Procestaal: Engels.
HvJ EU, 25-03-2021, nr. C-591/16 P
ECLI:EU:C:2021:243
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-03-2021
- Magistraten
volgt: M. Vilaras, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe, P. G. Xuereb
- Zaaknummer
C-591/16 P
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Lundbeck/Commissie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:243, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑03‑2021
ECLI:EU:C:2020:428, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑06‑2020
Uitspraak 25‑03‑2021
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Farmaceutische producten — Markt voor antidepressiva (citalopram) — Overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die octrooihouder is en fabrikanten van generieke geneesmiddelen — Artikel 101 VWEU — Potentiële mededinging — Beperking naar strekking — Kwalificatie — Berekening van de geldboete — Verkopen die rechtstreeks of indirect in verband staan met de inbreuk’
volgt: M. Vilaras, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe, P. G. Xuereb
Partij(en)
In zaak C-591/16 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 18 november 2016,
H. Lundbeck A/S, gevestigd te Valby (Denemarken),
Lundbeck Ltd, gevestigd te Milton Keynes (Verenigd Koninkrijk),
aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Subiotto, QC, en T. Kuhn, Rechtsanwalt, vervolgens door R. Subiotto, QC,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castilla Contreras, T. Vecchi, B. Mongin en C. Vollrath als gemachtigden, bijgestaan door B. Rayment en D. Bailey, barristers, G. Peretz, QC, en S. Kingston, SC,
verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door:
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Guðmundsdóttir, Z. Lavery en D. Robertson als gemachtigden, bijgestaan door J. Turner, QC, J. Holmes, QC, M. Demetriou, QC, en T. Sebastian, barrister, vervolgens door D. Guðmundsdóttir als gemachtigde, bijgestaan door J. Turner, QC, J. Holmes, QC, en M. Demetriou, QC, en T. Sebastian, barrister,
interveniënt in hogere voorziening,
European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door F. Carlin, barrister, en N. Niejahr, Rechtsanwältin,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur), S. Rodin, K. Jürimäe en P. G. Xuereb, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffiers: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid, C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 januari 2019,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2020,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken H. Lundbeck A/S en Lundbeck Ltd om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 september 2016, Lundbeck/Commissie (T-472/13, EU:T:2016:449; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende verwerping van hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2013) 3803 final van de Commissie van 19 juni 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT/C-3/39226 — Lundbeck) (hierna: ‘litigieus besluit’) en tot verlaging van de hen door dit besluit opgelegde geldboeten.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1/2003
2
Artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) luidt:
‘De Commissie kan bij [besluit] geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
- a)
inbreuk maken op artikel [101] of artikel [102 VWEU]; […]’
Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006
3
De punten 6, 13 en 22 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: ‘richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006’) luiden:
- ‘6.
De combinatie van de waarde van de verkopen in verband met de inbreuk en de duur van de inbreuk wordt […] als een geschikte maatstaf beschouwd waarin zowel de economische impact van de inbreuk tot uiting komt als het relatieve gewicht van elke onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen. De verwijzing naar deze factoren geeft een goede indicatie van de orde van grootte van de boete maar moet niet als basis voor een automatische, rekenkundige berekeningsmethode worden beschouwd.
[…]
- 13.
Om het basisbedrag van de op te leggen boete vast te stellen zal de Commissie uitgaan van de waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de [Europese Economische Ruimte (EER)] verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk. De Commissie zal over het algemeen gebruikmaken van de verkopen van de onderneming in het laatste volledige jaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen (‘waarde van de verkopen’).
[…]
- 22.
Om de precieze hoogte binnen deze bandbreedte te bepalen zal de Commissie met een aantal factoren rekening houden, zoals de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk, en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd.’
Richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht
4
Punt 29 van de richtsnoeren voor de toepassing van artikel 101 [VWEU] op overeenkomsten inzake technologieoverdracht (PB 2014, C 89, blz. 3; hierna: ‘richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht’) luidt als volgt:
‘In principe worden de partijen bij een overeenkomst geacht geen concurrenten te zijn indien zij zich in een blokkeringspositie in één richting of in twee richtingen bevinden. Van een blokkeringspositie in één richting is sprake wanneer een technologierecht niet kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op een ander geldig technologierecht of wanneer de ene partij niet op een commercieel levensvatbare wijze op de relevante markt actief kan zijn zonder inbreuk te maken op het geldige technologierecht van de andere partij. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een technologierecht betrekking heeft op de verbetering van een ander technologierecht en deze verbetering niet rechtmatig kan worden gebruikt zonder licentie voor het basistechnologierecht. Er is sprake van een blokkeringspositie in twee richtingen wanneer geen van beide technologierechten kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op het andere geldige technologierecht of wanneer geen van beide partijen op een commercieel levensvatbare wijze op de relevante markt actief kan zijn zonder inbreuk te maken op het geldige technologierecht van de andere partij, en wanneer de partijen derhalve van elkaar een licentie of een gebruiksrecht moeten verkrijgen. In de praktijk zullen er echter gevallen zijn waarin het niet zeker is of een bepaald technologierecht geldig is en of er inbreuk op is gemaakt.’
Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beschikking
5
De onderhavige hogere voorziening is een van de zes verwante hogere voorzieningen tegen zes arresten van het Gerecht die zijn gewezen na beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, namelijk, naast de onderhavige hogere voorziening, de hogere voorziening die is ingesteld in zaak C-586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie] tegen het arrest van 8 september 2016, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (T-460/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:453), die in zaak C-588/16 P [Generics (UK)/Commissie] tegen het arrest van 8 september 2016, Generics (UK)/Commissie (zaak T-469/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:454), die in zaak C-601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (T-467/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:450), die in zaak C-611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (zaak T-471/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:460), en die in zaak C-614/16 P (Merck/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Merck/Commissie (zaak T-470/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:452).
6
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 75 van het bestreden arrest uiteengezet als volgt:
‘I — Vennootschappen waarop de onderhavige zaak betrekking heeft
- 1.
H. Lundbeck A/S […] is een vennootschap naar Deens recht die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen, waaronder Lundbeck Ltd, die in het Verenigd Koninkrijk [van Groot-Brittannië en Noord-Ierland] is gevestigd en die gespecialiseerd is in het onderzoek, de ontwikkeling, de productie, de marketing, de verkoop en de distributie van farmaceutica voor de behandeling van ziekten die het centrale zenuwstelsel raken, waaronder depressies.
- 2.
[H. Lundbeck] is een initiërend farmaceutisch bedrijf, dat wil zeggen een onderneming die zich concentreert op het onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen en het in de handel brengen daarvan.
- 3.
Merck KGaA is een vennootschap naar Duits recht die in farmaceutica is gespecialiseerd en die op het moment van sluiting van de betrokken overeenkomsten indirect, via de groep Merck Generics Holding GmbH (hierna: ‘Merck Generics’), 100 % van haar dochteronderneming Generics UK Limited (hierna: ‘GUK’) in handen had, een vennootschap die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en het in de handel brengen van generieke farmaceutische producten in het Verenigd Koninkrijk.
- 4.
Merck en GUK zijn door de […] Commissie beschouwd als één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht ten tijde van de relevante feiten [hierna: ‘Merck (GUK)’].
- 5.
Arrow Group A/S, die in augustus 2003 is omgedoopt tot Arrow Group ApS (hierna zonder onderscheid: ‘Arrow Group’), is een vennootschap naar Deens recht die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen, die in meerdere lidstaten aanwezig is en die sinds 2001 actief is op het gebied van de ontwikkeling en de verkoop van generieke geneesmiddelen.
- 6.
Arrow Generics Ltd is een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, die aanvankelijk voor 100 % en later, vanaf februari 2002, voor 76 % werd gehouden door de Arrow Group.
- 7.
Resolution Chemicals Ltd is een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk die gespecialiseerd is in de productie van werkzame farmaceutische bestanddelen (hierna: ‘WFB's’) voor generieke geneesmiddelen. Zij stond tot september 2009 onder de zeggenschap van de Arrow Group.
- 8.
Arrow Group, Arrow Generics Ltd en Resolution Chemicals Ltd zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‘Arrow’) ten tijde van de relevante feiten.
- 9.
Alpharma Inc. was een vennootschap naar Amerikaans recht die wereldwijd actief was in de farmaceutische sector, met name met generieke geneesmiddelen. Tot december 2008 werd zij gecontroleerd door de vennootschap naar Noors recht A.L. Industrier AS. Vervolgens is zij gekocht door een farmaceutisch bedrijf uit het Verenigd Koninkrijk, dat op zijn beurt is gekocht door een farmaceutisch bedrijf uit de Verenigde Staten. In het kader van deze reorganisaties is Alpharma Inc. eerst, in april 2010, Alpharma, LLC geworden en vervolgens, op 15 april 2013, Zoetis Products LLC.
- 10.
Alpharma ApS was een vennootschap naar Deens recht die indirect voor 100 % werd gehouden door Alpharma Inc. Zij had meerdere dochterondernemingen in de [EER]. Na meerdere reorganisaties is Alpharma ApS op 31 maart 2008 Axellia Pharmaceuticals ApS geworden, die in 2010 is omgedoopt tot Xellia Pharmaceuticals ApS […].
- 11.
Alpharma Inc., A.L. Industrier AS en Alpharma ApS zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‘Alpharma’) ten tijde van de relevante feiten.
- 12.
Ranbaxy Laboratories Ltd is een vennootschap naar Indiaas recht die gespecialiseerd is [in] de ontwikkeling en productie van WFB's en generieke geneesmiddelen.
- 13.
Ranbaxy (UK) Ltd is een vennootschap naar Engels recht en dochteronderneming van Ranbaxy Laboratories. Zij is belast met de verkoop van de producten van laatstgenoemde in het Verenigd Koninkrijk.
- 14.
Ranbaxy Laboratories Ltd en Ranbaxy (UK) Ltd zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‘Ranbaxy’) ten tijde van de relevante feiten.
II — Betrokken product en daarop betrekking hebbende octrooien
- 15.
Het product waar de onderhavige zaak betrekking op heeft, is een antidepressivum dat het WFB genaamd citalopram bevat.
- 16.
In 1977 heeft [H. Lundbeck] in Denemarken een octrooiaanvraag ingediend voor het WFB citalopram en voor de werkwijzen alkylering en cyanering die voor de productie van dat WFB worden gebruikt. De octrooien voor dit WFB en die twee werkwijzen (hierna: ‘oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck]’) zijn tussen 1977 en 1985 in Denemarken en meerdere West-Europese landen verleend.
- 17.
Wat de EER betreft, is de bescherming op grond van de oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck] en in voorkomend geval ook aanvullende beschermingscertificaten […], waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB [1992,] L 182, blz. 1), in 1994 (voor Duitsland) en 2003 (voor Oostenrijk) afgelopen. Wat meer bepaald het Verenigd Koninkrijk betreft, zijn de oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck] in januari 2002 verstreken.
- 18.
Door de jaren heen heeft [H. Lundbeck] andere, efficiëntere werkwijzen voor de productie van citalopram ontwikkeld, waarvoor zij in meerdere landen van de EER en bij de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) en het Europees Octrooibureau (EOB) octrooien heeft aangevraagd en vaak ook heeft verkregen (hierna: ‘nieuwe octrooien van Lundbeck’).
- 19.
Meer bepaald heeft [H. Lundbeck] ten eerste in 1998 en 1999 bij het EOB twee octrooiaanvragen ingediend voor de productie van citalopram met behulp van werkwijzen waarbij gebruik werd gemaakt van jodium en amide. Het EOB heeft aan [H. Lundbeck] op 19 september 2001 een octrooi verleend ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van amide […] en op 26 maart 2003 een octrooi ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van jodium […].
- 20.
Ten tweede heeft [H. Lundbeck] op 13 maart 2000 bij de Deense autoriteiten een octrooiaanvraag ingediend voor een werkwijze voor de productie van citalopram die voorzag in een methode voor de zuivering van de gebruikte zouten door middel van kristallisatie. In andere landen van de EER en bij de WIPO en het EOB zijn vergelijkbare aanvragen ingediend. [H. Lundbeck] heeft in de eerste helft van 2002 in meerdere lidstaten octrooien verkregen ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van kristallisatie, waaronder op 30 januari 2002 in het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‘octrooien inzake kristallisatie’). Het EOB heeft op 4 september 2002 een octrooi ter zake van de kristallisatie verleend. Daarnaast had [H. Lundbeck] reeds op 6 november 2000 in Nederland een gebruiksmodel voor deze werkwijze verkregen […], dus een octrooi dat zes jaar geldig is, dat wordt verleend zonder dat werkelijk vooraf onderzoek wordt verricht.
- 21.
Ten derde heeft [H. Lundbeck] op 12 maart 2001 een octrooiaanvraag ingediend bij de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor een werkwijze voor de productie van citalopram die voorzag in een methode voor de zuivering van de gebruikte zouten door filmdestillatie. De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben aan [H. Lundbeck] op 3 oktober 2001 een octrooi verleend voor deze methode van filmdestillatie (hierna: ‘octrooi inzake filmdestillatie’). Dit octrooi is echter op 23 juni 2004 ingetrokken omdat niet voldaan was aan de voorwaarde dat deze werkwijze nieuw was in vergelijking met een ander octrooi van [H. Lundbeck]. [H. Lundbeck] heeft op 29 juni 2002 een vergelijkbaar octrooi gekregen in Denemarken.
- 22.
Tot slot wilde [H. Lundbeck] eind 2002 of begin 2003 een nieuw antidepressivum, Cipralex, gebaseerd op het WFB met de naam escitalopram (of S-citalopram), op de markt brengen. Dit nieuwe geneesmiddel was bedoeld voor dezelfde patiënten als de patiënten die met het geoctrooieerde geneesmiddel Cipramil van [H. Lundbeck], gebaseerd op het WFB citalopram, werden behandeld. Het WFB escitalopram werd beschermd door octrooien die op zijn minst tot in 2012 geldig waren.
III — Litigieuze overeenkomsten
- 23.
In de loop van 2002 heeft [H. Lundbeck] zes overeenkomsten betreffende citalopram gesloten (hierna: ‘litigieuze overeenkomsten’) met vier ondernemingen die actief zijn op het gebied van de productie en/of verkoop van generieke geneesmiddelen, namelijk Merck (GUK), Alpharma, Arrow en Ranbaxy (hierna: ‘[fabrikanten van generieke geneesmiddelen]’).
A — Overeenkomsten met Merck (GUK)
- 24.
[H. Lundbeck] heeft met Merck (GUK) twee overeenkomsten gesloten.
- 25.
De eerste overeenkomst ging in op 24 januari 2002, met aanvankelijk een duur van een jaar en voor uitsluitend het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‘GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk’). Zij is ondertekend door de dochteronderneming van [H. Lundbeck] in het Verenigd Koninkrijk, dat wil zeggen de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk Lundbeck Ltd. Deze overeenkomst is vervolgens verlengd voor een periode van zes maanden die op 31 juli 2003 afliep. Na een kortstondige toetreding van Merck (GUK) tot de markt tussen 1 en 4 augustus, zijn de partijen vervolgens op 6 augustus 2003 een tweede verlenging van de overeenkomst aangegaan voor een periode van maximaal zes maanden, die korter kon worden indien [H. Lundbeck] geen gerechtelijke actie zou ondernemen tegen andere [fabrikanten van generieke geneesmiddelen] die tot de markt zouden trachten toe te treden of na afloop van een geding tussen Lundbeck en Lagap Pharmaceuticals Ltd, een andere [fabrikant van generieke geneesmiddelen] (hierna: ‘Lagap-geschil’).
- 26.
Volgens deze overeenkomst hadden de partijen met name in het volgende voorzien:
- —
er bestaat een risico dat bepaalde handelingen waartoe GUK het voornemen heeft op het gebied van het in de handel brengen, distribueren en verkopen van ‘Producten’, een inbreuk kunnen vormen op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck] en dat die aanleiding kunnen geven tot aanspraken van haar zijde (punt 2.1 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk). Deze ‘Producten’ waren in punt 1.1 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk gedefinieerd als ‘producten van citalopram die door GUK zijn ontwikkeld in de vorm van basismateriaal, als bulk of in de vorm van tabletten, zoals gespecificeerd in de Bijlage, en die zijn vervaardigd volgens de productspecificatie die GUK heeft overgelegd op de datum van ondertekening, die is opgenomen als Bijlage 2’;
- —
gelet op de tussen de partijen gesloten overeenkomst zal [H. Lundbeck] op 31 januari 2002 aan GUK een bedrag van 2 miljoen Britse pond (GBP) betalen in ruil voor de levering van de ‘Producten’, in de hoeveelheden zoals opgenomen in de overeenkomst (punt 2.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk);
- —
GUK verbindt zich er daarnaast toe om tegen betaling van een aanvullend bedrag van 1 miljoen GBP de ‘Producten’ zoals gespecificeerd in de [Bijlage] op 2 april 2002 te leveren (punt 2.3 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk);
- —
de verrichte betalingen en de levering van de ‘Producten’ door GUK op grond van de punten 2.2 en 2.3 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk vormen volledige en finale kwijting voor enige aanspraken die [H. Lundbeck] jegens GUK zou kunnen hebben wegens inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrechten voor zover betrekking hebbend op de ‘Producten’ die tot die datum door GUK zijn geleverd (punt 2.4 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk);
- —
[H. Lundbeck] verbindt zich ertoe om ‘Eindproducten’ te leveren aan GUK en GUK verbindt zich ertoe om deze ‘Eindproducten’ uitsluitend van [H. Lundbeck] te kopen met het oog op de wederverkoop ervan door GUK en de met haar verbonden ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk voor de duur en volgens de bepalingen van de overeenkomst (punt 3.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk), waarbij deze ‘Eindproducten’ in punt 1.1 van de overeenkomst zijn gedefinieerd als ‘de producten die citalopram bevatten in de vorm van eindproducten, die door [H. Lundbeck] aan GUK zullen worden geleverd overeenkomstig de onderhavige overeenkomst’;
- —
[H. Lundbeck] verbindt zich ertoe om aan GUK een bedrag van 5 miljoen GBP te betalen als aan GUK gegarandeerde nettowinst, mits GUK bestellingen plaatst voor het volume ‘Eindproducten’ dat voor de duur van de overeenkomst is overeengekomen (of een lager bedrag dat pro rata wordt berekend op basis van de geplaatste bestellingen) (punt 6.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk).
- 27.
Bij de eerste verlenging van de overeenkomst is mede voorzien in de betaling van een bedrag van 400 000 GBP per maand voor de uitvoering van punt 6.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk door GUK en is de definitie van ‘nettowinst’ gewijzigd.
- 28.
Bij de tweede verlenging van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk is mede voorzien in een bedrag van 750 000 GBP per maand voor de uitvoering van artikel 6.2 van die overeenkomst door GUK.
- 29.
De GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk is op 1 november 2003 afgelopen, na de minnelijke regeling van het Lagap-geschil. In totaal heeft [H. Lundbeck] tijdens de looptijd van de overeenkomst het equivalent van 19,4 miljoen EUR aan GUK overgedragen.
- 30.
Op 22 oktober 2002 is een tweede overeenkomst tussen [H. Lundbeck] en GUK gesloten, die de EER met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk dekte (hierna: ‘GUK-overeenkomst voor de EER’). In deze overeenkomst was voorzien in de betaling van een bedrag van 12 miljoen EUR in ruil voor de verbintenis van GUK om geen farmaceutische producten met daarin citalopram te verkopen op het gehele grondgebied van de EER (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) en alle redelijke inspanningen te doen om ervoor te zorgen dat Natco Pharma Ltd […], de producent van het WFB citalopram dat door Merck (GUK) wordt gebruikt voor het in de handel brengen van haar versie van generiek citalopram […], de levering van citalopram of producten met daarin citalopram in de EER zou staken voor de duur van de overeenkomst (punten 1.1 en 1.2 van de GUK-overeenkomst voor de EER). [H. Lundbeck] verbond zich ertoe om niet in rechte op te treden tegen GUK, mits zij haar verplichtingen op grond van punt 1.1 van de GUK-overeenkomst voor de EER zou nakomen (punt 1.3 van de GUK-overeenkomst voor de EER).
- 31.
De GUK-overeenkomst voor de EER liep af op 22 oktober 2003. In totaal heeft [H. Lundbeck] op grond van die overeenkomst het equivalent van 12 miljoen EUR aan GUK overgedragen.
B — Overeenkomsten met Arrow
- 32.
[H. Lundbeck] heeft met Arrow twee overeenkomsten gesloten.
- 33.
