Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.2.3
12.2.2.3 Rechtspraak
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366059:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Indien het een veroordeling betreft om een goed te leveren, zal met de vernietiging van het desbetreffende vonnis veelal komen vast te staan dat de voor de overdracht vereiste titel – anders dan in eerdere instantie werd aangenomen – toch niet bestaat (art. 3:84 lid 1 BW, vgl. NJ 2015, 168). In de uitzonderlijke situaties dat deze titel toch blijkt te bestaan, is wel sprake van een geldige levering. Zie bijvoorbeeld HR 10 april 1987, NJ 1987, 972m.nt. Kleyn.
Zie o.a. de noot van Heemskerk bij HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 485.
Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4155, r.o. 4.5.
HR 19 december 2014, NJ 2015, 168 m.nt. Verstijlen (K./Benedictus q.q.). Zie ook HR 3 juni 2016, NJ 2016, 358 m.nt. Tjong Tjin Tai.
HR 12 juli 2013, NJ 2014, 273 m.nt. Mierlo, JOR 2013/295 m.nt. Bartels r.o. 3.6 met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
HR 26 mei 2000, NJ 2001, 388 m.nt. Snijders, JOR 2000/203 m.nt. Spinath, r.o. 3.2.
De rechtspraak van de Hoge Raad over de rechtsgevolgen van het vernietigen van civielrechtelijke rechterlijke uitspraken is veelal niet expliciet over de grondslagen van de beslissingen die de Hoge Raad neemt. Weliswaar is voor de partijen bij het desbetreffende geschil (en vergelijkbare geschillen) duidelijk hoe de vernietiging hun onderlinge verhoudingen wijzigt, maar de Hoge Raad is niet zo scheutig met een onderbouwing van de desbetreffende oordelen. Indien bijvoorbeeld een partij voldoet aan een veroordeling in een vonnis om een geldbedrag te betalen maar dit vonnis vervolgens wordt vernietigd, is de betaling onverschuldigd geschied, aldus de Hoge Raad.1 In de literatuur2 en lagere rechtspraak3 wordt hierin vanaf het begin af aan de bevestiging gelezen dat ook een dergelijke vernietiging een terugwerkende kracht heeft. Het heeft echter tot 2014 geduurd totdat de Hoge Raad dat in een arrest4 zelf ook bevestigde door te overwegen dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft. Een expliciete verwijzing naar art. 3:53 lid 1 BW jo. art. 3:59 BW, of enige andere bepaling is tot nu toe achterwege gebleven.
Voor de terugwerkende kracht van de vernietiging van een vonnis lijkt een uitzondering te bestaan als het gaat om de vernietiging van een vonnis waarin een (conservatoir) beslag is opgeheven. Met de vernietiging van een dergelijk vonnis herleeft het beslag. Indien het echter gaat om een beslag op een zaak en deze zaak is na de opheffing aan een derde geleverd, dan dienen de rechten van deze derde gerespecteerd te worden (hetzelfde geldt als een beperkt recht ten gunste van een derde is gevestigd).5 Het maakt daarbij niet uit of deze derde wist dat een rechtsmiddel was aangewend tegen het desbetreffende vonnis.6
Deze regel is op twee manieren te interpreteren c.q. onderbouwen. Ten eerste kan gezegd worden dat de vernietiging van een dergelijke vonnis kennelijk geen terugwerkende kracht heeft en dat art. 3:53 lid 1 BW dus niet van toepassing is. Ten tweede zou ook betoogd kunnen worden dat het hier gaat om een toepassing van art. 3:53 lid 2 BW, dus dat de rechter de rechtsgevolgen van de vernietiging deels ontzegt. Deze tweede benadering verdient vanuit systematisch oogpunt de voorkeur en sluit ook aan bij het in het arrest uit 2014 in algemene termen geformuleerde oordeel dat de vernietiging van een vonnis terugwerkende kracht heeft.