Einde inhoudsopgave
De uitleg van Anglo-Amerikaanse Boilerplate-bedingen in Nederlandse contracten (O&R nr. 121) 2020/4.3.5
4.3.5 Strict liability
mr. drs. J.W.A. Dousi, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J.W.A. Dousi
- JCDI
JCDI:ADS198174:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
E.A. Farnsworth, ‘Legal Remedies for Breach of Contract’, Columbia Law Review 1970/7, p. 1147. Zie ook Amerikaans recht: Globe Refining Co. v. Landa Cotton Oil Co. 190 U.S. 540 (1903). Zie ook Corbin/Murray 2014, par. 53.1; Klass 2010, p. 96; Perillo 2014, par. 13.20; Farnsworth 2004, par. 9.1; Officiële commentaar (b) bij §235 Restatement (Second) of Contracts: “[w]hen performance is due (…) anything short of full performance is a breach, even if the party who does not fully perform was not at fault and even if the defect in his performance was not substantial.” Engels recht: McKendrick 2016, p. 749; Cartwright 2016, p. 274.
Treitel 1988, p. 8: “It can be explained on the ground that contract is regarded by these [civil law] systems as part of the general law of obligations. Hence the fault principle which (at least until recently) seemed to be an obvious general requirement in delict was carried over to contract.”
Cartwright 2016, p. 52.
Holmes 1881, p. 37: “My aim and purpose have been to show that the various forms of liability known to modern law spring from the common ground of revenge (…) In the criminal law and the law of torts [that fact] is of the first importance. It shows that they have started from a moral basis, from the thought that someone was to blame.” Zie bijvoorbeeld zaak Applied Equip. Corp. v. Litton Saudi Arabia Ltd., 869 P.2d 454 (Cal. 1994): “[Whereas] [c]ontract actions are created to protect the interest in having promises performed,’ ‘[t]ort actions are created to protect the interest in freedom from various kinds of harm. The duties of conduct which give rise to them are imposed by law, and are based primarily on social policy, and not necessarily based upon the will or intention of the parties.’” Zie bijvoorbeeld ook Erlich v. Menezes, 981 P.2d 978 (Cal. 1999): 'Whereas contract actions are created to enforce the intentions of the parties to the agreement, tort law is primarily designed to vindicate ‘social policy.’'
Globe Ref. Co. v. Landa Cotton Oil Co., 190 U.S. 540 (1903): “The motive for the breach commonly is immaterial in an action on the contract.” Zie ook West & Benton 2009, p. 1006; McKendrick 2016, p. 750.
Vgl. Zweigert & Kotz 1998, p. 510.
Haas wijst er terecht op dat art. 3:296 BW slechts de processuele bevoegdheid geeft om een rechtsvordering tot nakoming in te stellen. Het BW bevat geen wettelijke grondslag voor het materiële recht op nakoming, omdat de wetgever dat recht kennelijk zo vanzelfsprekend vond dat een expliciete bepaling niet nodig was. Zie Haas 2009, p. 12. Het vorderingsrecht tot nakoming wordt volgens de Nederlandse doctrine geacht rechtstreeks voort te vloeien uit de verbintenis uit overeenkomst. Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/380.
Taylor v Caldwell [1863] EWHC QB J1.
Bovendien wordt een verbintenis soms uitgelegd als slechts een ‘best efforts’ verplichting of wordt een overeenkomst aangevuld met een implied ‘duty of best efforts’. Zie Farnsworth 2004, par. 7.17c: “Sometimes contract language that might, if read literally, require the promisor to achieve a specific result is interpreted as imposing only a duty of best efforts. Examples include most contracts for professional services. And sometimes in the absence of any contract language whatsoever a court will impose a duty of best efforts.”; Corbin/Perillo & Bender 1995, par. 6.5.
Zie verder hfd. 10.
Officiële commentaar (d) bij §261 Restatement (Second) of Contracts. Zie verder par. 10.2.3.
Treitel 2014, par. 6-022; Corbin/Nehf 2001, par. 74.11. Zie verder par. 10.2.3.
McKendrick 2007, p. 239: “One of the consequences of the narrowness of the doctrine of frustration is that force majeure clause have come to play an important role in the allocation of risk in commercial contracts. (…) Indeed, the parties’ ability to insert into their contract appropriately drafted force majeure clauses (and related devices, such as hardship clauses) is itself an important factor explaining the narrow scope within which the doctrine of frustration presently operates.”
129. Het Anglo-Amerikaanse contractenrecht wordt doorgaans gekarakteriseerd als een systeem van strict liability. In de woorden van Farnsworth: “[i]n its essential design, (…) our system of remedies for breach of contract is one of strict liability and not of liability based on fault.”1 Voor de vraag of de schuldeiser een remedie heeft waarop hij zich jegens de schuldenaar kan beroepen, is het in beginsel irrelevant of de tekortkoming toerekenbaar is aan de schuldenaar. De schuldenaar kan zich dus in beginsel niet verweren met het argument dat de tekortkoming niet aan hem toerekenbaar is.