De eerste daarvan, betreffende het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, is op 24 januari 2002 gesloten tussen [H. Lundbeck], enerzijds, en Arrow Generics en Resolution Chemicals (hierna tezamen: ‘Arrow UK’), anderzijds (hierna: ‘Arrow-UK-overeenkomst’).
- 34.
De Arrow-UK-overeenkomst zou aanvankelijk tot 31 december 2002 lopen of, indien dit eerder zou zijn, de datum van een definitief geworden rechterlijke beslissing over de vordering die [H. Lundbeck] tegen Arrow UK wilde instellen bij de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk ter zake van de vermeende inbreuk van laatstgenoemde op haar octrooien (hierna: ‘vordering wegens inbreuk op Arrow’) (punt 4.1 van de Arrow-UK-overeenkomst). Daarna is deze overeenkomst bij twee gelegenheden verlengd door de ondertekening van addenda. De eerste verlenging betrof de periode 1 januari tot 1 maart 2003 (punt 3.1 van het eerste addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst), terwijl de tweede bepaalde dat die overeenkomst zou aflopen op hetzij 31 januari 2004, hetzij op de zevende dag volgend op de rechterlijke beslissing waardoor een einde zou komen aan het Lagap-geschil (punt 4.1 van het tweede addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst). Aangezien dit geschil minnelijk is geregeld op 13 oktober 2003, is de Arrow-UK-overeenkomst geëindigd op 20 oktober daarna. Dit betekent dat de totale looptijd van deze overeenkomst zich heeft uitgestrekt van 24 januari 2002 tot 20 oktober 2003 (hierna: ‘looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst’)
- 35.
Ten aanzien van de inhoud van de Arrow-UK-overeenkomst moet op het volgende worden gewezen:
- —
in de eerste overweging van de considerans van deze overeenkomst (hierna: ‘Arrow-UK-considerans’) wordt onder meer verwezen naar het feit dat [H. Lundbeck] houder is van de octrooien inzake kristallisatie en filmdestillatie;
- —
in de vierde overweging van de Arrow-UK-considerans is het volgende verduidelijkt: ‘Arrow [UK] heeft van een derde partij een licentie verkregen voor de import in het Verenigd Koninkrijk van citalopram dat niet door [H. Lundbeck] of met toestemming van [H. Lundbeck] is geproduceerd (‘bedoeld Citalopram’; om elke onduidelijkheid te voorkomen, omvat deze definitie alleen Citalopram dat bedoeld is voor de marketing en de verkoop in het Verenigd Koninkrijk, met uitsluiting van dat bedoeld voor de marketing en de verkoop in andere landen’);
- —
in de zesde overweging van de Arrow-UK-considerans is aangegeven dat [H. Lundbeck] ‘bedoeld Citalopram’ aan laboratoriumtesten heeft onderworpen, waaruit is gebleken dat er goede gronden zijn om aan te nemen dat dit inbreuk maakte op de octrooien die hierboven bij het eerste gedachtestreepje zijn genoemd;
- —
in de zevende overweging van de Arrow-UK-considerans is uiteengezet dat Arrow UK niet toegeeft dat zij inbreuk op deze octrooien heeft gemaakt en ook niet erkent dat zij geldig zijn, maar aanvaardt dat [H. Lundbeck] daarvan overtuigd is, hetgeen Arrow UK niet met onweerlegbaar bewijs kan ontkrachten;
- —
in de achtste overweging van de Arrow-UK-considerans is eraan herinnerd dat [H. Lundbeck] ermee heeft gedreigd dat zij om voorlopige maatregelen zou verzoeken en dat zij voornemens was om de vordering wegens inbreuk op Arrow in te stellen;
- —
in punt 1.1 van die overeenkomst was het volgende bepaald: ‘Arrow [UK] verbindt zich er in eigen naam en in naam van alle verwante en verbonden entiteiten toe om gedurende de [looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst] en op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk geen (1) [‘]bedoeld Citalopram[’] of (2) enig ander citalopram dat volgens [H. Lundbeck] inbreuk maakt op haar [intellectuele-]eigendomsrechten te vervaardigen, te vervreemden of ter vervreemding aan te bieden, te gebruiken of na de tweede leveringsdatum te importeren of op te slaan met het oog op de vervreemding ervan of voor enig ander doel, en gedurende de [looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst] voldoende stalen voor analyse te leveren om [H. Lundbeck] in staat te stellen om na te gaan of al of niet sprake is van een inbreuk, zulks telkens ten minste een maand vóór elke vervaardiging, import, verkoop of offerte die Arrow [UK] dreigde te doen in afwachting van een eindbeslissing waartegen geen beroep meer openstaat in [het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow] […]’;
- —
in punt 1.2 van deze overeenkomst is vermeld dat Arrow UK ermee instemt dat de door haar aangegane verbintenissen als bedoeld in punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst, worden overgenomen in een beschikking die [H. Lundbeck] aan de bevoegde rechter in het Verenigd Koninkrijk zou vragen;
- —
in punt 2.1 van deze overeenkomst is eraan herinnerd dat [H. Lundbeck] de vordering wegens inbreuk op Arrow zal instellen zodra dat mogelijk is en hoe dan ook op uiterlijk 31 maart 2002;
- —
in punt 2.2 van deze overeenkomst is bepaald dat [H. Lundbeck], gezien de verbintenissen bedoeld in punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst en het feit dat Arrow UK niet zal verzoeken om ‘cross-undertaking in damages’ (het bedrag dat [H. Lundbeck] naar Engels recht bij de rechterlijke instantie had moeten storten indien zij in het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow om een voorlopige maatregel had verzocht), aan Arrow UK in vier tranches 5 miljoen GBP zal overmaken, waarbij dit bedrag later is verhoogd met 450 000 GBP, op grond van punt 2.1 van het eerste addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst, en met 1,350 miljoen GBP, op grond van de punten 2.1 en 3 van het tweede addendum bij die overeenkomst;
- —
in punt 2.3 van deze overeenkomst is bepaald dat, ingeval in een eindbeslissing in het kader van de vordering wegens inbreuk zou worden vastgesteld dat Arrow UK geen inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck], het bedrag genoemd in punt 2.2 van deze overeenkomst de volledige schadevergoeding zou vormen die Arrow UK van [H. Lundbeck] zou kunnen verkrijgen voor de verliezen die zij als gevolg van de uit punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou hebben geleden;
- —
in punt 3.4 van de overeenkomst is opgenomen dat Arrow UK aan [H. Lundbeck] haar voorraad van ‘bedoeld citalopram’ in twee stappen zal leveren, waarvan de eerste, die betrekking had op ongeveer 3,975 miljoen tabletten in dozen, uiterlijk 6 februari 2002 moest plaatsvinden en de tweede, die betrekking had op ongeveer 1,1 miljoen tabletten in bulk, uiterlijk op 15 februari 2002.
- 36.
Daarnaast moet worden verduidelijkt dat [H. Lundbeck] op 6 februari 2002 de in punt 1.2 van de Arrow-UK-overeenkomst bedoelde beschikking heeft verkregen […].
- 37.
De tweede overeenkomst, betreffende het grondgebied van Denemarken, is op 3 juni 2002 gesloten tussen [H. Lundbeck] en Arrow Group (hierna: ‘Deense Arrow-overeenkomst’).
- 38.
De Deense Arrow-overeenkomst is opgesteld met een looptijd vanaf de ondertekening ervan op 3 juni 2002 tot 1 april 2003 of, indien dat eerder zou zijn, de datum van een definitief geworden rechterlijke beslissing inzake de vordering wegens inbreuk op Arrow. Aangezien geen dergelijke beslissing is vastgesteld, was de overeenkomst van kracht van 3 juni 2002 tot 1 april 2003 […]
- 39.
Ten aanzien van de inhoud van de Deense Arrow-overeenkomst moet op het volgende worden gewezen:
- —
de eerste, derde en vijfde tot en met negende overweging van de considerans stemmen in essentie overeen met de eerste, vierde en zesde tot en met achtste overweging van de Arrow-UK-considerans, met dien verstande dat de negende overweging van de considerans van de Deense Arrow-overeenkomst verwijst naar de consent order [bedoeld in punt 1.2 van de Arrow-UK-overeenkomst];
- —
in punt 1.1 van deze overeenkomst is bepaald: ‘Arrow [Group] verbindt zich er voor de duur [van de Deense Arrow-overeenkomst] toe om op het [Deense] grondgebied alle import, vervaardiging, productie, verkoop of andere commercialisering van producten die citalopram bevatten en die volgens [H. Lundbeck] inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten, te annuleren en te staken’;
- —
in punt 2.1 van deze overeenkomst is opgenomen dat [H. Lundbeck] als compensatie voor de verbintenissen die zijn aangegaan door Arrow Group, aan laatstgenoemde het bedrag van 500 000 Amerikaanse dollar (USD) zal betalen;
- —
in punt 2.2 van deze overeenkomst is vastgelegd dat, ingeval in een eindbeslissing in het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow zou worden vastgesteld dat Arrow Group geen inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck], het bedrag genoemd in punt 2.1 van deze overeenkomst de volledige schadevergoeding zou vormen die Arrow Group van [H. Lundbeck] zou kunnen verkrijgen voor de verliezen die zij als gevolg van de uit punt 1.1 van de Deense Arrow-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou hebben geleden;
- —
in punt 3.1 van deze overeenkomst is daaraan toegevoegd dat [H. Lundbeck] voor de prijs van 147 000 USD de voorraad citalopram van Arrow Group, zijnde ongeveer 1 miljoen tabletten, zal kopen.
C — Overeenkomst met Alpharma
- 40.
[H. Lundbeck] heeft op 22 februari 2002 een overeenkomst met Alpharma gesloten (hierna: ‘Alpharma-overeenkomst’), voor de periode vanaf deze datum tot en met 30 juni 2003 […]
- 41.
Vóór de sluiting van deze overeenkomst had Alpharma in januari 2002 bij Alfred E. Tiefenbacher GmbH & Co. […] een voorraad generieke citalopramtabletten gekocht die waren ontwikkeld met behulp van het WFB citalopram dat door de Indiase vennootschap Cipla was geproduceerd op basis van haar werkwijzen […] en had zij er nog meer besteld.
- 42.
Over de considerans van de Alpharma-overeenkomst moet met name het volgende worden opgemerkt:
- —
in de eerste overweging is eraan herinnerd dat ‘[H. Lundbeck] houder is van intellectuele-eigendomsrechten die in het bijzonder de octrooien voor de productie […] van het WFB ‘Citalopram’ [in de hele tekst van de overeenkomst met een hoofdletter ‘c’ geschreven] omvatten, waaronder de octrooien die zijn weergegeven in bijlage A […]’ bij deze overeenkomst […];
- —
in de tweede overweging is aangegeven dat [H. Lundbeck] farmaceutische producten met daarin ‘Citalopram’ produceert en verkoopt in alle lidstaten en in Noorwegen en Zwitserland, waarbij die landen tezamen zijn gedefinieerd als het ‘Grondgebied’;
- —
in de derde en de vierde overweging is vermeld dat Alpharma op het ‘Grondgebied’ farmaceutische producten met daarin ‘Citalopram’ heeft geproduceerd of verkocht zonder toestemming van [H. Lundbeck];
- —
in de vijfde en zesde overweging is aangegeven dat de producten van Alpharma door [H. Lundbeck] aan laboratoriumtesten zijn onderworpen, waaruit is gebleken dat er goede gronden zijn om aan te nemen dat de productiemethoden die worden gebruikt voor de vervaardiging van deze producten, inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten;
- —
in de zevende overweging is in herinnering gebracht dat [H. Lundbeck] op 31 januari 2002 een vordering heeft ingesteld bij een rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‘vordering wegens inbreuk op Alpharma’) ter verkrijging van een voorlopige maatregel ‘tegen de verkopen door Alpharma van producten die Citalopram bevatten wegens inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck]’;
- —
in de achtste overweging is aangegeven dat Alpharma erkent dat de door [H. Lundbeck] gedane vaststellingen juist zijn en dat zij zich ertoe verbindt om ‘dergelijke producten’ niet op de markt te brengen;
- —
in de negende en de tiende overweging is gepreciseerd dat [H. Lundbeck]:
- —
‘ermee instemt om aan Alpharma een compensatie te betalen om een octrooigeschil te kunnen voorkomen’, waarvan de uitkomst niet met volledige zekerheid kan worden voorzien en dat duur en tijdrovend zou zijn;
- —
‘ermee instemt om, ter beëindiging van het geschil, van Alpharma haar hele voorraad producten met daarin Citalopram te kopen en haar voor deze producten een compensatie te betalen’.
- 43.
Wat het corpus van de Alpharma-overeenkomst betreft, moet met name op het volgende worden gewezen:
- —
in punt 1.1 is bepaald dat Alpharma en haar dochterondernemingen ‘gedurende de [relevante periode] elke import, […] productie […] of verkoop van farmaceutische producten die Citalopram bevatten op het Grondgebied annuleren en staken en dat zij daarvan afzien […]’ en dat [H. Lundbeck] haar tegen Alpharma ingestelde vordering wegens inbreuk intrekt;
- —
in datzelfde punt is gepreciseerd dat dit niet van toepassing is op escitalopram;
- —
in punt 1.2 is erin voorzien dat ‘Alpharma zich in geval van niet-nakoming van de verplichting in [punt 1.1] of op verzoek van [H. Lundbeck] […] vrijwillig zal onderwerpen aan een voorlopige maatregel van om het even welke bevoegde rechterlijke instantie in om het even welk land dat deel uitmaakt van het Grondgebied’ en dat [H. Lundbeck] een dergelijke maatregel zal kunnen verkrijgen zonder een waarborg te storten;
- —
in punt 1.3 is gepreciseerd dat [H. Lundbeck] als compensatie voor de in die overeenkomst voorziene verplichtingen en ter vermijding van de kosten en de tijd die met een rechtszaak zijn gemoeid, aan Alpharma het bedrag van 12 miljoen USD zal betalen, waarvan 11 miljoen bedoeld is voor de producten van Alpharma die ‘Citalopram’ bevatten, in drie tranches van 4 miljoen elk, te betalen op respectievelijk 31 maart 2002, 31 december 2002 en 30 juni 2003;
- —
in punt 2.2 is bepaald dat Alpharma uiterlijk op 31 maart 2002 de volledige voorraad van producten met daarin ‘Citalopram’ waarover zij op die datum zal beschikken, aan [H. Lundbeck] zal leveren, zijnde de 9,4 miljoen tabletten die zij reeds in haar bezit had bij de sluiting van de Alpharma-overeenkomst en de 16 miljoen tabletten die zij had besteld.
- 44.
Bijlage A [bij de Alpharma-overeenkomst] bevat een lijst van 28 aanvragen voor intellectuele-eigendomsrechten die door [H. Lundbeck] waren ingediend vóór de ondertekening [van die overeenkomst], waarvan er negen op die datum reeds waren gehonoreerd. Deze intellectuele-eigendomsrechten betroffen de werkwijzen voor de productie van het WFB citalopram waarop de octrooien inzake de kristallisatie en de filmdestillatie zagen.
- 45.
Bovendien moet worden verduidelijkt dat een rechter in het Verenigd Koninkrijk op 2 mei 2002 een consent order heeft uitgevaardigd waarin is bepaald dat de behandeling van de tegen Alpharma ingestelde vordering wegens inbreuk is opgeschort wegens de sluiting van een overeenkomst tussen [H. Lundbeck] en onder meer Alpharma, op grond waarvan laatstgenoemde en haar dochterondernemingen ‘tot en met 30 juni 2002 elke import, […] productie […] of verkoop in de [lidstaten], Noorwegen en Zwitserland (de ‘Relevante Grondgebieden’) van farmaceutische producten met daarin citalopram dat is vervaardigd met behulp van de aangevoerde werkwijzen in [de octrooien inzake de kristallisatie en het octrooi inzake filmdestillatie die door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk zijn verleend] of in enig ander gelijkwaardig octrooi dat op de Relevante Grondgebieden is verkregen of aangevraagd, [zouden] annuleren en staken en dat zij daarvan [zouden] afzien’ […].
D — Overeenkomst met Ranbaxy
- 46.
Op 16 juni 2002 heeft [H. Lundbeck] een overeenkomst met Ranbaxy Laboratories ondertekend (hierna: ‘Ranbaxy-overeenkomst’) voor de duur van 360 dagen. Op grond van een op 19 februari 2003 ondertekend addendum (hierna: ‘Ranbaxy-addendum’) is deze overeenkomst verlengd tot 31 december 2003. De totale looptijd daarvan is dus van 16 juni 2002 tot en met 31 december 2003 […].
- 47.
In de considerans van de Ranbaxy-overeenkomst (hierna: ‘Ranbaxy-considerans’) is het volgende opgenomen:
- —
Ranbaxy Laboratories heeft in India twee octrooien voor werkwijzen betreffende citalopram aangevraagd en geneesmiddelen met daarin citalopram geproduceerd met de bedoeling om deze op de markt te brengen in onder meer de EER (tweede en derde overweging van de Ranbaxy-considerans en bijlage A bij de Ranbaxy-overeenkomst);
- —
[H. Lundbeck] heeft dit citalopram aan laboratoriumtesten onderworpen en daaruit afgeleid dat de gebruikte werkwijzen inbreuk maakten op het octrooi inzake amide en het octrooi inzake jodium, welk laatste nog niet was verleend (zie punt 19 [van het bestreden arrest]), terwijl Ranbaxy Laboratories bestrijdt dat van dergelijke inbreuken sprake is (vijfde tot en met achtste overweging van de Ranbaxy-considerans);
- —
[H. Lundbeck] en Ranbaxy Laboratories hebben overeenstemming over een overeenkomst bereikt ter voorkoming van een octrooigeschil dat duur en tijdrovend zou zijn en waarvan de uitkomst niet met absolute zekerheid kan worden voorzien (negende overweging van de considerans).
- 48.
In de Ranbaxy-overeenkomst is onder meer het volgende aangegeven:
- —
‘[o]nder voorbehoud van de voorwaarden en betalingen zijdens [H. Lundbeck] die in [deze overeenkomst] zijn opgenomen, zal Ranbaxy Laboratories voor de duur van deze overeenkomst geen aanspraak maken op rechten betreffende de [o]ctrooiaanvraag [bedoeld in de considerans daarvan] of op enige productiemethode die door Ranbaxy Laboratories wordt gebruikt en zal zij de vervaardiging of verkoop van daarop gebaseerde farmaceutische producten annuleren en staken, alsook daarvan afzien [onder meer in de EER] […]’ (punt 1.1 van de Ranbaxy-overeenkomst en punt 1.0 van het Ranbaxy-addendum);
- —
‘in geval van niet-nakoming van de verplichtingen die zijn opgenomen in punt 1.1 of op verzoek van [H. Lundbeck]’ stemmen Ranbaxy Laboratories en Ranbaxy (UK) ermee in dat zij zich zullen onderwerpen aan de voorlopige maatregelen die door de bevoegde rechterlijke instanties worden vastgesteld, zonder dat [H. Lundbeck] een waarborg hoeft te storten en zonder enige andere verbintenis dan die welke uit deze overeenkomst voortvloeien (punt 1.2 van de Ranbaxy-overeenkomst);
- —
gelet op de tussen de partijen gesloten overeenkomst betaalt [H. Lundbeck] aan Ranbaxy Laboratories een bedrag van 9,5 miljoen USD in tranches die over de relevante periode worden gespreid (punt 1.3 van de Ranbaxy-overeenkomst en punt 2.0 van het Ranbaxy-addendum);
- —
[H. Lundbeck] verkoopt aan Ranbaxy Laboratories of aan Ranbaxy (UK) tabletten citalopram met een korting van 40 % op de prijs af fabriek, zodat zij die op de markt in het Verenigd Koninkrijk kunnen verkopen (punt 1.3 van en bijlage B bij de Ranbaxy-overeenkomst);
- —
[H. Lundbeck] en Ranbaxy Laboratories verbinden zich ertoe om geen vorderingen in rechte tegen elkaar in te stellen, gebaseerd op om het even welk octrooi dat eerder in de overeenkomst zelf is vermeld (punt 1.4 van de Ranbaxy-overeenkomst).
IV — Stappen van de Commissie in de farmaceutische sector en administratieve procedure
- 49.
In oktober 2003 is de Commissie van de Europese Gemeenschappen door de Konkurrence- og [Forbrugerstyrelse] (KFST, Deense mededingings- en consumentenautoriteit) op de hoogte gebracht van het bestaan van de [litigieuze] overeenkomsten.
- 50.
Aangezien het merendeel daarvan betrekking had op de gehele EER of in elk geval andere lidstaten dan het Koninkrijk Denemarken, is afgesproken dat de Commissie zou onderzoeken of zij met het mededingingsrecht verenigbaar waren en dat de KFST het onderzoek daarvan niet zou voortzetten.
