Rb. Rotterdam, 20-09-2024, nr. C/10/685081 / FA RK 24-6443
ECLI:NL:RBROT:2025:10438
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
20-09-2024
- Zaaknummer
C/10/685081 / FA RK 24-6443
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2025:10438, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 11‑07‑2025; (Beschikking)
ECLI:NL:RBROT:2024:9511, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 20‑09‑2024; (Mondelinge uitspraak)
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Beslissing na terugverwijzing door de Hoge Raad. Ex tunc beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat de tekortkoming niet alsnog hersteld kan worden en wijst om die reden het verzoek af.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/685081 / FA RK 24-6443
Referentienummer: ZM/IND/143560
Beschikking van 11 juli 2025 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1982, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. J.H.S. Vogel te Rotterdam.
1. Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift van de officier met bijlagen, ingekomen op 29 augustus 2024;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 september 2024;
- -
de schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van deze rechtbank van 20 september 2024;
- -
de beschikking van de Hoge Raad van 20 juni 2025.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 4 juli 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- -
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
- -
de officier;
- -
[persoon A] , verpleegkundige (hierna: behandelaar), en [persoon B] , verpleegkundige, beiden verbonden aan [zorgaanbieder] .
2. Beoordeling
2.1.
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 20 juni 2025 de beschikking van deze rechtbank van 20 september 2024 vernietigd en het geding teruggewezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft daartoe het volgende overwogen:
“3.2.2 Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.
3.2.3
De vaststelling dat de niet op de mondelinge behandeling verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz, veronderstelt in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Uitgangspunt is dat de betrokkene voor die mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met de art. 272 e.v. Rv. Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.
3.2.4
Uit de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding blijkt niet dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene langs andere weg bekend was met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Bij die stand van zaken kon de rechtbank niet vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht slaagt dan ook.
3.3
De klachten van onderdeel 3, die zien op de medische verklaring, behoeven geen behandeling.”
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 424 Rv in verbinding met artikel 429 lid 2 Rv moet de rechter naar wie de zaak is terugverwezen de behandeling daarvan voortzetten en beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Omdat de inmiddels vernietigde zorgmachtiging een geldigheidsduur had tot en met 20 november 2024, is deze dus inmiddels verstreken en is het onderhavige verzoek achterhaald. De rechtbank moet daarom nu slechts beoordelen, met inachtneming van de beslissing van de Hoge Raad, of op het tijdstip waarop de inmiddels vernietigde beschikking werd verleend, voldoende grond bestond voor het verlenen van een zorgmachtiging zonder betrokkene te horen. Deze ‘ex tunc’-beoordeling dient ertoe om eventuele toegepaste verplichte zorg in de betreffende periode al dan niet te voorzien van een geldige titel.
2.3.
Tijdens de onderhavige mondelinge behandeling vertelt betrokkene dat hij in de zomer van 2024 in Italië was. Voordat hij naar Italië was gegaan, was hij dakloos geworden. Hij woonde toen al niet meer aan [adres] in [plaats] . Toen betrokkene na zijn reis in Italië weer terug in Nederland was, is hij een uur later bij zijn moeder langs gegaan. Korte tijd daarna, in de beleving van betrokkene een kwartier, is hij gedwongen opgenomen. Hieruit blijkt volgens de advocaat dat betrokkene ten tijde van de oproep voor de mondelinge behandeling van 20 september 2024 in het buitenland was, omdat betrokkene onder de op 20 september 2024 verleende zorgmachtiging gedwongen is opgenomen. Betrokkene zegt dat hij destijds al minimaal een jaar geen contact met zijn familie had gehad. Hij was niet op de hoogte van de mondelinge behandeling van 20 september 2024. Namens betrokkene bepleit de advocaat afwijzing van het verzoek, omdat de oproep voor de mondelinge behandeling van 20 september 2024 betrokkene niet heeft bereikt, hij dus niet van de mondelinge behandeling af wist, en dat uit het niet verschijnen van betrokkene dus niet afgeleid had mogen worden dat hij niet bereid was om gehoord te worden.
2.4.
Ook de behandelaar verklaart dat hij destijds heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met betrokkene en de familie van betrokkene op de hoogte heeft gebracht. Betrokkene was destijds voor de behandelaar ook niet bereikbaar.
2.5.
Gelet op de omstandigheden in dit geval is het standpunt van de officier dat niet geconcludeerd had mogen worden dat betrokkene niet bereid was om te worden gehoord en dat het verzoek moet worden afgewezen.
2.6.
Gelet op het feit dat de rechter op 20 september 2024 een zorgmachtiging heeft verleend, terwijl niet vastgesteld kan worden dat betrokkene wist van de mondelinge behandeling en dus zonder betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog te worden gehoord, en deze tekortkoming niet alsnog hersteld kan worden, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om alsnog een zorgmachtiging te verlenen. Om die reden kan de rechtbank niet anders dan het verzoek afwijzen.
3. Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Woudstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. McFedries, griffier, op 11 juli 2025. | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Uitspraak 20‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Zorgmachtiging toegewezen voor de duur van twee maanden en het resterende deel aangehouden tot een nader te bepalen tijdstip.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/685081 / FA RK 24-6443
Referentienummer: ZM/IND/143560
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 20 september 2024 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1982, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende en verblijvende op een onbekende plaats,
advocaat mr. T.R. Hüpscher te Rotterdam.
1. Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 29 augustus 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- -
de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 27 augustus 2024;
- -
de niet-ingevulde zorgkaart;
- -
het zorgplan van 29 juli 2024;
- -
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
- -
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz;
- -
de relevante politiegegevens van betrokkene; en
- -
het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
Op 16 september 2024 is de behandeling aangehouden, omdat betrokkene niet was verschenen. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
1.3.
Betrokkene is zonder bericht van verhindering wederom niet verschenen op de mondelinge zitting.
1.4.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 september 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- -
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
- -
[naam 2] , arts, verbonden aan Antes;
- -
[naam 3] , zus van betrokkene; en
- -
[naam 4] , ex-partner van betrokkene.
1.5.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. Beoordeling
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Niet duidelijk is waar betrokkene op dit moment verblijft. Bekend is dat betrokkene dakloos is en zorg mijdt. Hij is door de hulpverleners en zijn familie al zes weken niet gezien. Zijn advocaat heeft evenmin met hem contact kunnen opnemen. De mondelinge behandeling is niettemin buiten de aanwezigheid van betrokkene voortgezet, op basis van een medische verklaring opgesteld op basis van bestaande medische informatie en overleg met behandelaren.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie.
2.3.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Betrokkene is bekend met schizofrenie. Afgelopen periode is betrokkene toenemend dreigend richting zijn familie. Dit heeft zich ook geuit in verbale en fysieke agressie. Zo heeft betrokkene zijn zus geslagen en zijn moeder naar de keel gegrepen. Betrokkene is zijn woning kwijtgeraakt en zwerft rond. De zus van betrokkene licht toe dat de familie van betrokkene bang is dat betrokkene plots opduikt. Ze achten betrokkene een gevaar voor zijn familie en zijn bang voor incidenten. Ook de ex-partner van betrokkene, met wie hij samen een minderjarige zoon heeft, maakt zich zorgen over haar veiligheid. Zij licht toe dat zij bij het verlaten van haar woning altijd om zich heen kijkt, omdat betrokkene zomaar ergens kan opduiken. De ex-partner durft de minderjarige zoon niet langer alleen thuis te laten.
2.4.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, en de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.5.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Betrokkene is bekend met zorgmijdend gedrag. Om die reden is verplichte zorg nodig.
2.6.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- -
het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
- -
het beperken van de bewegingsvrijheid;
- -
het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken; en
- -
het opnemen in een accommodatie.
2.7.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, alsmede het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, het insluiten en het uitoefenen van toezicht op betrokkene, worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd.
2.8.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Met betrekking tot de duur van de zorgmachtiging en de verplichte zorg overweegt de rechtbank als volgt. Betrokkene is eerder in zorg geweest en toen langere tijd stabiel geweest. Betrokkene heeft niet gesproken met de onafhankelijk psychiater en hij wilde niet gehoord worden tijdens de mondelinge behandeling. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank voor nu een kortere zorgmachtiging passend gelet op het ernstig dreigend nadeel uitgaande van betrokkene voor andere. De rechtbank zal een zorgmachtiging voor de duur van twee maanden verlenen met ingang van vandaag.
De rechtbank zal het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling. Daarbij geeft de rechtbank de opdracht aan de officier om uiterlijk één week voor de datum van de nader te bepalen mondelinge behandeling een nieuwe medische verklaring over te leggen aan de rechtbank. Op die manier wordt de behandelen de kans geboden om betrokkene, als hij ergens opduikt, op te laten nemen en te behandelen. Zo wordt de veiligheid van zijn familie gewaarborgd. Ook krijgt betrokkene zo een kans alsnog persoonlijk te worden onderzocht, te kunnen spreken met zijn advocaat en zijn mening over het resterende deel van het verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.6. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 20 november 2024;
3.4.
bepaalt dat het verzoek voor het overige deel wordt aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, uiterlijk op 20 november 2024, waarbij geldt dat uiterlijk één week voor de datum van de nader te bepalen mondelinge behandeling door de officier een nieuwe medische verklaring moet zijn overgelegd aan de rechtbank.
Deze beschikking is op 20 september 2024 mondeling gegeven door mr. A.C. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Z.P van der Knaap, griffier, en op 30 september 2024 schriftelijk uitgewerkt en getekend. | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.