Rb. Oost-Brabant, 20-11-2013, nr. C/01/216133 / HA ZA 10-1820
ECLI:NL:RBOBR:2013:7725
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
20-11-2013
- Magistraten
Mrs. J.K.B. van Daalen, J.A. Bik, H. Benek
- Zaaknummer
C/01/216133 / HA ZA 10-1820
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2013:7725, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 20‑11‑2013
ECLI:NL:RBOBR:2013:3909, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 03‑07‑2013
ECLI:NL:RBOBR:2013:3168, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 06‑03‑2013
Uitspraak 20‑11‑2013
Mrs. J.K.B. van Daalen, J.A. Bik, H. Benek
Partij(en)
Vonnis van 20 november 2013
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te 's‑Gravenhage,
eiser,
advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem,
tegen
- 1.
[gedaagde 1],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
gedaagden,
advocaat mr. P.J.L. Tacx te Roermond.
Partijen zullen hierna De Staat en [gedaagden] c.s. genoemd worden.
1. De verdere procedure
1.1.
De rechtbank heeft op 3 juli 2013 een tussenvonnis gewezen.
1.2.
De deskundigen hebben een derde nader advies van 26 september 2013 uitgebracht.
1.3.
Partijen hebben hun zaak doen bepleiten op 7 oktober 2013. Zij hebben pleitnotities overgelegd. De onteigeningsdeskundige [onteigeningsdeskundige] heeft ten behoeve van [gedaagden] c.s. een aanvulling op de pleitnota van mr. Goorts voorgedragen. Die aanvulling is in het geding gebracht. Tevens hebben [gedaagden] c.s. ter gelegenheid van het pleidooi bij akte 4 producties in het geding gebracht.
Per e-mail heeft mr. Goorts op 30 oktober 2013 opgave gedaan van de nadere kosten, waarop mr. Ten Kate per e-mail van 12 november 2013 heeft gereageerd.
De deskundigen hebben op 30 oktober 2013 een kostenopgave gedaan, De Staat heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om die kostenopgave te becommentariëren.
1.4.
Tenslotte is vonnis bepaald.
2. De schadeloosstelling
2.1.
De deskundigen zijn blijkens hun 3e nader advies van mening dat de schadeloosstelling voor [gedaagden] c.s. moet worden begroot op een bedrag van in totaal € 1.227.182,-.De rechtbank zal thans, mede aan de hand van de nadere rapportages van de deskundigen, de verschillende posten van de schadeloosstelling bespreken. Hierbij wordt uiteraard acht geslagen op hetgeen partijen daarover (nader) hebben opgemerkt. De rechtbank zal de volgorde van het tussenvonnis van 3 juli 2013 aanhouden. Voor zover hieronder niet wordt afgeweken van dit tussenvonnis wordt daarbij volhard.
Waarde losse grond, premie uit handen breken en waarde huiskavel
2.2.
De deskundigen hebben blijkens hun rapportages op dit punt gedegen onderzoek gedaan naar referentietransacties en aangegeven welke transacties bruikbaar zijn voor de waardering van de onteigende gronden en waarom. Zij hebben tevens de prijsontwikkeling van agrarische grond in de omgeving van het onteigende onderzocht en geconcludeerd dat —anders dan eerder door hen aangegeven— daaruit blijkt dat niet sprake is van een sterk stijgende tendens van de prijzen van agrarische grond in het gebied waarin het onteigende is gelegen, maar van een licht stijgende tendens en dat er daarom geen aanleiding is om het advies over de waarde van de losse cultuurgrond en huiskavel grond per peildatum aan te passen.
2.3.
De rechtbank volgt de deskundigen ten aanzien van de waarde van de losse agrarische grond ad € 6,80 m2 (de opslag van € 0,30 daarin begrepen), aangezien het advies op dit punt goed gedocumenteerd en overtuigend is. De deskundigen hebben in het nadere advies verder goed gemotiveerd en overtuigend uiteengezet dat van een sterk stijgende tendens van de prijs van agrarische grond in het betreffende gebied sinds 2009 geen sprake blijkt te zijn, zodat er geen aanleiding is om van een hogere waarde uit te gaan dan de deskundigen hebben geadviseerd.
Partijen hebben ter zitting van 7 oktober 2013 ook niets aangevoerd waaruit kan volgen dat de taxaties van de deskundigen niet juist zouden zijn.
2.4.
[gedaagden] c.s. zijn er van uitgegaan dat de waarde van de vervangende grond —welke grond zij aanmerken als ‘een zuivere veldkavel’— € 6,50 per m2 bedroeg en dat, gelet op de prijs van € 7,50 per m2 die zij hebben betaald, daarom de premie uit handen breken op € 1,= per m2 moet worden gezet in plaats van de € 0,70 per m2 die de deskundigen hebben gehanteerd. De deskundigen hebben naar voren gebracht dat de marktprijs voor dergelijke agrarische grond destijds weliswaar in het algemeen € 6,50 per m2 bedroeg, maar dat de waarde van de vervangende grond in dit specifieke geval € 6,80 per m2 was, gelet op de grote oppervlakte van de drie vlakbij elkaar liggende kavels en de goede (hoogte)ligging daarvan. De rechtbank acht daarmee het bezwaar van [gedaagden] c.s. voldoende overtuigend weerlegd en zal daarom de deskundigen op dit punt volgen.
2.5.
Een en ander betekent, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen omtrent de waarde van de huiskavel, dat de waarde van het onteigende € 974.285,- bedraagt en dat de premie uit handen breken op € 0,70 per m2, in totaal dus op € 98.707,- dient te worden gesteld.
Waarde buxusopstand
2.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder r.o. 2.10 overwogen dat dient te worden beoordeeld of een rationeel en redelijk handelend onteigende als [gedaagden] c.s. in de omstandigheden waarin deze verkeerden redelijkerwijs hun schade zouden beperken door in de periode tussen de peildatum, 2 februari 2011, en 1 juli 2011 tot verplaatsing van de buxusopstand over te gaan. De rechtbank volhardt in dat verband bij hetgeen zij op dat punt in r.o. 2.11 e.v. van het tussenvonnis heeft overwogen en beslist, voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken.
2.7.
Zoals de rechtbank in dat tussenvonnis heeft overwogen moesten [gedaagden] c.s. er van uitgaan dat zij naar verwachting in ieder geval vanaf 1 mei 2011 tot verplanting zouden kunnen overgaan en daarvoor dus feitelijk de maanden mei en juni 2011 zouden kunnen benutten. In het nader advies van de deskundigen van 26 september 2013 gaan deze er van uit dat [gedaagden] c.s. er op de peildatum vanuit konden gaan dat zij vanaf medio april 2011 tot verplanting zouden kunnen overgaan. De rechtbank blijft echter bij de datum 1 mei 2011, omdat [gedaagden] c.s., redelijk handelend, enige mogelijke tegenslag mochten verdisconteren, bijvoorbeeld ten aanzien van de termijn waarbinnen een geschikt vervangend perceel gevonden zou kunnen worden en ten aanzien van de uitslag van te verrichten onderzoeken. Verder neemt de rechtbank met [gedaagden] c.s. in aanmerking dat niet aannemelijk is dat [gedaagden] c.s., redelijk handelend, meteen op of na de peildatum al op zoek zouden (kunnen) gaan naar een vervangend perceel. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagden] c.s. over alle noodzakelijke deskundigheid beschikten om meteen zelf een verantwoorde keuze te maken en dus dienden zij, zoals zij terecht hebben aangevoerd, zich tot een buxusdeskundige/teeltadviseur te wenden om door deze nader geïnformeerd te worden over de mogelijkheden en onmogelijkheden van verplaatsing van de aanwezige buxusopstand- voor zover nog niet verkocht- naar een vervangend perceel. Uitgaande van de juistheid van hetgeen [naam 1] van Groeibalans in zijn brief van 14 september 2003 heeft vermeld —waarvan de inhoud door de deskundigen en de door hen ingeschakelde deskundige [deskundige 1] wordt onderschreven— dan zou aan [gedaagden] c.s. zijn aangegeven:
- a.
dat in de praktijk partijen buxus uit de volle grond niet in de periode mei/juni van een jaar worden verplant;
- b.
dat dit wel kan, maar dat dit normaliter in het najaar gebeurt;
- c.
dat in de periode mei/juni de weersomstandigheden voor het verplanten heel vaak niet best zijn en dus de momenten waarop dit kan gebeuren schaars zijn;
- d.
dat als de planten eind februari rondgestoken worden, ze nog jonge wortels kunnen maken en daardoor beter hergroeien.
2.8.
Verder maakt de rechtbank uit het deskundigenrapport en de toelichting van [deskundige 1] op dat van te voren onduidelijk is wanneer precies in mei en/of juni 2011 herplanting kan plaatsvinden, dat [gedaagden] c.s. min of meer op afroep dienden te kunnen beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel voor het rooien en herplanten van de buxus en de noodzakelijke verzorging, zoals beregening en inspuiting met een verdampingsmidde, alsmede dat het de voorkeur heeft vanuit organisatorisch en planttechnisch oogpunt dat deze werkzaamheden aaneengesloten plaatsvinden.
2.9.
De rechtbank heeft becijferd dat [gedaagden] c.s. de totale kosten van het verplanten redelijkerwijs kon begroten op ongeveer € 80.000,-. Verder geldt, uitgaande van de juistheid van het advies van de deskundigen, dat [gedaagden] c.s. er op of kort na de peildatum rekening mee dienden te houden dat als gevolg van het verplanten de buxus niet groeit in 2011 en dat voor 2012 de groei beperkt is. Hierbij is van belang dat het rondsteken van de planten kennelijk eind februari diende te gescheiden, maar het is zeer twijfelachtig of [gedaagden] c.s. op dat moment reeds alle noodzakelijke informatie zouden hebben om te kunnen beoordelen of verplanting inderdaad aangewezen was, waaronder ook de beschikbaarheid van geschikte vervangende grond, en dat dus geenszins valt uit te sluiten dat [gedaagden] c.s. niet al eind februari met het rondsteken van de planten konden starten. Volgens het advies van de deskundigen zouden [gedaagden] c.s. —de onteigening weggedacht— de buxusbollen hebben kunnen afkweken tot en met het handelsseizoen 2011/2012 en zouden de pyramides ter plaatse worden afgekweekt tot en met het handelsseizoen 2013/2014. Bij herplanting diende [gedaagden] c.s. —teneinde de door de deskundigen berekende opbrengsten te genereren— de buxusbollen uit te laten groeien tot de maat 35 en 40 cm (diameter) en zou aflevering daarvan plaatsvinden gedurende 2014–2015 en 2015–2016. De Buxus piramides zouden eveneens gedurende die jaren worden afgeleverd. Kortom: [gedaagden] c.s. dienden hoe dan ook hun teelt aan te passen en langer door te gaan met de teelt dan aanvankelijk voorzien en gedurende een paar jaar geen inkomsten genereren, maar wel kosten moeten maken. Naar de rechtbank begrijpt diende ook het afzetkanaal te worden gewijzigd. De afzet was gericht op grootschalige afzet bij winkelketens en retailers. Voor de grotere buxus in geval van vervangende teelt gold echter een ander afzetkanaal, waarmee [gedaagden] c.s. tot dusver geen ervaring hadden.