- 51.
Tussen 2003 en 2006 heeft de Commissie inspecties in de zin van artikel 20, lid 4, van [verordening nr. 1/2003] uitgevoerd bij [H. Lundbeck] en andere vennootschappen die in de farmaceutische sector actief zijn. Ook heeft zij aan [H. Lundbeck] en een andere vennootschap verzoeken om inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 2, van genoemde verordening toegezonden.
- 52.
Op 15 januari 2008 heeft de Commissie het besluit tot inleiding van een onderzoek in de farmaceutische sector vastgesteld, overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1/2003 (zaak COMP/D2/39514). In het enige artikel van dat besluit is gepreciseerd dat het te verrichten onderzoek betrekking had op het op de markt brengen van innovatieve en generieke geneesmiddelen voor menselijk gebruik.
- 53.
Op 8 juli 2009 heeft de Commissie een mededeling vastgesteld waarin zij haar rapport over het onderzoek naar de farmaceutische sector beknopt heeft weergegeven. Deze mededeling bevatte, in een technische bijlage, de integrale versie van het onderzoeksrapport in de vorm van een werkdocument van de Commissie dat uitsluitend in het Engels beschikbaar was.
- 54.
Op 7 januari 2010 heeft de Commissie de formele procedure jegens [H. Lundbeck] ingeleid.
- 55.
In de loop van 2010 en in de eerste helft van 2011 heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen toegezonden aan [H. Lundbeck] en de andere vennootschappen die partij waren bij de litigieuze overeenkomsten.
- 56.
Op 24 juli 2012 heeft de Commissie een procedure ingeleid jegens de vennootschappen die partij waren bij de litigieuze overeenkomsten en hun en [H. Lundbeck] een mededeling van punten van bezwaar gezonden.
[…]
- 60.
Op 19 juni 2013 heeft de Commissie [het litigieuze besluit] vastgesteld […].
V — [Litigieus] besluit
- 61.
In het [litigieuze] besluit heeft de Commissie geoordeeld dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking waren in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en artikel 53, lid 1, van de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)] (artikel 1, lid 1, van het [litigieuze] besluit).
- 62.
De twee overeenkomsten die tussen Merck (GUK) en [H. Lundbeck] zijn gesloten, zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die tussen 24 januari 2002 en 1 november 2003 is gepleegd.
- 63.
Zoals volgt uit de samenvatting in de overwegingen 824 en 874 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich onder meer op het volgende gebaseerd:
- —
op het moment van sluiting van overeenkomsten waren [H. Lundbeck] en Merck (GUK) op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk en in de EER, en vóór de tweede verlenging van de overeenkomst inzake het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijke concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk;
- —
[H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomsten ten gunste van Merck (GUK) grote waarde overgedragen;
- —
deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Merck (GUK) van beperkingen ten aanzien van de markttoetreding in die overeenkomsten, meer bepaald haar verbintenis om voor de relevante duur van die overeenkomsten geen [WFB citalopram gefabriceerd door Natco Pharma] of ander generiek citalopram in het Verenigd Koninkrijk en in de EER te verkopen;
- —
deze waardeoverdracht stemde ongeveer overeen met de winst die Merck (GUK) verwachtte te maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden;
- —
[H. Lundbeck] zou dergelijke beperkingen niet hebben kunnen verkrijgen door haar octrooien voor werkwijzen in te roepen, aangezien de verplichtingen die krachtens die overeenkomsten op Merck (GUK) rustten, verder gingen dan de rechten die de houders van octrooien voor werkwijzen genieten;
- —
in deze overeenkomsten was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Merck (GUK) af te zien voor het geval dat laatstgenoemde met generiek citalopram tot de markt zou toetreden na afloop van die overeenkomsten.
- 64.
De twee overeenkomsten die tussen Arrow en [H. Lundbeck] zijn gesloten, zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die van 24 januari 2002 tot 20 oktober 2003 is gepleegd.
- 65.
Zoals volgt uit de samenvatting in de overwegingen 962 en 1013 van het [litigieuze] besluit, over de Arrow-UK-overeenkomst respectievelijk de Deense Arrow-overeenkomst, heeft de Commissie zich onder meer op het volgende gebaseerd:
- —
op het moment van sluiting van deze overeenkomsten waren [H. Lundbeck] en Arrow op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken;
- —
[H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomsten ten gunste van Arrow grote waarde overgedragen;
- —
deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Arrow van beperkingen ten aanzien van haar toetreding tot de markt van citalopram in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken in die overeenkomsten, meer bepaald de verbintenis van Arrow om geen generiek citalopram te verkopen dat [H. Lundbeck] als inbreuk op haar octrooien beschouwde, en dit voor de respectieve duur van de overeenkomsten;
- —
deze waardeoverdracht stemde in wezen overeen met de winst die Arrow had kunnen maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden;
- —
[H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet dankzij de toepassing van haar nieuwe octrooien kunnen verkrijgen, aangezien de krachtens deze overeenkomsten op Arrow rustende verplichtingen verder gingen dan de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten;
- —
in deze overeenkomsten was niet voorzien in een verbintenis voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Arrow af te zien voor het geval dat laatstgenoemde na het verstrijken van de ene of de andere van die overeenkomsten in het Verenigd Koninkrijk of in Denemarken tot de markt zou toetreden met generiek citalopram.
- 66.
Zoals blijkt uit de samenvatting in overweging 1087 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich wat de Alpharma-overeenkomst betreft met name op het volgende gebaseerd:
- —
op het moment van sluiting van deze overeenkomst waren [H. Lundbeck] en Alpharma op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in de EER;
- —
[H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomst ten gunste van Alpharma grote waarde overgedragen;
- —
deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Alpharma van beperkingen ten aanzien van haar markttoetreding in die overeenkomst, meer bepaald de verbintenis van Alpharma om gedurende de relevante periode geen generiek citalopram te verkopen in de EER;
- —
deze waardeoverdracht stemde in essentie overeen met de winst die Alpharma had kunnen maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden;
- —
[H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet kunnen verkrijgen door toepassing van de octrooien inzake kristallisatie en filmdestillatie, aangezien de verplichtingen die krachtens deze overeenkomsten op Alpharma rustten, verder gingen dan de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten;
- —
in de overeenkomst was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Alpharma af te zien voor het geval dat die na afloop van de overeenkomst met generiek citalopram tot de markt zou toetreden.
- 67.
Zoals blijkt uit de samenvatting in overweging 1174 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich wat de Ranbaxy-overeenkomst betreft met name op het volgende gebaseerd:
- —
op het moment van sluiting van deze overeenkomst waren [H. Lundbeck] en Ranbaxy op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in de EER;
- —
[H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomst grote waarde overgedragen aan Ranbaxy;
- —
deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Ranbaxy van beperkingen ten aanzien van haar markttoetreding in die overeenkomst, meer bepaald de verbintenis van Ranbaxy om haar citalopram gedurende de relevante periode niet in de EER te produceren of te verkopen, ongeacht of dit via haar eigen dochterondernemingen of via derden was;
- —
deze waardeoverdracht was veel groter dan de winst die Ranbaxy had kunnen behalen met de verkoop van het generieke citalopram dat zij tot dan toe had geproduceerd;
- —
[H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet door het inroepen van haar octrooien voor werkwijzen kunnen verkrijgen, aangezien de krachtens deze overeenkomst op Ranbaxy rustende verplichtingen verder gingen dat de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten;
- —
in de overeenkomst was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Ranbaxy af te zien voor het geval dat laatstgenoemde na afloop van [die] overeenkomsten tot de markt zou toetreden met haar generiek citalopram.
- 68.
De Commissie heeft ook geldboeten opgelegd aan alle partijen bij de litigieuze overeenkomsten. Daartoe heeft zij gebruikgemaakt van de [richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006]. Ten aanzien van [H. Lundbeck] heeft de Commissie de algemene methode gevolgd die in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 is omschreven, gebaseerd op de waarde van de verkopen van het betrokken product die door elke karteldeelnemer zijn behaald (overwegingen 1316–1358 van het [litigieuze] besluit). Wat de andere partijen bij de litigieuze overeenkomsten betreft, dat wil zeggen de [fabrikanten van generieke geneesmiddelen], heeft zij daarentegen gebruikgemaakt van de mogelijkheid in punt 37 van die richtsnoeren om van die methode af te wijken in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak voor zover het die partijen betreft (overweging 1359 van het [litigieuze] besluit).
- 69.
Zo heeft de Commissie wat de andere partijen bij de litigieuze overeenkomsten dan [H. Lundbeck] aangaat, geoordeeld dat bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete en om voor voldoende afschrikkende werking daarvan te zorgen, rekening moest worden gehouden met de omvang van de bedragen die [H. Lundbeck] aan hen had overgemaakt op grond van deze overeenkomsten. Daarbij diende geen onderscheid tussen de inbreuken te worden ingevoerd naargelang de aard of de geografische reikwijdte daarvan, of aan de hand van de marktaandelen van de betrokken ondernemingen, zijnde factoren waarop in het [litigieuze] besluit slechts voor de volledigheid is ingegaan (overweging 1361 van het [litigieuze] besluit).
- 70.
Wat [H. Lundbeck] betreft, heeft de Commissie evenwel de algemene methode toegepast die in haar richtsnoeren [voor de berekening van geldboeten] van 2006 is omschreven, door zich te baseren op de waarde van de verkopen op de betrokken markt. Aangezien de verkopen van citalopram van [H. Lundbeck] aanzienlijk waren geslonken gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten, die niet een volledig boekjaar dekten, heeft de Commissie een gemiddelde jaarlijkse waarde van de verkopen berekend. Daartoe heeft zij eerst de gemiddelde maandelijkse waarde van de verkopen van citalopram door [H. Lundbeck] tijdens de looptijd van elk van de litigieuze overeenkomsten berekend, en die waarde vervolgens met twaalf vermenigvuldigd (overweging 1326 en voetnoot 2215 van het [litigieuze] besluit).
- 71.
De Commissie heeft daarnaast vier afzonderlijke geldboeten opgelegd aan [H. Lundbeck], aangezien de zes litigieuze overeenkomsten werden geacht vier afzonderlijke inbreuken te vormen, dit omdat de twee overeenkomsten tussen [H. Lundbeck] en Merck (GUK) één enkele en voortgezette inbreuk vormden, net zoals de twee overeenkomsten tussen [H. Lundbeck] en Arrow. Om niet tot een onevenredige geldboete te komen, heeft de Commissie op grond van de omstandigheden van de zaak een correctie naar beneden toegepast, gebaseerd op een methode waarin de geografische en temporele overlappen tussen de verschillende inbreuken tot uiting komen (overweging 1329 van het [litigieuze] besluit). Deze methode heeft geleid tot een verlaging met 15 % voor elke inbreuk waarbij overlappingen waren vastgesteld (voetnoot 2218 van het [litigieuze] besluit).
- 72.
Gezien de ernst van de geconstateerde inbreuken, die de Commissie als ‘ernstig’ heeft gekwalificeerd omdat zij marktuitsluiting met zich brachten, het hoge marktaandeel van [H. Lundbeck] voor de producten waarop deze inbreuken zagen, de zeer ruime geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten en het feit dat al deze overeenkomsten waren geïmplementeerd, was de Commissie van oordeel dat het in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen moest worden vastgesteld op 11 % voor de inbreuken waarvan de geografische reikwijdte de gehele EER was en 10 % voor de overige inbreuken (overwegingen 1331 en 1332 van het [litigieuze] besluit).
- 73.
De Commissie heeft op dat bedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt toegepast om rekening te houden met de duur van de inbreuken (overwegingen 1334–1337 van het [litigieuze] besluit) en een aanvullend bedrag van 10 % voor de als eerste gepleegde inbreuk, namelijk de overeenkomsten die met Arrow waren gesloten, zulks op grond van punt 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006, om ervoor te zorgen dat de aan [H. Lundbeck en Lundbeck Ltd] opgelegde geldboeten voldoende afschrikkende werking hadden (overweging 1340 van het [litigieuze] besluit).
- 74.
Gelet op de totale duur van het onderzoek heeft de Commissie niettemin een korting toegekend van 10 % van het bedrag van de geldboeten die aan alle adressaten van het [litigieuze] besluit waren opgelegd (overwegingen 1349 en 1380 van het [litigieuze] besluit).
- 75.
Op basis van die overwegingen en rekening houdend met het feit dat de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk door Lundbeck Ltd was ondertekend, heeft de Commissie een totale geldboete van 93 766 000 EUR aan [H. Lundbeck] opgelegd, waarvan 5 306 000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd, die als volgt is opgebouwd (overwegingen 1238 en 1358 en artikel 2 van het [litigieuze] besluit):
- —
19 893 000 EUR voor de overeenkomsten die met Merck (GUK) zijn gesloten, waarvan 5 306 000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd;
- —
12 951 000 EUR voor de overeenkomsten die met Arrow zijn gesloten;
- —
31 968 000 EUR voor de overeenkomst die met Alpharma is gesloten;
- —
28 954 000 EUR voor de overeenkomst die met Ranbaxy is gesloten.’
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
7
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 augustus 2013, hebben H. Lundbeck en Lundbeck Ltd (hierna samen: ‘Lundbeck’) beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot verlaging van de hun door de Commissie opgelegde geldboeten.
8
Tot staving van haar beroep heeft Lundbeck tien middelen aangevoerd, waarvan alleen de afwijzing van het eerste tot en met het zesde, het negende en het tiende middel in het kader van de onderhavige hogere voorziening wordt aangevochten. Met het eerste middel betwistte Lundbeck de stelling in het litigieuze besluit dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck ten minste potentiële concurrenten waren op het tijdstip dat de litigieuze overeenkomsten werden gesloten. Het tweede tot en met het zesde middel waren in wezen gebaseerd op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens de kwalificatie door de Commissie van de litigieuze overeenkomsten als ‘mededingingsbeperking naar strekking’. Met het negende en het tiende middel betwistte Lundbeck subsidiair de aan haar opgelegde geldboeten en, uiterst subsidiair, de berekening van het bedrag van die geldboeten.
9
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep in zijn geheel verworpen.
Procedure bij het Hof
10
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 2016, heeft Lundbeck de onderhavige hogere voorziening ingesteld.
11
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 november 2016, heeft Lundbeck het Hof verzocht om de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), interveniënte in eerste instantie, zoals ook het Gerecht met dit besluit deed in zaak T-472/13 (Lundbeck/Commissie). Bij beschikking van 13 december 2016, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:967), heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Derhalve is aan EFPIA slechts een niet-vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit betekend.
12
Bij op 10 maart 2017 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om in de onderhavige zaak te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 5 juli 2017, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:532), heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Op verzoek van Lundbeck heeft de president van het Hof echter ten aanzien van die lidstaat de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit als vertrouwelijk aangemerkt, zodat aan die lidstaat slechts een niet-vertrouwelijke versie van het besluit is betekend.
13
Naar aanleiding van het verzoek van Lundbeck van 17 maart 2017 heeft de president van het Hof haar zijn toestemming gegeven om een repliek in te dienen.
14
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 2017, heeft de Commissie verzocht om een verlenging van de termijn voor de indiening van de dupliek. Bij beslissing van 17 mei 2017 heeft de president van het Hof dat verzoek ingewilligd.
15
Bij een op 24 juli 2017 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om verlenging van de termijn voor de indiening van zijn memorie in interventie. Bij beslissing van de president van 26 juli 2017 is dit verzoek ingewilligd.
16
Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 2017, heeft het Verenigd Koninkrijk ook verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie in de zaken C-586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie], C-588/16 P [Generics (UK)/Commissie], C-601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie), C-611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) en C-614/16 P (Merck/Commissie), die in punt 5 van dit arrest worden vermeld. Bij beschikkingen van 25 oktober 2017, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C-586/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:831), 25 oktober 2017, Generics (UK)/Commissie (C-588/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:829), 25 oktober 2017, Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (C-601/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:826), 25 oktober 2017, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (C-611/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:825), en 25 oktober 2017, Merck/Commissie (C-614/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:828), heeft de president van het Hof deze verzoeken ingewilligd. Gelet op met name de beschikking van de president van het Hof van 5 juli 2017 in zaak C-591/16 P, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:532), heeft de president echter ten aanzien van die lidstaat voor al deze zaken de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit als vertrouwelijk aangemerkt, zodat aan het Verenigd Koninkrijk slechts een niet-vertrouwelijke versie van het besluit is betekend.
17
Na de indiening van de memorie in dupliek van EFPIA en de Commissie en de indiening door Lundbeck, EFPIA en de Commissie van hun memories in antwoord op de memorie van interventie van het Verenigd Koninkrijk, is de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak op 13 november 2017 afgesloten.
18
Op 27 november 2018 heeft het Hof beslist dat de onderhavige zaak zou worden toegewezen aan de Vierde kamer die uitspraak moest doen na een gemeenschappelijke pleitzitting van deze zaak en de zaken C-586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie], C-588/16 P [Generics (UK)/Commissie], C-601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie), C-611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) en C-614/16 P (Merck/Commissie) en na de conclusie.
19
Op grond van artikel 61, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft het Hof de partijen in de onderhavige zaak op 29 november 2018 een reeks schriftelijke vragen medegedeeld ter mondelinge beantwoording tijdens de terechtzitting, alsook een voorlopige opzet voor de pleitzitting waarin het verloop ervan uitvoerig wordt uiteengezet. Naar aanleiding van de opmerkingen van de partijen in het geding is hun op 22 januari 2019 een definitief plan voor de pleitzitting toegezonden.
20
De gemeenschappelijke pleitzitting in deze zaak en in de in punt 18 van dit arrest genoemde zaken heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019.
21
Op 6 februari 2020 heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering de partijen in de onderhavige zaak een vraag ter schriftelijke beantwoording doen toekomen (hierna: ‘vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020’), waarbij zij hen uitnodigde om standpunt in te nemen over de eventuele invloed van het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52), op de in de onderhavige zaak aangevoerde middelen betreffende het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, en de kwalificatie van de overeenkomsten tussen Lundbeck en die fabrikanten als ‘beperkingen naar strekking’. De antwoorden op die vraag zijn ingekomen bij het Hof op 6 maart 2020.
Conclusies van partijen voor het Hof
22
Met haar hogere voorziening verzoekt Lundbeck het Hof:
- —
het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
- —
het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover het haar betreft, of subsidiair, de aan haar in dat besluit opgelegde geldboeten nietig te verklaren of, nog meer subsidiair, het bedrag van die geldboeten aanzienlijk te verlagen;
- —
de Commissie te verwijzen in de gerechts- en andere kosten die Lundbeck in het kader van de procedure in hogere voorziening en de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt;
- —
zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof;
- —
elke andere maatregel te treffen die het Hof passend acht.
23
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
- —
Lundbeck te verwijzen in de kosten.
24
EFPIA verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk toe te wijzen;
- —
zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof;
- —
de Commissie te verwijzen in haar kosten in het kader van de onderhavige hogere voorziening en de procedure voor het Gerecht.
25
Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen.
Hogere voorziening
26
Tot staving van haar hogere voorziening voert Lundbeck zes middelen aan.
27
Met haar eerste middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn goedkeuring van de vaststelling van de Commissie dat de litigieuze overeenkomsten als ‘mededingingsbeperking naar strekking’ konden worden gekwalificeerd, ofschoon zij binnen de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vielen.
28
Met haar tweede middel verwijt Lundbeck het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet het juiste juridische criterium toe te passen om te bepalen of vijf van de zes litigieuze overeenkomsten — namelijk de -GUK-overeenkomst voor de EER, de Arrow-UK-overeenkomst, de Deense Arrow-overeenkomst, de Alpharma-overeenkomst en de Ranbaxy-overeenkomst — beperkingen bevatten die buiten de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien vielen, aangezien er geen bewijs van wilsovereenstemming tussen de contractpartijen bij deze overeenkomsten was.
29
Met haar derde middel voert Lundbeck aan dat het Gerecht weliswaar mocht oordelen dat ten minste vijf van de zes litigieuze overeenkomsten buiten de beschermingsomvang van haar nieuwe werkwijzeoctrooien vielen, maar dat het ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze overeenkomsten een mededingingsbeperkende strekking hadden.
30
Met haar vierde middel betoogt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijs kennelijk onjuist heeft beoordeeld en zichzelf heeft tegengesproken door de constatering van de Commissie te aanvaarden dat Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen reële of potentiële concurrenten waren ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten, los van de vraag of de producten van de generieke fabrikanten inbreuk maakten op Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien.
