Rb. Gelderland, 28-12-2016, nr. 290636
ECLI:NL:RBGEL:2016:7152
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
28-12-2016
- Zaaknummer
290636
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2016:7152, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 28‑12‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2016:6868, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 23‑11‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2016:1044, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 03‑02‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
AR 2016/3943
Uitspraak 28‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Storingen in geleverde tankinstallaties voor aardgas. Onenigheid over wie het verhelpen van de storingen en het onderhoud dient te betalen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/290636 / HA ZA 15-563
Vonnis van 28 december 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FUWELL ENERGY GROUP B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.S. Teitler te Nijmegen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GEVEKE WERKTUIGBOUW B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. B.-J. van Emmerik te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Fuwell en Geveke genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 23 november 2016
- -
de brief van 5 december 2016 van Fuwell
- -
de brief van 7 december 2016 van Geveke
- -
de brief van 14 december 2016 van Fuwell.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
De rechtbank heeft bij vonnis van 23 november 2016 (hierna: het tussenvonnis) een deskundigenonderzoek bevolen en ir. J. de Ruiter (hierna: de deskundige) benoemd tot deskundige.
2.2.
In het tussenvonnis is in rechtsoverweging 2.17 de door de deskundige voor zijn benoeming reeds opgegeven begroting van zijn kosten opgenomen. Die kosten zijn als volgt gespecificeerd:
- -
bestudering dossier en opstellen werkplan 40 uur
- -
bespreking werkplan met partijen 20 uur
- -
concept rapport 40 uur
- -
verwerking commentaar partijen in eindrapport 40 uur
- -
beantwoording vragen rechtbank:
- -
onderzoek ter plaatse (4 locaties) 80 uur
- -
verwerking van de bevindingen (4 locaties) 80 uur
- -
onderzoek ter plaatse kantoren partijen 40 uur
- onvoorzien 40 uur
Totaal aantal uren 380 uur
Geleverde uren 380 x € 150,00 per uur = € 57.000,00
Reis- en verblijfkosten 20 dagen x € 220,00 per dag = € 4.400,00
Totale kosten € 61.400,00
2.3.
In rechtsoverweging 3.8 van het tussenvonnis is in dit verband bepaald dat met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige partijen desgewenst binnen twee weken na het vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar kunnen maken tegen de door de deskundige begrote kosten ad € 61.400,00 en dat, indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan wordt vastgesteld op voornoemd bedrag, en dat indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, het voorschot zal worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.
2.4.
Bij brief van 5 december 2016 heeft Fuwell bezwaar gemaakt tegen de door de deskundige begrote kosten ad € 61.400,00. Volgens Fuwell neemt de deskundige ten onrechte aan dat de installaties zich op vier afzonderlijke locaties bevinden, terwijl de installaties zich op slechts twee locaties bevinden. Als gevolg hiervan dienen enkele posten te worden gewijzigd, aldus Fuwell. Het gaat om de volgende posten:
- -
de post ‘onderzoek ter plaatse (vier locaties)’ dient te worden verminderd tot 20 uur,
- -
de post ‘verwerking van de bevindingen (vier locaties)’ dient te worden verminderd tot 40
uur,
- de post ‘reis- en verblijfkosten ad 20 dagen x € 220,00 per dag’ dient te worden
gemaximeerd op € 3.000,00.
Ten slotte stelt Fuwell dat het niet noodzakelijk is om nu reeds een post ‘onvoorzien’ op te nemen, aangezien het de deskundige bij (dreigende) overschrijdingen van zijn budget vrij staat om een aanvullend voorschot te vragen. Fuwell verzoekt de rechtbank dan ook de begroting van de deskundige met 140 uur te verminderen tot 240 uur, met een bijbehorend (sub)totaal van € 36.000,00, te vermeerderen met reis- en verblijfkosten ad € 3.000,00. De totale begrote kosten van de deskundige kunnen daarmee volgens Fuwell worden begroot op een bedrag van € 39.000,00.
2.5.
In aanvulling op voornoemde brief heeft Fuwell op vragen van de griffier bij brief van 14 december 2016 aangegeven dat vanwege problemen met de installaties reeds drie van de vier installaties zijn vervangen. Het betreft de installaties die oorspronkelijk zijn geplaatst te Alkmaar (vervangen in januari 2012) en Arnhem en Heerenveen (beide vervangen in februari 2016). De vierde installatie is thans nog in gebruik te Zutphen. De drie vervangen installaties zijn opgeslagen te Nijmegen, op het adres Bijsterhuizen 11-01, aldus Fuwell.
2.6.
Geveke is in haar brief van 7 december 2016 niet ingegaan op de door de deskundige begrote kosten. Ook in de aanvullende brief van Fuwell van 14 december 2016 heeft Geveke geen aanleiding gezien nader op de begrote kosten in te gaan, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
2.7.
Op verzoek van de rechtbank heeft de deskundige bij e-mail van 16 december 2016 op de bezwaren van Fuwell gereageerd. Hij heeft het volgende aangegeven:
Naar aanleiding van de in de aktes van 5 december en 14 december 2016 van Fuwell naar voren gebrachte aspecten is er inderdaad aanleiding om mijn begroting aan te passen.
De omstandigheid dat drie van de vier installatie vervangen zijn en zich niet langer op hun oorspronkelijke lokaties bevinden maakt het beantwoorden van de vragen van de rechtbank zeker niet eenvoudiger.
Tot op zekere hoogte ga ik mee met het door Fuwell naar voren gebrachte aspect dat de installaties zich momenteel in maar twee locaties bevinden en dat daarom een aantal van de "onderzoeken ter plaatse" een ander karakter zullen krijgen.
Echter ik kan me niet vinden in Fuwells punt dat de bewuste locaties niet bezocht dienen te worden.
Uit de akte van 14 december 2016 begrijp ik nu dat in feite ook een locatie is bijgekomen, te weten Nijmegen, waar de drie vervangen installaties zijn opgeslagen.
Voor wat betreft de reis en onkosten vergoeding lees ik dat Fuwell in principe zich kan vinden in een reis en onkosten vergoeding gerelateerd aan het aantal dagen ter plaatse op de locatie en/of kantoor van partijen.
Omdat het werk grotendeels plaats kan vinden op de locaties van Fuwell kan de begrootte onkosten vergoeding worden verlaagd naar Euro 175/- per dag.
Ik benadruk, wellicht onnodig, dat het een begroting betreft van de kosten per dag en dat alleen de werkelijk gemaakte kosten zullen worden gedeclareerd.
De post onvoorzien zou ik in dit stadium willen handhaven om met name later onnodige vertraging te voorkomen bij een eventuele overschrijding van het budget. De post onvoorzien is wel met 50 % verminderd.
Samenvattend kom ik tot de volgende aangepaste begroting:
- Bestudering dossier en opstellen werkplan : 40 uur
- Bespreking werkplan met partijen : 20 uur
- Concept rapport : 40 uur
- Verwerking commentaar partijen in concept rapport : 40 uur
- Beantwoording vragen Rechtbank
o Inspecties ter plaatse (Alkmaar, Arnhem, Heereveen): 24 uur
o Onderzoek ter plaatse (Zutphen) : 20 uur
o Inspecties ter plaatse (Nijmegen) : 16 uur
o Verwerking van de bevindingen : 80 uur
o Onderzoek ter plaatse kantoren partijen : 40 uur
- Onvoorzien : 20 uur
- Totaal uren : 340 uur
De kosten voor de geleverde uren en reis – en verblijfskosten komen uit of een totaal bedrag van:
- Geleverde uren (Euro 150/per uur) Euro : 51,000/=
- Reis en verblijfskosten (Euro 175/per dag/22 dagen) Euro : 3,850/=
Totaal Euro : 54,850/=.
2.8.
De rechtbank acht de door de deskundige gegeven nieuwe inschatting van het aantal aan het onderzoek te besteden uren niet onredelijk. Als de deskundige dat van belang acht, moet hij de mogelijkheid hebben om bij het onderzoek naar de vraag of sprake is geweest van storingen in de installaties en zo ja, wat daarvan de aard en de omvang is geweest, de locaties van de inmiddels ontmantelde installaties (Alkmaar, Arnhem en Heerenveen) te bezoeken. In zoverre gaat het dus om meer locaties die moeten worden bezocht (naast genoemde locaties ook Zutphen en Nijmegen) dan waarvan was uitgegaan in de oorspronkelijke begroting. De rechtbank vermag voorts niet in te zien waarom het aantal uren voor het verwerken van de bevindingen dient te worden gereduceerd, te meer niet nu het aantal te bezoeken locaties toeneemt, en bovendien niet valt uit te sluiten dat het beantwoorden van de vragen van de rechtbank er niet eenvoudiger op wordt, nu drie van de vier installaties zijn vervangen en zich niet langer op hun oorspronkelijke locatie bevinden. Bij dit alles komt bovendien dat het slechts een begroting van het aantal uren betreft en uiteraard alleen het werkelijke aantal uren dat aan het onderzoek is besteed uiteindelijk in rekening zal kunnen worden gebracht. Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat de deskundige het onderzoek zo efficiënt mogelijk zal uitvoeren. Om voorgaande redenen zal de rechtbank ook het door de deskundige begrote bedrag aan reis- en verblijfkosten overnemen.