Aangenomen dat alles zou verlopen zoals de deskundigen hebben becijferd, dan moesten [gedaagden] c.s. rekening houden met inkomensschade, zij het ruim minder dan in geval tot liquidatie werd besloten.
2.10.
Waar nu eenmaal op de peildatum de eigen deskundige van [gedaagden] c.s. uitging van de onmogelijkheid van tijdige verplaatsing, [gedaagden] c.s. op of kort na die peildatum en vanaf het moment dat zij op de hoogte kwamen of konden zijn van de inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers nog nader onderzoek dienden te verrichten en (nader) deskundig advies behoefden, dit deskundig advies zou inhouden dat verplanting vanaf 1 mei 2011 wel mogelijk was maar dat daaraan belangrijke voorwaarden en risico's waren verbonden —zoals de weersomstandigheden, die [gedaagden] c.s. niet alle in de hand hadden—, nog geenszins kan worden aangenomen dat eind februari 2011 [gedaagden] c.s. al konden besluiten tot het gaan rondsteken van de planten, de verplaatsing een hoge investering vergde, en ook een ander teeltschema en een andere teeltduur, sprake zou zijn van een periode waarin geen inkomsten zouden worden geleden alsmede dat een ander afzetkanaal moest worden bediend, terwijl hoe dan ook naar alle waarschijnlijkheid inkomensschade zou worden genoten, kan niet worden gezegd dat een redelijk handelend onteigende onder al deze omstandigheden de beslissing had moeten nemen de teelt te verplaatsen en elders voort te zetten. De rechtbank houdt er daarbij rekening mee dat in feite ook ten aanzien van de berekening van de inkomensschade (nadere) advisering nodig was en dat een dergelijke berekening over meerdere toekomstige jaren hoe dan ook van aannames uitgaat waarvan moet worden afgewacht of die zich verwezenlijken.
2.11.
De rechtbank oordeelt dan ook dat in dit geval bij de berekening van de schadeloosstelling niet van verplaatsing doch van liquidatie dient te worden uitgegaan. De deskundigen hebben berekend dat in geval van liquidatie van de buxusopstand na afronding van het verkoopseizoen 2011 voor [gedaagden] c.s. sprake zou zijn geweest van een schade/gederfde opbrengst van (per saldo, en voor contant maken) € 226.913,-. De deskundigen hebben ter zake deze waardering gebruik gemaakt van de expertise van [deskundige 1] en onderschrijven diens rapportages (bijlage 7 en bijlage 8 bij het deskundigenrapport van 4 april 2012) op dit punt. De partij-deskundigen [partij-deskundige 1] en [partij-deskundige 2] hebben kritiek geleverd op de eerste rapportage van [deskundige 1] ten aanzien van de geschatte opbrengst van de plantopstand bij voortzetting van de teelt na 1 juli 2011 op het onteigende (en dus de onteigening weggedacht). [deskundige 1] heeft daarop gereageerd in april 2012 (bijlage 8 bij genoemd deskundigenrapport). Het standpunt van [deskundige 1] —dat door de deskundigen wordt onderschreven— komt er op neer dat de theoretische teeltmethode van [gedaagden] c.s. niet is uitgevoerd en dat het praktisch niet uitvoerbaar was deze teeltmethode na de peildatum weer op te pakken, zodat er in de jaren 2010/2011 alsmede 2011/2012 gecorrigeerd moest worden. [deskundige 1] vermeldt daarover het volgende:
‘Omdat de cyclus niet was uitgevoerd had meer dan om en om gerooid moeten worden. Men moet raaien om de achterblijvende Buxus ruimte te geven om te groeien Dit heeft automatisch tot gevolg dat er meer verkocht had moeten worden om in de cyclus te blijven’
en
‘Voor de buxuspyramides geldt dat deze zich enigszins kunnen herstellen op basis van het gekozen teeltsysteem. Buxusbollen die van onderuit niet goed gevormd zijn kunnen echter op basis van het teeltsysteem ter plaatse onvoldoende herstellen’
en
‘Zoals gesteld had men moeten corrigeren. Omdat de cyclus niet was uitgevoerd had meer dan om en om gerooid moeten worden. Op basis van de aanwezige kwaliteit zouden dan niet geschikte planten als uitval beschouwd zijn en niet verplant zijn…De overblijvende 16.321 planten zijn dus te beschouwen als extra uitval als gevolg van het corrigeren.’
2.12.
Aldus is naar het oordeel van de rechtbank door de deskundigen afdoende en overtuigend gemotiveerd dat het niet volgen van de teeltmethode tot gevolg had dat bij voortgezette teelt op het Onteigende van de op de peildatum aanwezige planten in het jaar 2010–2011 24.493 planten konden worden verkocht en in de jaren 2011–2012 t/m 2013–2014 in totaal 59.186, als meer specifiek in genoemde bijlagen weergegeven. Volgens [deskundige 1]/de deskundigen zou dit tot een opbrengst van € 449.837,- hebben geleid Na aftrek van de te maken kosten ad € 146.119,- resteert dan het bedrag van € 303.718,-, zijnde de geschatte opbrengt van de per 1 juli 2011 nog aanwezige buxusopstand. In de rapportages van [deskundige 1] heeft deze naar het oordeel van de rechtbank de berekening van deze bedragen voldoende inzichtelijk gemaakt en afdoende gereageerd op de kritiek van de partij-deskundigen van [gedaagden] c.s. Ten pleidooie van 26 maart 2013 is de raadsman van [gedaagden] c.s. nauwelijks ingegaan op de juistheid van het advies van de deskundigen ten aanzien van de liquidatieschade. Daaruit blijkt niet van specifieke kritiek op de berekeningen van [deskundige 1], anders dan al eerder door de partij-deskundigen aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is die kritiek evenwel in het nadere rapport van [deskundige 1] afdoende weerlegd, zodat de rechtbank de deskundigen zal volgen. De deskundigen hebben in hun 3e nader advies d.d. 26 september 2013 —bijlage 4— het bedrag van € 449.837,- contant gemaakt. Hun berekening —die verder niet is bestreden en de rechtbank ook juist voorkomt— sluit op een bedrag van € 280.998. Daarvan dient dan nog te worden afgetrokken de geschatte verkoopopbrengst ineens per 1 juli 2011 ad € 76.805,-. Dit bedrag dient dan nog contant te worden gemaakt naar de peildatum. Rekening houdende met een rekenrente zoals de deskundigen die hebben gehanteerd komt dat neer op (afgerond) € 75.600,-, zodat de contant gemaakte liquidatieschade uitkomt op € 205.398,-.
Waarde vrijkomende bodembestanddelen
2.13.
De staat heeft nog aangevoerd dat in het geval sprake is van een vergoeding van inkomstenschade —welk geval zich voordoet— geen aanspraak bestaat op vergoeding van zowel de inkomensschade vanwege het verlies van de buxusopstand als van een gedeelte van de waarde van de bodembestanddelen. De Staat verwijst naar de arresten HR 28 juni 1989, NJ 1990/285 en HR 14 juni 2002, NJ 2003/150. De rechtbank-handhaaft haar oordeel dat [gedaagden] c.s. recht kunnen doen gelden op de helft van de latente meerwaarde van de grond. In dit specifieke geval doet zich niet de situatie voor dat de grond is gewaardeerd op basis van een (toekomstige) bestemming die afgraving uitsluit. Immers: de grond is gewaardeerd op basis van een agrarische bestemming die afgraving niet uitsluit. Verder ziet de Staat er ten onrechte aan voorbij dat blijkens het advies van de deskundigen d.d. 14 September 2012 de winning van de bodembestanddelen niet zonder meer samenvalt met het perceel waarop de buxusteelt plaatsvond. De deskundigen hebben vermeld dat van het deel van de onteigende percelen van [gedaagden] c.s. dat ontgraven wordt voor de aanleg van de Zuid-Willemsvaart —uit het rapport blijkt dat op 1.75.00 ha van het onteigende het nieuwe kanaal wordt gegraven— op de peildatum een oppervlakte van 5000m2 was beplant met buxus.
Voor zover de Staat wil betogen dat een toekenning van inkomstenschade een vergoeding voor vrijkomende bodembestanddelen hoe dan ook uitsluit, gaat dat niet op.
De rechtbank stelt dan ook definitief vast dat de waarde van het onteigende moet worden verhoogd met € 19.100,-.
Omrijschade
2.14.
De deskundigen hebben de omrijschade in verband met de aankoop en het gebruik van vervangende grond op een grotere afstand van de huiskavel dan de afstand tot het onteigende begroot op € 49.860,-. De rechtbank blijft bij hetgeen zij op dit punt heeft overwogen en beslist in het vonnis van 3 juli 2013. Volgens een nadere opstelling van de partij-deskundige [onteigeningsdeskundige] —voorgedragen ten pleidooie van 7 oktober 2013— dient de omrijschade op € 50.210,- te worden gesteld. De rechtbank stelt allereerst vast dat het verschil met het deskundigenrapport heel gering is —€ 350,- over een periode van 10 jaar— en voorts dat niet valt in te zien dat de nadere berekening van [onteigeningsdeskundige] en diens benadering de voorkeur zou moeten verdienen boven de benadering van de deskundigen.
De schade
2.15.
Gelet op hetgeen de rechtbank thans en in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist dient de schadeloosstelling als volgt te worden berekend. Hierbij geldt dat voor zover specifieke posten van de overige schade nog niet expliciet zijn besproken, de rechtbank het advies van de deskundigen volgt, omdat dat overtuigend is gemotiveerd en partijen daartegen geen nadere bezwaren meer hebben ingebracht.
— | waarde onteigende | € | 974.285,- | ||
— | meerwaarde wegens bodembestanddelen | € | 19.100,- | ||
— | waardevermindering overblijvende | € | 45,760,- | ||
Subtotaal | € | 1.039.145,- | |||
Investering vervangende grond | € | 958.868,- | |||
Vrijkomend kapitaal | € | 80.277,- | |||
Overige schade: | |||||
— | financieringskosten | € | 1.000,- | ||
— | premie uit handen breken | € | 98.707,- | ||
— | aankoopkosten vervangende grond | € | 3.710,- | ||
— | aanpassingskosten vervangende grond | € | 10.576,- | ||
— | aanpassingskosten oprit huiskavel | € | 5.000,- | ||
— | extra accountantskosten | € | 3.000,- | ||
€ | 121.993,- | ||||
Omrijschade | € | 49.860,- | |||
Inkomstenderving buxusteelt | € | 205.398,- | |||
te verrekenen rente over het vrijkomend kapitaal € 80.277 × 4%/jaar × 10 -/- | € | 32.110,- | |||
€ | 223.148,- | ||||
Totaal: | € | 1.384.286,- | |||
2.16.