31
Met haar vijfde middel verwijt Lundbeck het Gerecht dat het de haar door de Commissie opgelegde geldboeten ten onrechte heeft bevestigd.
32
Met haar zesde middel voert Lundbeck subsidiair aan dat de bevestiging door het Gerecht van de wijze van berekening van de haar door de Commissie opgelegde geldboeten rechtens onjuist en onvoldoende gemotiveerd is.
33
Om te beginnen moet het vierde middel worden onderzocht, vervolgens het eerste tot en met het derde middel tezamen en ten slotte achtereenvolgens het vijfde en het zesde middel.
Vierde middel
Relevante punten van het bestreden arrest
34
Met het eerste middel tot nietigverklaring betoogt Lundbeck dat de Commissie het recht op verschillende punten onjuist heeft toegepast en beoordelingsfouten heeft gemaakt door te oordelen dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen die de litigieuze overeenkomsten hadden gesloten, ten tijde van het sluiten van deze overeenkomsten ten minste potentiële concurrenten van Lundbeck waren.
35
Dit middel bestaat uit negen onderdelen, die het Gerecht alle ongegrond heeft verklaard.
36
Wat in de eerste plaats het eerste tot en met het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft, heeft het Gerecht in de punten 117 tot en met 133 en 157 tot en met 167 van het bestreden arrest geweigerd het argument van Lundbeck te aanvaarden dat het op de markt brengen van generieke geneesmiddelen die inbreuk maken op de intellectuele-eigendomsrechten van derden niet de uitdrukking is van potentiële mededinging in de zin van artikel 101 VWEU, en dat de betwisting van een geldig octrooi geen reële en concrete mogelijkheid is om de markt te betreden.
37
Het Gerecht heeft opgemerkt dat, gelet op de verschillende factoren waarmee de Commissie rekening heeft gehouden en op de beslissing van Lundbeck om deze fabrikanten omvangrijke bedragen te betalen om hen voor de looptijd van de betrokken overeenkomsten uit de markt te houden, is aangetoond dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, aangezien deze laatste reële en concrete mogelijkheden en de capaciteit hadden om de markt te betreden,.
38
In dit verband heeft het Gerecht in de punten 124 en 195 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie geen fout had begaan met haar oordeel dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen vormden en dat elk van deze fabrikanten beschikte of binnen een voldoende korte termijn kon beschikken over een generieke versie van citalopram gebaseerd op werkwijzen waarvan niet was aangetoond dat zij ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten in strijd waren met een van de octrooien van Lundbeck. Het Gerecht stelde in punt 171 van dat arrest ook vast dat de potentiële mededinging onder meer de activiteiten omvat van de generieke fabrikanten ter verkrijging van de noodzakelijke vergunningen voor het in de handel brengen (VHB's) die nodig zijn ter voorbereiding op hun toetreding tot de markt.
39
Bij de beoordeling van het bewijsmateriaal heeft het Gerecht in de punten 126 en 254 van het bestreden arrest met name rekening gehouden met het feit dat Lundbeck wist dat het octrooi op kristallisatie in wezen zwak was en ongeldig kon worden verklaard, terwijl het tegelijk in de punten 142 en 147 van dat arrest heeft uitgesloten dat de vaststelling van het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck hoofdzakelijk was gebaseerd op subjectieve beoordelingen.
40
Het Gerecht heeft in de punten 134 tot en met 148 van dat arrest ook rekening willen houden met de bewijzen die dateerden van na de litigieuze overeenkomsten, en heeft in punt 254 van dat arrest rekening gehouden met de bewijzen die aantonen dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck zelf ten tijde van het sluiten van die overeenkomsten twijfels hadden over de geldigheid van het kristallisatieoctrooi. In punt 145 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daarentegen geweigerd om het feit dat het EOB dit octrooi in al zijn relevante aspecten in 2009 had gehandhaafd, als doorslaggevend te beschouwen voor de beoordeling of er ten tijde van het sluiten van deze overeenkomsten sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en fabrikanten van generieke geneesmiddelen.
41
In de tweede plaats heeft het Gerecht in het kader van zijn antwoord op het zesde tot en met het negende onderdeel van het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring voor elk van de betrokken overeenkomsten onderzocht of het door de Commissie aangevoerde bewijs inderdaad het bestaan van een potentiële mededinging tussen elk van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck aantoonde, door met name in punt 181 van het bestreden arrest vast te stellen dat de conclusie van de Commissie gebaseerd was op een reeks factoren die rekening hielden met de specifieke situatie van elk van deze fabrikanten ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten en met de specifieke kenmerken van de farmaceutische sector.
Argumenten van partijen
42
Met haar vierde middel, bestaande uit zeven onderdelen, stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijsmateriaal kennelijk onjuist heeft beoordeeld en zichzelf heeft tegengesproken door de vaststelling van de Commissie dat Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen concurrenten of ten minste potentiële concurrenten waren, te bevestigen.
43
Met het eerste onderdeel van dit middel betoogt Lundbeck dat het Gerecht, door zich te beperken tot de vraag of fabrikanten van generieke geneesmiddelen fysiek tot de markt hadden kunnen toetreden, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan het bestaan van juridische drempels, namelijk de nieuwe werkwijzeoctrooien die zij bezit, waardoor de rechtmatige toegang van deze fabrikanten tot de markt wordt belemmerd, hetgeen wordt bevestigd door punt 29 van de richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht. Volgens Lundbeck, gesteund door EFPIA, moet de Commissie echter, wanneer er sprake is van exclusieve rechten zoals octrooien, voor de vaststelling dat er op een markt sprake is van potentiële mededinging, nagaan of een onderneming zonder de onderzochte overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zou hebben gehad om tot die markt toe te treden en met de gevestigde ondernemingen te concurreren. Bijgevolg kon het Gerecht niet zonder de bewijslast onjuist te verdelen en dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 195 van het bestreden arrest vaststellen dat de Commissie niet hoefde aan te tonen dat de werkwijzen van de generieke fabrikanten geen inbreuk maakten op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck. Evenzo kon het Gerecht niet zonder afbreuk te doen aan het vermoeden van geldigheid dat aan deze nieuwe werkwijzeoctrooien was verbonden en dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in de punten 115 tot en met 132 en 149 tot en met 167 van het bestreden arrest oordelen dat, ook al beschikten de fabrikanten van generieke geneesmiddelen slechts over citalopram dat was beschermd door de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, zij niettemin potentiële concurrenten van Lundbeck waren omdat zij die octrooien konden betwisten.
44
Met het tweede onderdeel van haar vierde middel stelt Lundbeck dat de vaststelling van het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest dat zij zelf twijfels had over de geldigheid van het kristallisatieoctrooi, is gebaseerd op een ‘kennelijke onjuiste beoordeling van het bewijsmateriaal’, aangezien deze vaststelling is gebaseerd op slechts twee documenten van 22 november 2002 en 29 september 2003, die dateren van na de litigieuze overeenkomsten, hetgeen in strijd is met de stelling in punt 141 van het bestreden arrest dat bewijzen die dateren van na de sluiting van deze overeenkomsten niet doorslaggevend kunnen zijn voor het onderzoek naar het bestaan van potentiële mededinging. Bovendien heeft het Gerecht in punt 254 van het bestreden arrest de bewijslast ten nadele van Lundbeck omgekeerd, door van haar te verlangen dat zij bewijzen zou overleggen die konden uitleggen in welk opzicht zij de waarschijnlijkheid dat het kristallisatieoctrooi ongeldig zou zijn verklaard, vóór de sluiting van deze overeenkomsten anders zou hebben beoordeeld.
45
Met het derde onderdeel van het vierde middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 134 tot en met 148 van het bestreden arrest te oordelen dat het — zelfs objectieve — bewijs van na de litigieuze overeenkomsten niet doorslaggevend kon zijn voor het onderzoek naar het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en elk van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen.
46
Met het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 225, 230, 255, 270, 286 en 330 van het bestreden arrest te concluderen dat Merck (GUK) ten minste een potentiële concurrent van Lundbeck was in het Verenigd Koninkrijk en de andere EER-landen, dat Arrow een potentiële concurrent van Lundbeck was in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken en, ten slotte, dat Alpharma en Ranbaxy potentiële concurrenten van Lundbeck waren in de EER, met name omdat deze fabrikanten van generieke geneesmiddelen ten tijde van de sluiting van de litigieuze overeenkomsten niet over een VHB of over een gelijkwaardige vergunning voor het in de handel brengen van hun geneesmiddel op het grondgebied van de betrokken lidstaten beschikten. Wat Arrow en Alpharma betreft, gaat deze onjuiste rechtsopvatting bovendien gepaard met een kennelijke veronachtzaming van het bewijsmateriaal.
47
De Commissie stelt in essentie dat het vierde middel niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
48
In dat verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat de hogere voorziening op grond van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof.
49
Er zij opgemerkt dat het betoog van Lundbeck in het tweede onderdeel van dit middel, dat het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat zij twijfelde aan de geldigheid van haar nieuwe werkwijzeoctrooien, en het betoog in het vierde tot en met het zevende onderdeel van dit middel, dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met bewijsmateriaal om te concluderen dat Merck (GUK) op zijn minst een potentiële concurrent van Lundbeck was en dat Arrow, Alpharma en Ranbaxy potentiële concurrenten van Lundbeck waren in de betrokken gebieden, ertoe strekken de vaststelling of de beoordeling van feiten of het bewijsmateriaal door het Gerecht aan te vechten zonder dat Lundbeck beweert of a fortiori aantoont dat deze feiten door het Gerecht onjuist zijn opgevat.
50
Bijgevolg zijn de argumenten in het tweede en in het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk.
51
Anders dan de Commissie stelt, vormen de andere onderdelen van dit middel en de rest van het tweede en het vierde tot en met het zevende onderdeel ervan daarentegen rechtsvragen die door het Hof in het kader van een hogere voorziening kunnen worden getoetst.
52
In dit verband zij eraan herinnerd dat om onder het principiële verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, een gedraging van ondernemingen niet alleen het bestaan van collusie tussen hen moet onthullen — namelijk een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging — maar deze afstemming ook de mededinging binnen de interne markt ongunstig en merkbaar moet beïnvloeden [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 31].
53
In het geval van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief zijn, veronderstelt dit laatste vereiste dat deze collusie plaatsvindt tussen ondernemingen die met elkaar concurreren, althans minstens potentieel [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 32].
54
Om te beoordelen of een onderneming die niet op een markt aanwezig is, in een verhouding staat van potentiële mededinging met een of meer andere reeds op die markt aanwezige ondernemingen, moet worden nagegaan of er reële en concrete mogelijkheden bestaan dat eerstgenoemde onderneming tot die markt toetreedt in concurrentie met de laatstgenoemde(n) [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55
Wanneer het gaat om overeenkomsten, zoals de litigieuze overeenkomsten, die tot gevolg hebben dat meerdere ondernemingen tijdelijk van de markt worden gehouden, moet, in het licht van de structuur van de markt en de economische en juridische context die de werking ervan beheerst, worden nagegaan of er zonder die overeenkomsten reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat deze ondernemingen tot die markt zouden toetreden en met de op die markt gevestigde ondernemingen zouden concurreren [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 37 en 39].
56
Wat meer in het bijzonder dergelijke overeenkomsten betreft die zijn gesloten in het kader van de openstelling van de markt van een geneesmiddel met een werkzame stof die recentelijk tot het publieke domein is gaan behoren voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, dient, rekening houdend met de voor de geneesmiddelensector specifieke reglementaire beperkingen en de intellectuele-eigendomsrechten en in het bijzonder de octrooien van fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen betreffende een of meer tot het publieke domein behorende werkwijzen voor de vervaardiging van een werkzame stof [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 40 en 41], te worden vastgesteld dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om toe te treden tot de markt en hij niet stoot op onoverkomelijke toetredingsdrempels [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 58].
57
Daartoe moet ten eerste worden beoordeeld of die fabrikant op de datum van sluiting van dergelijke overeenkomsten voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat stelt om concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen. Ten tweede dient te worden nagegaan of de markttoetreding van een dergelijke fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op onoverkomelijke toetredingsdrempels stuit [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 43 en 45]. Voorts kan de bevinding dat er sprake is van potentiële mededinging tussen een generieke fabrikant en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen worden bevestigd door aanvullende elementen, zoals het sluiten van een overeenkomst tussen hen wanneer eerstgenoemde nog niet op de betrokken markt aanwezig was [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 54–56].
58
Wat in het bijzonder de beoordeling van het bestaan van onoverkomelijke drempels voor toetreding tot de betrokken markt betreft, heeft het Hof erop gewezen dat het bestaan van een octrooi ter bescherming van de werkwijze voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, op zich niet kan worden beschouwd als een dergelijke onoverkomelijke drempel, niettegenstaande het aan dat octrooi verbonden vermoeden van geldigheid, aangezien dit vermoeden met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen enkele informatie verschaft over de uitkomst van een eventueel geding over de geldigheid van dat octrooi [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 46–51].
59
Het bestaan van een dergelijk octrooi staat er dus als zodanig niet aan in de weg dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt aangemerkt als een ‘potentiële concurrent’ van de fabrikant van het betrokken oorspronkelijke geneesmiddel wanneer die eerste fabrikant daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden en zich door zijn stappen bereid heeft getoond om de geldigheid van dat octrooi te betwisten en het risico op zich te nemen dat hij bij toetreding tot de markt geconfronteerd wordt met een door de houder van dit octrooi ingeleide inbreukprocedure [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 46].
60
Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat het niet aan de betrokken mededingingsautoriteit staat om de kracht van het betrokken octrooi te onderzoeken of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en dat er sprake is van een inbreuk [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 50].
61
Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.
62
Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.
63
Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden.
64
Voorts wordt de conclusie dat het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting kon oordelen dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen zich in een situatie van potentiële mededinging bevonden met Lundbeck, niet ter discussie gesteld door de richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht, en meer bepaald punt 29 daarvan. Ten eerste is dit punt immers enkel van toepassing op overeenkomsten inzake technologieoverdracht, waarmee de litigieuze overeenkomsten niet kunnen worden vergeleken. Ten tweede blijkt uit dit punt ook dat de vaststelling van de Commissie dat er geen concurrentieverhouding bestaat tussen ondernemingen die zich in een blokkeringssituatie bevinden als gevolg van een exclusief recht dat betrekking heeft op een technologie, alleen ‘in beginsel’ geldig is en dus onderworpen is aan uitzonderingen. In die zin wordt in hetzelfde punt ook verwezen naar gevallen waarin het ‘niet zeker is of een bepaald technologierecht geldig is en of er inbreuk op is gemaakt’.
65
Het eerste onderdeel van het vierde middel is dan ook ongegrond.
66
Wat betreft het bewijs dat in aanmerking kan worden genomen om het bestaan van ten minste potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen aan te tonen, is er in punt 57 van dit arrest al op gewezen dat, in het geval van overeenkomsten zoals de litigieuze overeenkomsten, het bestaan van potentiële mededinging tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en een fabrikant van generieke geneesmiddelen moet worden beoordeeld op de datum van sluiting van de overeenkomst tussen hen over schikking van hun geschil over de werkwijzeoctrooien (arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 43), rekening houdend met het feit dat die overeenkomst komt op een tijdstip waarop elk van de partijen bij de overeenkomst onzeker is over de geldigheid van het werkwijzeoctrooi van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en de inbreukmakende aard van het generieke geneesmiddel dat de fabrikant van dat generieke geneesmiddel op de markt wil brengen [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 52].
67
Hieruit volgt dat, overeenkomstig het beginsel van de vrije bewijsregeling in het Unierecht (arrest van 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C-469/15 P, EU:C:2017:308, punt 38, en aldaar aangehaalde rechtspraak), elk bewijs vóór, tijdens of zelfs na het sluiten van de betrokken overeenkomst in aanmerking kan worden genomen indien het licht kan werpen op het al dan niet bestaan van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst, zoals het Gerecht in wezen in punt 141 van het bestreden arrest opmerkt.
68
Daarentegen kan, zoals de advocaat-generaal in de punten 90 en 91 van haar conclusie heeft opgemerkt, het bewijs van gebeurtenissen die zich na de sluiting van die overeenkomst hebben voorgedaan, en met name het bewijs van de latere uitkomst van het geschil dat de sluiting van die overeenkomst rechtvaardigde, niet in aanmerking worden genomen om het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen die partijen bij die overeenkomst ten tijde van de sluiting ervan te beoordelen en zo nodig a posteriori te ontkrachten.
69
Dergelijke factoren die de partijen op de datum van het sluiten van de betrokken overeenkomst niet kenden, kunnen hun gedrag op de markt namelijk niet hebben beïnvloed en kunnen derhalve geen licht werpen op het al dan niet bestaan van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst.
70
Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 141 en 254 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of de bewijslast om te keren, geoordeeld dat het bewijs van na de litigieuze overeenkomsten in aanmerking mocht worden genomen, in casu documenten die de perceptie van de partijen bij deze overeenkomsten omtrent de kracht van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck ten tijde van de sluiting ervan weerspiegelen, aangezien aan de hand van die documenten kan worden aangetoond wat de positie van de partijen bij deze overeenkomsten was ten tijde van de sluiting ervan.
71
Ook heeft het Gerecht zonder zichzelf tegen te spreken in de punten 141 en 254 van het bestreden arrest hetzelfde bewijs van na de litigieuze overeenkomsten kunnen aanvaarden, en in de punten 136 en 143 tot en met 146 van dat arrest kunnen weigeren rekening te houden met andere door Lundbeck overgelegde bewijzen die eveneens dateerden van na deze overeenkomsten, namelijk hoofdzakelijk de bevestiging in 2009 door zowel de kamer van beroep van het EOB als het Nederlands Octrooibureau, van de geldigheid van het kristallisatieoctrooi in alle relevante aspecten, alsmede het feit dat Lundbeck in meer dan 50 % van de door haar in de jaren 2002 en 2003 ingestelde procedures ‘voorlopige rechterlijke bevelen of andere voorlopige maatregelen’ had verkregen.
72
Hoewel de eerste bewijzen kunnen bijdragen tot de vaststelling van de positie van de partijen bij de litigieuze overeenkomsten ten tijde van de sluiting ervan, zoals in punt 70 van dit arrest in herinnering is gebracht, kunnen de tweede bewijzen die betrekking hebben op gebeurtenissen die zich na de sluiting van die overeenkomsten hebben voorgedaan, en die de partijen bij die overeenkomsten dus niet bekend waren, zoals het Gerecht in de punten 145 en 146 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, immers hun gedrag op de markt niet hebben beïnvloed en dus geen licht werpen op de vraag of er al dan niet sprake is van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van de sluiting van die overeenkomsten.
73
Overigens verwijt Lundbeck het Gerecht op basis van subjectief bewijsmateriaal dat in de punten 126 en 254 van het bestreden arrest in aanmerking is genomen, tot de conclusie te zijn gekomen dat er sprake was van potentiële mededinging tussen haar en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen.
74
In dit verband moet worden opgemerkt dat, hoewel het bestaan van potentiële mededinging tussen twee ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn, moet worden beoordeeld in het licht van de in punt 57 van dit arrest genoemde objectieve factoren, dit toch kan worden bevestigd door aanvullende gegevens [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 54], met inbegrip van subjectieve elementen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 42], voor zover die gegevens niet doorslaggevend zijn voor de uitgevoerde beoordeling.
75
Hieruit volgt dat de inaanmerkingneming van subjectieve gegevens om het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen twee of meer ondernemingen vast te stellen, niet kan worden uitgesloten, mits deze relatie niet uitsluitend of hoofdzakelijk door middel van dergelijke gegevens wordt aangetoond.
76
Dit geldt met name voor de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt, die relevant is om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 42 en 57].
77
Zoals blijkt uit de punten 142 en 147 van het bestreden arrest, waarvan niet wordt aangevoerd, laat staan aangetoond, dat zij gebaseerd zijn op een onjuiste opvatting van de feiten of van het bewijsmateriaal, heeft het Gerecht definitief vastgesteld dat Lundbeck ten onrechte beweert dat de Commissie zich in het litigieuze besluit ‘vrijwel uitsluitend’ op dergelijke subjectieve beoordelingen heeft gebaseerd om het bestaan van potentiële mededinging tussen haar en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen aan te tonen.
