Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.1
7.2.3.1 Inleiding
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS401773:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit in tegenstelling tot een generieke renteaftrekbeperking, waaronder ik versta een bepaling die onafhankelijk van een bepaalde transactie of gebeurtenis rente beperkt aan de hand van bijvoorbeeld de vermogenspositie van desbetreffende entiteit. Voorbeelden van een generieke renteaftrekbeperking is de thincapregeling (art.10d Wet VPB 1969 oud), zoals deze tot 1 januari 2013 heeft gegolden en de in Duitsland van toepassing zijnde earningsstrippingmaatregel.
Er is sprake van fraus legis indien een transactie in strijd is met doel en strekking van de wet en daarbij belastingbesparing het doorslaggevende motief is. Voor een verdere uiteenzetting van het leerstuk fraus legis verwijs ik naar R. IJzerman, Formeel Belastingrecht, Hoofdzaken Formeel Belastingrecht, Boom, 2014, 2e druk, hoofdstuk 8.
Ik ga niet expliciet in op de EU-rechtelijke aspecten van deze renteaftrekbeperkingen vanwege het feit dat Nederland per 1 januari 2019 verplicht is de earningsstrippingmaatregel te implementeren en van plan is enkele bestaande renteaftrekbeperkingen te schrappen. Daarnaast heeft Duitsland een earningsstrippingmaatregel, zodat het mijns inziens meer voor de hand ligt in dit hoofdstuk de focus te leggen op deze nieuw voorgestelde EU-regeling in plaats van de EU-aspecten van de bestaande Nederlandse renteafrekbeperkingen.
P.B.N. van Os, De unierechtelijke houdbaarheid van de Nederlandse renteaftrekbeperkingen (deel 1 en deel 2), MBB 2016/3 en MBB 2016/4.
Financieringskosten zijn – evenals andere kosten – in beginsel aftrekbaar van de winst. De Nederlandse wetgever heeft in de wet echter een groot aantal specifieke regels opgenomen die de aftrek van financieringskosten (rente) kunnen beperken. In Nederland heeft de wetgever gekozen voor zogenoemde specifieke renteaftrekbeperkingen. Daarmee bedoel ik dat de rente die samenhangt met een bepaalde transactie of gebeurtenis mogelijk niet in aftrek komt.1 Om te bepalen of de rente in aftrek kan worden gebracht, zijn in Nederland de volgende renteaftrekbeperkingen van belang:
Art. 8c Wet VPB 1969
Art. 10a Wet VPB 1969
Art. 10b Wet VPB 1969
Art. 13l Wet VPB 1969
Art. 15ad Wet VPB 1969
Alvorens ik hieronder in zal gaan op de belangrijkste kenmerken, ratio en wetsgeschiedenis van de renteaftrekbeperkingen is het mijns inziens belangrijk te constateren dat vóórdat men aan renteaftrekbeperkingen toekomt de vraag of sprake is van een lening of kapitaal reeds gepasseerd is. Wordt een lening fiscaal geherkwalificeerd als kapitaal dan is de vergoeding niet aftrekbaar op grond van de jurisprudentie (zie hoofdstuk 7.2.1). Ook ga ik er vanuit dat sprake is van een zakelijke (at arm’s length) overeengekomen rente, want alleen een zakelijke rente is aftrekbaar bij de debiteur.
Tot slot wijs ik er op dat renteaftrek mogelijk ook nog beperkt kan worden door fraus legis.2 Tot 1997 bestonden er geen wettelijke regels die de renteaftrek beperkten, zodat een beroep op fraus legis het belangrijkste middel van de fiscus was om ongewenste structuren te bestrijden. Inmiddels zijn in de wet verschillende bepalingen omtrent renteaftrek opgenomen. Ik ga overigens niet expliciet in op de vraag of Nederlandse renteaftrekbeperkingen in strijd zijn met het EU-recht.3 Daarvoor verwijs ik naar Van Os die tot de conclusie komt dat de renteaftrekbeperkingen art. 10a, 10b, 13l en 15ad Wet VPB 1969 niet expliciet, maar mogelijk wel in hun praktische uitwerking een verkeersvrijheidsbelemmerende werking hebben.4