Tussen deze aan [gedaagden] c.s. toekomende schadeloosstelling en het voorschot van € 1.197.500,- bestaat een verschil van € 186.786,-
Dit bedrag moet worden vermeerderd met de rente over dit laatste bedrag over de periode tussen de datum van inschrijving van het vonnis van onteigening, 2 februari 2011, en de datum van dit vonnis, 20 november 2013. Het toe te passen percentage is, zoals gebruikelijk, dat van de (samengestelde) wettelijke rente. Dit betreft een bedrag van € 17.747,-. De aan [gedaagden] c.s. toe te kennen schadeloosstelling komt daarmee uiteindelijk op € 1.384.286,- + € 17.747 geeft € 1.402.033,-
Na aftrek van het voorschot dient de Staat aan [gedaagden] c.s. te voldoen een bedrag van (€ 1.402.033 minus € 1.197.500) € 204.533. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis tot de dag der voldoening.
2.17.
De Staat zal, nu de schadeloosstelling het bedrag van de bij dagvaarding aangeboden schadeloosstelling overtreft, worden veroordeeld in de kosten van het geding, die van de rechtbankdeskundigen daaronder begrepen. De rechtbank zijn immers geen omstandigheden gebleken die zouden moeten leiden tot toepassing van artikel 50 lid 3 van de onteigeningswet.
Kosten rechtskundige bijstand en partij-deskundigen.
2.18.
De rechtbank heeft in het vonnis van 3 juli 2013 onder r.o. 2.31 het kader geschetst. Aan de hand daarvan zal de rechtbank de diverse declaraties bespreken. Daarbij geldt dat ter zitting van 7 oktober 2013 is komen vast te staan —partijen zijn het daarover eens— dat met ingang van 1 juli 2012 voor de aan [gedaagden] c.s. gedeclareerde werkzaamheden verrekening van de BTW mogelijk is en daarvoor niet. De rechtbank zal daarmee hieronder rekening houden. Naar aanleiding van de bij e-mail van 30 oktober 2013 door mr. Goorts toegezonden declaraties heeft mr. Ten Kate namens de Staat het standpunt ingenomen dat ook hier geldt dat het niet redelijk is zoveel partij-deskundigen in te schakelen en dat er ook kosten in rekening zijn gebracht die kennelijk niet op de onteigening betrekking hebben.
Anders dan de Staat acht de rechtbank de omstandigheid dat [gedaagden] c.s. aanspraak hebben gemaakt op een veel hogere schadeloosstelling dan heden wordt toegewezen onvoldoende grond om tot matiging van de opgevoerde kosten over te gaan. Hierbij geldt dat de rechtbank ruim meer toewijsbaar acht dan de Staat heeft aangeboden.
a. kosten mr. Goorts
2.19.
Mr. Goorts heeft ter zitting van 7 oktober 2013 aangegeven dat de kosten van de herzieningsprocedure niet in deze procedure zijn ingebracht de kosten van de cassatieprocedure voor hoogstens 1,5 uur Mr. Goorts heeft ten aanzien van de kosten van de voorbereiding van het pleidooi aangevoerd dat is onderzocht of de deskundigen in hun definitieve rapport volledig zijn ingegaan op de reactie van [gedaagden] c.s. op het conceptdeskundigenrapport, dat vervolgens de strategie is bepaald en dat de voorbereiding van het pleidooi vanwege de juridische en feitelijke complexiteit van de zaak relatief veel tijd in beslag nam.
De rechtbank onderkent dat met name ook ten aanzien van de vraag of in het onderhavige geval al dan niet in redelijkheid had moeten worden gekozen voor verplaatsing van de buxusopstand bijzonder onderzoek en overleg noodzakelijk zal zijn geweest. De rechtbank kan evenwel desondanks niet inzien dat het redelijk was in deze zaak —hoewel ook al in de fase van het totstandkomen van het concept-deskundigenrapport de nodige werkzaamheden zijn verricht— na het uitbrengen van het deskundigenrapport op 4 april 2012 tot de datum 30 januari 2013 ruim 50 uur te besteden en vervolgens nog eens, in de aanloop naar het pleidooi van 26 maart 2013, bijna 82 uur. Dat acht de rechtbank bovenmatig, zodat die kosten niet binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechtbank zal daarom de kosten van rechtskundige bijstand van die laatste fase verminderen met een bedrag van € 10.000,-, exclusief BTW.
Verder constateert de rechtbank dat in de laatste fase —de periode 28 maart 2013 tot en met het pleidooi van 7 oktober 2013— nog bijna 31 uur aan werkzaamheden zijn gedeclareerd, hetgeen de rechtbank voor hetgeen toen nog aan de orde was eveneens bovenmatig voorkomt. De rechtbank zal over die periode een bedrag toekennen van € 6.000,-, exclusief BTW, Aldus komt voor vergoeding in aanmerking:
— | tot 1 juli 2012 (afgerond) | € | 55.769,- | (inclusief BTW) |
— | van 1 juli 2012 tot en met 27 maart 2013 (afgerond) | € | 37.319,- | (exclusief BTW) |
— | van 28 maart 2013 tot en met 8 oktober 2013 | € | 6.000,- | (exclusief BTW) |
— | van 16 april 2013 tot en met 7 oktober 2013 (de rechtbank | |||
— | griffierecht (na naheffing) | € | 1.188,- | |
— | kosten kadaster | € | 17.70 | |
Totaal | € | 100.293,70 | ||
b. kosten onteigeningsdeskundigen van [gedaagden] c.s.
2.20.
[gedaagden] c.s. hebben twee onteigeningsdeskundigen ingeschakeld. Blijkens de overgelegde bescheiden zijn daarmee tot en met het pleidooi van 26 maart 2013 de volgende kosten gemoeid (inclusief BTW):
a. | [onteigeningsdeskundige] | (€ 13.494,60 + € 9.637,65) | € | 23.132,25 |
b. | [deskundige 2] | (€ 23.093,44 + € 8.657,55 + € 2.450,25) | € | 34.201,24 |
De rechtbank constateert dat [gedaagden] c.s. niet duidelijk hebben gemaakt waarom twee onteigeningsdeskundigen-noodzakelijk waren. Weliswaar hebben zij aangevoerd dat tijdens de onderhandelingen met Rijkswaterstaat bleek dat Rijkswaterstaat ‘niets wilde doen’, maar waarom dat moest leiden tot het inschakelen van een tweede deskundige is onduidelijk gebleven. Verder heeft de rechtbank ter zitting aan de deskundige [deskundige 2] een toelichting gevraagd op de vele overleguren, bijvoorbeeld in de periode 5 januari 2010 tot en met 21 september 2010. Daarop heeft [deskundige 2] geen antwoord kunnen geven. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende toegelicht dat het inschakelen van twee onteigeningsdeskundigen redelijk was en dat de kosten in totaal ook binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Dit en een inschatting van die redelijke kosten brengt de rechtbank er toe de kosten van deze deskundigen samen over genoemde periode -er rekening mee houdende dat de deskundige [onteigeningsdeskundige] zijn werkzaamheden eerst op 31 augustus 2010 is aangevangen — in redelijkheid te stellen op (vanwege de BTW-verrekening wordt er een uitsplitsing gemaakt):
— | tot 1 juli 2012 | € | 35.000,-, | incl. BTW |
— | van 1 juli 2012 tot en met 26 maart2013 | € | 10.000,-, | excl. BTW |
De rechtbank constateert dat over de periode april tot en met 8 oktober 2013 nog aanvullende declaraties van [deskundige 2] en [onteigeningsdeskundige] zijn overgelegd. Over deze periode acht de rechtbank de noodzaak van de inschakeling van twee onteigeningsdeskundigen niet toegelicht en de rechtbank acht die noodzaak ook niet aanwezig. Verder geldt dat de problematiek die toen nog actueel was geenszins kan rechtvaardigen dat de twee onteigeningsdeskundigen in totaal nog ruim 80 uur in rekening hebben gebracht. De rechtbank zal daarom de redelijke kosten moeten schatten. Gelet op het ontbreken van de noodzaak twee onteigeningsdeskundigen in te blijven schakelen en hetgeen nog aan de orde was stelt de rechtbank de redelijke kosten hiervan vast op:
€ 5,000,-(exclusief BTW)
c. kosten buxusdeskundigen
2.21.
De rechtbank acht het redelijk dat ten aanzien van de buxusopstand aparte deskundigheid is aangezocht. [gedaagden] c.s. hebben echter niet afdoende duidelijk kunnen maken dat het gerechtvaardigd was na de deskundige [partij-deskundige 1] ook de deskundige [partij-deskundige 2] in te schakelen -dat Rijkswaterstaat de buxusplanten ten onrechte als zeer slecht kwalificeerde is daartoe op zichzelf nog geen voldoende reden- en met name vergde de redelijkheid van het zeer forse aantal uren (223,8 uur van [partij-deskundige 1] en 55,5 uur van [partij-deskundige 2]) een toelichting, die is uitgebleven. Dit betekent dat de rechtbank ook hier matiging tot een redelijke omvang gelet op de overigens complexe problematiek op dit punt, op zijn plaats acht De rechtbank begroot de redelijke kosten voor [partij-deskundige 2] en [partij-deskundige 1] samen op:
— | tot 1 juli 2012 | € | 18.000,-, | incl. BTW |
— | vanaf 1 juli 2012 tot en met 2 april 2013 | € | 5.000,-, | excl. BTW |
2.22.
De rechtbank acht het redelijk dat [gedaagden] c.s. naar aanleiding van het inschakelen door de deskundigen van [deskundige 1] vervolgens [deskundige 3] hebben ingeschakeld voor een extra, specifieke, opinie. De kosten van [deskundige 3] komen dan ook integraal voor vergoeding in aanmerking.
Het gaat hier om | € | 3.500,-, | excl. BTW |
2.23.
De kosten van de rechtbank deskundigen belopen in totaal € 138.574,11, als hierna onder de beslissing gespecificeerd Die worden ten laste van de Staat gebracht. Daarvan is volgens opgave van-de deskundigen reeds € 3.691,18 voldaan, zodat nog resteert te betalen € 134.882,93.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
stelt het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan [gedaagden] c.s. verschuldigde schadeloosstelling vast op € 1.402.033;- (één miljoen vierhonderdentweeduizend drieëndertig euro),
3.2.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagden] c.s. te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 204.533,- (tweehonderdduizend vijfhonderdendrieëndertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,
3.3.
wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: De Bossche Omroep te 's‑Hertogenbosch,
3.4.