78
Dienaangaande wordt in punt 142 vastgesteld dat de Commissie voor elk van de betrokken fabrikanten van generieke geneesmiddelen nauwgezet heeft onderzocht welke reële en concrete mogelijkheden zij hadden om tot de markt toe te treden, waarbij zij zich heeft gebaseerd op objectieve gegevens, zoals met name de reeds gedane investeringen, de stappen die waren ondernomen om een VHB te verkrijgen en de bevoorradingscontracten die met name met hun leveranciers van het WFB waren gesloten. Bovendien heeft het Gerecht in punt 144 van hetzelfde arrest verklaard dat het meest overtuigende bewijs juist het feit is dat Lundbeck overeenkomsten heeft gesloten met de fabrikanten van generieke geneesmiddelen om hun toetreding tot de markt te vertragen, hetgeen het Hof reeds had opgemerkt in het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Bovendien heeft het Gerecht, anders dan Lundbeck in het tweede deel van dit middel aanvoert, in punt 254 van het bestreden arrest niet de bewijslast omgekeerd ten nadele van Lundbeck. In dat punt van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich in wezen beperkt tot de vaststelling dat Lundbeck geen enkel bewijs heeft geleverd om de conclusies die voortvloeien uit het door de Commissie in het litigieuze besluit aangevoerde bewijs in twijfel te trekken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van de aansprakelijkheid voor een inbreuk op de mededingingsregels kunnen de door een partij aangevoerde feiten immers van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, zonder welke mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (arresten van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C-407/08 P, EU:C:2010:389, punt 80, en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 52).
80
Bijgevolg moeten het tweede onderdeel, voor zover het ontvankelijk is, en het derde onderdeel van het vierde middel, als ongegrond worden afgewezen.
81
Wat ten slotte het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel betreft, waarin Lundbeck stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zich ten minste in een situatie bevond van potentiële mededinging met Merck (GUK) in het Verenigd Koninkrijk en de andere EER-landen, in een situatie van potentiële mededinging met Arrow in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken en in een situatie van potentiële mededinging met Alpharma en Ranbaxy in de EER, moet erop worden gewezen dat deze beweringen gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn, zoals in de punten 49 en 50 van dit arrest is vastgesteld, aangezien zij ertoe strekken het door het Gerecht beoordeelde bewijsmateriaal geheel of gedeeltelijk opnieuw te laten onderzoeken door het Hof.
82
Voor zover zij niet tot dat doel strekken, bevatten de beweringen van Lundbeck een herhaling van de methodologische kritiek, die in antwoord op het eerste tot en met het derde onderdeel van dit middel ongegrond is bevonden, en beogen zij voorts in wezen het Gerecht te verwijten dat het heeft geoordeeld dat er sprake was van potentiële mededinging of ten minste potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, ook al beschikten deze laatste ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten niet over een VHB voor hun respectieve generieke geneesmiddelen.
83
Dienaangaande is het weliswaar noodzakelijk dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen in het bezit is van een geldige VHB voor zijn toetreding tot de markt en dus voor de vaststelling dat er sprake is van daadwerkelijke mededinging tussen deze fabrikant en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die overeenstemmen met generieke geneesmiddelen, maar dit neemt niet weg dat het ontbreken van een dergelijke VHB bij een fabrikant van generieke geneesmiddelen ten tijde van het sluiten van een overeenkomst met een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, als zodanig niet kan uitsluiten, zoals Lundbeck stelt, dat er tussen die twee fabrikanten van geneesmiddelen sprake is van enige potentiële mededinging.
84
Zoals in punt 57 van dit arrest in wezen in herinnering is gebracht, veronderstelt, indien een onoverkomelijke drempel voor de toegang tot de markt ontbreekt, het bestaan van potentiële mededinging tussen een fabrikant van generieke geneesmiddelen en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, immers enkel dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen voldoende voorbereidende stappen heeft ondernomen om de betrokken markt te kunnen betreden binnen een periode die concurrentiedruk kan uitoefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, zonder dat het van belang is of deze stappen daadwerkelijk tijdig zullen worden afgerond of dat zij succesvol zullen zijn, zoals het Gerecht in de punten 313 en 314 van het bestreden arrest terecht opmerkt.
85
In die zin heeft het Hof overigens al de gelegenheid gehad om aan te geven dat in de farmaceutische sector potentiële mededinging kan plaatsvinden ruim voor het verstrijken van een octrooi dat de werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel beschermt, aangezien de fabrikanten van generieke geneesmiddelen klaar willen zijn om op het moment van dat verstrijken tot de markt toe te treden [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 51].
86
De voorbereidende stappen voor de vaststelling van de vastberadenheid en de eigen capaciteit van een fabrikant van generieke geneesmiddelen om toegang te krijgen tot de markt van een geneesmiddel dat een werkzame stof bevat die tot het publieke domein is gaan behoren, omvatten met name de stappen die deze fabrikant heeft ondernomen om te kunnen beschikken over VHB's of gelijkwaardige voor het in de handel brengen van zijn generieke geneesmiddel noodzakelijke vergunningen. In casu heeft het Gerecht in de punten 171 tot en met 179, 230, 231, 246, 249, 269, 290 en 312 tot en met 326 van het bestreden arrest vastgesteld dat elk van de betrokken fabrikanten van generieke geneesmiddelen deze stappen daadwerkelijk heeft ondernomen en heeft geoordeeld dat zij volstaan om concurrentiedruk op Lundbeck uit te oefenen [zie naar analogie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 134].
87
Bijgevolg heeft het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 171 van het bestreden arrest kunnen vaststellen dat de stappen die elk van de betrokken fabrikanten van generieke geneesmiddelen heeft ondernomen om voor de betrokken geneesmiddelen een VHB te verkrijgen, relevant bewijs vormden om het bestaan van een potentiële mededinging tussen deze fabrikanten en Lundbeck aan te tonen.
88
Bovendien moet worden opgemerkt dat de vaststellingen dat er sprake is van potentiële mededinging tussen Lundbeck en elk van de betrokken fabrikanten van generieke geneesmiddelen gebaseerd zijn op een reeks overeenstemmende aanwijzingen [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 44], waaruit naar voren komt dat het Gerecht niet alleen de reële en concrete mogelijkheden voor elk van die fabrikanten om de VHB's of gelijkwaardige vergunningen te verkrijgen in aanmerking heeft genomen, maar, zoals blijkt uit punt 181 van het bestreden arrest, ook een reeks factoren die rekening houdt met de specifieke situatie van elke fabrikant van generieke geneesmiddelen ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten en het feit dat Lundbeck zich heeft verbonden in overeenkomsten met fabrikanten van generieke geneesmiddelen die nog niet aanwezig waren op de markt [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 55–57].
89
Daardoor kon het Gerecht in het bestreden arrest zonder onjuiste rechtsopvatting tot de conclusie komen dat Lundbeck zich ten minste in een situatie van potentiële mededinging bevond met Merck (GUK) in het Verenigd Koninkrijk en in de andere landen van de EER, zoals ook blijkt uit de arresten van vandaag in zaak C-588/16 P, Generics (UK)/Commissie (punt 36), en zaak C-614/16 P, Merck/Commissie (punt 45), in een situatie van potentiële mededinging met Arrow in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken, zoals ook blijkt uit punt 48 van het arrest van vandaag in zaak C-601/16 P, Arrow Group en Arrow Generics/Commissie, en verder in een situatie van potentiële mededinging met Alpharma en Ranbaxy in de EER, zoals blijkt uit de arresten van vandaag in zaak C-611/16 P, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (punt 59), en zaak C-586/16 P, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (punt 43).
90
Bijgevolg moeten het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel, voor zover zij ontvankelijk zijn, als ongegrond worden afgewezen.
91
Gelet op een en ander moet het vierde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
Eerste tot en met derde middel
92
Met haar eerste tot en met derde middel betwist Lundbeck de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’. Deze middelen dienen derhalve samen te worden onderzocht.
Samenvatting van de relevante punten van het bestreden arrest
93
Met het — in wezen aan schending van artikel 101, lid 1, VWEU ontleende — tweede tot en met het zesde middel dat Lundbeck tot staving van haar beroep tot nietigverklaring had aangevoerd, waarvan in de onderhavige hogere voorziening alleen de afwijzing van het tweede tot en met het vierde en het zesde middel wordt betwist, heeft Lundbeck betoogd dat de Commissie het recht op meerdere punten onjuist heeft toegepast en beoordelingsfouten heeft gemaakt door te oordelen dat de litigieuze overeenkomsten in het litigieuze besluit als ‘beperkingen naar strekking’ moesten worden aangemerkt.
94
Na in de punten 338 tot en met 344 van het bestreden arrest de toepasselijke beginselen en de rechtspraak betreffende de kwalificatie van ‘beperking naar strekking’ in herinnering te hebben gebracht, heeft het Gerecht elk van deze middelen verworpen.
95
Bij de afwijzing van het tweede middel tot nietigverklaring, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en een gebrek aan motivering met betrekking tot de beoordeling van de rol van de waardeoverdrachten in de litigieuze overeenkomsten, heeft het Gerecht onder meer in de punten 361 tot en met 363 van het bestreden arrest opgemerkt dat de partijen bij deze overeenkomsten het niet eens waren over de vraag of de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck voldoende solide waren om het op de markt komen van generieke citalopram uit te sluiten, zodat deze octrooien niet de beslissende factor konden zijn geweest om de fabrikanten van generieke geneesmiddelen te bewegen tot een verbintenis om niet tot de markt toe te treden.
96
In punt 366 van dat arrest heeft het Gerecht ook aangegeven dat de Commissie zich in het litigieuze besluit heeft gebaseerd op een samenstel van bewijzen die moesten aantonen dat vooral de omvang van de betalingen in omgekeerde richting aan de fabrikanten van generieke geneesmiddelen hen ertoe had aangezet om de beperkingen van hun gedrag te aanvaarden en niet het bestaan van Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien of de wens om de kosten van een eventueel geding te vermijden.
97
Na te zijn ingegaan op de argumenten van Lundbeck met betrekking tot het feit dat onder meer de schadevergoeding waartoe de fabrikanten van generieke geneesmiddelen zouden kunnen worden veroordeeld, vaak veel lager zou zijn dan de schade die de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen zou lijden in geval van onrechtmatige toetreding tot de markt, heeft het Gerecht in punt 387 van dat arrest bovendien geoordeeld dat het onacceptabel is dat ondernemingen de gevolgen van rechtsregels die zij al te ongunstig achten, trachten te neutraliseren door mededingingsregelingen die tot doel hebben die nadelen te corrigeren, onder het voorwendsel dat die regels een onevenwichtigheid in hun nadeel veroorzaken.
98
Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 398 en 399 van het arrest het argument van Lundbeck verworpen dat de litigieuze overeenkomsten geen enkel beding bevatten dat fabrikanten van generieke geneesmiddelen verhinderde om de geldigheid van haar nieuwe werkwijzeoctrooien aan te vechten, zodat deze overeenkomsten niet elke prikkel hadden weggenomen voor fabrikanten van generieke geneesmiddelen om de markt te betreden. In dit verband heeft het Gerecht er ten eerste op gewezen dat in het litigieuze besluit alleen is vastgesteld dat de in de litigieuze overeenkomsten voorziene betalingen in omgekeerde richting de fabrikanten van generieke geneesmiddelen hebben aangemoedigd om beperkingen ten aanzien van hun commerciële autonomie te aanvaarden die zij anders niet zouden hebben aanvaard, en niet dat zij elke prikkel hadden weggenomen, en ten tweede dat dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen er hoe dan ook, ook zonder een niet-betwistingsbeding in de litigieuze overeenkomsten, geen enkel belang bij hadden om de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck aan te vechten na het sluiten van de litigieuze overeenkomsten, aangezien de betalingen in omgekeerde richting ongeveer overeenstemden met de winst die zij met een markttoetreding verwachtten te behalen of met de schadevergoeding die zij zouden hebben kunnen verkrijgen indien zij in een rechtszaak tegen Lundbeck in het gelijk zouden zijn gesteld.
99
Ter afwijzing van het derde middel tot nietigverklaring, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de beginselen betreffende de mededingingsbeperkende strekking, heeft het Gerecht met name in de punten 435 en 438 van het bestreden arrest geoordeeld dat de litigieuze overeenkomsten vergelijkbaar zijn met overeenkomsten tot marktuitsluiting, die deel uitmaken van de ernstigste mededingingsbeperkingen, en dat overeenkomsten van hetzelfde soort nog niet door de Commissie als inbreukmakend hoeven te zijn aangemerkt om die overeenkomsten als een mededingingsbeperking naar strekking te kunnen beschouwen. Met betrekking tot het argument dat het recht in het litigieuze besluit onjuist is toegepast, aangezien daarin niet wordt aanvaard dat in het onderhavige geval het ‘contrafeitelijke scenario’ de mogelijkheid uitsluit om een mededingingsbeperkende strekking vast te stellen, heeft het Gerecht in de punten 472 en 473 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie bij mededingingsbeperkingen naar strekking alleen hoefde aan te tonen dat de litigieuze overeenkomsten een voldoende nadelige invloed op de mededinging hadden, gezien de strekking van de daarin vervatte bepalingen, de doelstellingen die daarmee moesten worden bereikt en de economische en juridische context waarin die te plaatsen waren, zonder dat zij ook nog eens de gevolgen daarvan hoeft te onderzoeken, aangezien het onderzoek van een hypothetisch ‘contrafeitelijk scenario’ meer zou lijken op een onderzoek naar de gevolgen van de litigieuze overeenkomsten op de markt dan op een objectief onderzoek naar de vraag of zij voldoende schadelijk zijn voor de mededinging.
100
Ter afwijzing van het vierde middel tot nietigverklaring, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en een motiveringsgebrek met betrekking tot de afwijzing van het criterium van de beschermingsomvang van het octrooi als de belangrijkste maatstaf voor de toetsing van schikkingsovereenkomsten op octrooigebied aan artikel 101, lid 1, VWEU, heeft het Gerecht onder meer in de punten 491 en 495 van het bestreden arrest geoordeeld dat het argument van Lundbeck dat contractuele beperkingen die binnen de temporele, territoriale en materiële werkingssfeer van de rechten van de octrooihouder vallen niet in strijd zijn met het mededingingsrecht, op grond dat deze beperkingen vergelijkbaar zijn met de beperkingen die inherent zijn aan het onderliggende octrooi, ten eerste problematisch was omdat het leidt tot het vermoeden dat een generiek geneesmiddel inbreuk maakt op het octrooi van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en het generieke geneesmiddel dus op die grondslag kan worden uitgesloten, terwijl nog openstaat of het generieke geneesmiddel wel inbreuk maakt, en ten tweede omdat het berust op de veronderstelling dat elk octrooi dat in het kader van een schikking wordt ingeroepen, in geval van betwisting van zijn geldigheid als geldig zal worden beschouwd, terwijl daarvoor geen grondslag in het recht of in de praktijk te vinden is. Het Gerecht voegt hieraan toe dat het feit dat bepaalde beperkingen in de litigieuze overeenkomsten door de Commissie zijn beschouwd als beperkingen die mogelijk binnen de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vielen, alleen betekent dat Lundbeck vergelijkbare beperkingen had kunnen verkrijgen door middel van rechterlijke beslissingen ter handhaving van haar octrooien indien zij voor de bevoegde nationale rechterlijke instanties in het gelijk zou zijn gesteld. In punt 515 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ook opgemerkt dat de vraag of de beperkingen in de litigieuze overeenkomsten buiten de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vallen, als een relevante, maar niet doorslaggevende factor werd beschouwd voor de vaststelling of er sprake was van een beperking naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
101
Ter afwijzing van het zesde middel tot nietigverklaring, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten voor zover in het litigieuze besluit wordt geconcludeerd dat de litigieuze overeenkomsten beperkingen bevatten die verder gaan dan die welke inherent zijn aan de uitoefening van de rechten die door de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck worden verleend, heeft het Gerecht met name in de punten 539 en 572 van het bestreden arrest geoordeeld dat, zelfs al waren deze overeenkomsten niet buiten de beschermingsomvang van de nieuwe octrooien getreden, zij niettemin beperkingen van de mededinging naar strekking zouden hebben gevormd, aangezien zij mededingingsregelingen inhielden die tot doel hadden om de markttoetreding van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen te vertragen, in ruil voor omvangrijke betalingen in omgekeerde richting, die de onzekerheid ten aanzien van een dergelijke toetreding hebben omgevormd tot de zekerheid dat die tijdens de looptijd van de litigieuze overeenkomsten niet zou plaatsvinden.
Argumenten van partijen
102
Met haar eerste middel, dat uit vier onderdelen bestaat en gericht is tegen de punten 335, 491, 495, 515, 536, 539, 572 en 801 van het bestreden arrest, verwijt Lundbeck, gesteund door EFPIA, het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit goed te keuren voor zover het heeft geconcludeerd dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkend naar strekking waren, ook al vallen de beperkingen waarin deze overeenkomsten voorzien binnen de beschermingsomvang van haar nieuwe werkwijzeoctrooien.
103
In wezen stelt Lundbeck ten eerste dat de litigieuze overeenkomsten wegens het vereiste van een strikte uitlegging van het begrip ‘beperking naar strekking’ niet als schadelijk voor de mededinging kunnen worden beschouwd, aangezien zij naar hun aard beperkingen bevatten die vergelijkbaar zijn met de beperkingen die de houder van de betrokken octrooien had kunnen verkrijgen door middel van een rechterlijke beslissing waarbij de naleving van zijn octrooien wordt opgelegd. Evenzo heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het bestaan van betalingen in omgekeerde richting en het onevenredige karakter ervan doorslaggevend waren voor de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’.
104
Ten tweede stelt Lundbeck dat het Gerecht de economische en juridische context van de litigieuze overeenkomsten die verklaart waarom zij de desbetreffende betalingen aan de fabrikanten van generieke geneesmiddelen ondernemingen heeft verricht, niet correct heeft beoordeeld. Lundbeck geeft in dat verband hoofdzakelijk aan dat de schikking in geval van een octrooigeschil een legitieme en veel voorkomende manier vormt om geschillen te voorkomen die op zich geen mededingingsproblemen oplevert en dat de asymmetrie van de risico's tussen de octrooihouder en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, waardoor eerstgenoemde niet volledig kan worden vergoed voor de schade die verband houdt met een onrechtmatige markttoetreding van generieke geneesmiddelen, schikkingen rechtvaardigt, ook al zijn de betrokken octrooien objectief solide en wordt er inbreuk op gemaakt.
105
Ten derde is Lundbeck van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 466 tot en met 477 van het bestreden arrest te weigeren de Commissie te verplichten het betrokken ‘contrafeitelijke scenario’ te onderzoeken, op grond dat een dergelijk onderzoek een noodzakelijk element zou zijn waarmee bij elke mededingingsrechtelijke analyse rekening moet worden gehouden, zelfs wanneer de betrokken overeenkomst wordt geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben, teneinde het oorzakelijk verband te kunnen vaststellen tussen de betrokken praktijk en de aangevoerde beperking en om de mogelijkheid uit te sluiten dat de beperking door andere factoren wordt veroorzaakt, zoals, in het onderhavige geval, het bestaan van octrooien. In haar antwoord op de vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020 heeft Lundbeck verklaard dat deze onjuiste rechtsopvatting wordt bevestigd door het belang dat het Hof in punt 37 van het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. aan het onderzoek van dit scenario hecht (C-307/18, EU:C:2020:52).
106
Ten vierde is Lundbeck van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 435 en 470 tot en met 476 van het bestreden arrest de litigieuze overeenkomsten gelijk te stellen met niet-verholen marktuitsluitingsovereenkomsten op grond van het feit dat zij tussen daadwerkelijke of potentiële concurrenten waren gesloten. Met deze overeenkomsten worden immers legitieme doelstellingen nagestreefd. Voorts heeft er ten tijde van de litigieuze overeenkomsten geen ervaring of eenstemmigheid bestaan over de kwalificatie ‘beperking naar strekking’, noch in het licht van de rechtspraak, noch in de besluitvormingspraktijk van de Europese en nationale mededingingsautoriteiten. Bovendien blijkt uit de mededelingen van het KFST dat overeenkomsten zoals de litigieuze overeenkomsten zich op dat moment in een grijs gebied bevonden, waardoor ze niet als voldoende schadelijk konden worden beschouwd voor de mededinging om als ‘beperking naar strekking’ te kunnen worden gekwalificeerd.
107
Ten slotte heeft Lundbeck in haar antwoord op de vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020 aangevoerd dat de litigieuze overeenkomsten niet als ‘beperking naar strekking’ kunnen worden aangemerkt aangezien zij, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52), geen bedingen bevatten die verbieden dat de betrokken octrooien worden aangevochten.
