HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983 (niet gepubliceerd), NJ 1995/500, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.3.
HR, 07-03-2023, nr. 21/03137
ECLI:NL:HR:2023:341
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-03-2023
- Zaaknummer
21/03137
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:341, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑03‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:10
ECLI:NL:PHR:2023:10, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑01‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:341
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑11‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0059
NJ 2023/140 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 07‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl hij wist dat geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding omdat verdachte kort vóór tz. in eerste aanleg in Frankrijk in hechtenis is genomen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN8587 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor h.b. door verdachte verontschuldigbaar doen zijn. Als duidelijk en gemotiveerd verweer is gevoerd dat termijn voor instellen van rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, moet rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk redenen van die beslissing geven (vgl. HR:2005:AR3700). Hof heeft geoordeeld dat ‘niet is gebleken van een verschoonbare overschrijding’ van termijn voor instellen van h.b. Dat oordeel is in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet toereikend gemotiveerd, nu hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken wat door raadsman is aangevoerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03137
Datum 7 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2021, nummer 22-000965-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.G. Cantarella en J.G.W.M. Lut, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. Cliënt is op 7 februari 2020 door de politierechter bij verstek veroordeeld voor overtreding van artikel 9, vijfde lid, WVW. Tegen voormeld vonnis is op 13 maart 2020 namens cliënt hoger beroep ingesteld nu cliënt op 7 februari 2020 in Frankrijk gedetineerd zat (...)
Ontvankelijkheid in hoger beroep
2. Door de verdediging wordt niet betwist dat de dagvaarding in eerste aanleg op 28 december 2019 in persoon aan cliënt is uitgereikt. Evenmin wordt betwist dat niet binnen de geldende termijn ex artikel 408, eerste lid, Sv hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Blijkens staande jurisprudentie dient het voorgaande niet tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep te leiden wanneer er sprake is van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
3. Cliënt is in eerste aanleg niet door een raadsman bijgestaan. Vervolgens is cliënt zelf op 27 januari 2020, kort voor de zitting, in hechtenis genomen in Frankrijk. Daar heeft hij geruime tijd verbleven. Het behoeft volgens de verdediging geen uitleg dat deze detentie communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt en cliënts aandacht gericht was op het beëindigen van de detentie in Frankrijk. Bij de beoordeling van deze omstandigheden dient bovendien te worden betrokken dat cliënt er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat de zaak op 7 februari 2020, buiten zijn aanwezigheid vanwege zijn detentie, zou worden afgedaan. Dat cliënt daar ook niet van uit ging blijkt mijns inziens uit de omstandigheid dat het niet cliënt zelf is geweest die contact heeft opgenomen om hoger beroep in te stellen, maar de vrouw van cliënt die aan de bel heeft getrokken nadat zij een brief over de uitspraak ontving.
4. Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging sprake van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Mijns inziens is cliënt dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
2.3
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
“De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter, is op 28 december 2019 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De verdachte was dus op de hoogte van de terechtzitting. Het hof stelt verder vast dat de verdachte er in het procesdossier blijk van heeft gegeven de Nederlandse taal te beheersen. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van 7 februari 2020 hoger beroep had moeten instellen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn. De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.”
2.4
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587). Als duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, moet de rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk de redenen van die beslissing geven (vgl. HR 22 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700).
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat ‘niet is gebleken van een verschoonbare overschrijding’ van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Dat oordeel is, in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet toereikend gemotiveerd nu het hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken wat door de raadsman van de verdachte is aangevoerd.
2.6
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2023.