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] c.s. begroot op € 100.293,70 ter zake van juridische bijstand en € 76.500,- ter zake overige deskundige bijstand,
3.6.
veroordeelt de Staat tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op € 138.574,11,93 waarvan
— | € | 113.999,03 | voor salarissen |
— | € | 1.875,35 | voor verschotten |
— | € | 22.699,73 | voor omzetbelasting |
verstaat dat hiervan reeds € 3.691,18 is voldaan, zodat resteert te betalen € 134.882,93,
3.7.
verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B, van Daalen, mr. J.A. Bik en mr. H. Benek en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.
w.g. de griffier
w.g. de rechter
Voor […]
De griffier […]Rechtbank Oost-Brabant.
Uitspraak 03‑07‑2013
Mrs. J.K.B. van Daalen, J.A. Bik, H. Benek
Partij(en)
Vonnis van 3 juli 2013 in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Noord-Brabant)
gevestigd te 's‑Gravenhage,
eiser,
advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem,
tegen
- 1.
[gedaagden],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 3.
[gedaagden],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
gedaagden,
advocaat mr. P.J.L. Tacx te Roermond.
Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagden] c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Bij tussen partijen gewezen vonnis van 10 november 2010 werd de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagden] c.s. op EUR 1.197.500,00.
1.2.
Het onteigeningsvonnis is op 2 februari 2011 ingeschreven in de openbare registers.
1.3.
Deskundigen hebben op 8 juli 2011 het conceptrapport aan partijen toegezonden. Namens [gedaagden] c.s. is daarop gereageerd bij brief van mr. Goorts aan deskundigen d.d. 21 september 2011. Namens de Staat is medegedeeld dat geen gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid commentaar te leveren op het conceptrapport.
1.4.
Op 5 april 2012 hebben de deskundigen hun definitieve rapport d.d. 4 april 2012 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. Op 17 september 2012 hebben de deskundigen een nader rapport d.d. 14 september 2012 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank.
1.5.
Bij vonnis d.d. 6 maart 2013 is het verzoek van [gedaagden] c.s. om de door de rechtbank benoemde deskundige(n), althans ing. [naam 1], te ontslaan en te vervangen door (een) nieuwe deskundige(n), afgewezen.
1.6.
Partijen hebben hun zaak vervolgens doen bepleiten op 26 maart 2013.
Ten pleidooie heeft mr. Goorts pleitnotities, bestaande uit deel 1 en deel 2, overgelegd. Door mr. Ten Kate is een pleitnota overgelegd.
Zijdens [gedaagden] c.s. zijn bij akte d.d. 26 maart 2013 (op voorhand toegezonden bij brief van mr. Goorts, ontvangen op 18 maart 2013) een drietal producties in het geding gebracht. Ter zitting is een nadere opdracht gegeven aan deskundigen.
1.7.
Bij mail van 4 april 2013 heeft mr. Van Heijst opgave gedaan van de kosten voor de rechtbankdeskundigen, met als bijlage de kostenopgave van elk van de deskundigen afzonderlijk met bijbehorende urenspecificatie.
1.8.
Bij akte ter rolle van 17 april 2013 heeft [gedaagden] c.s. opgave gedaan van de gemaakte kosten van juridische en andere deskundige bijstand, onder overlegging van producties.
1.9.
De deskundigen hebben op 8 mei 2013 het gevraagde nadere advies uitgebracht.
1.10.
Bij akte ter rolle van 22 mei 2013 heeft de Staat een akte reactie kostenopgaven genomen.
1.11.
De rechtbank heeft vonnis bepaald.
2. De schadeloosstelling
2.1.
De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in het vonnis van onteigening heeft overwogen en beslist. Nu de onteigening met sequelen reeds vervroegd is uitgesproken, rest thans de beslissing op de aan [gedaagden] c.s. toe te kennen schadeloosstelling. Voor wat betreft de onder 8 van het deskundigenrapport d.d. 4 april 2012 genoemde andere rechthebbenden c.q. derde-belanghebbenden geldt dat daarmee volgens de Staat een regeling is getroffen.
2.2.
Blijkens hun (nader) rapport van 14 september 2012 zijn de deskundigen van mening dat de schadeloosstelling voor [gedaagden] c.s. als volgt dient te worden begroot:
— | waarde onteigende | EUR | 974.283,70 |
meerwaarde wegens vrijkomende bodembestanddelen | nihil | ||
— | waardevermindering overblijvende | 45.760,00 | |
— | overige schade | 192.503,00 | |
Totaal | EUR | 1.212.547,70 |
2.3
Zijdens [gedaagden] c.s. is ten pleidooie primair verzocht de door de rechtbank benoemde deskundigen althans de deskundige [naam 1] te vervangen. Zij hebben daartoe aangevoerd —kort gezegd— dat de rechtbank in het tussenvonnis van 6 maart 2013 ten onrechte heeft geoordeeld dat er voor de vervanging van de deskundige c.q. de deskundige [naam 1] onvoldoende grond aanwezig is en dat het aanblijven van de deskundige [naam 1] tot een rechtsgang leidt die in strijd is met artikel 6 van het EVRM, omdat de neutraliteitsgebreken die kleven aan de deskundigen, althans de deskundige [naam 1], direct de onpartijdigheid van de rechtbank raken. [gedaagden] c.s. hebben de rechtbank verzocht ‘de onafhankelijkheid van deskundigen in het licht van 6 EVRM kritisch te beoordelen’ en op haar eerdere beslissing terug te komen.
Zijdens de Staat is aangevoerd dat deze kwestie al zonder voorbehoud en bindend is beslecht in het tussenvonnis van 6 maart 2013 en dat er derhalve sprake is van een bindende eindbeslissing. Volgens [gedaagden] c.s. geldt in onteigeningszaken niet de leer van de bindende eindbeslissing, zodat het de rechtbank vrijstaat om in dit vonnis terug te komen op die eerdere beslissing.
2.4.
De rechtbank oordeelt dat een processuele beslissing als de onderhavige, te weten een beslissing op een verzoek tot vervanging van een deskundige, geen beslissing is omtrent enig feitelijk of juridisch geschilpunt tussen partijen, zodat de rechtbank daaraan in het verdere verloop van het geding ook niet gebonden is. Met andere woorden: de leer van de bindende eindbeslissing is hier hoe dan ook niet aan de orde. Het staat een partij als [gedaagden] c.s. ook vrij zijn verzoek te herhalen. De rechtbank acht evenwel geen grond aanwezig om tot een ander oordeel te komen dan in het tussenvonnis van 6 maart 2013, omdat de rechtbank hetgeen toen is overwogen en beslist nog steeds juist acht en geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd omtrent het beweerde gebrek aan neutraliteit/onpartijdigheid van de deskundige [naam 1] c.q. de schijn daarvan. De rechtbank constateert andermaal dat het gewraakte optreden van [naam 1] als partij-deskundige voor de Staat in beginsel vragen opriep omtrent zijn onafhankelijkheid als deskundige, maar dat in de specifieke omstandigheden van het geval dit onvoldoende reden gaf de deskundige [naam 1] te vervangen. [gedaagden] c.s. nemen verder ten onrechte niet in beschouwing dat zij er aanvankelijk zelf voor hebben gekozen om niet de vervanging van de deskundige te vragen en dit eerst na het uitbrengen van de advisering van de deskundigen hebben gedaan, zonder nieuwe feiten en/of omstandigheden aan te voeren.
2.5.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank geen grond aanwezig acht om (alsnog) tot vervanging van een of meer deskundigen over te gaan.
2.6.
Zijdens [gedaagden] c.s. zijn een aantal bezwaren tegen het deskundigenbericht naar voren gebracht. Ook de Staat heeft bezwaren geformuleerd. De rechtbank zal de schadeposten alsmede de daartegen eventueel opgeworpen bezwaren hierna afzonderlijk bespreken. De rechtbank houdt de volgorde van het deskundigenadvies aan.
Waarde losse agrarische grond, premie uit handen breken en waarde huiskavel
2.7.
De deskundigen hebben de waarde van 14.11.63 ha losse agrarische grond bepaald op € 6,80 per m2, hierbij rekening houdend met een opslag van € 0,30 ten opzichte van een echte veldkavel omdat de grond is gelegen ‘nagenoeg direct aaneengesloten aan de huiskavel’. [gedaagden] c.s. hebben gemotiveerd betoogd dat de waarde van de grond hoger ligt.
Ter zitting is aan de orde gekomen of de deskundigen bij hun waardebepaling voldoende rekening hebben gehouden met hun eigen vaststelling dat de prijs van agrarische grond in het betreffende gebied sinds met name begin 2009 een sterk stijgende tendens vertoont. Ter zitting is aan de deskundigen opdracht gegeven daarover nader te rapporteren. De deskundigen hebben inmiddels een nader advies d.d. 8 mei 2013 uitgebracht, met als conclusie dat de deskundigen geen aanleiding zien om hun advies over de waarde van de onteigende cultuurgrond per peildatum aan te passen. Ter gelegenheid van nader te noemen zitting zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld desgewenst in te gaan op het nadere advies.
De rechtbank wacht eventuele reacties van partijen af en zal daarom thans nog niet inhoudelijk ingaan op deze kwesties, behoudens dat vastgesteld wordt dat tegen de waardering van de huiskavel zelf ad € 12.500,- geen bezwaren zijn aangevoerd en dat de rechtbank zich op dit punt verenigt met het deskundigenadvies.
Waarde buxusopstand
2.8.
Allereerst is in geschil hoeveel buxusplanten er op de peildatum stonden. De deskundigen hebben een onafhankelijke telling daarnaar laten uitvoeren die uitkomt op 113.081 buxusplanten. Anders dan [gedaagden] c.s. hebben aangevoerd behoorde het tot de taak van de deskundigen zelfstandig te bezien hoeveel buxusplanten er op de peildatum aanwezig waren, omdat dit van belang is voor de begroting van de schade. [gedaagden] c.s. trekken de juistheid van de uitkomst van de telling in twijfel, maar de enkele —niet goed onderbouwde— twijfel van [gedaagden] c.s. is onvoldoende om aan te nemen dat de telling niet zorgvuldig is uitgevoerd. Dat het volgens (de deskundigen van) [gedaagden] om 133.500 buxusplanten ging is onvoldoende om aan de feitelijke telling af te kunnen doen.
2.9.