108
Met haar tweede middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijsmateriaal kennelijk onjuist heeft beoordeeld door niet het juiste juridische criterium toe te passen om te concluderen dat vijf van de zes litigieuze overeenkomsten — te weten de GUK-overeenkomst voor de EER, Arrow-UK-overeenkomst, de Deense Arrow UK-overeenkomst, de Alpharma-overeenkomst en de Ranbaxy-overeenkomst — buiten de beschermingsomvang van haar nieuwe werkwijzeoctrooien vielen. Deze overeenkomsten, gelezen in het licht van het toepasselijke nationale recht, onthullen immers geen enkele wilsovereenstemming om de overeenkomsten uit de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck te houden en dus dezelfde overeenkomsten toe te passen op niet-inbreukmakend citalopram.
109
Met haar derde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd voor het geval het Hof het tweede middel geheel of gedeeltelijk zou afwijzen en aldus zou bevestigen dat vijf of minder van de zes litigieuze overeenkomsten buiten de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vallen, stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze overeenkomsten te kwalificeren als een ‘beperking naar strekking’ om de redenen die in het tweede tot en met het vierde onderdeel van het eerste middel zijn uiteengezet.
Beoordeling door het Hof
110
Om te beginnen zij opgemerkt dat de kritiek van Lundbeck van tweeërlei aard is, in die zin dat met het eerste, het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ wordt aangevochten, en met het derde onderdeel van dit middel de methodologie daarvoor wordt aangevochten, en meer in het bijzonder het feit dat het Gerecht het ‘contrafeitelijke scenario’ niet heeft onderzocht.
111
Derhalve moeten eerst het eerste, het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel samen worden onderzocht, en vervolgens het derde onderdeel van dat middel.
112
Wat in de eerste plaats het eerste, het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te preciseren dat het begrip ‘beperking naar strekking’ strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast op bepaalde overeenkomsten tussen ondernemingen, waaruit op zich en gelet op de bewoordingen, de doelstellingen en de economische en juridische context ervan blijkt dat zij in voldoende mate schadelijk zijn voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht, aangezien bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113
Wat betreft soortgelijke overeenkomsten voor de schikking van geschillen over een werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van een werkzame stof die tot het publieke domein behoort tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en verschillende fabrikanten van generieke geneesmiddelen, en die tot gevolg hebben gehad dat de toegang tot de markt voor generieke geneesmiddelen werd vertraagd in ruil voor al dan niet monetaire waardeoverdrachten van de eerstgenoemde naar de laatstgenoemde, heeft het Hof geoordeeld dat dergelijke overeenkomsten niet in alle gevallen kunnen worden beschouwd als ‘beperking naar strekking’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 84 en 85].
114
De kwalificatie als ‘beperking naar strekking’ moet echter worden aanvaard wanneer uit een onderzoek van de betrokken schikkingsovereenkomst blijkt dat de daarin voorziene waardeoverdrachten uitsluitend worden verklaard door het commerciële belang van zowel de betrokken octrooihouder als de vermeende inbreukmaker om niet te concurreren op verdienste, aangezien overeenkomsten waarbij concurrenten onderlinge feitelijke samenwerking welbewust in de plaats stellen van de risico's van de mededinging kennelijk als ‘beperking naar strekking’ zijn aan te merken [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 83 en 87].
115
Ten behoeve van dat onderzoek moet in elk afzonderlijk geval worden beoordeeld of het positieve saldo van de waardeoverdrachten van de fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen groot genoeg is om de fabrikant van generieke geneesmiddelen er daadwerkelijk toe aan te zetten van toetreding tot de betrokken markt af te zien en dus de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen niet op basis van verdienste te beconcurreren, zonder dat vereist is dat de waardeoverdracht noodzakelijkerwijze groter is dan de winst die deze fabrikant van generieke geneesmiddelen zou hebben gerealiseerd indien hij in de octrooiprocedure in het gelijk zou zijn gesteld [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 93 en 94].
116
In de onderhavige zaak blijkt uit het bestreden arrest dat de litigieuze overeenkomsten tot gevolg hadden dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen buiten de betrokken markten werden gehouden en voor een van hen — namelijk Merck (GUK) — dat de levering van de betrokken generieke geneesmiddelen aan een wederverkoper die op de Zweedse markt actief was, werd stopgezet en dat hij zich uit de Britse markt terugtrok, zoals blijkt uit punt 131 van het bestreden arrest.
117
Bovendien wordt in de punten 361 tot en met 363 en punt 366 van het bestreden arrest, die door Lundbeck in zijn hogere voorziening niet worden betwist, ten eerste gewezen op het feit dat de partijen bij de litigieuze overeenkomsten het vóór het sluiten ervan niet eens waren over de vraag of de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck voldoende solide waren om het op de markt komen van generiek citalopram uit te sluiten, zodat deze octrooien niet de beslissende factor kunnen zijn geweest om de fabrikanten van generieke geneesmiddelen te bewegen tot de verbintenis om niet tot de markt toe te treden. Ten tweede blijkt ook uit deze punten dat Lundbeck niet betwist dat de bedragen die zij aan deze fabrikanten heeft betaald, berekend hadden kunnen worden op basis van de winst of de omzet die deze laatsten tijdens de looptijd van de litigieuze overeenkomsten hadden verwacht te behalen indien zij tot de markt zouden zijn toegetreden. Ten derde wordt in deze punten ook gewezen op het feit dat uit het bewijs ten aanzien van de periode voorafgaand aan het sluiten van de litigieuze overeenkomsten blijkt dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen ter voorbereiding van hun markttoetreding aanzienlijke inspanningen hadden verricht, dat zij niet van plan waren om wegens de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck van die inspanningen af te zien, en dat het dus hoofdzakelijk de omvang van de betalingen in omgekeerde richting aan de fabrikanten van generieke geneesmiddelen is die hen ertoe heeft aangezet om de beperkingen ten aanzien van hun gedrag te aanvaarden.
118
In het licht van deze feitelijke vaststellingen en zonder dat hoeft te worden nagegaan of het Gerecht in de punten 435 en 476 van het bestreden arrest de litigieuze overeenkomsten op één lijn mocht stellen met overeenkomsten tot marktuitsluiting of zelfs met overeenkomsten tot marktverdeling, heeft het zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting geconcludeerd dat de litigieuze overeenkomsten onder de kwalificatie ‘beperking naar strekking’ in de zin van artikel 101, VWEU vallen, temeer daar Lundbeck, met name in haar antwoord op de vraag om een schriftelijk antwoord van 6 februari 2020, geenszins heeft aangevoerd dat de waardeoverdrachten die met de litigieuze overeenkomsten gepaard gingen, gerechtvaardigd hadden kunnen worden door het bestaan van een mogelijke tegenprestatie of van bewezen en legitieme verzaking door een van de generieke producenten.
119
Aan een dergelijke conclusie wordt niet afgedaan door de door Lundbeck aangevoerde argumenten.
120
Ten eerste kan Lundbeck zich voor de uitsluiting van de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ niet op goede gronden beroepen op het feit dat die overeenkomsten beperkt waren tot de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck waarvan zij de eerbiediging kon afdwingen.
121
Hoewel de sluiting door de houder van een octrooi van een schikkingsovereenkomst met een vermeende inbreukmaker die de draagwijdte en de resterende geldigheidsduur van dit octrooi niet overschrijdt, inderdaad de uitdrukking vormt van het intellectuele-eigendomsrecht van die octrooihouder en hem in staat stelt zich met name tegen elke inbreuk te verzetten, neemt dit immers niet weg dat dit octrooi de houder ervan niet toestaat overeenkomsten te sluiten die in strijd zijn met artikel 101 VWEU [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 97].
122
Zoals het Gerecht in punt 495 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt gingen de litigieuze overeenkomsten, zelfs wanneer deze tevens beperkingen bevatten die mogelijk binnen de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vielen, ‘verder dan het specifieke voorwerp van hun intellectuele-eigendomsrechten, die uiteraard het recht omvatten om zich tegen een inbreuk te verzetten, maar niet het recht om overeenkomsten te sluiten waarmee daadwerkelijke of potentiële concurrenten op de markt worden betaald om niet tot de markt toe te treden’, hetgeen in wezen wordt bevestigd in de punten 117 en 118 van het onderhavige arrest.
123
Lundbeck tracht zich dus ongefundeerd te beroepen op het feit dat de litigieuze overeenkomsten de legitieme uitdrukking vormen van het intellectuele-eigendomsrecht waarvan zij houdster is. Een dergelijke bewering is in ieder geval gebaseerd op het dubbele postulaat — dat ten tijde van het sluiten van deze overeenkomsten niet vaststond — dat de geldigheid van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet in twijfel kan worden getrokken en dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen er inbreuk op maken [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 88].
124
Ten tweede kan Lundbeck, om de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ uit te sluiten, evenmin aanvoeren dat deze overeenkomsten legitieme doelstellingen nastreefden, in die zin dat zij ertoe strekten haar nieuwe werkwijzeoctrooien te verdedigen door gebruik te maken van een legitieme en vaak voorkomende manier van geschillenbeslechting of dat zij beantwoordden aan een asymmetrie van de risico's die bestonden tussen de fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen.
125
Wat ten eerste het argument betreft dat deze overeenkomsten bedoeld waren om de verdediging van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck te waarborgen door een beroep te doen op een legitiem en vaak voorkomende manier van geschillenbeslechting, volstaat het om eraan te herinneren, zoals reeds is vermeld in punt 121 van dit arrest en door het Gerecht terecht in punt 495 van het bestreden arrest in wezen is gesteld, dat een octrooi de houder ervan niet het recht geeft om overeenkomsten te sluiten die inbreuk zouden maken op artikel 101 VWEU.
126
Wat ten tweede het argument betreft dat de litigieuze overeenkomsten een antwoord vormen op het tevens door het Gerecht in punt 378 van het bestreden arrest vastgestelde feit dat de schadevergoeding waar fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen recht op kunnen hebben in geval van ongeoorloofde markttoetreding van generieke geneesmiddelen vaak veel lager is dan de schade die eerstgenoemden hebben geleden, is het van belang eraan te herinneren dat het aan de overheid en niet aan particuliere ondernemingen is om de naleving van de wettelijke voorschriften te waarborgen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a./Commissie (zaak C-130/08)), C-307/18, EU:C:2020:52, punt 88].
127
Zoals het Gerecht in punt 387 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt is het immers onacceptabel dat ondernemingen de gevolgen van rechtsregels die zij al te ongunstig achten, trachten te neutraliseren door mededingingsregelingen die tot doel hebben die nadelen te corrigeren, onder het voorwendsel dat die regels een onevenwichtigheid in hun nadeel veroorzaken.
128
Bijgevolg kunnen de door Lundbeck genoemde omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor een inbreuk op artikel 101 VWEU, laat staan voor collusie waarvan is vastgesteld dat die voldoende schadelijk is voor de mededinging om als een ‘beperking naar strekking’ te worden aangemerkt.
129
Ten derde kan Lundbeck zich, om uit te sluiten dat de litigieuze overeenkomsten als een ‘beperking naar strekking’ zouden worden aangemerkt, evenmin beroepen op het feit dat er ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten twijfels bestonden over de vraag of overeenkomsten zoals de litigieuze overeenkomsten als zodanig konden worden gekwalificeerd, met name gezien het ontbreken van besluitvormingspraktijk met betrekking tot dergelijke overeenkomsten en de twijfels die volgens Lundbeck voortvloeiden uit bepaalde verklaringen van het KFST en de Commissie,
130
Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het immers niet vereist dat de Commissie reeds overeenkomsten van hetzelfde soort heeft veroordeeld om deze overeenkomsten als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken, ook al vinden deze overeenkomsten plaats in een specifieke context zoals die van de intellectuele-eigendomsrechten.
131
Ten behoeve van de kwalificatie als ‘beperking naar strekking’ van een bepaalde overeenkomst, tellen alleen de eigen kenmerken ervan [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 84 en 85] waaruit de mogelijke bijzondere schadelijkheid voor de mededinging moet worden afgeleid, zo nodig na een gedetailleerde analyse van die overeenkomst, de doelstellingen ervan en de economische en juridische context waarin zij is gesloten.
132
Evenzo kunnen tegenstrijdige standpunten — waarvan sommige louter in verslagen zijn genoemd — van de Commissie en een nationale mededingingsautoriteit met betrekking tot een overeenkomst, zoals de standpunten bedoeld in de punten 747 tot en met 751 van het bestreden arrest, verondersteld dat deze bewezen zijn, niet leiden tot de uitsluiting van elke mogelijkheid om die overeenkomst als een ‘beperking naar strekking’ aan te merken, aangezien geenszins vaststaat dat die standpunten het resultaat zijn van een analyse als bedoeld in het vorige punt.
133
Ten vierde kan Lundbeck zich, om de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ te vermijden, niet beroepen op het feit dat deze overeenkomsten, anders dan de overeenkomsten waarvan sprake in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52), geen niet-betwistingsbedingen bevatten, of dat uit dit arrest duidelijk was geworden welk belang moet worden gehecht aan de mededingingsbevorderende gevolgen van de betrokken overeenkomsten in het kader van een eventuele kwalificatie als ‘beperking naar strekking’.
134
In dit verband is in punt 114 van dit arrest reeds opgemerkt dat in het geval van overeenkomsten zoals de litigieuze overeenkomsten moet worden nagegaan of concurrenten door deze overeenkomsten de risico's van de concurrentie welbewust vervangen door een praktische samenwerking tussen hen, met name door te beoordelen of het nettosaldo van de waardeoverdrachten waarin zij voorzien, uitsluitend wordt verklaard door het commerciële belang van zowel de octrooihouder als de vermeende inbreukmaker om niet op verdienste te concurreren.
135
In punt 399 van het bestreden arrest heeft het Gerecht definitief vastgesteld dat, ook wanneer er in de litigieuze overeenkomsten geen beding was opgenomen op grond waarvan de geldigheid van de relevante octrooien niet mocht worden aangevochten, de fabrikanten van generieke geneesmiddelen er na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten geen enkel belang bij hadden om de geldigheid van Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien aan te vechten, aangezien de betalingen in omgekeerde richting ongeveer overeenstemden met de winst die zij met een markttoetreding verwachtten te behalen of met de schadevergoeding die zij zouden hebben kunnen verkrijgen indien zij in eventuele rechtszaken tegen Lundbeck in het gelijk zouden zijn gesteld, en dat, zelfs gesteld dat die betalingen lager waren dan de verwachte winst, deze ondanks alles een zeker en onmiddellijk voordeel vormden dat die fabrikanten verkregen zonder dat zij de risico's hoefden te lopen die met een markttoetreding gepaard zou gaan.
136
Die vaststelling volstaat in casu om aan te tonen dat de litigieuze overeenkomsten naar hun strekking de mededinging beperken, temeer daar Lundbeck in ieder geval in het kader van de hogere voorziening geen gewag maakt van enig mededingingsbevorderend gevolg van deze overeenkomsten, en daardoor niet voldoet aan het bewijsniveau dat wordt verlangd door het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52), in het bijzonder punt 107 ervan, om de kwalificatie ‘beperking naar strekking’ voor deze overeenkomsten in twijfel te kunnen trekken wegens redelijke twijfel over hun voldoende schadelijke karakter voor de mededinging.
137
De enkele niet-bewezen bewering dat er bij de litigieuze overeenkomsten sprake is van mededingingsbevorderende gevolgen volstaat niet om de kwalificatie ‘beperking naar strekking’ uit te sluiten [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 110].
138
Hoewel Lundbeck in haar beroep tot nietigverklaring en meer in het bijzonder in het kader van het zevende middel tot staving daarvan heeft aangevoerd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de efficiëntieverbeteringen van de litigieuze overeenkomsten in het kader van de toepassing van artikel 101, lid 3, VWEU onjuist te beoordelen, zijn de punten 708 tot en met 720 van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht dit middel heeft afgewezen, in de onderhavige hogere voorziening niettemin niet betwist, en is de in die punten uiteengezette motivering niet aangevoerd om de kwalificatie van deze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ ter discussie te stellen, met name ter gelegenheid van het antwoord van Lundbeck op de vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020.
139
Wat in de tweede plaats het derde onderdeel van het eerste middel tegen de punten 472 en 473 van het bestreden arrest betreft, waarin het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat het niet verplicht was het ‘contrafeitelijke scenario’ te onderzoeken om een gedraging als ‘beperking naar strekking’ aan te merken, zij erop gewezen dat dit onderzoek toelaat de gevolgen van een collusie in het licht van artikel 101 VWEU te kunnen beoordelen wanneer uit de analyse van die praktijk niet blijkt dat deze voldoende schadelijk is voor de mededinging om te worden gekwalificeerd als ‘beperking naar strekking’ [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punten 115 en 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
140
Bijgevolg, en tenzij het duidelijke onderscheid tussen de begrippen ‘beperking naar strekking’ en ‘beperking naar gevolg’, dat voortvloeit uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 1, VWEU, wordt ontkend [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 63], kan het ‘contrafeitelijke scenario’, dat tot doel heeft de gevolgen van een bepaalde collusie aan het licht te brengen, niet verplicht zijn met het oog op de kwalificatie van een collusie als een ‘beperking naar strekking’.
141
Derhalve en zoals het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, is het voor de kwalificatie van een dergelijke praktijk als ‘beperking naar strekking’ alleen van belang aan te tonen dat die, gezien de strekking van de daarin vervatte bepalingen, de doelstellingen die daarmee moeten worden bereikt en de economische en juridische context waarin die praktijk te plaatsen valt, een voldoende nadelige invloed op de mededinging heeft, zonder dat de Commissie ook nog eens de gevolgen daarvan hoeft te onderzoeken.
142
Bovendien en in tegenstelling tot wat Lundbeck in haar antwoord op de vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020 heeft aangevoerd, kan het onderzoek van het ‘contrafeitelijke scenario’ niet worden verlangd op grond van punt 37 van het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52).
143
Hoewel het Hof in dit punt inderdaad heeft verduidelijkt dat, wanneer het gaat om een overeenkomst die tot gevolg heeft dat een onderneming tijdelijk van de markt wordt gehouden, moet worden nagegaan of er zonder die overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat deze onderneming tot die markt zou toetreden, moet worden vastgesteld dat deze verduidelijking betrekking had op de beoordeling van het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen de partijen bij een overeenkomst als aan de orde in de zaak die tot dat arrest aanleiding gaf, en niet op de kwalificatie van die overeenkomsten als een ‘beperking naar strekking’.
144
Mitsdien moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
145
Wat het tweede middel betreft zij er, zonder dat over de door de Commissie betwiste ontvankelijkheid hoeft te worden beslist, aan herinnerd dat het Gerecht in punt 539 van het bestreden arrest zoals blijkt uit punt 121 van dit arrest, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft opgemerkt dat zelfs indien de litigieuze overeenkomsten niet verder zouden gaan dan de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, deze overeenkomsten toch mededingingsbeperkingen naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU zouden zijn geweest. Zoals blijkt uit punt 541 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht de in het tweede middel bekritiseerde argumenten van Lundbeck slechts ten overvloede onderzocht. Aangezien het gericht is tegen een ten overvloede aangevoerde overweging van het bestreden arrest, moet het tweede middel dus als niet ter zake dienend worden afgewezen (zie in die zin arrest van 14 december 2016, SV Capital/ABE, C-577/15 P, EU:C:2016:947, punt 65).
146
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat Lundbeck in het kader van zijn derde middel verwijst naar de argumenten die zijn uiteengezet ter ondersteuning van zijn eerste middel. De oplossing die ten aanzien van dit eerste middel is aangedragen met betrekking tot de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ omdat zij uitsluitend binnen de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vallen, geldt a fortiori voor het derde middel met betrekking tot de kwalificatie van bepaalde litigieuze overeenkomsten als ‘beperking naar strekking’ omdat zij verder zouden gaan dan de beschermingsomvang van die octrooien.
147
Uit al het voorgaande volgt dat het eerste en het tweede middel moeten worden verworpen.
Vijfde middel
Samenvatting van de relevante punten van het bestreden arrest
148
Met het eerste onderdeel van haar negende middel betoogt Lundbeck dat er, gesteld al dat de Commissie terecht tot de slotsom was gekomen dat de litigieuze overeenkomsten artikel 101 VWEU hadden geschonden, geen enkele geldige reden was om haar in casu geldboeten op te leggen, gelet op het feit dat de opgeworpen feitelijke en juridische kwesties nieuw en complex waren en dat anders het beginsel van rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) zouden worden geschonden.
149
Ter verwerping van dit middel heeft het Gerecht in punt 777 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat de beperkingen van de mededinging als gevolg van overeenkomsten waarbij een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen erin zou zijn geslaagd potentiële concurrenten voor een bepaalde periode uit de markt te houden door middel van omvangrijke betalingen in omgekeerde richting, door de partijen bij deze overeenkomsten redelijkerwijs als in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU hadden kunnen worden beschouwd, zodat dit destijds hoegenaamd niet onvoorzienbaar was en de Commissie deze schending dus kon bestraffen zonder inbreuk te maken op de beginselen van rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel (nullum crimen, nulla poena sine lege).