2.9.
Een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtbank voorbij gaat aan de bezwaren van Fuwell, voor zover die een verdergaande beperking van het aantal begrote uren inhouden dan het aantal uren waarvan de deskundige thans uitgaat. De hoogte van het voorschot zal daarom worden vastgesteld op het door de deskundige (nader) begrote bedrag van € 54.850,00.
2.10.
Fuwell heeft in haar brief van 5 december 2016 nog bestreden het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.26 van het tussenvonnis dat Fuwell met haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de installaties van Geveke niet zouden onderdoen voor de Schwelm-installaties een nieuwe stelling heeft ingenomen die bovendien op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Zij verzoekt de rechtbank dit oordeel te herzien, dan wel Fuwell in de gelegenheid te stellen van dit oordeel in hoger beroep te gaan, dan wel Fuwell in de gelegenheid te stellen een nadere akte te nemen.
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat dit punt nu niet aan de orde is. Zoals uit het tussenvonnis kan worden afgeleid zijn partijen enkel in de gelegenheid gesteld om desgewenst bezwaar te maken tegen de door de deskundige begrote kosten. Het was dus uitdrukkelijk niet de bedoeling om ook op andere punten uit het tussenvonnis nader in te gaan. Het oordeel wordt op dit punt dan ook aangehouden. Voor het openstellen van tussentijds hoger beroep is geen grond.
2.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in reconventie
2.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige nader begrote bedrag van € 54.850,00,
3.2.
bepaalt dat Fuwell het voorschot op de kosten van de deskundige dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen,
3.3.
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,
3.4.
bepaalt dat de griffier een kopie van de tussenvonnissen van 3 februari 2016 en
23 november 2016, alsmede het onderhavige vonnis aan de deskundige zal toezenden,
3.5.
verstaat dat hetgeen in het tussenvonnis van 23 november 2016 is beslist onder de rechtsoverwegingen 3.4, 3.5 en 3.11 tot en met 3.16 onverkort van toepassing is,
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen, mr. F.M.Th. Quaadvliet en mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.
Coll.: MvG
Uitspraak 23‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Storingen in geleverde tankinstallaties voor aardgas. Onenigheid over wie het verhelpen van de storingen en het onderhoud dient te betalen. Benoeming deskundige. Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:1044
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/290636 / HA ZA 15-563
Vonnis van 23 november 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FUWELL ENERGY GROUP B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.S. Teitler te Nijmegen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GEVEKE WERKTUIGBOUW B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. B.-J. van Emmerik te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONDAIR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Fuwell, Geveke en Condair genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 3 februari 2016
- -
de akte na tussenvonnis – uitlaten deskundige van Fuwell
- -
de akte houdende uitlaten te benoemen deskundige(n) en te stellen vragen van Geveke
- -
de akte na partijberaad ex 2.11 procesreglement van Fuwell
- -
de antwoordakte van Geveke
- -
de conclusie van antwoord van Condair
- -
de akte van wijziging van eis van Fuwell
- -
de antwoordakte na eiswijziging van Condair
- -
de antwoordakte van Geveke.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
in de zaak van Fuwell tegen Geveke en Condair
2.1.
Fuwell heeft bij akte van wijziging van eis haar eis gewijzigd in die zin dat de gevorderde schadevergoeding is verminderd van € 888.549,56 naar € 253.505,70.
2.2.
In artikel 129 Rv is bepaald dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser te allen tijde zijn eis kan verminderen. Gelet daarop zal de verzochte eisvermindering worden toegestaan.
verder in de zaak van Fuwell tegen Condair
2.3.
In het tussenvonnis van 3 februari 2016 (hierna: het tussenvonnis) is met betrekking tot Condair het volgende overwogen:
Condair is in deze procedure niet verschenen. Omdat het door Fuwell gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal die vordering tegen Condair worden toegewezen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 140 lid 2 Rv wordt de beslissing aangehouden totdat in deze zaak een eindvonnis wordt gewezen. Desgewenst kan Condair voordien nog het verstek zuiveren op de voet van artikel 142 Rv.
2.4.
Op 18 mei 2016 heeft mr. De Jong Schouwenburg zich gesteld als advocaat van Condair. Daarmee is het tegen Condair verleende verstek gezuiverd. Condair heeft op
29 juni 2016 een conclusie van antwoord genomen. Het meest verstrekkende verweer van Condair betreft het verweer dat zij door Fuwell ten onrechte is betrokken in de onderhavige procedure, aangezien geen sprake is van enige materiële of formele rechtsbetrekking tussen Fuwell en Condair. Volgens Condair heeft Geveke op 3 april 2014 een deel van haar onderneming afgesplitst. Dat deel, Geveke Technical Solutions, is overgegaan op Condair. Geveke Technical Solutions is echter op geen enkele wijze betrokken geweest bij de in 2008 geleverde installaties aan Fuwell. De (gestelde) verplichtingen aan de zijde van Geveke die uit de overeenkomsten met Fuwell voortvloeien, kunnen derhalve niet zijn overgegaan op Condair. Zij is dan ook op generlei wijze verantwoordelijk voor de nakoming van deze verbintenissen, aldus Condair.
2.5.
Dit verweer van Condair treft doel. Fuwell verwijst in haar dagvaarding enkel naar een uittreksel uit het handelsregister (productie 3). Daaruit blijkt slechts dat op 3 april 2014 een deel van Geveke is afgesplitst en dat de verkrijgende rechtspersoon Condair is. Fuwell stelt dat vanwege deze afsplitsing zowel Geveke als Condair in het onderhavige geding is betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is dat gelet op de door Condair geponeerde stellingen, zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende. Het had op de weg van Fuwell gelegen om concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat Geveke Technical Solutions op enige wijze betrokken is geweest bij de aan Fuwell geleverde installaties. Dit heeft zij nagelaten. Ook blijkt nergens uit dat Fuwell heeft kennisgenomen van de door Geveke in het handelsregister opgenomen splitsingsakte. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat Fuwell in haar later genomen akte van wijziging van eis op geen enkele wijze is ingegaan op de stellingen van Condair in haar conclusie van antwoord.
2.6.
Bij het voorgaande komt bovendien dat Fuwell naar het oordeel van de rechtbank niet in haar processuele belangen is geschaad, nu Geveke bij conclusie van antwoord ook zelf heeft aangegeven dat het deel van de onderneming van Geveke dat verantwoordelijk was voor de verkoop, levering en plaatsing van de hier aan de orde zijnde installaties, na de splitsing bij Geveke is gebleven.
2.7.
De slotsom is dat de vorderingen van Fuwell, voor zover gericht tegen Condair, zullen worden afgewezen.
2.8.
Fuwell zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Condair worden veroordeeld.
2.9.
Condair stelt in dit verband dat Fuwell haar op 25 september 2014 in het geding heeft betrokken, terwijl reeds zeven maanden daarvoor de splitsing op wettelijk voorgeschreven wijze openbaar is gemaakt. Aldus wist Fuwell, althans had zij moeten weten, dat Condair niets met de geleverde installaties te maken had. Volgens Condair maakt Fuwell dan ook misbruik van haar processuele bevoegdheid en heeft zij in strijd gehandeld met artikel 3:13 BW. Fuwell dient de hierdoor door Condair geleden schade te vergoeden. Deze schade bestaat volgens Condair uit het griffierecht ad € 3.864,00 en de werkelijke advocaatkosten ad € 10.000,00.
2.10.
De rechtbank overweegt dat slechts in zeer bijzonder gevallen plaats is voor vergoeding van de reële, daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Een daarop toegespitste vordering is alleen toewijsbaar indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake indien het instellen van de hoofdvordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 29 juni 2007, NJ 2007, 353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is van misbruik van procesrecht geen sprake. Bij brief van 11 september 2014, voorafgaand aan het aanhangig maken van deze zaak, heeft de advocaat van Fuwell onder meer het volgende aan Geveke en Condair bericht:
Inmiddels bereikte cliënte het bericht van de juridische (af-)splitsing van Geveke naar Condair B.V. Beide vennootschappen zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon. Aangezien cliënte niet bekend is of genoemde verplichtingen zijn overgegaan op de verkrijgende rechtspersoon en aangezien voorts afzonderlijke verplichtingen, alsook het geheel van verplichtingen een ondeelbare verbintenis is, stelt cliënte hierbij zowel Geveke als Condair B.V. voor de nakoming van genoemde verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk.
Vanwege het voorgaande, verzoek – en zo nodig sommeer – ik u beiden om cliënte te informeren over de wijze waarop u de op u rustende verplichtingen zult nakomen. Indien u zich op het standpunt stelt dat de genoemde verplichtingen als gevolg van de juridische splitsing niet op u rusten, ontvang ik graag documentatie waaruit zulks blijkt. Indien u niet binnen één week na dagtekening van deze brief gehoor geeft aan het bovenstaande, heb ik instructie om u onverwijld in rechte te betrekken.
2.12.
Gesteld noch gebleken is dat Geveke en/of Condair tijdig inhoudelijk op deze brief hebben gereageerd. Daarmee bleef Fuwell in het ongewisse. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden geoordeeld dat Fuwell op voorhand had moeten begrijpen dat haar vordering jegens Condair geen kans van slagen had.