De Staat heeft [gedaagden] c.s. het voortgezet gebruik van het perceel met daarop de buxusplanten aangeboden tot 1 juli 2011, waarvan [gedaagden] c.s. gebruik hebben gemaakt. Dat gaf [gedaagden] c.s. de gelegenheid tot 1 juli 2011 het verkoopseizoen 2010/2011 af te maken. Volgens de deskundigen hadden [gedaagden] c.s., als redelijk handelend onteigenden, de nog resterende buxusplanten voor 1 juli 2011 kunnen overplaatsen naar een vervangend perceel teneinde aldaar de teelt van deze resterende opstand in een nieuw plantverband voort te zetten, zonder inkomensverlies te lijden. De deskundigen hebben ter zitting aangegeven dat redelijk handelende ondernemers als [gedaagden] c.s. uit een oogpunt van schadebeperking daartoe zouden zijn overgegaan, mits het reële vooruitzicht bestond dat geen inkomensverlies zou worden geleden. Dat was volgens de deskundigen het geval, waarbij zij verwijzen naar de herziene berekeningen op dit punt van [naam 4], bijlage 8 bij het rapport van de deskundigen.
[gedaagden] c.s. hebben gemotiveerd bestreden dat er op de peildatum een reëel vooruitzicht was dat de buxusopstand tijdig kon worden verplaatst naar een daarvoor geschikt en ook voorhanden perceel vervangende grond en dat dit zonder inkomensverlies kon worden gerealiseerd. Zij hebben daartoe onder meer specifiek verwezen naar een Rapport van [naam 5] d.d. 14 maart 2013.
2.10.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagden] c.s. alleen recht hebben op vergoeding van bijkomende schade indien die het noodzakelijk gevolg is van de onteigening en dat daarvan geen sprake is indien de onteigende kan worden verweten dat hij zich niet op een rationele en redelijke wijze aan de gevolgen van de onteigening aanpast c.q. indien de onteigende de door hem als gevolg van de onteigening te lijden schade niet zoveel als redelijkerwijs mogelijk beperkt. In dit geval dient dus te worden beoordeeld of een rationeel en redelijk handelend onteigende als [gedaagden] c.s. in de omstandigheden waarin deze verkeerden redelijkerwijs hun schade zouden beperken door in de periode tussen de peildatum, 2 februari 2011, en 1 juli 2011 tot verplaatsing van de buxusopstand over te gaan.
2.11.
De rechtbank constateert dat voorafgaand aan de peildatum de Staat de kwaliteit van de buxusopstand niet hoog achtte en dat de Staat zich op het standpunt heeft gesteld dat de buxusopstand voor 1 juli 2011 verkocht zou kunnen worden. De partij-deskundigen van [gedaagden] c.s., [naam 2] en [naam 3], hebben de kwaliteit als goed beoordeeld en zijn er in hun rapportages van 2010 van uit gegaan dat alle planten zouden moeten worden gerooid (‘geliquideerd’). [gedaagden] c.s. zouden als een redelijk handelend onteigende per de peildatum met deze gegevens rekening houden. Zij konden daarop echter niet zonder meer afgaan en dienden ook zelfstandig te beoordelen of verplaatsing van de teelt mogelijk en in verregaande mate schadebeperkend zou (kunnen) zijn. Daarbij geldt dat de navolgende feiten en/of omstandigheden daarvoor relevant waren:
- a.
was er vervangende grond voor de teelt beschikbaar en —zo ja— op welke termijn?
- b.
hoeveel tijd was er naar verwachting nodig om de vervangende grond plantklaar te kunnen maken?
- c.
welke werkzaamheden/inspanningen waren er nodig om de buxusopstand te verplanten en hoeveel tijd zou dat naar verwachting in beslag nemen?
- d.
was dit te combineren met de voortgezette verkoop van een deel van de buxusopstand?
- e.
welke maatregelen waren er nodig om bij en na verplanting uitval te voorkomen?
- f.
hoe hoog zouden de kosten zijn om een en ander te realiseren?
- h.
wat was de te verwachten opbrengst na verplanting?
- i.
wat waren naar inschatting de goede en kwade kansen van deze hele operatie, bijvoorbeeld in het licht van de (noodzakelijke of optredende) weersomstandigheden?
2.12.
Reeds tijdens de descente was bekend dat het Waterschap Aa en Maas de niet door de onteigening getroffen cultuurgrond van [gedaagden] c.s. wilde verwerven ten behoeve van het project Rosmalense AA/Dynamisch Beekdal. Hoewel toentertijd niet duidelijk was op welke termijn dit zich zou voltrekken (in het kader van een onteigening dan wel minnelijke verwerving) lag het daarom niet voor de hand —en kon in ieder geval niet van [gedaagden] c.s. worden verlangd— dat zij eigen (cuituur)grond zouden inzetten ten behoeve van vervangende teelt van buxus, hierbij in aanmerking genomen dat volgens het door de deskundigen aangehaalde rapport van [naam 4] rekening moest worden gehouden met een vervangende teelt voor een termijn van 5 jaar. Inmiddels is er met het Waterschap overeenstemming bereikt over verkoop van de resterende grond.
Niettemin moet uit het rapport van de eigen deskundige van [gedaagden] c.s., [naam 5], worden opgemaakt dat vervangende grond wel beschikbaar was, en wel op basis van pacht [naam 5] schat dat het zoekproces naar geschikte grond zo'n 2 tot 4 weken in beslag zou nemen, hetgeen de rechtbank vooralsnog reëel voorkomt De rechtbank gaat er vanuit dat ook bij de zoektocht naar aan te kopen vervangende grond minimaal met een dergelijke termijn rekening zou moeten worden gehouden. Volgende de deskundige [naam 5] zal de vervangende grond bemonsterd moeten worden op aardappelcyste-aaltjes, de aanwezigheid van knolcuperus en op de bemestingstoestand. Hij rekent daarvoor 5 weken. De deskundigen zijn in hun reactie op dit rapport ter zitting daarop niet ingegaan. Vooralsnog acht de rechtbank dit een redelijke inschatting. Verder is aangenomen dat het plantklaar maken van de grond naar verwachting 2 tot 3 weken zou vergen. Ondernemers als [gedaagden] c.s. zullen enige veiligheidsmarge inbouwen, hetgeen betekent dat zij ervan zouden uitgaan dat zij naar verwachting in ieder geval vanaf 1 mei 2011 tot verplanting zouden kunnen overgaan en daarvoor dus feitelijk de maanden mei en juni 2011 zouden kunnen benutten.
2.13.
Er met de deskundigen van uitgaande dat 15% van de opstand van 113.081 niet geschikt was om te verplanten en dat nog 24.493 buxusplanten konden worden verkocht, resteerde in beginsel te verplanten 71.626 planten, waarvoor ongeveer 2,39 ha vervangende grond noodzakelijk was. [naam 5] begroot de kosten van 133.500 stuks verplanten op € 274.650,-, er van uitgaande dat dit wordt uitbesteed. Voor 71.626 planten zou dat ruim € 147.000 zijn, terwijl de deskundigen ([naam 4]) uitgaan van € 58.733(de posten machinaal rondsteken ad € 8.595,- en het laden in kuubkisten + sorteren + machinaal planten ad € 50.138,- opgeteld). Het verschil zit met name in de kosten van het uitzendpersoneel, dat door de deskundige [naam 5] is begroot op € 50 per uur, terwijl de deskundigen uitgaan van € 17,50 per uur. De deskundigen hebben ter zitting aangegeven dat dit laatste bedrag de laagste prijs is die door uitzendbureau's voor personeel dat moet zorgdraaien voor het oprooien in kuubkisten en het planten in rekening wordt gebracht. Dit is ter zitting nog voorgelegd aan de partij-deskundige [naam 3] die heeft aangegeven dat € 17,50 een minimumbedrag is en dat voor dergelijke werkzaamheden moet worden gerekend met een bedrag van € 17,50 tot 6 25,- per uur en niet kan worden uitgegaan van een gemiddelde van € 17,50 per uur. De rechtbank acht het op basis van al deze feitelijke gegevens redelijk dat bij de begroting op de peildatum van de kosten van het verplaatsen zou worden uitgegaan van een gemiddelde prijs van € 22,50 per uur. Dat levert een aanzienlijke correctie op van de taxatie van [naam 5]. In plaats van de door hem aangenomen kosten voor het uitzendpersoneel van (omgerekend naar 71.626 planten) € 104.193, moet dan immers worden uitgegaan van € 46.886. De rechtbank moet dan ook constateren dat de berekening van [naam 5] te hoog is en zal daarom zoveel mogelijk aansluiten bij de berekening van de deskundigen, met een correctie van genoemde uurprijs van € 17,50 per uur naar € 22,50 per uur, die de rechtbank ook zal doorberekenen in de machine-uren (traktor met persoon). De uurkosten voor het oprooien bedragen dan € 95,= per uur en die voor het planten € 145,- per uur, hetgeen leidt tot een meerkostenbedrag van in totaal € 7.700,-. Rekening houdende met enige organisatiekosten en mogelijke tegenvallers, moet dan ook worden aangenomen dat een redelijke begroting op de peildatum van de totale kosten van het verplanten op ongeveer € 80.000,-, zou sluiten, alle posten die in de berekening van [naam 4] (aangepaste bijlage 3) onder ‘specificatie kosten verplanten’ zijn opgenomen inbegrepen.
2.14.
De volgende vraag die dan beantwoording behoeft is of [gedaagden] c.s. er redelijkerwijs van uit moesten gaan dat zij in de maanden mei en/of juni ook feitelijk in staat zouden zijn geweest tot het verplanten van genoemde 71.626 planten. Volgens [naam 5] is dat niet het geval en kan in die periode gezien de te verwachten weersomstandigheden slechts gedurende ongeveer 2 weken worden verplant. Volgens hem dient het verplanten te geschieden bij donker weer, lagere temperaturen en regelmatige lichte regen en verdient verplanten bij zonnig warm weer geen aanbeveling, ook niet met ondersteuning van een beregening. De uitval zal dan onverantwoord hoog liggen, aldus [naam 5].