150
In dit verband heeft het Gerecht met name in punt 776 van het bestreden arrest opgemerkt dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen zich terdege bewust waren van het inbreukmakende karakter van overeenkomsten die vergelijkbaar waren met de litigieuze overeenkomsten, en juist om die reden hadden geweigerd dergelijke overeenkomsten te ondertekenen.
Argumenten van partijen
151
Met haar vijfde middel, dat bestaat uit drie onderdelen, stelt Lundbeck dat het Gerecht de haar door de Commissie opgelegde geldboeten ten onrechte heeft bevestigd.
152
Tot staving van dit middel voert Lundbeck in de eerste plaats aan dat het Gerecht in punt 777 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de mate van schuld die vereist is om een geldboete op te leggen voor mededingingsverstorende gedragingen, onjuist toe te passen, aangezien een dergelijke geldboete alleen kan worden opgelegd als vaststaat — en niet alleen mogelijk is — dat de verantwoordelijke voor die gedragingen zich bewust was van het mededingingsverstorende karakter van deze inbreuk.
153
In de tweede plaats heeft het Gerecht, gelet op de complexe aard van de litigieuze overeenkomsten, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de conclusie van de Commissie te bevestigen dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag. Voorts stelt Lundbeck dat deze conclusie, althans voor wat betreft alle litigieuze overeenkomsten, niet kon worden gestaafd door de in punt 776 van het bestreden arrest genoemde documenten, waarop het Gerecht zich in dat verband heeft gebaseerd, behalve indien het Gerecht deze documenten onjuist heeft opgevat.
154
In de derde plaats verwijt Lundbeck het Gerecht dat het het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht van de nieuwe uitlegging van een bepaling houdende vaststelling van een inbreuk heeft geschonden door de oplegging van sancties die verder gaan dan symbolische geldboeten te bevestigen. Er had een symbolisch bedrag moeten worden opgelegd wegens, ten eerste, het complexe en nieuwe karakter van de door de litigieuze overeenkomsten aan de orde gestelde kwesties, ten tweede, de onzekerheid die ten tijde van de feiten bestond over de uitlegging van artikel 101 VWEU die met name voortvloeide uit de verklaringen van het KFST en, ten derde, het ontbreken van precedenten met betrekking tot dergelijke overeenkomsten.
155
De Commissie is van mening dat het vijfde middel ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
156
Zoals het Gerecht in punt 762 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, kan een onderneming worden bestraft voor gedragingen die binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, wanneer zij niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag, ongeacht of zij zich ervan bewust is de mededingingsregels van het Verdrag te schenden (zie in die zin arrest van 18 juni 2013, Schenker & Co. e.a., C-681/11, EU:C:2013:404, punt 37).
157
Hieruit volgt dat het feit dat de betrokken onderneming haar gedrag waarop de vaststelling van de inbreuk is gebaseerd, juridisch onjuist kwalificeert, er niet toe kan leiden dat haar geen geldboete wordt opgelegd wanneer zij niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van dat gedrag (arrest van 18 juni 2013, Schenker & Co. e.a., C-681/11, EU:C:2013:404, punt 38).
158
Het is dus alleen relevant of deze onderneming in staat was om te bepalen of haar gedrag mededingingsverstorend was en niet, zoals Lundbeck beweert, of deze onderneming dat daadwerkelijk had vastgesteld.
159
In dit verband heeft het Gerecht in de punten 764 en 777 van het bestreden arrest geoordeeld dat de mededingingsbeperkingen waarin deze overeenkomsten voorzagen destijds hoegenaamd niet onvoorzienbaar waren en door de partijen redelijkerwijs als in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU hadden kunnen worden beschouwd.
160
Ter ondersteuning van deze beoordeling heeft het Gerecht in de punten 765 tot en met 776 van dat arrest in wezen geoordeeld dat, ten eerste, noch de tekst van artikel 101, lid 1, VWEU, noch de rechtspraak met betrekking tot deze bepaling in verband met intellectuele-eigendomsrechten, die volgens Lundbeck niet verkeerd is uitgelegd door het Gerecht, ruimte liet voor twijfel over de vraag of de litigieuze overeenkomsten in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU, ten tweede, dat het standpunt van het KFST, verondersteld dat dit onduidelijk was, geen gewettigd vertrouwen kon wekken dat deze overeenkomsten niet zouden worden bestraft, ten derde, dat het feit dat de litigieuze overeenkomsten niet eerder waren gesanctioneerd niet kon rechtvaardigen dat geldboeten tot een symbolisch bedrag werden beperkt, en ten vierde, dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen zich terdege bewust waren van het inbreukmakende karakter van overeenkomsten die vergelijkbaar waren met de litigieuze overeenkomsten, en juist om die reden hadden geweigerd om dergelijke overeenkomsten te ondertekenen.
161
Een dergelijke motivering stelt rechtens genoegzaam vast dat de sanctie voor de litigieuze overeenkomsten op zijn minst te voorzien was.
162
Bovendien kan Lundbeck niet op goede gronden stellen dat het Gerecht de feiten of het bewijs onjuist heeft voorgesteld door te oordelen dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen zich inderdaad bewust waren van het inbreukmakende karakter van soortgelijke overeenkomsten als de betrokken overeenkomsten en om die reden hadden geweigerd om dergelijke overeenkomsten te ondertekenen. Afgezien van het feit dat deze bewering slechts op een van de gronden is gebaseerd waarop het Gerecht zijn conclusie heeft gebaseerd, zoals uiteengezet in punt 160 van het onderhavige arrest, zij er immers aan herinnerd dat, gelet op het uitzonderlijke karakter van een middel inzake onjuiste voorstelling van de feiten en het bewijsmateriaal, artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering inzonderheid verlangen dat een rekwirant precies aangeeft welke elementen door het Gerecht onjuist zijn voorgesteld en aantoont welke analysefouten het Gerecht tot deze onjuiste voorstelling hebben gebracht (arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/ Grupo Promer Mon Graphic, C-281/10 P, EU):C:2011:679, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
163
Hoewel Lundbeck zich heeft gebaseerd op een onjuiste voorstelling van de in punt 776 van het bestreden arrest bedoelde documenten, heeft zij geenszins de analysefouten uiteengezet die het Gerecht zou hebben gemaakt en die tot een onjuiste voorstelling van deze documenten hebben geleid. Bijgevolg moet het vijfde middel, voor zover het is gebaseerd op een vermeende onjuiste voorstelling van de feiten en het bewijsmateriaal, niet-ontvankelijk worden verklaard.
164
Bovendien is het feit dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen of personeelsleden van Lundbeck mogelijkerwijs twijfels hebben geuit over de wettigheid van de litigieuze overeenkomsten of van overeenkomsten die vergelijkbaar zijn met deze overeenkomsten, een factor die perfect de bevinding kan staven dat Lundbeck in staat was om te bepalen dat haar gedrag een mededingingsverstorend karakter had of op zijn minst zou kunnen hebben.
165
Ten slotte is het feit dat het Gerecht heeft bevestigd dat aan Lundbeck meer dan een symbolische boete werd opgelegd, geenszins in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, ondanks het nieuwe en complexe karakter van de in de litigieuze overeenkomsten aan de orde gestelde kwesties, het ontbreken van precedenten of het bestaan van documenten met betrekking tot deze overeenkomsten die door het KFST zijn gepubliceerd en waarnaar in de punten 749 tot en met 752 van het bestreden arrest wordt verwezen.
166
Wat in de eerste plaats het nieuwe karakter van de sanctionering voor de litigieuze overeenkomsten betreft, kan, zoals het Gerecht in punt 763 van het bestreden arrest in wezen in herinnering heeft gebracht, het door artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde lex certa-beginsel niet aldus worden uitgelegd dat het de geleidelijke verduidelijking van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van de rechterlijke uitlegging verbiedt, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C-72/15, EU:C:2017:236, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
167
Uit punt 114 van dit arrest volgt dat de kwalificatie als ‘beperking naar strekking’ en a fortiori als ‘beperking van de mededinging’ in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, moet worden aanvaard wanneer uit de analyse van de desbetreffende schikkingsovereenkomst blijkt dat de daarin voorziene waardeoverdrachten uitsluitend worden verklaard door het commerciële belang van zowel de betrokken octrooihouder als de vermeende inbreukmaker om niet op verdienste te concurreren, aangezien overeenkomsten waarbij concurrenten de risico's van concurrentie welbewust vervangen door onderlinge feitelijke samenwerking, duidelijk onder de kwalificatie ‘beperking naar strekking’ vallen.
168
Voorts heeft het Gerecht in de punten 764 en 777 van het bestreden arrest geoordeeld dat Lundbeck de sanctionering voor de litigieuze overeenkomsten op grond van artikel 101 VWEU kon voorzien.
169
Wat in de tweede plaats de aanwijzingen uit de documenten van het KFST betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 749 en 750 en in de punten 834 en 835 van het bestreden arrest in wezen soeverein heeft geoordeeld ofwel dat zij aantoonden dat de genoemde autoriteit van mening was dat de litigieuze overeenkomsten de mededinging konden beïnvloeden indien bleek dat Lundbeck concurrenten had betaald om uit de markt te blijven en dus zeer ernstige inbreuken op artikel 101 VWEU vormden, ofwel dat zij slechts het verslag waren van een voorlopige opinie van de Commissie.
170
Zoals het Gerecht in punt 748 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, kunnen de nationale mededingingsautoriteiten bij ondernemingen geen gewettigd vertrouwen wekken dat hun gedrag geen inbreuk maakt op artikel 101 VWEU, aangezien zij niet bevoegd zijn tot vaststelling van een negatief besluit, dat wil zeggen een besluit waarbij wordt geoordeeld dat die bepaling niet geschonden is (zie in die zin arrest van 18 juni 2013, Schenker & Co. e.a., C-681/11, EU:C:2013:404, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
171
Wat voorts de bewering van Lundbeck betreft dat de oplegging van de betrokken geldboeten in strijd is met het beginsel van niet-terugwerkende kracht van de strafwet, volstaat het erop te wijzen dat deze bewering, die voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening is gedaan, een nieuw middel vormt en derhalve overeenkomstig de artikelen 127 juncto 190 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is.
172
Zoals blijkt uit punt 757 van het bestreden arrest, had Lundbeck in het eerste onderdeel van zijn negende middel tot nietigverklaring immers alleen schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) aangevoerd.
173
Het vijfde middel moet dan ook gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard, zodat het dient te worden afgewezen.
Zesde middel
Samenvatting van de relevante punten van het bestreden arrest
174
Met het tiende middel van haar beroep tot nietigverklaring, waarvan de verwerping van het eerste en het tweede onderdeel in het kader van de onderhavige hogere voorziening wordt betwist, heeft Lundbeck te kennen gegeven dat de Commissie het recht en de feiten op meerdere punten heeft geschonden door als basisbedrag voor de geldboeten die haar zijn opgelegd, een buitensporig hoog percentage van 10 en 11 % van de waarde van de verkopen van het betrokken product in aanmerking te nemen naargelang van de geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten, en door de duur van de betrokken inbreuken niet te beperken tot de periode waarin de fabrikanten van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk bereid waren de markt te betreden, wat veronderstelde dat zij ten minste over één VHB beschikten in de betrokken landen, hetgeen in bijvoorbeeld Oostenrijk niet het geval was.
175
Ter afwijzing van het eerste onderdeel van het tiende middel tot nietigverklaring heeft het Gerecht in de punten 806 en 812 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie, zonder het recht of het evenredigheidsbeginsel te schenden, het basisbedrag van de betrokken geldboeten overeenkomstig punt 22 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 had vastgesteld.
176
In punt 804 van het bestreden arrest stelt het Gerecht met name dat ‘[a]nders dan [Lundbeck] op dat punt te kennen [geeft], […] de Commissie niet verplicht [was] om het basisbedrag van de [geldboeten] zodanig te verlagen dat slechts rekening werd gehouden met de waarde van de verkopen in de landen waarin de [fabrikanten van generieke geneesmiddelen] het verste waren gevorderd met hun voorbereidingen op de markttoetreding’ en dat ‘[o]mdat inbreuken naar strekking aan de orde waren en omdat de inbreuken die met de litigieuze overeenkomsten zijn begaan (met uitzondering van de met Arrow gesloten overeenkomsten) een geografische reikwijdte hadden die zich tot de gehele EER uitstrekte, […] de Commissie zich op die geografische reikwijdte [mocht] baseren, zonder daarbij diepgaand te hoeven onderzoeken welke concrete perspectieven de [fabrikanten van generieke geneesmiddelen] in elk van de [lid]staten van de EER hadden om tot de markt toe te treden’. Het Gerecht heeft in dat verband gepreciseerd dat het ‘de partijen bij de litigieuze overeenkomsten [zijn] die de geografische reikwijdte daarvan hebben gedefinieerd, en dus van de inbreuken die in casu aan de orde zijn, door te beslissen dat zij zich zouden uitstrekken tot het gehele grondgebied van de EER (met uitzondering van de met Arrow gepleegde inbreuk)’.
177
Om het tweede onderdeel van het tiende middel tot nietigverklaring af te wijzen, heeft het Gerecht in de punten 815 en 816 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit rechtens genoegzaam had aangetoond dat de mededinging wegens de litigieuze overeenkomsten tijdens de gehele looptijd ervan was beperkt, en dat Lundbeck niet had aangetoond dat zonder de litigieuze overeenkomsten — zelfs potentiële — mededinging tussen haar en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen onmogelijk of onbestaand zou zijn geweest, en evenmin dat die overeenkomsten de mededinging geenszins hadden beperkt, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332). Het Gerecht heeft ook opgemerkt dat de tegenovergestelde oplossing zou leiden tot een ontkenning van het onderscheid tussen ‘daadwerkelijke mededinging’ en ‘potentiële mededinging’.
178
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 842 van het bestreden arrest in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht geoordeeld dat er in de onderhavige zaak geen redenen waren om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen en dat het bedrag van de aan Lundbeck in het litigieuze besluit opgelegde geldboeten moest worden bevestigd.
Argumenten van partijen
179
Met haar zesde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd en uit drie onderdelen bestaat, stelt Lundbeck dat de bevestiging door het Gerecht van de berekening van de haar door de Commissie opgelegde geldboeten rechtens onjuist is en onvoldoende is gemotiveerd.
180
Ter ondersteuning van dit middel stelt Lundbeck in de eerste plaats dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het in punt 804 van het bestreden arrest niet nodig te achten om voor de berekening van de haar opgelegde geldboeten de verkopen uit te sluiten die niet door de litigieuze overeenkomsten hadden kunnen zijn beïnvloed, te weten Lundbecks verkopen in bepaalde lidstaten van de EER waarvan de markt in werkelijkheid gesloten was voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen omdat hun vóór de afloop van die overeenkomsten geen enkele VHB was verstrekt of, in het geval van Oostenrijk, omdat het octrooi op het WFB citalopram voor een groot gedeelte van de looptijd van die overeenkomstig nog geldig was. Overeenkomstig de punten 6 en 13 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 zou de Commissie echter die verkopen in aanmerking mogen nemen die daadwerkelijk verband houden met de betrokken inbreuk.
181
Bovendien heeft het Gerecht, eveneens in punt 804 van het bestreden arrest, de rechtspraak ten eerste onjuist toegepast door te oordelen dat de aard van de litigieuze overeenkomsten als ‘inbreuk naar strekking’ de Commissie ervan vrijstelde een concreet onderzoek te verrichten, ook al kan dit onderzoek van enig belang zijn voor de berekening van het bedrag van de geldboeten, zoals het Hof in punt 31 van het arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343), heeft vastgesteld. Ten tweede heeft het Gerecht niet de door het arrest van 28 juni 2016, Telefónica/Commissie (T-216/13, EU:T:2016:369, punt 309), feitelijke en juridische analyse verricht die vereist is ter bepaling van de verkopen die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuken in kwestie, door niet — zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332) — de verkopen die overeenkomen met de activiteiten die tijdens de looptijd van de litigieuze overeenkomsten niet met elkaar konden concurreren, uit te sluiten van de berekening van de geldboeten.
182
In de tweede plaats verwijt Lundbeck het Gerecht dat het in punt 816 van het bestreden arrest niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het de in het arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332), vastgestelde methode niet heeft toegepast. Het Gerecht heeft meer bepaald niet uitgelegd hoe de fabrikanten van generieke geneesmiddelen niet de facto werden verhinderd de markt van de betrokken EER-lidstaten te betreden als gevolg van het ontbreken van een VHB en het bestaan van het octrooi op Lundbecks WFB citalopram.
183
In de derde plaats voert Lundbeck aan dat het Gerecht de omstandigheden van de zaak onjuist heeft beoordeeld door in punt 806 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie voor de berekening van het bedrag van de haar opgelegde geldboeten overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 op goede gronden een percentage van de waarde van de verkopen in verband met de inbreuk van 10 en 11 % in aanmerking had genomen, afhankelijk van de geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten. Gezien de beperkte geografische impact van die overeenkomsten en de besluitvormingspraktijk van de Commissie in soortgelijke gevallen, en het feit dat dergelijke overeenkomsten geen mededingingsregelingen vormen, hadden deze percentages echter lager moeten zijn en op het laagst mogelijke niveau moeten worden vastgesteld.
Beoordeling door het Hof
184
Met betrekking tot het eerste en het tweede onderdeel van het zesde middel, die tezamen moeten worden beoordeeld, stelt Lundbeck in wezen dat het Gerecht in de punten 804 en 816 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, zonder te antwoorden op haar argumenten, te oordelen dat de Commissie niet verplicht was het basisbedrag van de geldboeten te verlagen om alleen rekening te houden met de waarde van de verkopen in landen waar de fabrikanten van generieke geneesmiddelen verder gevorderd waren met hun voorbereidingen om tot de markt toe te treden.
185
Wat betreft de oplegging door de Commissie van een geldboete op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze instelling in elk concreet geval — gelet op de context ervan en de doelen van de bij deze verordening ingestelde sanctieregeling — moet beoordelen wat de gezochte weerslag op de betrokken onderneming is, met name door rekening te houden met een omzet die de werkelijke economische situatie van die onderneming weergeeft in het tijdvak waarin de inbreuk is begaan (arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C-101/15 P, EU:C:2016:631, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
186
In dit verband mag voor de vaststelling van het boetebedrag zowel rekening worden gehouden met de totale omzet van de onderneming, die een — zij het approximatieve en onvolledige — aanwijzing van de omvang en de economische macht van deze onderneming vormt, als met het deel van die omzet dat is behaald met de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, dat een aanwijzing geeft over de omvang van de inbreuk (arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C-101/15 P, EU:C:2016:631, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
187
Voor zover de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboeten door de Commissie zijn vastgesteld met toepassing van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006, moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof het in punt 13 van die richtsnoeren genoemde begrip ‘waarde van de verkopen’ weliswaar niet zo ruim wordt opgevat dat het ook de verkopen van de onderneming in kwestie omvat die niet binnen de reikwijdte van het gelaakte kartel vallen, maar het niettemin strijdig zou zijn met het doel van deze bepaling indien dit begrip aldus werd uitgelegd dat het enkel ziet op de omzet die is gerealiseerd met verkopen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door dit kartel zijn beïnvloed (arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C-101/15 P, EU:C:2016:631, punt 19).
188
Het is juist dat uit deze overweging voortvloeit dat de verkopen van de inbreukmaker die hebben plaatsgevonden op een markt die niet openstaat voor mededinging, zoals die waarvan sprake is in het door Lundbeck aangehaalde arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332, punten 105 en 155), moeten worden uitgesloten van de waarde van de verkopen waarop een inbreuk betrekking heeft, aangezien een dergelijke markt niet kan worden beïnvloed door een mededingingsverstorende praktijk op grond van artikel 101 VWEU, of door verkopen van een van de partijen bij een mededingingsregeling op markten waarop de andere partijen bij die mededingingsregeling niet aanwezig zijn en niet als potentiële concurrenten kunnen worden beschouwd.
189
In het onderhavige geval valt echter geen van de verkopen die door de Commissie in de waarde van de in aanmerking genomen verkopen is opgenomen en waarvan het totale bedrag door het Gerecht is bevestigd, onder een van de in het vorige punt genoemde categorieën van uitgesloten verkopen.
