Prg. 2022/159
Bewuste roekeloosheid: De rechter dient te toetsen of bij de werknemer ‘bewustheid’ bestond. Dit laat zich moeilijk anders motiveren dan wordt nagegaan of bewustheid redelijkerwijs kan worden aangenomen.
HR 25-03-2022, ECLI:NL:HR:2022:448
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
25 maart 2022
- Magistraten
Mrs. C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink
- Zaaknummer
21/02616
- Conclusie
A-G mr. R.H. de Bock
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2022:448, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑03‑2022
ECLI:NL:PHR:2021:1170, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑12‑2021
- Wetingang
Essentie
Arbeidsrecht. Bij beoordeling van ‘bewuste roekeloosheid’ dient te worden getoetst of bij werknemer ‘bewustheid’ bestond. Dient rechter daarbij te kijken in hoofd van een ander?
Nee. Er dient te worden nagegaan of ‘bewustheid’ redelijkerwijs kan worden aangenomen.
Samenvatting
Krachtens artikel 7:661 lid 1 BW is de werknemer die schade toebrengt aan werkgever niet aansprakelijk, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Verzoeker heeft tegen de beschikking van het hof cassatie ingesteld.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ex art. 81 lid 1 RO. De A-G buigt zich in zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.