De deskundigen hebben zich niet expliciet uitgelaten over de vraag of al dan niet kan worden uitgegaan van een volledige benutting van de maanden mei en juni 2011 voor de verplanting. Uit de berekening van [naam 4] en de reactie van deskundigen ter zitting is niet duidelijk geworden of zij al dan niet onderschrijven dat naar de verwachting op de peildatum in de maanden mei en juni 2011 slechts twee weken beschikbaar zouden zijn voor verplanting en of in die twee weken dan ook de 71.616 planten (of wellicht minder) konden worden verplant. Verder is hierbij uiteraard van belang dat [gedaagden] c.s. op de peildatum ook rekening moesten houden met ongunstige weersomstandigheden voor verplanting, dus volgens [naam 5] te warm/zonnig weer, en wat dat betekent voor de aanname dat 71.616 planten konden worden verplant. Naar de rechtbank begrijpt gaat [naam 4] er van uit dat de verplanting zou plaatsvinden in februari, maart en april 2011. Vooralsnog acht de rechtbank dat per de peildatum een te optimistische inschatting, in aanmerking genomen dat toen nog een vervangend perceel moest worden verworven of gepacht, dat dat perceel nog aan onderzoek diende te worden onderworpen en nog plantklaar moest worden gemaakt. Het is de rechtbank in dat verband overigens ook niet duidelijk hoe een verplanting in deze periode feitelijk te combineren is met het alsnog verkopen van 24.493 buxusplanten. De rechtbank behoeft op deze punten nadere inlichtingen van de deskundigen en zal daartoe een terechtzitting beleggen. Deze zal tevens dienen om de Staat in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de rapportage van [naam 5], aangezien hij daartoe feitelijk nog niet c.q. onvoldoende in de gelegenheid is geweest.
2.15.
In dit kader acht de rechtbank het van belang nader voorgelicht te worden over de vragen of verplanting in de periode mei en/of juni 2011 tot naar verwachting hogere kosten en/of extra werkzaamheden zou(den) leiden dan de deskundigen hebben voorzien, mede in het licht van het voorkomen van te hoge uitval, en of bij verplanting in die periode op de peildatum met een hogere uitval rekening moest worden gehouden dan thans in het deskundigenrapport aangenomen.
2.16.
Ten aanzien van de opbrengst van de buxusplanten na verplaatsing geldt dat [gedaagden] c.s. de berekeningen van de deskundigen omtrent de te verwachten opbrengst niet serieus hebben bestreden. De rechtbank acht die berekeningen deugdelijk gemotiveerd, zodat in beginsel kan worden uitgegaan van de opbrengsten per plant als door [naam 4] in zijn aangepaste berekening weergegeven. Die berekeningen komen er op neer dat de totale opbrengst van de teelt na 1 juli 2011 op het onteigende, dus de onteigening weggedacht, € 303.718,- zou hebben bedragen, exclusief de opbrengst van de verkoop gedurende de periode van voortgezet gebruik tot 1 juli 2011. Naar de rechtbank uit dat rapport begrijpt is dat bedrag niet contant gemaakt. De opbrengst na verplanting beloopt in de herziene berekening van [naam 4] € 656.576,-, waarop in mindering moeten worden gebracht:
a. | geschatte kosten verplanten (zie hiervoor) | € | 80.000,- |
b. | teeltkosten (€ 207.226 minus € 64.811,-) | € | 142.415,- |
c. | afleverklaar maken | € | 102.067.- |
Totaal | € | 324.482,- | |
Dit betekent dat er netto resteert (€656.576,- minus € 324.482,-) € 332.094,-, hetgeen meer is dan genoemd bedrag van € 303,718,-. De opbrengst van € 332.094,- wordt echter later gerealiseerd dan de opbrengst bij voortgezet gebruik na 1 juli 2011. [naam 4] gaat er immers in zijn berekeningen van uit dat bij voortgezet gebruik de buxusbollen hadden kunnen worden afgekweekt tot en met het handelsseizoen 2011/2012 en de buxuspyramides tot en met 2013/2014, terwijl in de situatie na verplanting in verband met groeistilstand en na het verplanten en het maximaliseren van de opbrengst de bollenverkoop en pyramideverkoop door zou moeten lopen tot en met het handelsseizoen 2015/2016. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de opbrengsten daarom door de deskundigen nog vergelijkbaar te worden gemaakt, bijvoorbeeld door die (deels) contant te maken. De deskundigen dienen daartoe nog een berekening over te leggen. Verder constateert de rechtbank dat de deskundigen geen rekening hebben gehouden met (eventuele) financieringslasten voor de kosten van de verplanting ad € 80.000,-. De deskundigen dienen zich daarover nog uit te laten en zonodig dit in hun berekening mee te nemen.
Waarde vrijkomende bodembestanddelen.
2.17.
De deskundigen hebben in hun advies van 4 april 2012 en het nadere advies van 14 september 2012 goed gedocumenteerd en goed gemotiveerd uiteengezet dat de Staat een voordeel geniet van € 38.200,-,- wegens de aanwezigheid van herbruikbare bodembestanddelen in de onteigende percelen/perceelsgedeelten van [gedaagden] c.s. In dat verband hebben de deskundigen uiteengezet dat er ten tijde van de peildatum enerzijds een groot aanbod was van zand en —in mindere mate— grond, doordat op dat moment diverse grote werken tegelijk in uitvoering waren waarbij substantiële hoeveelheden zand en grond vrijkwamen, waaronder diverse deelprojecten van Ruimte voor de Rivier (Overdiepse Polder, Noordwaard, Lent) en het project Zuid-Willemsvaart Daartegenover stond volgens de deskundigen onder invloed van de crisis in de bouw slechts een zeer beperkte vraag naar zand en grond. De deskundigen merken over de prijs dan vervolgens op: ‘In deze omstandigheden zijn in elk geval de prijzen voor zand en grond in de regio Oost-Brabant flink onder druk komen te staan. Deskundigen hebben niet de beschikking kunnen krijgen over eenduidige gegevens over ‘de waarde’(prijzen) van de diverse soorten bodem bestanddelen per de peildatum; zij hebben daarom diverse marktpartijen geraadpleegd en mede op basis van hun bevindingen uit die contacten een eigen inschatting gemaakt van deze waarde/prijzen per peildatum.’ De Staat heeft hiertegen geen bezwaren geformuleerd. [gedaagden] c.s. stellen dat uit de door de deskundigen van [gedaagden] c.s. verkregen informatie is gebleken dat er zowel bij de werken in de Overdiepse polder en de Noordwaard een tekort is aan zand en grond in plaats van een overschot.
De rechtbank volgt op dit punt het deskundigenrapport Hetgeen [gedaagden] c.s. daar tegenover stellen is te weinig concreet om aan het advies van de deskundigen te kunnen afdoen.
2.18.
Terecht gaan de deskundigen er van uit dat genoemd voordeel volgens vaste jurisprudentie in beginsel op basis van 50–50 dient te worden verdeeld tussen de Staat en [gedaagden] c.s, zodat het aandeel van [gedaagden] c.s. moet worden begroot op € 19.100,-. In de specifieke omstandigheden van dit geval komen de deskundigen echter tot de conclusie dat de aanwezige bodembestanddelen in het vrije economische verkeer niet tot een afzonderlijke vergoeding hiervan zou leiden, omdat een deel van het te ontgraven onteigende —een oppervlakte van 5.000 m2— was beplant met buxus en die buxusplanten zouden moeten worden verplant/verplaatst om de winning van de bodembestanddelen mogelijk te maken. Volgens de deskundigen moeten deze kosten van verplaatsing van de buxusaanplant in mindering strekken op het aan [gedaagden] c.s. toekomende aandeel in het voordeel van de Staat ‘omdat zonder het verplaatsen van deze buxusaanplant dit voordeel niet gerealiseerd had kunnen worden’. [gedaagden] c.s. betogen dat de deskundigen onjuist redeneren.
2.19.
De rechtbank volgt de deskundigen op dit punt niet Er moet immers worden uitgegaan van de veronderstelling (de fictie) dat op het tijdstip van de onteigening, in plaats van de gedwongen ontneming, een vrijwillige verkoop op commerciële basis zou plaatsvinden tussen de onteigenende partij als koper en de onteigende partij als verkoper. Die redelijk handelende koper en redelijk handelende verkoper onderhandelen dan over een (ver)koop met aan beide zijden de wetenschap dat de koper —in casu de Staat— de in de grond aanwezige bodembestanddelen commercieel kan benutten, als in het rapport van de deskundigen weergegeven. Die redelijk handelende partijen zullen dan tot een verdeling op basis 50–50 van dat commerciële voordeel komen. Waar het in essentie om gaat is dat de in het te onteigenen latente meerwaarde, welke slechts ter gelegenheid van de onteigening kan worden gerealiseerd, in de werkelijke waarde van het onteigende tot uitdrukking dient te komen, volgens de verdeelsleutel van 50–50 die redelijk handelende partijen in de regel zullen overeenkomen. Dit betekent dat de waarde van het onteigende moet worden verhoogd met € 19.100,-.
Waardevermindering van het gehele overblijvende
2.20.
Volgens [gedaagden] c.s. moet worden gerekend met waardevermindering van het gehele overblijvende, omdat het bedrijf met 14 ha. wordt verkleind en het werk er toe leidt dat er geen uitbreidingsmogelijkheden meer zijn. De onteigening heeft tot gevolg, dat er sprake is van een ingesloten complex van bijna 30 ha, aldus [gedaagden] c.s. Zij wijzen er verder op dat er na onteigening een ongunstige verhouding ontstaat tussen enerzijds de bedrijfsgebouwen en anderzijds de resterende grond.
2.21.
De deskundigen hebben gemotiveerd aangegeven dat voor onteigening het areaal bij de 2 woningen en de grote, kostbare, bedrijfsgebouwen voor deze regio uitzonderlijk groot was en de door de onteigening ontstane verkleining geen negatieve invloed op de courantheid van het complex heeft, zodat geen waardevermindering van dat complex of het daartoe nog behorende areaal gronden optreedt. Ter zitting hebben de deskundigen nog toegelicht dat het niet alleen gaat om een melkveebedrijf, maar dat de bedrijfsvoering voor een belangrijk deel het loonbedrijf betreft. Volgens de deskundigen was het aantal gegadigden voor het bedrijf, alle grond daaronder begrepen, voorafgaand aan de onteigening vanwege de forse grootte daarvan klein en is mede daarom geen sprake van waardevermindering van al het overblijvende.
De rechtbank acht aldus het bezwaar van [gedaagden] c.s. voldoende gemotiveerd weerlegd. De rechtbank volgt op dit punt het advies van de deskundigen.
Waardevermindering losse percelen.
2.22.
De deskundigen hebben in hun advies van 4 april 2012 deels rekening gehouden met de kritiek die [gedaagden] c.s. op dit punt hadden. Thans bestrijden [gedaagden] c.s. nog dat het overblijvende van perceel F317 niet in waarde vermindert. Zij stellen dat na onteigening van 03.09.99 ha van dit perceel van 03.31.78 ha nog slechts een resthoek van 2.179m2 resteert, met een ongunstige ligging en vorm. Volgens de deskundigen behoudt dit perceel ondanks deze omstandigheden toch zijn agrarische waarde als gevolg van haar ligging naast/grenzend aan het perceel F460 met daarop een burgerwoning (Nijvelaar 4), ook indien rekening gehouden wordt met het feit dat de eigenaar van deze woning vermoedelijk de enige gegadigde zal zijn. Ter zitting hebben de deskundigen aangegeven dat dit perceel inderdaad niet rendabel agrarisch is te exploiteren, maar dat bedoelde eigenaar van de naburige woning een dergelijk perceel vanwege de ligging dicht bij zijn woning aan zijn tuin zou willen toevoegen en daar minstens de agrarische waarde voor zou willen betalen. Volgens [gedaagden] c.s. zal echter de eigenaar van die burgerwoning een lagere prijs betalen op het moment dat hij weet dat hij de enige koper is voor de grond.