2.13.
De slotsom is dat de vordering van Condair tot veroordeling van Fuwell in de werkelijke advocaatkosten zal worden afgewezen. De kosten aan de zijde van Condair worden op de gebruikelijke, forfaitaire wijze begroot, en wel op € 3.864,00 aan griffierecht en op € 3.211,00 (1 punt x tarief € 3.211,00) aan salaris advocaat, derhalve op € 7.075,00 in totaal.
verder in de zaak van Fuwell tegen Geveke
2.14.
In rechtsoverweging 4.19 van het tussenvonnis is het volgende overwogen:
De zaak zal nu eerst naar de rol worden verwezen teneinde de partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n), alsmede de te stellen vragen. Aan partijen wordt in overweging gegeven te trachten om ten aanzien van de persoon van de deskundige(n) met een eenparig voorstel te komen. Als eisende partij zal Fuwell op de voet van artikel 195 Rv worden belast met de betaling van het voorschot. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2.15.
De rechtbank stelt vast dat partijen er niet in zijn geslaagd om ten aanzien van de persoon van de deskundige(n) met een eenparig voorstel te komen. Fuwell heeft de rechtbank primair verzocht om een deskundige voor te dragen uit eigen bestand. Subsidiair heeft Fuwell een drietal suggesties gedaan voor een partij die in de ogen van Fuwell de opdracht zou kunnen uitvoeren. Meer subsidiair heeft zij voorgesteld dat zowel namens haar als namens Geveke een deskundige wordt aangewezen, welke deskundigen gezamenlijk worden belast met de benoeming van een onafhankelijke derde deskundige. Geveke daarentegen heeft een tweetal andere personen voorgesteld die volgens haar bij uitstek zijn geschikt om een onderzoek naar de installaties uit te voeren. Zij heeft de rechtbank verzocht een van deze personen te benoemen als deskundige. Geveke heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de drie door Fuwell voorgestelde personen/partijen, vanwege onvoldoende deskundigheid en/of onvoldoende onpartijdigheid. Als alternatief kan Geveke zich wel verenigen met het meer subsidiaire voorstel van Fuwell.
2.16.
Met inachtneming van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve zelf een deskundige te benoemen met expertise op het gebied van – kort gezegd – cng-installaties, in de ruimste zin van het woord. De rechtbank heeft ir. J. de Ruiter te Zevenhuizen bereid gevonden als deskundige in deze zaak op te treden. De deskundige is tot aan zijn pensionering in oktober 2016 werkzaam geweest bij een grote multinational in de vakgroep Operationeel Management, die als doel had het bereiken van productie/operationele excellentie voor olieraffinaderijen en petrochemische, gasverwerkings- en exploratie-installaties. De deskundige voerde zijn werkzaamheden uit in Nederland, Kenia, Maleisië, Singapore, Tsjechië, Rusland en Qatar. Deze werkzaamheden bestonden kort gezegd uit het ondersteunen en/of uitvoeren van (duurzame) proces-optimalisaties met als doel de veiligheid en/of de betrouwbaarheid en/of kosten te verbeteren, het onderzoeken van incidenten met als doel herhaling hiervan te voorkomen en het adviseren voor en/of het uitvoeren van het in bedrijf stellen (eerste start-up) van nieuwe installaties/grote modificaties en/of het herstarten van een installatie na een (grote) onderhoudsstop.
De deskundige heeft verklaard vrij te staan ten opzichte van partijen.
2.17.
De deskundige heeft reeds een begroting van zijn kosten opgegeven aan de rechtbank. Die zijn als volgt gespecificeerd:
- -
bestudering dossier en opstellen werkplan 40 uur
- -
bespreking werkplan met partijen 20 uur
- -
concept rapport 40 uur
- -
verwerking commentaar partijen in eindrapport 40 uur
- -
beantwoording vragen rechtbank:
- -
onderzoek ter plaatse (4 locaties) 80 uur
- -
verwerking van de bevindingen (4 locaties) 80 uur
- -
onderzoek ter plaatse kantoren partijen 40 uur
- onvoorzien 40 uur
Totaal aantal uren 380 uur
Geleverde uren 380 x € 150,00 per uur = € 57.000,00
Reis- en verblijfkosten 20 dagen x € 220,00 per dag = € 4.400,00
Totale kosten € 61.400,00
2.18.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om desgewenst binnen twee weken na dit vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar te maken tegen deze begroting. Indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag van € 61.400,00. Indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.
2.19.
In het tussenvonnis is in rechtsoverweging 4.19 reeds overwogen dat Fuwell als eisende partij op de voet van artikel 195 Rv zal worden belast met de betaling van het voorschot. De rechtbank blijft daarbij. In hetgeen Fuwell met betrekking tot de betaling van het voorschot in haar akte na tussenvonnis – uitlaten deskundige heeft gesteld ziet de rechtbank geen aanleiding thans anders te oordelen. Het voorschot zal daarom door Fuwell moeten worden betaald.
2.20.
In het tussenvonnis zijn in rechtsoverweging 4.18 aan de deskundige voor te leggen vragen a tot en met g geformuleerd. Fuwell heeft in haar akte na tussenvonnis – uitlaten deskundige opmerkingen gemaakt bij de vragen a, b, c en f. Geveke heeft in haar akte houdende uitlaten te benoemen deskundige(n) en te stellen vragen opmerkingen gemaakt bij de vragen a tot en met f. Ook heeft zij enkele aanvullende vragen geformuleerd.
2.21.
Fuwell wijst op het feit dat de deskundige door de rechtbank ook wordt geacht in te gaan op stellingen met betrekking tot het al dan niet uitvoeren van onderhoud. De stellingen daaromtrent worden aangevoerd door Geveke in het kader van het eigen schuldverweer. De bewijslast van deze stellingen rust op Geveke. Volgens Fuwell heeft dit als nadelig effect dat het vinden van een geschikte deskundige wordt bemoeilijkt (er wordt aanvullende expertise verwacht), er worden kosten gemaakt voor beantwoording van vragen die procedureel gezien nog niet aan de orde zijn en Fuwell dient kosten te dragen voor het leveren van bewijs van een stelling die door Geveke wordt ingenomen. Fuwell verzoekt de rechtbank dan ook om vragen met betrekking tot onderhoudskosten (vooralsnog) buiten beschouwing te laten in de aan de deskundige te stellen vragen. Zij wijst in dit verband met name op de vragen b en f.
2.22.
De rechtbank gaat hieraan voorbij, reeds omdat uit hetgeen in het tussenvonnis in de rechtsoverwegingen 4.10, 4.14 en 4.15 is overwogen volgt dat de vraag of Fuwell (geen/onvoldoende) onderhoud heeft verricht aan de installaties van invloed kan zijn op het antwoord op de vraag of tekortkomingen toerekenbaar zijn en een wezenlijk onderdeel vormt van het debat tussen partijen en dus van belang is bij het onderzoek van de deskundige.
2.23.
Met betrekking tot vraag a merkt Fuwell op dat de vraag óf er sprake is geweest van een storing mogelijk niet slechts is te beantwoorden aan de hand van productie 22 bij dagvaarding. Fuwell biedt zo nodig aan om het bestaan van de in productie 22 genoemde storingen te onderbouwen met nadere bewijsmiddelen, waaronder de volledige administratie van Fuwell. Bij de beantwoording van vraag a dient de deskundige zich volgens Fuwell dan ook niet te beperken tot bestudering van productie 22. Zij stelt de volgende formulering voor: “Kunt u nagaan of er in de in productie 22 genoemde gevallen een storing heeft plaatsgevonden en kunt u per geconstateerde storing aangeven wat daarvan de aard en omvang is?”
2.24.
De rechtbank gaat niet over tot herformulering van vraag a. Aan de deskundige wordt overgelaten te bepalen of, en zo ja welke andere stukken hij voor zijn onderzoek nodig heeft. Hij kan deze desgewenst bij partijen opvragen. Overigens dienen de rechtbank, partijen en de deskundige wel te beschikken over een leesbare versie van productie 22 bij dagvaarding. Fuwell wordt dan ook verzocht deze alsnog in het geding te brengen.
2.25.
Ten slotte stelt Fuwell met betrekking tot vraag c dat partijen zijn overeengekomen dat de installaties van Geveke niet zouden onderdoen voor de Schwelm-installaties. De door de deskundige te hanteren norm dient volgens Fuwell dan ook nader te worden geconcretiseerd. Zij stelt de volgende formulering voor: “Heeft de kwaliteit van de installatie geleid tot meer storingen dan normaal van een dergelijke installatie mag worden verwacht, en/of in vergelijking tot een installatie van Schwelm?”
2.26.
De rechtbank is van oordeel dat Geveke in haar antwoordakte terecht erop heeft gewezen dat Fuwell met haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de installaties van Geveke niet zouden onderdoen voor de Schwelm-installaties een nieuwe stelling heeft ingenomen die bovendien op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Reeds hierom gaat de rechtbank niet over tot aanpassing/herformulering van vraag c.
2.27.
