Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.5
2.5 Artikel 2: 349a lid 2 BW (1994)
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469149:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 8 november 1993, Stb. 1993, 597.
Kamerstukken II 1991/92, 22 400, nr. 3, p. 15-16 (MvT).
Van der Grinten 1989, p. 48.
Kamerstukken II 1991/92, 22 400, nr. 3, p. 15 (MvT).
SER-advies 88/14, p. 16.
Pres. Rb. Amsterdam 9 maart 1978, NJ 1978, 220 (Batco Nederland).
Zie voor soortgelijke casus en uitspraken: Pres. Rb. Amsterdam 7 juli 1981, NJ 1981, 424 (Ford); Pres. Rb. Arnhem 18 april 1983 (Hyster), te kennen uit NJ 5 1984, 570.
SER-advies 88/14, p. 16. Zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Arnhem 18 april 1983, r.o. 4 (Hyster): toewijzing op deze grond is slechts mogelijk indien daarvoor, gelet op de wederzijdse belangen, zwaarwichtige gronden aanwezig zijn, een aanmerkelijke kans bestaat dat de OK een enquêteverzoek zal toewijzen en eveneens een aanmerkelijke kans aanwezig is dat de OK zal oordelen dat sprake is van wanbeleid en voorzieningen zal treffen.
SER-advies 88/14, p. 18.
Kamerstukken II 1991/92, 22 400, nr. 3, p. 15 (MvT) en SER-advies 88/14, p. 19.
38. Op 1 januari 1994 is art. 2: 349a lid 2 BW in werking getreden.1 Hierin is bepaald dat indien in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek een ‘onmiddellijke voorziening’ is vereist, de Ondernemingskamer in elke stand van het geding een dergelijke voorziening kan treffen voor ten hoogste de duur van het geding, en wel op verzoek van degene die het enquêteverzoek heeft ingediend. De regeling maakt het mogelijk dat tegelijkertijd met de indiening van een enquêteverzoek om een ordemaatregel wordt gevraagd, ‘bijvoorbeeld het niet uitvoeren van een voorgenomen besluit dat door de verzoeker als een uiting van wanbeleid wordt beschouwd, zodat de verzoeker niet gedwongen is om bij verschillende rechters zijn recht te zoeken indien aan een dergelijke voorziening behoefte bestaat’. Art. 2: 349a lid 2 BW laat de bevoegdheid van de kortgedingrechter onverlet. Echter, ‘het spreekt vanzelf dat de president in kort geding een terughoudend standpunt moet innemen indien van hem een voorziening wordt gevraagd vóór het enquêteverzoek is ingediend en dat hij, indien een dergelijk verzoek wordt gedaan met het oog op een in te dienen enquêteverzoek, in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt tot het tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek tot voorlopige voorzieningen zal hebben beslist. Aldus kunnen tegenstrijdige of slecht met elkaar in overeenstemming te brengen beslissingen worden voorkomen’.2
In de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk overwogen dat de Ondernemingskamer niet is gebonden aan de lijst voorzieningen zoals opgesomd in art. 2: 356 BW. De minister meent in navolging van Van der Grinten3 dat er geen noodzaak is om de bevoegdheid die de Ondernemingskamer in art. 2: 349a lid 2 wordt geboden tot de in art. 2: 356 genoemde mogelijkheden te beperken, nog daargelaten dat de daarin neergelegde voorzieningen ‘een te definitief karakter dragen om als voorlopige voorzieningen te kunnen worden gekwalificeerd’.4
39. Reden voor de invoering van art. 2: 349a lid 2 BW is niet dat het kort geding als alternatief niet werkt. Door de SER5 wordt in dit verband gewezen op het kortgedingvonnis inzake Batco Nederland.6 De werknemersbond CVAT vraagt om een verbod om vooruit te lopen op de voorgenomen sluiting van de fabriek in Amsterdam. Op dat moment is nog geen verzoek tot het instellen van een onderzoek ingediend. De president van de Rechtbank Amsterdam wijst de vordering toe en beveelt Batco Nederland zich te onthouden van het verrichten van, samengevat, uitvoeringshandelingen, daartoe overwegend dat hij met eiseres van mening is dat zij daarbij onder de gegeven omstandigheden een voldoende belang heeft, nu de waarborgen die haar onder meer in de enquêteregeling zijn gegeven geheel illusoir zouden worden indien Batco de vrijheid zou hebben haar besluit tot sluiting op zeer korte termijn uit te voeren (rechtsoverweging 10).7 Een belangrijk nadeel – aldus nog steeds de SER – van het huidige systeem is echter wel dat de verschillende kortgedingrechters een wisselende relevantie toekennen aan de mogelijkheid dat het enquêteverzoek kan worden toegewezen c.q. aan de omstandigheid dat het enquêteverzoek reeds is toegewezen.8 Daarnaast kan een terughoudende opstelling van de kortgedingrechter een risico vormen voor de doeltreffendheid van de enquête.9 Verwacht wordt dat de Ondernemingskamer een meer competente instantie is om te oordelen over de vraag of na toewijzing van het verzoek tot het instellen van een onderzoek (of op een later moment in de procedure) het treffen van onmiddellijke voorzieningen gewenst en verantwoord is.10 Bovendien kan de jurisprudentie van de Ondernemingskamer een referentiepunt vormen voor de presidenten in kort geding.