De rechtbank acht het advies van de deskundigen op dit punt overtuigend. Naar de rechtbank begrijpt heeft de grond voor bedoelde gegadigde in beginsel een hogere waarde indien hij deze als tuingrond bij zijn woning kan trekken. Omdat hij als enige gegadigde, en wetend dat het perceel agrarisch niet rendabel te exploiteren is, een sterke positie heeft als koper zal hij, redelijk handelend, niet bereid zijn een daarmee overeenstemmende prijs te betalen. [gedaagden] c.s. zouden echter op hun beurt, redelijk handelend, niet bereid zijn de grond voor een lager bedrag te verkopen dan de agrarische waarde omdat zij weten dat de grond voor bedoelde gegadigde een hogere waarde heeft. De redelijk handelend koper en verkoper zouden elkaar dan kennelijk vinden op de agrarische waarde.
De conclusie is dat de rechtbank op dit punt het advies van de deskundigen volgt. Dat geldt ook voor de overige losse percelen. Op dat punt is het advies overtuigend gemotiveerd.
Waardevermindering van de woningen
2.23.
De rechtbank begrijpt het advies van de deskundigen aldus dat zij zijn uitgegaan van de navolgende waarde van de woningen voor onteigening:
— | woning [a-straat] [01] | € | 360.000,- |
— | woning [a-straat] [a-straat] | € | 450.000,- |
Ter zitting hebben de deskundigen aangegeven dat hun berekening van de waardevermindering ten aanzien van deze woningen is ingegeven door een vergelijking van de waarde voor de onteigening met de waarde na de onteigening (gelijk op pagina 16 bovenaan ook blijkt uit de genoemde percentages van 7% en 2,25%), zodat er van moet worden uitgegaan dat de deskundigen de waarde van de woningen na onteigening hebben begroot op respectievelijk € 335.000,- en € 440.000,-, hetgeen resulteert in een waardevermindering van respectievelijk € 25,000,- en € 10.000,-. [gedaagden] c.s. stellen dat aldus onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de Beusingsedijk ongeveer 20 centimeter hoger komt te liggen en het talud ongeveer 5 meter dichter bij beide woningen komt te liggen. De rechtbank volgt hen daarin niet. Onderaan pagina 15 van het advies van deskundigen van 4 april 2012 hebben de deskundigen er rekenschap van gegeven dat zij hiermee wel degelijk rekening hebben gehouden en hebben zij aangegeven waarom de invloed daarvan op de waarde van de woningen relatief gering is. De rechtbank acht dat overtuigend.
Omrijschade
2.24.
[gedaagden] c.s. voeren aan dat de deskundigen bij de berekening van de omrijschade ten onrechte uitgaan van 4 in plaats van 5 sneden per jaar en dat de gemiddelde snelheid van 25 km/u voor de trekker niet reëel is, omdat dit tevens de wettelijk toegelaten maximumsnelheid is.
De rechtbank volgt op dit punt het deskundigenadvies. De deskundigen hebben deugdelijk gemotiveerd dat in casu moet worden uitgegaan van een gebruik als bouwland en dat dan kan worden volstaan met minder bewerkingen. [gedaagden] c.s. hebben verder niet aangevoerd dat zij feitelijk in het algemeen het gemiddelde van 25 km/u niet halen. In dat verband valt op dat ook in het door [gedaagden] c.s. overgelegde taxatierapport van ir. [naam 6] (pagina 14) wordt uitgegaan van een gemiddelde rijsnelheid van 25 km/u. Die gemiddelde snelheid is kennelijk in overeenstemming met de werkelijkheid.
2.25.
De Staat heeft betoogd dat bij de berekening van de deskundigen van de investeringsschade ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de rendabele investering in de vervangende grond € 6,80 bedraagt (€7,50 minus € 0,70 premie uit handen breken), zodat van investeringsschade geen sprake is. Verder wijst de Staat er op dat na herinvestering, uitgaande van de juistheid van het deskundigenrapport, een gedeelte van het vrijkomend kapitaal resteert van € 61.177 en dat de rente daarover kan worden aangewend ter compensatie van de inkomensschade (omrijschade). De deskundigen hebben ter zitting aangegeven dat de Staat op deze punten het gelijk aan zijn zijde heeft, hetgeen de rechtbank onderschrijft. De rechtbank verzoekt de deskundigen, rekening houdend met de huidige stand van hun advisering en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de bodembestanddelen, ten behoeve van de nog te houden zitting een aangepaste berekening te maken. De rechtbank laat in dit verband vooralsnog in het midden of ten aanzien van de buxusopstand tot een aangepaste berekening moet worden gekomen.
Drainage overblijvende percelen
2.26
Ter zitting hebben [gedaagden] c.s. aangevoerd dat werkzaamheden op het overblijvende dienen te worden uitgevoerd om een bevredigende oplossing te bereiken voor de hydrologische effecten van de aanleg van de Zuid Willemsvaart. Daartoe verwijzen zij naar een rapport van Royal Haskoning d.d. 8 februari 2013. Volgens hen is uit overleg tussen het Waterschap, Rijkswaterstaat en [gedaagden] c.s. gebleken dat op de niet onteigende percelen in het najaar ingrijpende en schadetoebrengende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De rechtbank kan niet inzien dat dit tot een aanvullende schadeloosstelling moet leiden. Indien het standpunt van [gedaagden] c.s. juist zou zijn, dan moet worden aangenomen dat de Staat die maatregelen neemt die nodig zijn. Voor zover dat schade toebrengt aan [gedaagden] c.s. zal de Staat alsdan die schade moeten vergoeden. Dat is althans de verwachting waarmee ten tijde van de onteigening rekening mocht worden gehouden. Verder geldt overigens dat [gedaagden] c.s. naar mag worden aangenomen feitelijk geen schade zullen leiden, omdat volgens hun eigen stellingen met het Waterschap overeenstemming is bereikt over de aankoop van de na onteigening resterende gronden.
Kostenopgaves
2.27.
De deskundigen hebben na het pleidooi een kostenopgave gedaan die sluit op een totaalbedrag van € 99.598.97. Daarin zijn de kosten van het nadere advies na pleidooi nog niet begrepen. De Staat heeft hiertegen geen bezwaren ingebracht.
2.28.
[gedaagden] c.s. hebben een kostenopgave gedaan van de rechtskundige en partijdeskundige bijstand.
De kosten van de rechtskundige bijstand belopen van mr. Goorts belopen € 113.305,95. De kosten van de partij-deskundigen belopen volgens [gedaagden] c.s.:
- —
deskundige [naam 7] € 23.132,35
- —
deskundige [naam 8] € 34.201,24
- —
deskundige [naam 3] € 21.780,00 (incl. BTW is dat € 26.030,32)
- —
deskundige [naam 2] € 7.329,33
- —
deskundige [naam 5] € 4.235,00
2.29.
De Staat stelt zich op het standpunt dat niet alle kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Meer in het algemeen betoogt de Staat dat het advies van de deskundigen maar in geringe mate naar boven afwijkt van het aanbod van de Staat en dat deze onteigeningsprocedure onontkoombaar is gebleken, omdat [gedaagden] c.s. aanspraak maakten op een ruim 2x hogere schadeloosstelling. Dat dient volgens hem te worden betrokken bij de vraag in hoeverre de opgevoerde kosten redelijk zijn. Verder meent de Staat dat het inschakelen van 5 partij-deskundigen niet redelijk is en dat in deze zaak had kunnen worden volstaan met één ‘gewone’ partij deskundige, aangevuld met één deskundige op het gebied van de bomenteelt. Verder komt volgens de Staat de verrekenbare BTW niet voor vergoeding in aanmerking.
2.30.
Meer specifiek heeft de Staat ten aanzien van de declaraties het volgende naar voren gebracht:
- —
de kosten verbonden aan het voeren van verweer tegen de onteigening behoren niet voor vergoeding in aanmerking te komen;
- —
de kosten van het vergeefse cassatieberoep en de procedure tot herziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State evenmin;
- —
de kosten van mr. Goorts zijn, mede gelet op het door hem gehanteerde uurtarief, buitensporig, bijvoorbeeld ten aanzien van de reistijd en de voorbereiding van het pleidooi;
- —
de kostenopgave van [naam 8] is niet gespecificeerd;
- —
de omvang van de tijdsbesteding van de deskundige [naam 3] van 223,8 uur aan de kwestie van de boomopstand is verre van redelijk. Een tijdsbesteding van 50 uur had toereikend moeten zijn;
- —
het totaal van de overgelegde declaraties van [naam 2] is € 6.375,32.
2.31.
De discussie over de kosten zal ter zitting nader aan de orde worden gesteld. Reeds op voorhand overweegt de rechtbank het navolgende. Art. 50 lid 1 Ow bepaalt dat de kosten van het proces ten laste komen van de onteigenende partij, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen de proceskosten ter zake van de onteigening als zodanig en de proceskosten ter zake van de vaststelling van de schadeloosstelling. Er kan niet worden aangenomen dat art. 50 lid 1 Ow de onteigende slechts aanspraak geeft op vergoeding van dat deel van de door hem gemaakte proceskosten dat betrekking heeft op de vaststelling van de schadeloosstelling. Opmerking verdient hierbij dat de onteigeningsrechter wèl toetst of de kosten waarvan de onteigende partij op de voet van art. 50 lid 1 Ow vergoeding verlangt redelijkerwijs zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, en dat hij daarbij tot het oordeel kan komen dat buitensporige kosten die de onteigende gemaakt heeft voor het voeren van een bij voorbaat kansloos verweer tegen de vordering tot vervroegde onteigening, niet of in verminderde mate voor vergoeding in aanmerking komen. Bij die toets geeft de wet aan de rechter een grote vrijheid terwijl het vierde lid van art. 50 Ow hem door de gebezigde bewoordingen in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (zie HR 18 januari 2013; LJN BY0547)
Dit tot uitgangspunt nemende geldt dat de rechtbank in de specifieke omstandigheden van dit geval geen aanleiding ziet om de kosten van mr. Goorts verbonden aan het voeren van verweer tegen de onteigening, waarvan het verweer ten aanzien van de onderhandelingen, slechts een beperkt deel uitmaakte, niet voor vergoeding in aanmerking te nemen. Met de Staat is de rechtbank echter van oordeel dat de kosten van het cassatieberoep en de kosten van de herzieningsprocedure ten laste van [gedaagden] c.s. dienen te blijven. Hierbij is nog van belang dat daarin geen inhoudelijke beslissing is gevolgd door een fout die aan [gedaagden] c.s. moet worden toegerekend. Het is niet duidelijk of dergelijke kosten thans zijn opgevoerd, [gedaagden] c.s. dienen ter zitting daarover duidelijkheid te verschaffen.