Conclusie 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep. Verontschuldigbare termijnoverschrijding instellen hoger beroep i.v.m. omstandigheid dat verdachte in Frankrijk gedetineerd was? Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03137
Zitting 17 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 16 juli 2021 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het verstekvonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 februari 2020, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte hebben J.G.W.M. Lut en M.G. Cantarella, beiden advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
4. De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende in:
(i) op 28 december 2019 is de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter van 7 februari 2020 aan de verdachte in persoon uitgereikt;
(ii) op 7 februari 2020 is de verdachte door de politierechter bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;
(iii) op 6 maart 2020 heeft de Reclassering een detentieverklaring opgesteld waaruit blijkt dat de verdachte op 27 januari 2020 in Frankrijk is gearresteerd en daar sindsdien in detentie verblijft;
(iv) op 13 maart 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het voornoemde verstekvonnis van 7 februari 2020;
(v) op 16 juli 2021 heeft het hof de verdachte bij arrest niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de bij die gelegenheid overlegde pleitaantekeningen. Deze houden onder meer het volgende in:
“2. Door de verdediging wordt niet betwist dat de dagvaarding in eerste aanleg op 28 december 2019 in persoon aan cliënt is uitgereikt. Evenmin wordt betwist dat niet binnen de geldende termijn ex artikel 408, eerste lid, Sv hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Blijkens staande jurisprudentie dient het voorgaande niet tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep te leiden wanneer er sprake is van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
3. Cliënt is in eerste aanleg niet door een raadsman bijgestaan. Vervolgens is cliënt zelf op 27 januari 2020, kort voor de zitting, in hechtenis genomen in Frankrijk. Daar heeft hij geruime tijd verbleven. Het behoeft volgens de verdediging geen uitleg dat deze detentie communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt en clients aandacht gericht was op het beëindigen van de detentie in Frankrijk. Bij de beoordeling van deze omstandigheden dient bovendien te worden betrokken dat cliënt er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat de zaak op 7 februari 2020, buiten zijn aanwezigheid vanwege zijn detentie, zou worden afgedaan. Dat cliënt daar ook niet van uit ging blijkt mijns inziens uit de omstandigheid dat het niet cliënt zelf is geweest die contact heeft opgenomen om hoger beroep in te stellen, maar de vrouw van cliënt die aan de bel heeft getrokken nadat zij een brief over de uitspraak ontving.
4. Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging sprake van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Mijns inziens is cliënt dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
6. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en in de aantekening mondeling arrest het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter, is op 28 december 2019 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De verdachte was dus op de hoogte van de terechtzitting. Het hof stelt verder vast dat de verdachte er in het procesdossier blijk van heeft gegeven de Nederlandse taal te beheersen. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van 7 februari 2020 hoger beroep had moeten instellen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn. De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.”
7. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden voorop gesteld. De wet bepaalt in welke gevallen en binnen welke termijn een rechtsmiddel kan worden ingesteld. Deze termijnen zijn van openbare orde.1.Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep betekent dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Slechts als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, kan het gevolg van niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.2.Daarbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerd dat het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend.3.Ook kan de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn indien er ambtelijke informatie is verstrekt waarmee de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit, of in geval er sprake is van ander handelen of nalaten van de overheid.4.In ieder geval geldt dat de rechter die een duidelijk en gemotiveerd verweer betreffende de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding verwerpt, deze beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed moet nemen.5.
8. Het middel klaagt ten eerste dat het hof heeft nagelaten te responderen op het verweer dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding vanwege de detentiesituatie van de verdachte in Frankrijk en de gestelde daarmee samenhangende bemoeilijkte communicatie met Nederland.
9. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep betoogd dat er sprake is van bijzondere, niet aan de verdachte toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte kort voor de terechtzitting in eerste aanleg in hechtenis is genomen in Frankrijk en dat daardoor communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt was. Bovendien had de verdachte er vanwege zijn detentie (in Frankrijk) niet vanuit hoeven gaan dat de zaak in eerste aanleg buiten zijn aanwezigheid zou worden afgedaan.
10. Het hof heeft overwogen dat de verdachte op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg en dat hij tevens de Nederlandse taal beheerst. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Met de overweging dat “niet [is] gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn” heeft het hof gereageerd op het verweer van de raadsman. Het hof heeft deze beslissing – gelet op hetgeen ik onder randnummer 7 heb vooropgesteld – echter ten onrechte niet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.
11. De vraag is vervolgens of dit verzuim tot cassatie dient te leiden. Daarbij neem ik ten eerste in aanmerking dat er in onderhavige zaak geen sprake is van een verweer dat ziet op de psychische gesteldheid van de verdachte of op een ambtelijk verzuim, dan wel ander handelen of nalaten van de overheid. Het verweer van de raadsman heeft daarmee geen betrekking op een van de in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad erkende categorieën die kunnen leiden tot de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte er niet zonder meer van uit hoefde te gaan dat de zaak in eerste aanleg niet zou worden aangehouden, merk ik op dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij zich ervan vergewist of de zaak inderdaad is aangehouden.6.De verdachte had er niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de politierechter wist van zijn detentie in het buitenland en op grond daarvan de zaak zou aanhouden Er is namens de verdachte noch gesteld, noch gebleken van enige poging van de verdachte om op de hoogte te geraken van de uitkomst van de zaak in eerste aanleg. De namens de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep verschenen raadsman heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de detentiesituatie in Frankrijk aangevoerd waaruit bijvoorbeeld zou kunnen blijken dat er voor de verdachte onvoldoende contact met Nederland mogelijk was om tijdig hoger beroep in te kunnen stellen. De enkele stelling dat de hechtenis van de verdachte in Frankrijk de communicatie met Nederland in ernstige mate bemoeilijkte, is zonder nadere concretisering naar mijn oordeel niet van dien aard dat kan worden gezegd dat sprake is van een bijzondere, niet aan de verdachte toe te rekenen, omstandigheid die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. Daarbij merk ik op dat de verdachte in hoger beroep, hoewel niet langer gedetineerd, zelf niet is verschenen en daarmee de kans op het bieden van die nadere concretisering aan zich voorbij heeft laten gaan.
12. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het hof het verweer – mede gelet op hetgeen daaraan in hoger beroep ten grondslag is gelegd – enkel had kunnen verwerpen. Het middel behoeft daarom in zoverre niet tot cassatie te leiden.
13. De stellers van het middel betogen vervolgens – onder verwijzing naar HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429 – dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onderzoek naar de vraag of de verdachte in de gelegenheid was om kenbaar te maken dat hij hoger beroep wilde instellen. De opvatting dat het hof had moeten onderzoeken of de verdachte in de gelegenheid is geweest om hoger beroep in te (laten) stellen, is onjuist. In het arrest waar de stellers van het middel naar verwijzen, gaat het om het specifieke geval waarin het verweer van de raadsman erop neer kwam dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake, zodat het middel in zoverre faalt.
14. Ook voor zover het middel tot slot aanvoert dat de verstekverlening van de politierechter achteraf gezien als onjuist moet worden beoordeeld vanwege de detentie van de verdachte in Frankrijk, kan het niet tot cassatie leiden. Het systeem van de wet vereist immers dat het hof zich eerst een oordeel vormt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, alvorens kan worden beoordeeld of de politierechter al dan niet ten onrechte verstek heeft verleend. Aan die vraag is het hof in onderhavige zaak vanwege de niet-ontvankelijkverklaring derhalve niet toegekomen, terwijl over het oordeel van de politierechter in cassatie niet zelfstandig kan worden geklaagd.
Slotsom
15. Het middel faalt.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑01‑2023
HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.4.
Zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, r.o. 2.5.2 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1161, r.o. 3.8.
Zie in dit verband HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2539, r.o. 2.4 en HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1816, r.o. 2.5.
HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700, r.o. 3.7, zoals herhaald in HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5 en HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1742, r.o. 2.3.
Beroepschrift 25‑11‑2021
Aan: de Hoge Raad der Nederlanden
Datum betekening: 29 september 2021
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
van mr. M.G. Cantarella en mr. J.G.W.M. Lut, die in deze zaak bepaaldelijk zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie,
in de strafzaak tegen de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] ([land]), wonende te [woonplaats] ([postcode]) aan het [adres], verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2021 onder rolnummer 22-000965-20 gewezen arrest.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is namens verzoeker tot cassatie door mr. J.G.W.M. Lut, advocaat te Den Haag, tijdig ingesteld, te weten op 26 juli 2021.
Verzoeker tot cassatie voert het navolgende middel van cassatie aan:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich brengt. In het bijzonder is geschonden artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), doordat het Gerechtshof ten onrechte verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep. De beslissing van het hof is daarom niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, althans is de motivering onbegrijpelijk. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Bij uitspraak van de politierechter van de Rechtbank Den Haag van 7 februari 2020 is verzoeker tot cassatie wegens overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 bij verstek, in de zin van artikel 280, eerste lid, Sv, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken.
2.
Tegen het vonnis werd door diens toenmalig raadsman middels bijzondere schriftelijke volmacht op 13 maart 2021 namens (de toen uit andere hoofde in Frankrijk gedetineerde) van verzoeker tot cassatie hoger beroep ingesteld. Op 20 maart 2020 werd een appelschriftuur ingediend. Voor zover relevant is daarin vermeld:
‘dat appellant bovendien op 27 januari 2020 in Frankrijk is aangehouden en daaropvolgend zich aldaar in voorlopige hechtenis, althans detentie, bevindt (bijlage 1)1.;
dat de beslissing om verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten gelet op deze omstandigheden achteraf bezien onjuist is, gelet op het aanwezigheidsrecht, zoals dat voortvloeit uit art. 6 EVRM, waarvan appellant geen afstand heeft gedaan;
dat appellant meent dat tijdig hoger beroep is ingesteld, doch voor zover zou blijken dat de dagvaarding in persoon aan hem is betekend en in vertaling aan hem ter beschikking is gesteld, zich op het standpunt stelt dat sprake is van ‘bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn [als bedoeld in art. 408 Sv, DC] verontschuldigbaar doen zijn’;’
3.
