Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/3.5.2
3.5.2 Een transparant besluitvormingsschema
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is deels aan de orde gekomen bij de bespreking van de belangenafweging als beslismethode (par. 3.3.2), maar is relevant voor het besluitvormingsschema als geheel.
Zie o.m.: Smith 2006, p. 145-146; Da Silva 2011, p. 285-292; Deelen 2015, p. 356-363.
Deelen 2015, p. 362.
Ook vanuit kinderrechtenperspectief wordt het leveren van ‘maatwerk’ beschouwd als essentieel voor de verwezenlijking van de (pedagogische) doelstellingen van het jeugdstrafrecht. Vgl. regel 6.1 Beijing Rules.
Volgens Barak (1989, p. 40) zijn dit de lastigste gevallen en tevens de enige gevallen waarin de rechter daadwerkelijk beschikt over ‘judicial discretion’: “In these situations, the choice is not between lawful and unlawful, but between lawful and lawful. A number of lawful solutions exist.”
Vgl. Coffin 1988, p. 23; Gerards 2006, p. 6; Den Houdijker 2007, p. 175; Den Houdijker 2012, p. 169; Deelen 2015, p. 359 en 362.
Bovendien kan een heldere uitleg – in bewoordingen die voor de minderjarige begrijpelijk zijn – bijdragen aan de acceptatie van de beslissing door de minderjarige, hetgeen op basis van pedagogische inzichten kan worden beschouwd als een belangrijke voorwaarde voor effectief jeugdstrafrechtelijk ingrijpen (vgl. par. 3.4.3.4).
Een tweede overdenking betreft de potentie van het besluitvormingsschema om een waarborg te bieden tegen subjectiviteit en vooringenomenheid binnen het rechterlijke besluitvormingsproces.1 Voorop moet worden gesteld dat rechterlijke besluitvorming nooit volledig gevrijwaard kan worden van elke vorm van (onbewuste) subjectiviteit en vooringenomenheid.2 Een gestructureerd besluitvormingsschema dat concreet sturing geeft aan het besluitvormingsproces kan echter wel bijdragen aan het beperken van (onbewuste) subjectieve invloeden op de besluitvorming.3
De rechter heeft binnen het in dit hoofdstuk gepresenteerde besluitvormingsschema wel een zekere discretionaire beslisruimte om te bepalen of in een concreet geval aan de criteria voor voorlopige hechtenis is voldaan en om de relevante belangen af te wegen. Deze ruimte is ook nodig om flexibel te kunnen inspelen op de omstandigheden van het geval en de individuele behoeften van de minderjarige.4 Tegelijkertijd brengt dit mee dat verschillende rechters in eenzelfde zaak tot uiteenlopende voorlopige hechtenisbeslissingen kunnen komen. In veel zaken bestaat dan ook niet zoiets als ‘één juiste beslissing’. Het op voorlopige hechtenis betrekking hebbende internationale kader van kinder- en mensenrechten eist ook niet zozeer van de rechter dat hij in elke zaak ‘de enige juiste’ voorlopige hechtenisbeslissing vindt en neemt, doch dat hij komt tot een rechtmatige en niet-willekeurige voorlopige hechtenisbeslissing. Het kan evenwel voorkomen dat in een bepaald geval zowel de beslissing om de verdachte in voorlopige hechtenis te nemen als de beslissing om de verdachte in vrijheid te stellen kinder- en mensenrechtenconform (lees: rechtmatig en niet-willekeurig) kan zijn.5 De rechter dient wel altijd inzichtelijk te maken hoe hij invulling heeft gegeven aan zijn discretionaire beslisruimte door middel van een deugdelijke motivering van zijn voorlopige hechtenisbeslissing.
Een gestructureerd besluitvormingsschema, zoals in dit hoofdstuk is aangereikt, kan slechts een waarborg bieden tegen (onbewuste) subjectiviteit en vooringenomenheid indien de rechter dit schema transparant toepast. Concreet betekent dit dat de rechter in de motivering van zijn voorlopige hechtenisbeslissing met verwijzing naar de concrete omstandigheden van het geval inzicht zal moeten geven in de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de vijf stappen van het besluitvormingsschema. Hiermee dwingt de rechter zichzelf tot rationalisering en maakt hij zijn oordeel bovendien controleerbaar.6 Zonder een dergelijke motivering blijft het immers onduidelijk of een voorlopige hechtenisbeslissing in overeenstemming is met de kinder- en mensenrechtelijke criteria voor een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis. Hiermee moet deze motiveringsplicht als zodanig worden beschouwd als een minimumvoorwaarde voor een kinder- en mensenrechtenconforme voorlopige hechtenisbeslissing (vgl. par. 2.3.2 en par. 2.4.3.6).7