Geveke stelt met betrekking tot vraag a dat onduidelijk is wat wordt bedoeld met ‘een storing in de installatie’; gaat het om een storing in het aardgastankstation of enkel om een storing in de door Geveke geleverde vulinstallatie van het merk CompAir?
2.28.
De rechtbank overweegt dat met ‘een storing in de installatie’ wordt bedoeld een storing in de door Geveke geleverde installatie. Daar draait het in deze zaak om. Dit kan in feite ook worden afgeleid uit rechtsoverweging 2.3 van het tussenvonnis waarin is opgenomen dat de “cng-installaties” van fabrikant CompAir (in de stukken ook wel aangeduid als tankinstallaties, vulinstallaties of vulstations) in het tussenvonnis verder ‘de installaties’ worden genoemd. De vragen a en b overlappen elkaar ook niet. Bij vraag a gaat het erom óf sprake is geweest van een storing in de door Geveke geleverde installatie, terwijl vraag b ziet op de vraag of, indien inderdaad sprake is geweest van een storing, de oorzaak van die storing is gelegen in de door Geveke geleverde installatie en of en zo ja in hoeverre onvoldoende onderhoud op de storing van invloed is geweest. Het kan immers zo zijn dat er een storing is opgetreden in de door Geveke geleverde installatie door een van buiten die installatie komende oorzaak. Met deze verduidelijking behoeft vraag a geen aanpassing of herformulering.
2.29.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding vraag b aan te passen of te herformuleren. Anders dan Geveke meent, is deze vraag voldoende duidelijk. Vraag b sluit ook niet uit dat er meer oorzaken zijn aan te wijzen, zoals Geveke lijkt te suggereren. Indien de deskundige tot het oordeel komt dat er verschillende oorzaken zijn voor een geconstateerde storing, kan en dient hij dit in zijn rapport te vermelden.
2.30.
Met betrekking tot vraag c merkt Geveke naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat voor de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Geveke die de ontbinding rechtvaardigt, relevant kan zijn het antwoord op de vraag in hoeverre de kwaliteit van de door Geveke geleverde installatie (eventueel) afwijkt van hetgeen normaal van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht. Bovendien kan de vraag naar de invloed van onvoldoende onderhoud aan de installatie bij de beantwoording van deze subvraag van belang zijn. In zoverre zal de rechtbank deze vraag dan ook aanvullen. Vraag c komt dan als volgt te luiden:
Heeft de kwaliteit van de installatie geleid tot meer storingen dan normaal van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht?
Zo ja, op welke onderdelen en in hoeverre voldoet de kwaliteit niet aan hetgeen van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht?
In hoeverre heeft onvoldoende onderhoud aan de installatie bij de beantwoording van deze vragen een rol gespeeld?
2.31.
Geveke verzoekt vraag d als volgt te herformuleren: “Verbruiken de door Geveke geleverde vulinstallaties van het merk CompAir meer stroom dan dat door Geveke is geoffreerd bij offerte van 23 juli 2008 (namelijk 36 Kwh per 125 m3)? Zo ja, hoeveel meer?”
2.32.
De rechtbank gaat aan dit verzoek voorbij. Uit rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis volgt reeds dat Fuwell heeft gesteld dat de op 8 oktober 2008 bestelde installaties 36 Kwh zouden verbruiken bij een capaciteit van 125 m3, maar dat de installaties in de praktijk heel veel meer energie blijken te gebruiken. Hierbij wijst de rechtbank er nog op dat in de opdrachtbevestiging van 8 oktober 2008 van Fuwell wordt verwezen naar de offerte van 23 juli 2008 van Geveke.
2.33.
Met betrekking tot vraag e stelt Geveke naar het oordeel van de rechtbank terecht dat het van belang is te onderzoeken hoeveel gas eventueel is gelekt. Dit kan immers relevant zijn voor de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Geveke die de ontbinding rechtvaardigt. De rechtbank ziet geen aanleiding deze vraag nog verder te concretiseren. Vraag e komt dan ook als volgt te luiden:
Lekken de installaties gas en zo ja, hoeveel m3 gas is gelekt en wat is daarvan de oorzaak?
2.34.
De opmerking van Geveke met betrekking tot vraag f geeft de rechtbank geen aanleiding deze vraag aan te passen of te herformuleren.
2.35.
Geveke heeft ten slotte nog enkele aanvullende vragen geformuleerd om aan de deskundige voor te leggen. Deze acht zij met name relevant voor het vaststellen van een eventuele gebruiksvergoeding. Hoewel Geveke aangeeft het om proceseconomische redenen opportuun te vinden dit punt meteen in het onderzoek te betrekken, zal de rechtbank daarin niet meegaan. Uit de rechtsoverwegingen 4.16 en 4.17 van het tussenvonnis volgt dat ten aanzien van een aantal daarin genoemde punten de beslissing zal worden aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht. Een van die punten betreft de eventuele gebruiksvergoeding en de hoogte daarvan. Uiteraard staat het de partijen vrij de deskundige tijdens het onderzoek te wijzen op aspecten die zij van belang achten, mits deze vallen binnen het bereik van de vragen die de rechtbank aan de deskundige zal stellen.
2.36.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.37.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.38.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van dit vonnis toe te staan.
2.39.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in reconventie
2.40.
Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen, is voor de beoordeling van de vorderingen in reconventie de beslissing op het gevorderde in conventie, en dus de uitkomst van het deskundigenbericht, mede van belang. De beslissing in reconventie zal daarom (opnieuw) worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
in de zaak van Fuwell tegen Condair
3.1.
wijst de vorderingen af,
3.2.
veroordeelt Fuwell in de proceskosten, aan de zijde van Condair tot op heden begroot op € 7.075,00,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak van Fuwell tegen Geveke
3.4.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
a. a) Kunt u aan de hand van productie 22 bij dagvaarding telkens aangeven of er sprake is geweest van een storing in de installatie en zo ja, wat daarvan de aard en de omvang is geweest?
b) Kunt u per geconstateerde storing aangeven:
of de oorzaak is gelegen in de door Geveke geleverde installatie;
of en zo ja in hoeverre onvoldoende onderhoud op de storing van invloed is geweest?
c) Heeft de kwaliteit van de installatie geleid tot meer storingen dan normaal van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht?
Zo ja, op welke onderdelen en in hoeverre voldoet de kwaliteit niet aan hetgeen van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht?
In hoeverre heeft onvoldoende onderhoud aan de installatie bij de beantwoording van deze vragen een rol gespeeld?
d) Verbruiken de installaties meer stroom dan dat is geoffreerd? Zo ja, hoeveel meer?
e) Lekken de installaties gas en zo ja, hoeveel m3 gas is gelekt en wat is daarvan de oorzaak?
f) Is die oorzaak te wijten aan een gebrek in de installatie en/of aan onvoldoende onderhoud? Als er sprake is van een gebrek in de installatie, heeft onvoldoende onderhoud dan ook nog een rol gespeeld, zo ja in hoeverre?
g) Wat acht u verder nog van belang voor de beoordeling van deze zaak?
3.5.
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
ir. J. de Ruiter
Fijanerf 4
2761 DR Zevenhuizen
0180-631264 / 06-20318496
3.6.
bepaalt dat de griffier een kopie van het tussenvonnis van 3 februari 2016 en het onderhavige vonnis aan de deskundige zal toezenden,
3.7.
bepaalt dat Fuwell binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, civiele roladministratie, postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,
3.8.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van deskundige het volgende:
- -
partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dit vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de door de deskundige begrote kosten ad € 61.400,00,
- -
indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op voornoemd bedrag,
- -
indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
3.9.
bepaalt dat Fuwell het voorschot op de kosten van de deskundige dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen,
3.10.
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,
3.11.
bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,
3.12.
bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,
3.13.
bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de voorzitter, mr. M.A.M. Vaessen,
3.14.
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
3.15.
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 29 maart 2017, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,
3.16.
verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Fuwell of voor bepaling datum vonnis,
3.17.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
3.18.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen, mr. F.M.Th. Quaadvliet en mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.
Coll.: MvG
Uitspraak 03‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht tot leveren, plaatsen, aansluiten en in gebruik stellen van tankinstallaties voor aardgas. Opdrachtnemer maakt voorbehoud ten aanzien van punten in algemene voorwaarden van opdrachtgever. Storingen in geleverde installaties. Onenigheid over wie het verhelpen van de storingen en het onderhoud dient te betalen. Opdrachtgever ontbindt overeenkomst en vordert in conventie ongedaanmaking van reeds verrichte prestaties. Opdrachtnemer vordert in reconventie betaling van onderhoudswerk. In conventie benoeming van een deskundige noodzakelijk om vast te kunnen stellen of er sprake is van toerekenbare tekortkomingen in de nakoming door opdrachtnemer. De reconventie wordt aangehouden in afwachting van het deskundigenbericht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/290636 / HA ZA 15/563
Vonnis van 3 februari 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] ,
gevestigd te Nijmegen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.S. Teitler te Nijmegen
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GEVEKE WERKTUIGBOUW B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J. van Veen te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONDAIR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna Fuwell , Geveke en Condair genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 28 januari 2015,
- -
het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2015.
1.2.