Ten aanzien van de uren die gemoeid zijn met de voorbereiding van het pleidooi en het voeren van overleg geldt dat het totaal van de daaraan bestede uren de rechtbank vooralsnog erg hoog voorkomt. [gedaagden] c.s. zullen daarover ter zitting nog informatie kunnen verschaffen.
2.32.
Een partij als [gedaagden] c.s. die zich bedient van 5 partij-deskundigen zal naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk moeten maken dat de bijstand van al die deskundigen noodzakelijk was en dat het totaal van de opgevoerde kosten binnen een redelijke omvang blijft. Dat is vooralsnog onvoldoende gebeurd. Ter zitting zal [gedaagden] c.s. daartoe nog in staat worden gesteld. In dat verband zat een deugdelijke urenverantwoording van de kosten van de deskundige [naam 8] dienen te worden overgelegd. Tevens behoeft de redelijkheid van het aantal door de deskundige [naam 3] gedeclareerde uren een toelichting.
2.33.
Tenslotte gaat de rechtbank er van uit dat [gedaagden] c.s. overeenkomstig hun aanbod door middel van een verklaring van de accountant duidelijkheid verschaffen over de vraag of de BTW al dan niet verrekenbaar is.
tot slot
2.34.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor het opgeven van verhinderdata, zodat vervolgens een zitting kan worden gepland. Het verdient de voorkeur indien partijen vooraf met elkaar alsmede met de deskundigen en met de rechtbank mogelijke data afstemmen. De rechtbank acht het van belang dat de nadere terechtzitting niet later dan in oktober 2013 plaatsvindt en zal daarom waarschijnlijk hoe dan ook een datum in een van de nader te noemen maanden vaststellen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat een nadere terechtzitting nodig is ter fine van hetgeen hiervoor is weergegeven,
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 juli 2013 voor het nemen van een akte door beide partijen voor het geven van verhinderdata in de maanden augustus, september en oktober 2013. De Staat zal daarbij tevens de verhinderdata van de deskundigen dienen op te geven,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. J.A. Bik en mr. H. Benek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2013.
Voor afschrift
w.g. de griffier
w.g. de rechter
Voor afschrift
De griffier van de rechtbank Oost-Brabant.
Uitspraak 06‑03‑2013
Mrs. J.K.B. van Daalen, J.A. Bik, H. Benek
Partij(en)
Vonnis van 6 maart 2013
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Noord-Brabant)
gevestigd te 's‑Gravenhage,
eiser,
advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem,
tegen
- 1.
[gedaagde 1],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
- 3.
[gedaagde 3
], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
gedaagden,
advocaat mr. P.J.L. Tacx te Roermond.
Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagden] c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt (onder meer) uit:
- —
het tussenvonnis van 10 november 2010
- —
het concept advies van deskundigen, gedateerd juli 2011
- —
het advies van deskundigen d.d. 4 april 2012
- —
het nader advies van deskundigen d.d. 14 september 2012
- —
akte tot uitlaten aan de zijde van [gedaagden] c.s.
- —
akte aan de zijde van de Staat.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling van verzoek vervanging deskundige(n)
2.1.
Bij brief d.d. 8 februari 2013 heeft mr. G.R.A.G. Goorts namens [gedaagden] c.s. de rechtbank verzocht de deskundigen in deze zaak, althans deskundige [naam 1], te vervangen door (een) nieuwe deskundige(n).
De rechtbank heeft vervolgens de zaak op de rol van 27 februari 2013 geplaatst voor een akte aan de zijde van [gedaagden] c.s. teneinde [gedaagden] c.s. in de gelegenheid te stellen voormelde brief van 8 februari 2013 in het geding te brengen en vervolgens de Staat in de gelegenheid te stellen op de inhoud daarvan te reageren.
Zoals blijkt uit het verloop van de procedure heeft [gedaagden] c.s. (ter rolle van 27 februari 2013) een akte genomen. Daarbij is de brief van 8 februari 2013 in het geding gebracht. De Staat heeft (op dezelfde roldatum) gereageerd op die akte.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat er noch voor vervanging van alle deskundigen, noch voor het vervangen van deskundige [naam 1], voldoende grond is. Daartoe wordt overwogen als volgt.
2.2.1.
Bij brief van 30 november 2011 aan de rechter-commissaris in deze zaak heeft mr. Goorts namens [gedaagden] c.s. aan de rechtbank bericht dat gebleken is dat deskundige [naam 1] werkzaamheden heeft (en op dat moment nog) verricht voor Rijkswaterstaat, eiser, in de onderhavige zaak. Bij die brief was gevoegd een brief van deskundige [naam 1] waaruit blijkt dat deze op dat moment nog werkzaam was als partijdeskundige (in opdracht van) Rijkswaterstaat.
Mr. Goorts heeft aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat [gedaagden] c.s. zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of deskundige [naam 1] gehandhaafd blijft als deskundige in de onderhavige zaak.
Bij brief van 30 november 2011 heeft mr. Van Heijst, voorzitter van de deskundigencommissie, aan de rechtbank medegedeeld dat deskundige [naam 1] zijn werkzaamheden als partijdeskundige voor Rijkswaterstaat heeft gestaakt. In de brief staat vermeld dat deze in afschrift is verzonden aan mrs. Goorts en Ten Kate en de mede-deskundigen [naam 1] en [naam 2].
2.2.2.
Bij brief van 5 december 2011 heeft de rechter-commissaris aan mr. Goorts medegedeeld kennis genomen te hebben van diens brief van 30 november 2011, de brief waarbij mr. Goorts aan deskundige [naam 1] opheldering heeft gevraagd en het antwoord van deskundige [naam 1] daarop.
De rechter-commissaris heeft in die brief aangegeven dat de brief van mr. Goorts (van 30 november 2011) aldus begrepen wordt dat niet verzocht wordt deskundige [naam 1] te vervangen. Tevens is in de brief medegedeeld dat de rechtbank in deze onteigeningszaak, evenals in andere onteigeningszaken waarin de Staat partij is en waarin deskundige [naam 1] optreedt en dezelfde situatie aan de orde is, geen of onvoldoende grond ziet deskundige. [naam 1] te vervangen, hoezeer de situatie ook valt te betreuren.
Op deze brief van de rechter-commissaris is zijdens [gedaagden] c.s. niet gereageerd.
2.2.3.
Nadat het advies van deskundigen was gedeponeerd bij de rechtbank is een datum voor pleidooi bepaald. Nadat een nader advies van deskundigen was uitgebracht is een nadere datum voor pleidooi (26 maart 2013) vastgesteld, hetgeen de rechtbank aan partijen heeft medegedeeld bij brief van 29 oktober 2012.
2.2.4.
Eerst bij brief van 8 februari 2013 verzoekt mr. Goorts namens [gedaagden] c.s. de vervanging van de deskundige(n). Daarbij heeft hij aangevoerd dat het standpunt van de rechter-commissaris neergelegd in de brief van 5 december 2011, onjuist is.
2.2.5.
De rechtbank stelt voorop dat zijdens [gedaagden] c.s. niets is aangevoerd dat het verzoek om niet alleen de deskundige [naam 1], maar ook de andere deskundigen te vervangen kan dragen.
Ten aanzien van de deskundige [naam 1] geldt dat de rechtbank [gedaagden] c.s. in zoverre volgt dat het gewraakte optreden van [naam 1] als partij-deskundige voor de Staat in beginsel vragen opriep omtrent zijn onafhankelijkheid als deskundige. De deskundige [naam 1] heeft daarover uitleg verschaft en de betreffende werkzaamheden als adviseur van de Staat gestaakt.
[naam 1] wordt door de rechtbank al jaren als deskundige benoemd, ook in zaken waarin de Staat (Rijkswaterstaat) als eisende partij optreedt. De rechtbank heeft nimmer aanleiding gezien om aan de onafhankelijkheid van de deskundige [naam 1] te twijfelen. Toen de onderhavige kwestie bekend werd heeft de rechtbank dat aan alle gedaagden in de serie onteigeningen (ten behoeve van de omlegging Zuid-Willemsvaart), waarvan de onderhavige zaak er één is, voorgelegd. Geen van de gedaagden heeft daarin aanleiding gevonden de rechtbank te verzoeken deskundige [naam 1] te vervangen. Dat geldt ook voor [gedaagden] c.s., die zich bij brief van mr. Goorts d.d. 30 november 2011 hebben gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, waarna de rechtbank ambtshalve onvoldoende grond aanwezig achtte om de deskundige [naam 1] te vervangen.
Gelet op de uitleg die de deskundige [naam 1] bij brief van 1 november 2011 heeft gegeven alsmede gelet op de inhoud van de brief van de voorzitter van de deskundigen van 2 november 2011, acht de rechtbank ook thans geen reden aanwezig om aan te nemen dat [naam 1] zijn opdracht als deskundige in de onderhavige zaak niet met de vereiste onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid uitvoert of kan uitvoeren. Op dat punt hebben [gedaagden] c.s., ondanks het tijdsverloop inmiddels, ook niets inhoudelijks te berde gebracht. De rechtbank is van oordeel dat in de specifieke omstandigheden van dit geval ook niet kan worden aangenomen dat thans bij [gedaagden] c.s. naar objectieve maatstaven de gerechtvaardigde schijn is gewekt dat de deskundige niet onpartijdig of niet onafhankelijk zijn werk als deskundige zou (kunnen) uitvoeren. Er zijn immers sedert eind 2011 geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen en [gedaagden] c.s. hebben er destijds kennelijk zelf de voorkeur aan gegeven dat [naam 1] zijn taak als deskundige zou voortzetten, waaruit moest en moet worden afgeleid dat zij ondanks de toen bekende informatie voldoende vertrouwen hadden in een onafhankelijke en/of onpartijdige advisering door deskundige [naam 1].
2.2.6.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het verzoek om de deskundige(n) in de onderhavige zaak te vervangen zal afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek van [gedaagden] c.s. om de deskundige(n) in deze zaak te vervangen af,
3.2.
verstaat dat het pleidooi in deze zaak plaatsvindt op dinsdag 26 maart 2013 om 10.00 uur,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. J.A. Bik en mr. H. Benek en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2013.
w.g. de griffier
w.g. de rechter
Voor afschrift
De griffier van de rechtbank Oost-Brabant