130. Op het eerste gezicht lijkt dit een belangrijk verschil met het Nederlandse contractenrecht, waarin toerekenbaarheid wel een kernrol speelt. Treitel verklaart deze discrepantie uit het feit dat in de meeste civil law landen, waaronder Nederland, het contractenrecht onderdeel uitmaakt van het (bredere) verbintenissenrecht. Zo delen in het Nederlandse recht het contractenrecht en het onrechtmatige daadsrecht één afdeling in het Burgerlijk Wetboek waarin voor beide rechtsgebieden dezelfde schadevergoedingsregeling is opgenomen (6.1.10 BW). Op die manier zou volgens Treitel het vereiste van toerekenbaarheid uit het onrechtmatige daadsrecht zijn overgebracht naar het contractenrecht.2 In het Anglo-Amerikaanse recht daarentegen zijn het contractenrecht (contracts) en onrechtmatige daadsrecht (torts) altijd veel meer gescheiden rechtsgebieden geweest zonder een overkoepelende regeling.3 Beide rechtsgebieden dienen duidelijk van elkaar verschillende doelen en hebben daarbij passende remedies en voorwaarden waaronder die remedies kunnen worden ingeroepen. Het onrechtmatige daadsrecht heeft een ‘morele basis’ en is gericht op het beschermen van eenieder tegen gevaren veroorzaakt door een ander door middel van herstel en eventueel vergelding. Hierbij is toerekenbaarheid een belangrijk vereiste voor schadevergoeding, zo is de gedachte.4 Het contractenrecht daarentegen is primair gericht op het waarborgen dat contractspartijen hun wederzijdse beloften nakomen. De gedachte hierbij is dat, wanneer het afdwingen van een gedane belofte het doel is, het irrelevant is waarom of hoe een belofte niet wordt nagekomen.5
Toch zijn de verschillen tussen het Nederlandse en het Anglo-Amerikaanse contractenrecht op dit punt subtieler dan ze op het eerste gezicht lijken.6 In het Nederlandse recht is tekortkoming in beginsel een ‘neutraal begrip’. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om nakoming van de overeenkomst te vorderen (art. 3:296 BW).7 Bovendien geeft iedere tekortkoming de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden (art. 6:265 BW). Toerekenbaarheid is hierbij geen vereiste. Voor een vordering tot schadevergoeding is dat anders.Art. 6:74 BW bepaalt dat “iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar [verplicht] de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden”. Zij voegt daar echter aan toe: “tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.” Toerekenbaarheid is voor schadevergoeding dus wel een vereiste. Althans, ontbreekt de toerekenbaarheid, dan levert de tekortkoming geen grond voor schadevergoeding op. In dat geval is sprake van ‘overmacht’. Belangrijk is echter dat overmacht een mogelijk verweer is van de schuldenaar (doorgaans de gedaagde). De schuldeiser hoeft de toerekenbaarheid van de tekortkoming niet de stellen bij zijn vordering tot schadevergoeding, maar de schuldenaar zal moeten stellen dat zijn tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Bovendien heeft de uitspraak Taylor v. Caldwell8 zowel in het Engelse als het Amerikaanse recht een belangrijk kantelpunt in gang gezet. Na deze uitspraak is voorzichtig een doctrine ontstaan waarin een schuldenaar, weliswaar onder zeer beperkte omstandigheden, een verweer tegen een schadevergoedingsvordering kan hebben als hij buiten zijn schuld om wordt verhinderd om na te komen.9 In het Engelse recht wordt die doctrine doorgaans aangeduid onder de term frustration. Het Amerikaanse recht kent de verweren impossibility, impracticability en frustration of purpose.10
De reikwijdte van deze verweren is echter beperkter dan in het Nederlandse recht. Zo is een overmachtsverweer in het Nederlandse recht niet alleen mogelijk wanneer de nakoming voor eenieder volstrekt onmogelijk is, maar ook wanneer de nakoming voor de desbetreffende schuldenaar onmogelijk of praktisch te bezwaarlijk is geworden.11 In het Amerikaanse recht is een verweer in het geval dat nakomen praktisch te bezwaarlijk is geworden in beginsel ook mogelijk, maar uitzonderlijk.12 In het Engelse recht is in dat geval een verweer in beginsel uitgesloten.13
131. Hoewel de verschillen dus wellicht minder groot zijn dan ze op het eerste gezicht lijken, kunnen de verschillen wel een belangrijke bijdrage leveren aan de verklaring waarom partijen in het Anglo-Amerikaanse recht een force majeure-beding opnemen (hfd. 10). Omgekeerd is het feit dat in de Anglo-Amerikaanse rechtspraktijk partijen doorgaans gedetailleerde force majeure-bedingen opnemen, juíst de reden dat de leerstukken zo een beperkte reikwijdte hebben.14