Nadat de zaak (voorheen bekend onder zaak- rolnummer C/05/271435 / HA ZA 14-543) was doorgehaald, is weer plaatsing op de rol gevraagd, waarbij de zaak is geregistreerd onder het huidige zaak- en rolnummer. Daarna is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Fuwell , opgericht op 12 november 2007, is onderdeel van de Nijol groep. De groep houdt zich onder meer bezig met de handel in brandstoffen en de exploitatie van tankstations. Fuwell houdt zich specifiek bezig met de handel in aardgas voor voertuigen, ook wel aangeduid als CNG (compressed natural gas), en exploiteert aardgastankstations op verschillende locaties in Nederland.
2.2.
Geveke is een industriële handelsmaatschappij die zich richt op het adviseren over en het leveren, in bedrijf stellen en onderhouden van technische producten, waaronder producten voor persluchttechniek en gassen zoals compressoren.
2.3.
Bij brief van 8 oktober 2008 heeft Fuwell opdracht gegeven aan Geveke voor het leveren, plaatsen, aansluiten en in gebruik stellen van drie “cng-installaties” van fabrikant CompAir (in de stukken ook wel aangeduid als tankinstallaties, vulinstallaties of vulstations en hierna te noemen: de installaties), zoals gespecificeerd in een eerdere aanbiedingsbrief van Geveke aan Fuwell van 23 juli 2008. De totaalprijs bedroeg € 435.000,-- exclusief btw. Over de garantietermijn staat in de opdracht dat deze 24 maanden is “of 5 jaar (…) bij afsluiten onderhoudscontract”. Verder staat in de opdracht dat “uitgangspunten voor het opstellen van deze opdrachtbevestiging (zijn de) Algemene inkoopvoorwaarden Nijol Oliemaatschappij B.V.”.
2.4.
Geveke heeft de opdracht aanvaard bij brief aan Fuwell van 17 oktober 2008.
Over de toepasselijkheid van de in de opdracht door Fuwell vermelde algemene voorwaarden heeft Geveke het volgende geschreven:
“Bij de opdracht zijn de Nijol voorwaarden acceptabel onder voorbehoud van de volgende punten:
- 6.1 Bij levering gaat het eigendomsrisico over op opdrachtgever & betaling 80% van de opdrachtsom binnen 14 dagen.
Eventueel geconstateerde gebreken zal opdrachtnemer herstellen waarvoor opdrachtgever 20% van de opdrachtsom betaalt na oplevering & acceptatie van de installatie.
(…)
7.1
Garantie is 24 maanden na levering. Optioneel 60 maanden bij afsluiten van een onderhoudsovereenkomst.
(…)
12.1
Aansprakelijkheid van opdrachtnemer jegens opdrachtgever is te allen tijde beperkt tot het bedrag dat de verzekeraar van de opdrachtnemer in het betreffende geval uitkeert.
(…)
15.1
Ontbinding (…)
In geval van ontbinding zal opdrachtnemer de geleverde goederen zonder verdere kosten terugnemen en eventueel reeds gedane betalingen aan opdrachtgever crediteren.
De (extra) kosten voor vervangende levering en/of diensten kunnen niet verhaald worden op opdrachtnemer”.
Fuwell heeft geen periodieke onderhoudsovereenkomst in de zin van deze brief met Geveke afgesloten.
2.6.
De drie installaties zijn door Geveke geplaatst, aangesloten en in gebruik gesteld op locaties van Fuwell in Alkmaar, Arnhem en Heerenveen, en wel op 12 februari 2009 (Alkmaar en Arnhem) en 25 augustus 2009 (Heerenveen).
2.7.
Op 17 december 2008 hebben Fuwell en Geveke nog een overeenkomst gesloten voor het leveren van een vierde vulinstallatie. Deze overeenkomst is neergelegd in een brief van Geveke aan Fuwell van 17 december 2008. De prijs hiervan bedroeg € 105.000,-- exclusief btw. Deze vulinstallatie is op 22 juli 2009 door Geveke geplaatst, aangesloten en in gebruik gesteld op de locatie van Fuwell in Zutphen.
2.8.
Fuwell heeft de hiervoor genoemde koopsommen voor de installaties aan Geveke voldaan.
2.9.
Na plaatsing van de installaties hebben zich daaraan storingen voorgedaan, waarover Fuwell en Geveke met elkaar hebben gecorrespondeerd, onder andere bij e-mails van 6 en 29 juni 2011, 1 en 14 juli 2011 en bij brief en e-mail van 7 oktober 2011.
In laatstgenoemde brief heeft Geveke aan Fuwell geschreven:
“We hebben elkaar (…) op 14 juli gesproken over uw aardgas vulstations. En met name de door Geveke geleverde stations. Bij dit gesprek waren aanwezig:
De heer [naam 1] (deels) en de heren [naam 2] en [naam 3] , en de heren [naam 4] (Geveke service manager NO) en ondergetekende (J. Nooijen; de rechtbank).
Daarin hebben we besproken dat de betrouwbaarheid onvoldoende is (en) er verbetering in moet komen.
Preventief onderhoud
We hebben afgesproken dat we de stations in een onderhoudscontract gaan opnemen, waarbij inspecties en preventief onderhoud wordt uitgevoerd op basis van draaiuren en op regiebasis.
Inspecties
Binnen het onderhoudscontract maandelijkse inspecties uitgevoerd (…). We hebben toegezegd dat Geveke het extra aantal aanvullende inspectiebezoeken voor haar rekening neemt wat nodig is om de units betrouwbaar te maken en storingen te voorkomen. Zoals u in de bijlagen kunt zien zijn wij direct na ons gesprek begonnen met de wekelijkse inspecties. We hebben de inspecties voor het resterende deel van dit jaar aangeboden (…) en de inspecties aangeboden voor 2012 (…).
Preventief onderhoud op basis van inspecties wil zeggen dat we elke keer een afspraak maken met een prijsopgave voor het uitvoeren van de benodigde onderhoudsbeurt en de datum waarop (…). In het voorstel hebben (we) opgenomen dat Fuwell de benodigde servicekits bij de desbetreffende units hebt liggen, gereed om te gebruiken (…).
Voorstel
Het inspectie voorstel en een offerte voor de onderdelenvoorraad ter plaatse hebben we nu uitgewerkt en treft u aan in de bijlage.
Daarnaast hebben we afgesproken dat er onderdelen op voorraad moeten zijn; deels bij de aardgas vulstations ter plaatse, deels centraal in Amsterdam (…)”.
2.10.
In januari 2012 heeft Fuwell de installatie op de locatie Alkmaar laten vervangen door een installatie van een andere leverancier.
2.11.
Bij e-mail van 21 februari 2012 heeft Geveke aan Fuwell geschreven dat zij de maandelijkse inspecties aan de vier installaties van het afgelopen jaar bij Fuwell in rekening brengt. Fuwell heeft daarop bij e-mail aan Geveke van diezelfde datum afwijzend gereageerd, omdat zij, zakelijk weergegeven, niet tevreden is over de kwaliteit van de vier installaties.
2.12.
Bij brief van 2 maart 2012 heeft Fuwell aan Geveke geschreven, voor zover hier van belang:
“Zoals reeds ook door ons eerder aangegeven begrijpen wij dat een technische installatie onderhoud benodigd heeft. Echter kan het niet zo zijn, dat een installatie met een aanzienlijke aanschafwaarde iedere maand geïnspecteerd moet worden om een juiste werking te kunnen garanderen.
(…)
Op grond van de overeenkomst (offertes, opdrachtbevestigingen en diverse gesprekken) (…)
mochten wij wel verwachten dat de cng installaties alle kwaliteitseigenschappen zouden bezitten die nodig zijn voor normaal gebruik, waarbij wij dan ook mogen verwachten dat de installatie tenminste 5 jaren zonder problemen kan functioneren, echter tot op heden is dit (nog) niet het geval.
Tijdens deze gesprekken is door (…) u toegezegd en met ons overeengekomen dat, zolang de CNG installatie nog niet aan ons gestelde en gewenste kwaliteitsniveau voldoet, alle daaruit voortvloeiende en gemoeide kosten van de extra inspectie en servicebeurten voor uw rekening zijn.
(…)
Kosten met betrekking tot het uitvoeren van normaal onderhoud (uren interval) alsmede wettelijke keuringen vallen buiten bovenomschreven en kunnen na onze opdracht door jullie worden uitgevoerd en staan dan ook niet ter discussie. Tot slot wil ik u nog even mededelen dat zolang de installaties niet aan de te verwachten kwaliteit voldoen u hiervoor dient zorg te dragen. Daar we al een behoorlijke tijd over deze problemen spreken lijkt het ons niet meer dan normaal dat we aan deze discussie een eindtermijn van 2 maanden na dagtekening van dit schrijven hangen. Hetgeen inhoud dat u binnen deze termijn de nodige herstellingen uitvoert, dan wel binnen genoemde termijn andere installaties te leveren die wel aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Mocht u niet aan bovenstaande voldoen binnen de gestelde termijn, dan houden wij ons het recht voor de koopovereenkomst(en) te ontbinden. Tevens zullen wij u aansprakelijk stellen voor de reeds geleden en nog te lijden schade. Hierbij sluiten wij niet uit dat wij zullen overgaan tot het treffen van rechtsmaatregelen (…)”.
