieve waardeoverdracht ongewijzigd bestaan, aangezien risicodeling tussen deelnemers geen belangrijk aspect is bij deze uitvoerders en zij geen medezeggenschapsorganen hebben door middel waarvan belanghebbenden invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming.8
De wetgever onderkent dat collectief invaren kan leiden tot aantasting van bestaande aanspraken en rechten en daarom houdbaar moet zijn onder artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 17 Handvest EU. Dat betekent onder meer dat de inbreuk bij wet moet zijn voorzien, een legitiem doel moet worden nagestreefd in het publiek belang en de inbreuk proportioneel en gerechtvaardigd moet zijn. Specifiek voor dit laatste is de gedachte dat onder meer het vervangen van het individuele bezwaarrechten door additionele medezeggenschap een afdoende rechtvaardiging is.9