Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/0.5
0.5 Beperkingen en afbakening van het onderzoek
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat blijkt ook uit de op 1 juli 2009 in werking getreden vierde tranche Awb waarin een deel van de strafprocesrechtelijke waarborgen uit artikel 6 en 7 EVRM voor bestuurlijke punitieve sancties zijn uitgewerkt, zie bijvoorbeeld het ne bis in idem- beginsel (art. 5:43 Awb), het zwijgrecht en de cautie (art. 5:10a Awb). Over de vraag in welke mate deze waarborgen gelden en of het nationale bestuursrecht daaraan voldoet: C.L.G.F.H. Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten. Balanceren op een magische lijn? (diss. Maastricht), Den Haag: Sdu 2002.
Zie par. 1.3 van Deel II. Zoals daar naar wordt toegelicht, blijven de goedkeuringsprocedure en de uniforme voorbereidingsprocedure buiten beschouwing in dit onderzoek.
Uit de formulering dat het onderzoek betrekking heeft op de betekenis van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak in bestuurlijke voorprocedures kunnen reeds enkele beperkingen van het onderzoek worden afgeleid. De algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak zijn mede gepositiveerd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het zijn rechtsbeginselen die als uitgangspunt gelden voor alle rechtsgeschillen, ongeacht de aard van die rechtsgeschillen. In dit onderzoek wordt uitsluitend de betekenis van die algemene rechtsbeginselen voor de bestuurlijke voorprocedures onderzocht. Dat betekent dat specifieke beginselen die 'slechts' gelden voor geschillen van strafrechtelijke aard of geschillen inzake bestuurlijke punitieve sancties, zoals de beginselen die tot uitdrukking komen in artikel 6 tweede en derde lid van het EVRM, in beginsel niet bij het onderzoek worden betrokken. Juist vanwege de aard van de geschillen waarvoor deze beginselen gelden, ligt het in de rede dat deze beginselen al van toepassing zijn in de bestuurlijke fasen en doorwerken, indien daarin besluiten met een punitief karakter centraal staan.1
Een verdere afbakening is uiteraard gelegen in het aantal bestuurlijke voorprocedures, waarvan de inrichting en de daarop toepasselijke normen voorwerp zijn van onderzoek. Het onderzoek heeft zich allereerst beperkt tot de meest gangbare bestuurlijke voorprocedures, waarvan algemene regeling ook heeft plaatsgevonden in de Awb. Bovendien zijn uitsluitend bestuurlijke voorprocedures bij het onderzoek betrokken waarin een rechtsbeschenningscomponent besloten ligt. De gelijkenis met of verwantschap met rechtspraak is in die procedures (nog) sterker aanwezig dan in andere besluitvormingsprocedures bij het bestuur. In Deel II van dit onderzoek wordt een definitie gegeven van een bestuurlijke voorprocedure waarin de rechtsbeschermingsfunctie een belangrijk element vormt. Daar wordt ook aangegeven tot welke voorprocedures het onderzoek zich exact beperkt. 2
Voorts is geen onderzoek verricht naar het functioneren van de verschillende bestuurlijke voorprocedures in de praktijk en de wijze waarop bestuursorganen en (bezwaar)adviescommissies omgaan met, of aankijken tegen, procedurele waarborgen in het kader van die procedures. Vanwege de positiefrechtelijke insteek van dit onderzoek is dat perspectief, hoewel niet minder interessant, minder van belang. Het is de wetgever en uiteindelijk de bestuursrechter die (in een concreet geval) bepaalt welke eisen gelden voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures en hoe deze geïnterpreteerd moeten worden. In dit onderzoek wordt aan de hand van de aanknopingspunten in het positieve recht de betekenis of invloed van de beginselen van behoorlijke rechtspraak vastgesteld.