2.13.
Bij brief aan Fuwell van 26 april 2012 heeft Geveke als volgt gereageerd op de brief van 2 maart 2012:
“ Fuwell heeft in de vergadering van 14 juli 2011 (…) aangegeven niet tevreden te zijn met het storingsbeeld van de 4 aardgasvulstations door Geveke. Daartoe hebben we tijdens die vergadering besproken hoe tot verbetering te komen. Dit voorstel hield in dat:
- de maandelijkse inspecties die moeten worden gedaan, door Geveke onder een inspectiecontract met Fuwell zouden worden verricht,
- Geveke op eigen kosten net zo veel extra (inspectie-) bezoeken zou afleggen om de storingen voor te zijn en zo nodig verbeteringen door te voeren.
- we een voorraad zouden aanleggen van onderhoudsdelen (…)
- centraal onderdelen t.b.v. reparatie op voorraad zouden moeten worden gehouden voor calamiteiten.
Tijdens deze vergadering is besloten voor deze werkwijze, aangezien u zelf geen personeelsleden beschikbaar had of wilde maken om de inspecties uit te voeren, en dit door Geveke uitgevoerd zou moeten worden.
Dit voorstel is op 07-10-2011 naar u gestuurd.
Geveke heeft de inspectiebezoeken meteen na de bespreking van 14 juli 2011 gestart. (…)
Tussentijds hebben we u steeds geïnformeerd als een van de installaties aan een onderhoudsbeurt toe was. Deze is met u afgestemd en van u in opdracht gegeven.
In de bijgaande Excel bladen treft u per datum aan welke acties wij hebben uitgevoerd (…)
(…)
Omdat wij al die tijd geen reactie op ons voorstel hebben ontvangen, heeft ondergetekende (Nooijen voornoemd; de rechtbank) opnieuw een afspraak met u gemaakt om de situatie te verbeteren. Die evaluatie heeft op 21-01-2012 plaatsgevonden in Nijmegen.
Hierbij is vastgesteld dat het storingsbeeld inderdaad is verbeterd (…) en opgetreden storingen in Alkmaar onder meer te relateren waren aan structurele overbelasting. Daarbij is opnieuw besproken dat regelmatig inspecties uitgevoerd dienen te worden en in opdracht gegeven moesten worden.
Ook hier hebben we geen nadere reactie op ontvangen.
Omdat Geveke inmiddels vanaf juli 2011 wekelijkse inspecties uitvoert zijn de overeengekomen inspecties in 2011 gefactureerd en is de factuur gestuurd voor de uit te voeren maandelijkse inspecties in 2012. Geen van deze rekeningen is betaald, terwijl de betalingstermijn inmiddels ruim is verstreken
Openstaande facturen
(…)
Klacht
In uw brief van 2 maart geeft u aan dat (…)
Reactie
U hebt bij de installaties complete onderhouds- en bedieningsvoorschriften ontvangen waarbij de periodieke inspecties (…) staan beschreven. Daarom kan er geen twijfel bestaan over de noodzaak van regelmatige inspecties. Met betrekking tot het storingsbeeld kunt u in het overzicht zien dat het aantal keren dat Geveke bij het station is geweest het merendeel van de gevallen, het niet met storing aan het Geveke vulstation betrof.
De installaties draaien inmiddels meer dan 3 jaar. Van ontbinding van de koopovereenkomst kan daarom geen sprake zijn.
Toekomst
Aangezien Fuwell (…) geen rekeningen meer betaalt voor uitgevoerde werkzaamheden en voor de afgesproken acties, zijn we inmiddels gestopt met het wekelijks inspecteren van de aardgas vulinstallaties. Ook zullen we geen storingen meer verhelpen totdat rekeningen betaald worden en duidelijk is hoe we verder gaan”.
2.14.
Op 1 mei 2012 hebben Fuwell en Geveke nogmaals met elkaar gesproken over de ontstane problemen. Naar aanleiding daarvan heeft Geveke bij brief van 7 mei 2012 aan Fuwell geschreven:
“(…) Helaas zijn we in dit gesprek niet tot oplossingen gekomen.
Uw doel van het gesprek was de samenwerking te beëindigen.
(…)
Met ons schrijven van 26-04-2012 (…) hebben wij o.i. aangetoond dat de bedrijfszekerheid van de door Geveke geleverde apparatuur acceptabel is.
Verder hebben wij vanaf het begin (bij verkoop en na oplevering) steeds het belang van regulier onderhoud aangegeven, Dit hebben we ook diverse malen aangeboden. Dit is door Fuwell steeds mondeling beaamd, maar is nooit tot invulling gekomen (…).
Uit de bezoekhistorie van de stations blijkt duidelijk dat een groot aantal storingen niet door Geveke geleverde apparatuur betrof, maar de tankzuil en het indrukken van de noodstop.
Voor de goede orde: Wij gaan ervan uit dat u op basis van uw uitlatingen op 1 mei geen services van Geveke meer wenst te gebruiken. Mocht dit toch anders zijn dan vernemen wij dit graag zodat uw installaties in bedrijf kunnen blijven.
We vernemen graag van u hoe u e.a. na ons gesprek wil vervolgen.
(…)”.
2.15.
Bij brieven van 3 en 13 juli 2012 heeft (de advocaat van) Fuwell de overeenkomsten van 17 oktober 2008 en 17 december 2008 buitengerechtelijk ontbonden, omdat de problemen met de installaties niet binnen de gestelde termijn zijn opgelost, met verzoek aan Geveke de installaties binnen twee weken na dagtekening te laten verwijderen, bij gebreke waarvan Fuwell de installaties op kosten van Geveke door een derde zal laten verwijderen, onder terugbetaling van de koopsom van € 435.000,-- exclusief btw, en vergoeding van schade. Wat betreft de installatie op de locatie Alkmaar heeft Fuwell geschreven dat deze al is verwijderd en is opgeslagen in Cuijk en aldaar kan worden opgehaald.
2.16.
Bij brief van 16 juli 2012 heeft Geveke onder meer geschreven dat zij niet akkoord gaat met een ontbinding van de overeenkomst, omdat zij, verkort weergegeven, na de gemaakte afspraken op 14 juli 2011 herstellingen heeft verricht en de bedrijfszekerheid van de installaties acceptabel is. Geveke heeft Fuwell in die brief gesommeerd de overeenkomsten na te komen, in het bijzonder wat betreft de betaling van door Geveke aan Fuwell verzonden facturen wegens onderhoud.
2.17.
Bij brief van 29 januari 2013 heeft (de advocaat van) Fuwell onder andere aan Geveke geschreven, zakelijk weergegeven, dat het noodzakelijke (periodieke) onderhoud aan de installaties moet worden verricht. Fuwell heeft, gezien het gerezen geschil tussen partijen, aangeboden dat onderhoud bij vooruitbetaling te willen betalen en, voor zover nodig, Geveke gesommeerd het onderhoud uit te voeren.
Geveke heeft dit voorstel bij brief van 5 februari 2013 geaccepteerd.
2.18.
Geveke heeft de installaties op de locaties Arnhem, Zutphen en Heerenveen niet verwijderd of laten verwijderen. Fuwell gebruikt deze installaties nog.
2.19.
Op 3 april 2014 heeft Geveke een deel van haar onderneming afgesplitst. De verkrijgende rechtspersoon is Condair.
3. Het geschil
in conventie en in reconventie
3.1.
Fuwell vordert:
a. te verklaren voor recht dat de overeenkomsten van 17 oktober 2008 en 17 december 2008 door Fuwell op 3 en 13 juli 2012 (buitengerechtelijk) zijn ontbonden, althans, subsidiair, deze overeenkomsten te ontbinden,
b. Geveke en Condair hoofdelijk te veroordelen de installaties binnen drie maanden na datum vonnis te (doen) verwijderen en terug te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,-- per dag, tot een maximum van € 100.000,--,
c. Geveke en Condair hoofdelijk te veroordelen aan Fuwell (terug) te betalen de koopsommen van in totaal € 540.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, en
d. Geveke en Condair hoofdelijk te veroordelen aan Fuwell een schadevergoeding te betalen van € 888.549, te vermeerderen met wettelijke rente,
e. Geveke en Condair te veroordelen in de kosten van de procedure en in de nakosten.
3.2.
Geveke heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken. Zij vordert van haar kant in reconventie dat Fuwell wordt veroordeeld om aan haar € 21.641,39 te betalen wegens openstaande facturen voor ad hoc verricht onderhoudswerk, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Fuwell in de kosten van de procedure en in de nakosten, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
Fuwell heeft de vordering in reconventie gemotiveerd weersproken.
3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
De vorderingen tegen Condair
4.1.
Condair is in deze procedure niet verschenen. Omdat het door Fuwell gevorderde de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal die vordering tegen Condair worden toegewezen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 140 lid 2 Rv wordt de beslissing aangehouden totdat in deze zaak een eindvonnis wordt gewezen. Desgewenst kan Condair voordien nog het verstek zuiveren op de voet van artikel 142 Rv.
De vorderingen tegen Geveke
4.2.