Bij arrest van het Gerechtshof van 16 juli 2021 is verzoeker tot cassatie in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Gerechtshof overwogen:
‘De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter, is op 28 december 2019 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De verdachte was dus op de hoogte van de terechtzitting. Het hof stelt verder vast dat de verdachte er in het procesdossier blijk van heeft gegeven de Nederlandse taal te beheersen. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van 7 februari 2020 hoger beroep had moeten instellen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn. (onderstreping van MC en JL) De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.’
4.
Uit het proces-verbaal van de op 16 juli 2021 in het openbaar gehouden terechtzitting van het Gerechsthof blijkt dat namens cliënt het woord is gevoerd overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen. Namens verzoeker tot cassatie is met betrekking tot de verschoonbare termijnoverschrijding volgens de pleitnota van 16 juli 2021, voor zover relevant, aangevoerd:
- ‘1.
(…) Tegen voormeld vonnis is op 13 maart 2020 namens cliënt hoger beroep ingesteld nu cliënt op 7 februari 2020 in Frankrijk gedetineerd zat, (…)
- 3.
Cliënt is in eerste aanleg niet door een raadsman bijgestaan. Vervolgens is cliënt zelf op 27 januari 2020, kort voor de zitting, in hechtenis genomen in Frankrijk. Daar heeft hij geruime tijd verbleven. Het behoeft volgens de verdediging geen uitleg dat deze detentie communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt en clients aandacht gericht was op het beëindigen van de detentie in Frankrijk. Bij de beoordeling van deze omstandigheden dient bovendien te worden betrokken dat cliënt er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat de zaak op 7 februari 2020, buiten zijn aanwezigheid vanwege zijn detentie, zou worden afgedaan. Dat cliënt daar ook niet van uit ging blijkt mijns inziens uit de omstandigheid dat het niet cliënt zelf is geweest die contact heeft opgenomen om hoger beroep in te stellen, maar de vrouw van cliënt die aan de bel heeft getrokken nadat zij een brief over de uitspraak ontving.
- 4.
Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging sprake van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Mijns inziens is cliënt dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep. (…)’
5.
Uit eerdere rechstpraak van Uw Raad (ECLI:NL:HR:2010:BL7694) blijkt dat:
‘2.5.
Indien duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, is de rechter verplicht bij verwerping daarvan die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen (vgl. HR 22 mei 2005, LJN AR3700).’
6.
Hetgeen namens de verzoeker tot cassatie is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan als een zodanig verweer. Het Gerechtshof heeft desondanks zonder nadere motivering geconcludeerd dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Gerechtshof heeft derhalve nagelaten te responderen op het namens verzoeker tot cassatie gevoerde verweer, inhoudende dat de detentiesituatie van verzoeker tot cassatie in Frankrijk en de daarmee samenhangende bemoeilijkte communicatie met Nederland.
7.
Evenmin heeft het Gerechtshof er blijk van gegeven onderzoek te hebben verricht naar de vraag of verzoeker tot cassatie in de gelegenheid was zijn wens om in hoger beroep te gaan aan een raadsman of anderszins gemachtigde kenbaar te maken, waarna er namens hem hoger beroep ingesteld zou kunnen worden. Zie in dat verband de eerdere uitspraak van Uw Raad, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, r.o. 2.4.
8.
Daar komt nog bij dat achteraf bezien de beslissing van de politierechter om verstek te verlenen onjuist was. Immers, verzoeker tot cassatie was ten tijde van de zitting gedetineerd in Frankrijk. Daarmee niet gezegd dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van het aanwezigheidsrecht. Achteraf moet dan ook worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van verzoeker tot cassatie om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Vergelijk in dit kader ECLI:NL:HR:2013:BY8984, r.o. 2.3. en 2.4. en ECLI:NL:HR:2017:2574, r.o. 2.1. en 2.2.
9.
Op grond van het bovenstaande is de conclusie dat het Gerechtshof verzoeker tot cassatie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Bovendien heeft het Gerechtshof verzuimd de beslissing begrijpelijk te motiveren. Daarmee is de beslissing van het hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven.
Deze cassatie schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.G. Cantarella en mr. J.G.W.M. Lut, beiden advocaat te (2591 XR) Den Haag, kantoorhoudende aan de Bordewijklaan 50, die verklaren daartoe door verzoeker tot cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Den Haag, 25 november 2021
M.G. Cantarella
J.G.W.M. Lut
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑11‑2021
Voor de volledigheid én leesbaarheid is bijlage 1 nogmaals bij deze cassatieschriftuur gevoegd.