Fuwell en Geveke twisten allereerst over de vraag of de installaties door Geveke aan Fuwell zijn opgeleverd. Volgens Fuwell is dat niet zo, omdat zij van meet af aan Fuwell heeft laten weten dat eerst alle storingen volledig moesten zijn hersteld en dat pas daarna de installaties als opgeleverd/geaccepteerd konden worden beschouwd. Geveke heeft dat, onder verwijzing naar de algemene voorwaarden, betwist.
4.3.
Blijkens artikel 6.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden zoals die door Geveke bij brief van 17 oktober 2008 zijn geaccepteerd, zal opdrachtnemer, Geveke, eventueel geconstateerde gebreken herstellen, waarvoor opdrachtgever, Fuwell , 20% van de opdrachtsom eerst betaalt ‘na oplevering & acceptatie van de installatie’.
Fuwell heeft, na plaatsing, aansluiting en ingebruikstelling van de installaties, de volledige koopsom aan Geveke voldaan en heeft dus geen gebruik gemaakt van het haar door Geveke toegekende recht om een deel van de koopprijs op te schorten. Waar de installaties volledig zijn betaald en in de macht zijn van Fuwell , komt het er feitelijk dan ook op neer dat de installaties zijn opgeleverd.
In het debat dat partijen voeren, heeft Fuwell het ‘opleveringsargument’ gebruikt om geen periodiek onderhoudscontract aan te gaan met Geveke. Niet in geschil is echter dat installaties als de onderhavige periodiek onderhoud behoeven. Tegen die achtergrond kan in het feit dat Fuwell niet tevreden was over het geleverde, geen rechtvaardiging worden gevonden voor het niet aangaan van een onderhoudscontract. Daarom dienen de gevolgen van de keuze om een dergelijk contract niet aan te gaan, voor Fuwells rekening te blijven. Voor de verdere beoordeling is niet relevant of er wel of niet is opgeleverd. Dit zou hooguit nog van belang kunnen zijn voor de vraag in hoeverre aan Geveke de mogelijkheid moest worden gegeven gebreken te herstellen, maar in het debat dat partijen voeren is dat punt al gepasseerd, zoals blijkt uit het volgende.
4.4.
Fuwell stelt dat zij de overeenkomst terecht heeft ontbonden in juli 2012. Geveke betwist dat en stelt dat geen verzuim is ingetreden. In 2012 stond nog niet vast dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW geldt dan dat de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Verzuim treedt krachtens artikel 6:82 BW in beginsel pas in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld op een wijze zoals in dat artikel is omschreven. Dat heeft Fuwell naar het oordeel van de rechtbank gedaan. Zij heeft bij brief van 2 maart 2012 Geveke een laatste mogelijkheid geboden aan haar verplichtingen te voldoen en haar daarvoor een termijn van twee maanden geboden. Daarmee verloor de vraag of er al dan niet was opgeleverd, betekenis. Toen vervolgens juiste nakoming door Geveke in de visie van Fuwell uitbleef, heeft Fuwell de overeenkomsten bij brieven van 3 en 13 juli 2012 ontbonden. Niet gesteld of gebleken is dat de termijn van twee maanden niet redelijk was. In zoverre heeft Fuwell dan ook correct gehandeld en zou Geveke in verzuim zijn geraakt.
4.5.
Om de overeenkomst te kunnen ontbinden, is echter ook nodig dat komt vast te staan dat Geveke is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Fuwell heeft daartoe aangevoerd dat de door Geveke geleverde vier installaties niet voldoen aan hetgeen Fuwell daarvan op basis van die overeenkomsten mocht verwachten. De tekortkomingen bestaan volgens Fuwell daaruit dat:
a. de installaties van meet af aan onevenredig veel storingen vertoonden,
b. de installaties gas lekken,
c. de installaties veel meer stroom verbruiken dan vergelijkbare installaties van fabrikant Tokheim.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat Fuwell de installaties - ook nadat zij de overeenkomsten buitengerechtelijk had ontbonden - tot op heden is blijven gebruiken (uitgezonderd de locatie Alkmaar). Ook heeft Fuwell Geveke verzocht het noodzakelijke (periodieke) onderhoud aan de installaties te verrichten, waarmee Geveke heeft ingestemd. Op zichzelf laat dat evenwel onverlet dat Fuwell zich op de rechtsgevolgen van de door haar ingeroepen ontbinding kan beroepen, te meer omdat Geveke op dit punt ook geen verweer heeft gevoerd.
4.7.
Voor het antwoord op de vraag of Geveke jegens Fuwell toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten zijn de volgende omstandigheden van belang.
De storingen
4.8.
Fuwell stelt in dit verband dat de installaties vrijwel onmiddellijk na de ingebruikname al kampten met storingen, waardoor Fuwell de installaties met grote regelmaat niet kon gebruiken. Fuwell heeft die storingen steeds gemeld bij Geveke, die stelde dat het kinderziektes betrof. Geveke heeft telkens geprobeerd de storingen te verhelpen, maar dat is niet gelukt. De storingen bleven aanhouden. Zolang de storingen niet waren verholpen heeft Fuwell geweigerd een regulier onderhoudscontract met Geveke te sluiten. Het benodigde onderhoud aan de installaties heeft Fuwell steeds zelf verricht of door de firma Meurs laten verrichten. Een overzicht van de storingen/meldingen heeft Fuwell als productie 22 bij de dagvaarding in het geding gebracht. Uit dat overzicht blijkt volgens Fuwell dat zich gedurende de periode (globaal) maart 2009 tot en met januari 2014 gemiddeld in totaal ongeveer 35 storingen per jaar aan de installaties hebben voorgedaan, wat neerkomt op 8,75 storingen per installatie per jaar. In vergelijking met installaties van andere fabrikanten, zoals Tokheim (van welke fabrikant Fuwell op andere locaties installaties in gebruik heeft) is dat hoog. Ter staving daarvan heeft Fuwell overgelegd productie 23, waaruit volgens haar blijkt dat die andere installaties in de periode van 2011 tot en met 2013 gemiddeld slechts 2,5 storingen per installatie per jaar hadden.
4.9.
Geveke heeft niet betwist dat zich sinds de plaatsing van de installaties daaraan storingen hebben voorgedaan, maar die hadden volgens Geveke te maken met ‘opstartproblemen’ of ‘kinderziektes’, wat niet ongebruikelijk is bij gecompliceerde installaties als de onderhavige. Geveke heeft van haar kant het aantal storingen bij de door haar geleverde installaties aan Fuwell op de locaties in Heerenveen, Zutphen en Arnhem in de periode van (globaal) juni 2011 tot april 2012 geïnventariseerd en haar bevindingen daarvan bij brief van 26 april 2012 aan Fuwell gestuurd. Uit die inventarisatie blijkt volgens Geveke dat zich in die periode aan de installaties respectievelijk drie, twee en drie storingen hebben voorgedaan in plaats van de door Fuwell gestelde 8,75 per jaar.
Geveke wijst er verder op dat zowel in de tijd als naar verbruik en inzet van de installaties steeds onderhoud moet worden gepleegd conform de overzichten zoals opgenomen in de "Instructies voor installatie, bediening en onderhoud van de FAW, FAW-C en STW luchtverwarmers, FCR convectors en HFT luchtthermostaten van Heatex” (productie 13 bij conclusie van antwoord) en het “Onderhoudsschema” (productie 14 conclusie van antwoord). Die instructies zijn volgens Geveke ook aan Fuwell ter hand gesteld, in ieder geval bij aflevering van de installaties. Geveke heeft bovendien betwist dat Fuwell het benodigde onderhoud aan de installaties heeft verricht of heeft laten verrichten. Als gevolg daarvan zijn volgens haar in de loop der tijd storingen blijven optreden en gebreken aan de installaties ontstaan.
4.10.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Geveke, zal Fuwell overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv moeten bewijzen dat Geveke op dit punt is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis. Daartoe zal moeten komen vast te staan dat ten gevolge van de kwaliteit van de door Geveke geleverde installaties er meer dan evenredig veel storingen zijn opgetreden. Wanneer dat niet het geval is, bijvoorbeeld omdat de storingen zijn gelegen in niet aan Geveke te wijten oorzaken, zoals het verrichten van onvoldoende onderhoud, kan niet worden gezegd dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Omdat het daarbij in de kern aankomt op de vraag wat de oorzaak, de aard en de omvang van de storingen aan de installaties is geweest, lijkt een deskundigenbericht onontkoombaar.
Het stroomverbruik en het lekken van gas
4.11.
Volgens Fuwell verbruiken de installaties van Geveke veel meer stroom dan de vergelijkbare installaties van Tokheim en lekken zij gas. er staving daarvan heeft Fuwell verwezen naar de pagina’s 2, 5 en 6 van productie 40 bij de dagvaarding. Tijdens de comparitie heeft Fuwell de problemen rond het gas toegeschreven aan een niet goed functionerende klep, waardoor gas uit de installaties ontsnapt. Wat betreft het stroomverbruik heeft Fuwell gesteld dat de op 8 oktober 2008 bestelde installaties 36 Kwh zouden verbruiken bij een capaciteit van 125 m³, maar dat de installaties in de praktijk heel veel meer energie blijken te gebruiken. Ook op deze onderdelen is Geveke volgens Fuwell jegens haar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten.
4.12.
Geveke heeft betwist dat de installaties meer gas en elektra verbruiken dan is overeengekomen en/of dan vergelijkbare installaties. Wat betreft het gas heeft Geveke voorts gesteld dat de installaties met een beveiliging zijn uitgevoerd die ertoe leidt dat de installaties worden stilgelegd als er kleine hoeveelheden gas ontsnappen. Volgens Geveke werkt die beveiliging niet goed, wat veroorzaakt wordt doordat er geen of onvoldoende onderhoud door Fuwell is gepleegd. Geveke heeft dan ook betwist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming/een aan haar toe te rekenen oorzaak.
4.13.
Met betrekking tot deze gestelde gebreken wordt het volgende vooropgesteld.
De buitengerechtelijke ontbindingsverklaringen door Fuwell zijn uitgebracht op 3 en 13 juli 2012. Daarin heeft Fuwell de overeenkomsten ontbonden enkel op de grond dat de installaties onevenredig veel storingen vertoonden. Het in deze procedure betrokken standpunt dat de installaties ook meer stroom en gas lekken, kan van belang zijn en mag worden meegewogen bij de beoordeling of de ontbinding gerechtvaardigd was, mits ook ten aanzien van deze gebreken is voldaan aan de eisen van artikel 6:265 lid 2 BW en er binnen bekwame tijd is geklaagd (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2008, 605). Uit het bepaalde in artikel 6:265 lid 2 BW vloeit voort dat een bevoegdheid tot ontbinding op deze gronden slechts mogelijk is wanneer de schuldenaar in verzuim is, in het geval nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is. In de stellingen van Fuwell ligt besloten dat zij pas in een laat stadium heeft ontdekt dat de installaties veel meer elektriciteit verbruikten dan haar bij de aanschaf was voorgespiegeld en ook dat er gas verdween. Ten aanzien van het tijdstip van ontdekking heeft Geveke als zodanig geen verweer gevoerd, evenmin heeft zij dat gedaan ten aanzien van het tijdstip waarop de klachten zijn geuit. Als komt vast te staan dat de stelling van Fuwell juist is, heeft te gelden dat correcte nakoming in ieder geval wat betreft het verleden blijvend niet meer mogelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank kan Fuwell in dat geval ook deze gebreken ten grondslag leggen aan de ontbinding. Eerst zal dan echter vast moeten komen te staan dat de installaties daadwerkelijk wezenlijk meer stroom verbruikten en gas lekten en dat dit aan Geveke te wijten is.
4.14.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Geveke, zal Fuwell overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv moeten bewijzen (a) dat de installaties wezenlijk meer stroom verbruiken dan de geoffreerde 36 Kwh en (b) dat de installaties gas lekken. Wat betreft dit laatste punt zal ook moeten komen vast te staan dat dit te wijten is aan een gebrek in de installatie dat voor rekening van Geveke komt, nu Geveke heeft betoogd dat de lekkages zijn terug te voeren op onvoldoende onderhoud. Ook op deze onderdelen komt een deskundigenbericht geraden voor.
4.15.
Met haar verweer dat er onvoldoende onderhoud is gepleegd, doet Geveke een beroep op de eigen schuld van Fuwell . Dit verweer lijkt met name relevant wat betreft de gestelde grote hoeveelheid storingen en het beweerdelijk lekken van gas. Ten aanzien van het hiervoor bedoelde stroomverbruik valt namelijk niet goed in te zien hoe onvoldoende onderhoud daaraan zou kunnen hebben bijgedragen. Ook als komt vast te staan dat Fuwells stelling dat de installaties gebrekkig zijn, juist is, kan het zo zijn dat de daardoor ontstane schade is verergerd doordat er onvoldoende onderhoud is gepleegd. Zoals hiervoor reeds is overwogen dienen de gevolgen van Fuwells keuze om geen periodiek onderhoudscontract te sluiten, voor haar rekening te blijven. Onderzocht zal daarom moeten worden of en zo ja, in hoeverre onvoldoende onderhoud van invloed is geweest op de door Fuwell gestelde gebreken indien deze laatste komen vast te staan. Alleen een deskundige zal hierover helderheid kunnen verschaffen.
4.16.
Als Fuwell slaagt in een of meer van de hiervoor bedoelde bewijsopdrachten en dus de tekortkoming van Geveke op een of meer onderdelen is gegeven, zal nog aan de orde moeten komen of die tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. Volgens Fuwell is dat het geval, maar Geveke heeft opgeworpen dat sprake is van tekortkomingen met een geringe betekenis, omdat Fuwell de installaties nog steeds gebruikt. Op dit punt wordt de beslissing, in afwachting van het deskundigenbericht, aangehouden.
4.17.
Ook wordt de beslissing aangehouden wat betreft de gevolgen voor deze zaak van het bepaalde in artikel 12.1 en 15.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat Gevekes aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat haar verzekeraar uitkeert en dat (extra) kosten voor vervangende levering en/of diensten niet op Geveke verhaald kunnen worden.
Tot slot zal, nu Fuwell drie van de vier installaties tot op heden is blijven gebruiken, een eventuele gebruiksvergoeding en de hoogte daarvan aan de orde moeten komen.
4.18.
Resumerend komt de rechtbank tot de conclusie dat een deskundigenbericht nodig is ter beantwoording van de volgende vragen:
a. kunt u aan de hand van productie 22 bij dagvaarding telkens aangeven of er sprake is geweest van een storing in de installatie en zo ja, wat daarvan de aard en de omvang is geweest?
kunt u per geconstateerde storing aangeven:
of de oorzaak is gelegen in de door Geveke geleverde installatie;
of en zo ja in hoeverre onvoldoende onderhoud op de storing van invloed is geweest?
heeft de kwaliteit van de installatie geleid tot meer storingen dan normaal van een dergelijke installatie zou mogen worden verwacht?
verbruiken de installaties meer stroom dan dat is geoffreerd? Zo ja, hoeveel meer?
lekken de installaties gas en zo ja, wat is daarvan de oorzaak?
is die oorzaak te wijten aan een gebrek in de installatie en/of aan onvoldoende onderhoud? Als er sprake is van een gebrek in de installatie, heeft onvoldoende onderhoud dan ook nog een rol gespeeld, zo ja in hoeverre?
Wat acht u verder nog van belang voor de beoordeling van deze zaak?
Nu vooralsnog niet duidelijk is in hoeverre de gestelde gebreken zijn te wijten aan Geveke en in hoeverre Fuwell zelf aan de door haar gestelde schade heeft bijgedragen, zal daarop eerst door de rechtbank beslist moeten worden, alvorens nader kan worden ingegaan op de exacte omvang van de schade. In dat kader kan het nodig zijn dat een nader deskundigenbericht wordt ingewonnen.
4.19.
De zaak zal nu eerst naar de rol worden verwezen teneinde de partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n), alsmede de te stellen vragen. Aan partijen wordt in overweging gegeven te trachten om ten aanzien van de persoon van de deskundige(n) met een eenparig voorstel te komen. Als eisende partij zal Fuwell op de voet van artikel 195 Rv worden belast met de betaling van het voorschot. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
In reconventie
4.20.
Geveke heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd.
Geveke heeft op verzoek van Fuwell “per ad hoc opdracht correctief en een enkele keer preventief” onderhoud aan de installaties uitgevoerd. Gelet op de afgesproken garantietermijn van twee jaar komen de kosten van het correctieve onderhoud tot en met 12 februari 2011 (locaties Alkmaar en Arnhem), 21 juli 2011 (locatie Zutphen) en 25 augustus 2011 (locatie Heerenveen) voor rekening van Geveke, maar dat geldt niet voor die onderhoudskosten na afloop van de garantietermijn. Daarom heeft Geveke die kosten na afloop van de garantietermijn aan Fuwell in rekening gebracht. Het gaat om de als productie 21 bij de conclusie van antwoord gevoegde facturen van 14 februari 2012, 27 februari 2012, 8 maart 2012, 19 maart 2012, 22 maart 2012 en 23 december 2012. Het totaal van deze facturen sluit op het gevorderde bedrag.
4.21.
Fuwell heeft de verschuldigdheid van de facturen betwist. Zij heeft opgeworpen dat (a) de facturen betrekking hebben op werkzaamheden die betrekking hadden op opstartproblemen, welke werkzaamheden voor rekening van Geveke zijn, (b) de garantietermijn niet was verstreken en (c) Fuwell nooit opdracht heeft gegeven de betreffende werkzaamheden uit te voeren en Geveke er evenmin op mocht vertrouwen dat het de instemming van Fuwell had deze werkzaamheden voor rekening van Fuwell uit te voeren.
4.22.
Voor de beoordeling van de vorderingen in reconventie is de beslissing op het gevorderde in conventie, en dus de uitkomst van het deskundigenbericht, mede van belang. De beslissing zal daarom worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen 2 maart 2016 van voor het gelijktijdig nemen van aktes door Fuwell en Geveke over hetgeen hiervoor onder 4.19. is vermeld,
in conventie en in reconventie
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M Vaessen, mr. F.M.Th. Quaadvliet en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.
Coll.: ED