190
Al deze verkopen, of het nu gaat om verkopen in Oostenrijk, waar het octrooi voor Lundbecks WFB citalopram volgens haar pas in april 2003 was afgelopen, dat wil zeggen tijdens de periode van uitvoering van de litigieuze overeenkomsten, of om de verkopen in staten waar de fabrikanten van generieke geneesmiddelen pas een VHB hebben verkregen tijdens de periode van uitvoering van die overeenkomsten of zelfs na die periode, zijn, zoals de advocaat-generaal in de punten 222 en 223 van haar conclusie aangeeft, namelijk gerealiseerd op markten waarop tussen de fabrikanten van de betrokken geneesmiddelen gedurende de gehele looptijd van deze overeenkomsten ten minste potentiële mededinging bestond, hetgeen door het Gerecht in punt 815 van het bestreden arrest terecht is opgemerkt en door de afwijzing van het vierde middel van de hogere voorziening is bevestigd.
191
Daarom kan niet op goede gronden worden aangevoerd dat de in het vorige punt genoemde verkopen niet op zijn minst indirect verband hielden met de vastgestelde inbreuken en derhalve niet in aanmerking mochten worden genomen bij de berekening van de aan Lundbeck opgelegde geldboeten.
192
Zoals het Gerecht in punt 804 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, waren het immers de partijen bij de litigieuze overeenkomsten die deze overeenkomsten, met uitzondering van die tussen Lundbeck en Arrow, zelf een geografische reikwijdte hebben gegeven die zich uitstrekte tot de gehele EER, hetgeen aantoont dat zij van mening waren dat zij op elk van de EER-markten zo niet daadwerkelijk dan toch ten minste potentieel concurrenten waren, met als gevolg dat de verkopen van Lundbeck op elk van deze markten overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 moeten worden beschouwd als verkopen die ‘rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk’.
193
Lundbeck kan derhalve het Gerecht niet verwijten dat het in punt 804 van het bestreden arrest heeft aanvaard dat, wat de litigieuze overeenkomsten met uitzondering van de overeenkomsten tussen Lundbeck en Arrow betreft, de verkoop in de gehele EER in aanmerking werd genomen, zonder een diepgaand onderzoek te hebben verricht naar de daadwerkelijke vooruitzichten op toetreding van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen tot het grondgebied van elke EER-lidstaat.
194
Ten slotte kan het Gerecht evenmin op goede gronden worden verweten dat het in punt 816 van het bestreden arrest onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in casu niet de oplossing van het Gerecht in het arrest van 29 juni 2012 in zaak T-360/09, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (EU:T:2012:332), heeft toegepast.
195
Door er in dit punt op te wijzen dat de zaak die tot dit arrest heeft geleid, Lundbeck niet heeft geholpen, aangezien in die zaak de mededinging zelfs zonder de in het geding zijnde mededingingsbeperkende overeenkomst voor een deel van de duur van de inbreuk onmogelijk zou zijn geweest, aangezien de markt op grond van de nationale wetgeving die in die periode van toepassing was juridisch was afgeschermd van mededinging waardoor een feitelijke monopoliepositie ontstond, heeft het Gerecht de belanghebbenden in staat gesteld de redenen te kennen waarom het hun argumenten heeft afgewezen en beschikt het Hof over voldoende elementen om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 25 juni 2020, CSUE/KF, C-14/19 P, EU:C:2020:492, punt 96 en de aangehaalde rechtspraak).
196
Bijgevolg moeten het eerste en het tweede onderdeel van het onderhavige middel ongegrond worden verklaard.
197
Wat in de tweede plaats het derde onderdeel van het onderhavige middel betreft, dient eraan te worden herinnerd dat het niet aan het Hof staat om, wanneer het zich in het kader van een hogere voorziening uitspreekt over rechtsvragen, uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het Gerecht dat zich in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die aan ondernemingen wegens schending van het Unierecht zijn opgelegd (arrest van 26 september 2018, Philips en Philips France/Commissie, C-98/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:774, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
198
Het Hof kan pas vaststellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een ongepast hoge geldboete op te leggen wanneer het van oordeel is dat de hoogte van de geldboete niet alleen ongepast is, maar ook zodanig overdreven dat de geldboete onevenredig is (arrest van 26 september 2018, Philips en Philips France/Commissie, C-98/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:774, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
199
Hieruit volgt dat Lundbeck, voor zover zij met het derde onderdeel van het zesde middel opkomt tegen de beoordeling door het Gerecht — met name in punt 842 van het bestreden arrest — van het bedrag van de opgelegde geldboeten in het licht van de omstandigheden van de zaak, zonder evenwel aan te tonen of zelfs maar te stellen dat dit bedrag niet alleen ongepast is, maar ook zodanig overdreven dat het onevenredig is, in werkelijkheid een nieuwe beoordeling wil verkrijgen van de gepastheid van het bedrag van de haar opgelegde geldboeten. Bijgevolg dient dit argument niet-ontvankelijk te worden verklaard.
200
Mitsdien moet het zesde middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
201
Gelet op een en ander moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
202
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
203
Aangezien Lundbeck in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
204
Volgens artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd, wanneer zij niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, alleen in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen indien zij aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen. Wanneer een dergelijke partij aan de procedure deelneemt, kan het Hof beslissen dat zij haar eigen kosten draagt.
205
Aangezien EFPIA heeft deelgenomen aan de procedure voor het Hof, moet gelet op de omstandigheden van de zaak worden besloten dat zij haar eigen kosten zal dragen.
206
Artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen.
207
Het Verenigd Koninkrijk draagt derhalve zijn eigen kosten.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
H. Lundbeck A/S en Lundbeck Ltd dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie.
- 3)
De European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) draagt haar eigen kosten.
- 4)
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑03‑2021
Conclusie 04‑06‑2020
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen (artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte) — Antidepressiva — Overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen tussen een initiërend farmaceutisch bedrijf dat octrooihouder is en fabrikanten van generieke geneesmiddelen — Begrip ‘potentiële mededinging’ — Begrip ‘mededingingsbeperking naar strekking’ — Geldboeten — Voorzienbaarheid van het mededingingsverstorende karakter van gedrag — Verkopen die bij de berekening van de hoogte van de geldboete in aanmerking dienen te worden genomen’
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-591/16 P1.
H. Lundbeck A/S en
Lundbeck Ltd
tegen
Europese Commissie
Inhoud
- I.
Inleiding
- II.
Voorgeschiedenis van het geding
- A.
Feiten en administratieve procedure
- 1.
Betrokken product en octrooien
- 2.
Overeenkomsten tussen Lundbeck en generieke fabrikanten
- 3.
Besluit van de Commissie
B. Procedure bij het Gerecht
- III.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
- IV.
Beoordeling
- A.
Bestaan van een inbreuk op artikel 101 VWEU (eerste tot en met vierde middel)
- 1.
Bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten (vierde middel)
- a)
Vermeende door Lundbecks octrooien tot stand gebrachte juridische drempels voor het op de markt brengen van citalopram
- b)
Vermeende misslagen van het Gerecht bij de beoordeling van het door de Commissie aangevoerde bewijsmateriaal voor het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten
- c)
Rekwirantes' argumenten die het vermeend ontbreken van een potentiële concurrentieverhouding tussen Lundbeck en elk van de betrokken generieke fabrikanten beogen aan te tonen
- 2.
Kwalificatie van de overeenkomsten tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten als mededingingsbeperkingen naar strekking (eerste tot en met derde middel)
- a)
Kwalificatie als mededingingsbeperkingen naar strekking van overeenkomsten die niet verder gaan dan de beschermingsomvang van een octrooi (eerste middel)
- 1)
Asymmetrie tussen de risico's van Lundbeck en de generieke fabrikanten
- 2)
‘Contrafeitelijk scenario’
- 3)
Ontbreken van bedingen in de litigieuze overeenkomsten op grond waarvan de geldigheid van de relevante octrooien niet mocht worden aangevochten
- 4)
Vermeend novum van het bestraffen van minnelijke regelingen van octrooigeschillen
- 5)
Conclusie
- b)
Vermeend onjuiste slotsom van het Gerecht dat vijf van de zes overeenkomsten verder gingen dan de beschermingsomvang van Lundbecks octrooien (tweede middel)
- c)
Vermeend onjuiste kwalificatie van bepaalde litigieuze overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking, zelfs in de veronderstelling dat zij verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien (derde middel)
- B.
Geldboeten (vijfde en zesde middel)
- 1.
Bevestiging van de geldboeten door het Gerecht (vijfde middel)
- a)
Voor het opleggen van een geldboete vereiste ‘mate van schuld’
- b)
Kwestie of Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag
- c)
Rechtszekerheidsbeginsel en verbod van terugwerkende kracht
- 2.
Bevestiging door het Gerecht van de berekening van de hoogte van de geldboeten (zesde middel)
- a)
Bij de berekening van de hoogte van de geldboeten in aanmerking genomen verkopen van Lundbeck
- b)
Mate van ernst die bij de berekening van de hoogte van de geldboeten in aanmerking is genomen
- C.
Conclusie
- V.
Kosten
- VI.
Conclusie
I. Inleiding
1.
Vaak is een zeker spanningsveld tussen mededinging en intellectuele-eigendomsrechten onvermijdelijk, omdat die rechten met het oog op het aanmoedigen van onderzoek en ontwikkeling bepaalde exclusieve voorrechten toekennen aan uitvinders. Dat is eveneens het uitgangspunt van het octrooirecht. Met het oog op het bevorderen van de technische vooruitgang en de economische ontwikkeling in het algemeen dienen de uitvindingen niettemin na een zekere tijd, bij het verstrijken van de octrooirechten, tot het publiek domein te gaan behoren zodat eenieder er gebruik van kan maken.
2.
Dat laatste aspect is met name van belang op het vlak van geneesmiddelen, waar een evenwicht dient te worden gevonden tussen het bevorderen van onderzoek door initiërende farmaceutische bedrijven en het algemeen belang bij het in de handel brengen van generieke geneesmiddelen, die de financiële lasten van de ziekenfondsen verlichten en bijdragen aan het vermijden van onnodige proeven op mens en dier.2.
3.
Hoewel de octrooihouder gedurende de geldigheidsduur van dat octrooi het uitsluitende recht geniet om zijn uitvinding te gebruiken voor de vervaardiging en het als eerste in het verkeer brengen van producten, alsmede het recht om zich tegen inbreuken te verzetten3., verleent een octrooi echter geen bescherming tegen acties tot betwisting van de geldigheid van dat octrooi.4. Octrooigeschillen tussen concurrenten maken dan ook deel uit van de normale werking van de mededinging in sectoren waarin dergelijke exclusieve rechten bestaan5., en het is een wijdverbreide praktijk om dergelijke geschillen te beslechten of te voorkomen door middel van schikkingsovereenkomsten.
4.
Zoals de Europese Commissie in haar litigieuze besluit in de onderhavige procedure zelf erkent6., zijn dergelijke overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen geenszins onrechtmatig als zodanig en kunnen zij, als instrument om middelen te besparen en de economische ontwikkeling te bevorderen, zelfs in het algemeen belang zijn. Schikkingen van octrooigeschillen worden evenwel een probleem wanneer zij in botsing komen met de regels van het mededingingsrecht doordat zij er in werkelijkheid niet toe strekken een octrooigeschil op te lossen, maar om de toetreding van potentiële concurrenten tot de markt te verhinderen of te vertragen.
5.
Volgens het standpunt van de Commissie, dat door het Gerecht in het met de onderhavige hogere voorziening bestreden arrest is bijgetreden7., was dat precies het geval voor de zes overeenkomsten die het initiërende farmaceutische bedrijf Lundbeck voor het antidepressivum citalopram had gesloten met meerdere fabrikanten van generieke geneesmiddelen. In het kader van haar hogere voorziening voert Lundbeck evenwel aan dat die analyse uitgaat van een aantal onjuiste rechtsopvattingen en dat de betrokken overeenkomsten niet konden worden bestraft in het kader van het mededingingsrecht.
6.
De onderhavige zaak sluit aldus aan bij de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.8., waarin het Hof criteria heeft ontwikkeld voor strijdigheid met het mededingingsrecht van de Unie van een overeenkomst tot schikking van een geschil tussen de houder van een farmaceutisch octrooi en een fabrikant van generieke geneesmiddelen, en bij de momenteel bij het Hof aanhangige zaken ‘Servier’, waarin de Commissie heeft vastgesteld dat overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie vormden9..
II. Voorgeschiedenis van het geding
A. Feiten en administratieve procedure
7.
H. Lundbeck A/S is een vennootschap naar Deens recht die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen, waaronder de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap Lundbeck Ltd (hierna samen: ‘Lundbeck’ of ‘rekwirantes’), die is gespecialiseerd in de ontwikkeling en de distributie van farmaceutische producten voor de behandeling van ziekten die het centrale zenuwstelsel aantasten, waaronder depressies.10.
1. Betrokken product en octrooien
8.
Een van Lundbecks producten is een antidepressivum dat het werkzame farmaceutische bestanddeel (WFB) citalopram bevat. Lundbeck heeft eerst octrooien verkregen voor dat WFB zelf en voor de werkwijzen alkylering en cyanering. Voor wat de Europese Economische Ruimte (EER) betreft, is de bescherming op grond van deze oorspronkelijke octrooien en in voorkomend geval ook de aanvullende beschermingscertificaten11. in 1994 (voor Duitsland) en 2003 (voor Oostenrijk) verstreken. Wat in het bijzonder het Verenigd Koninkrijk betreft, zijn de oorspronkelijke octrooien in januari 2002 verstreken.12.
9.
Door de jaren heen heeft Lundbeck andere, efficiëntere werkwijzen voor de vervaardiging van citalopram ontwikkeld, waarvoor zij in meerdere EER-landen en door middel van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) en bij het Europees Octrooibureau (EOB) octrooien heeft aangevraagd en vaak ook heeft verkregen. Meer bepaald heeft Lundbeck tussen 2001 en 2003 octrooien verkregen voor de vervaardiging van citalopram met behulp van werkwijzen waarbij gebruik werd gemaakt van amide en jodium, en voor de vervaardiging van citalopram door middel van kristallisatie en filmdestillatie (hierna: ‘litigieuze octrooien’).13.
10.
Tot slot wilde Lundbeck eind 2002 of begin 2003 een nieuw antidepressivum, Cipralex, gebaseerd op het WFB met de naam escitalopram (of S-citalopram), op de markt brengen. Dit nieuwe geneesmiddel was bedoeld voor dezelfde patiënten als degenen die werden behandeld met het geoctrooieerde geneesmiddel Cipramil van Lundbeck, gebaseerd op het WFB citalopram. Het WFB escitalopram werd beschermd door octrooien die op zijn minst tot in 2012 geldig waren.14.
2. Overeenkomsten tussen lundbeck en generieke fabrikanten
11.
In de loop van 2002 heeft Lundbeck zes overeenkomsten betreffende citalopram gesloten (hierna: ‘litigieuze overeenkomsten’) met vier ondernemingen die actief zijn in de productie en/of verkoop van generieke geneesmiddelen (hierna: ‘generieke fabrikanten’).
12.
Ten eerste heeft Lundbeck met de Engelse onderneming Generics UK Ltd, die via Merck Generics Holding GmbH onder zeggenschap stond van Merck KGaA [hierna samen: ‘Merck (GUK)’], een eerste overeenkomst gesloten voor het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, die is ingegaan op 24 januari 2002 en is geëindigd op 1 november 2003. In die overeenkomst werd in essentie bepaald dat Merck (GUK) haar voorraad generiek citalopram zou leveren aan Lundbeck en dat Lundbeck citalopram aan Merck (GUK) zou verkopen voor wederverkoop in het Verenigd Koninkrijk en grote betalingen zou verrichten ten gunste van Merck (GUK). In totaal heeft Lundbeck tijdens de looptijd van die overeenkomst het equivalent van 19,4 miljoen EUR aan Merck (GUK) overgedragen.15.
13.
Daarnaast heeft Lundbeck met Merck (GUK) een tweede overeenkomst gesloten voor de EER, die is ingegaan op 22 oktober 2002 en is geëindigd op 22 oktober 2003. Volgens deze overeenkomst diende Lundbeck aan Merck (GUK) een bedrag van 12 miljoen EUR te betalen in ruil voor de verbintenis van Merck (GUK) om geen farmaceutische producten met daarin citalopram te verkopen of te leveren op het grondgebied van de EER (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) en alle redelijke inspanningen te doen om ervoor te zorgen dat Natco Pharma Ltd, de fabrikant van het WFB voor haar citalopram, de levering van citalopram of producten met daarin citalopram in de EER zou staken voor de looptijd van de overeenkomst.16.
14.
Ten tweede heeft Lundbeck met Arrow Generics Ltd en Resolution Chemicals Ltd, die onder zeggenschap stonden van Arrow Group A/S (hierna samen: ‘Arrow’), een eerste overeenkomst gesloten voor het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, die is ingegaan op 24 januari 2002 en is geëindigd op 20 oktober 2003. In die overeenkomst werd in essentie bepaald dat Arrow zich ertoe verbond geen volgens Lundbeck op haar intellectuele-eigendomsrechten inbreukmakend citalopram te vervaardigen, te vervreemden of te gebruiken in ruil voor de betaling door Lundbeck van 6,8 miljoen Britse pond (GBP), en dat Arrow haar voorraad citalopram zou leveren aan Lundbeck.17.
15.
Daarnaast heeft Lundbeck met Arrow een tweede overeenkomst gesloten voor het grondgebied van Denemarken, die is ingegaan op 3 juni 2002 en is geëindigd op 1 april 2003. Op grond van deze overeenkomst verbond Arrow zich ertoe om alle import, vervaardiging, productie, verkoop of andere commercialisering van producten met daarin volgens Lundbeck op haar intellectuele-eigendomsrechten inbreukmakend citalopram te staken in ruil voor de betaling door Lundbeck van 500 000 Amerikaanse dollar (USD), en kocht Lundbeck voor de prijs van 147 000 USD Arrows voorraad citalopram.18.
16.
Ten derde heeft Lundbeck een overeenkomst gesloten met Alpharma ApS, die later is omgevormd tot Xellia Pharmaceuticals ApS en onder zeggenschap stond van Alpharma Inc., die zelf werd gecontroleerd door A.L. Industrier AS (hierna samen: ‘Alpharma’). Die overeenkomst is ingegaan op 22 februari 2002 en geëindigd op 30 juni 2003, had betrekking op alle lidstaten van de Unie, Noorwegen en Zwitserland, en bepaalde in essentie dat Alpharma en haar dochterondernemingen elke import, productie of verkoop van farmaceutische producten met daarin citalopram zouden annuleren, staken en daarvan zouden afzien in ruil voor de overdracht van 12 miljoen USD door Lundbeck, en dat Alpharma haar voorraad generiek citalopram zou leveren aan Lundbeck.19.
17.
Ten vierde, en als laatste, heeft Lundbeck een overeenkomst gesloten met Ranbaxy Laboratories Ltd en Ranbaxy (UK) Ltd (hierna samen: ‘Ranbaxy’), die is ingegaan op 16 juni 2002 en geëindigd op 31 december 2003, betrekking had op het grondgebied van de EER en in essentie bepaalde dat Ranbaxy de vervaardiging of de verkoop van citalopram zou annuleren, staken, alsook daarvan zou afzien in ruil voor de betaling van 9,5 miljoen USD door Lundbeck, en dat Lundbeck tabletten citalopram met een korting van 40 % op de prijs af fabriek zou verkopen aan Ranbaxy, zodat die laatste deze op de markt in het Verenigd Koninkrijk zou kunnen verkopen.20.
3. Besluit van de commissie
18.
In het litigieuze besluit was de Commissie van mening dat de litigieuze overeenkomsten bedoeld waren om de generieke fabrikanten gedurende de overeengekomen periode van de markt uit te sluiten door middel van door Lundbeck aan hen verrichte betalingen. De Commissie heeft die overeenkomsten dan ook als mededingingsbeperkingen naar strekking gekwalificeerd en heeft Lundbeck en de andere partijen bij die overeenkomsten geldboeten opgelegd.
19.
Aangezien de Commissie met betrekking tot Lundbeck van mening was dat de zes overeenkomsten vier afzonderlijke inbreuken vormden, heeft zij Lundbeck vier afzonderlijke geldboeten opgelegd. De aan Lundbeck A/S opgelegde geldboete voor een totaalbedrag van 93 766 000 EUR, waarvan 5 306 000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd, is dus opgebouwd als volgt:
- —
19 893 000 EUR, waarvan 5 306 000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd, voor de twee met Merck (GUK) gesloten overeenkomsten, die zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die van 24 januari 2002 tot en met 1 november 2003 is gepleegd;
- —
12 951 000 EUR voor de twee met Arrow gesloten overeenkomsten, die zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die van 24 januari 2002 tot en 20 oktober 2003 is gepleegd;
- —
31 968 000 EUR voor de met Alpharma gesloten overeenkomst, die is beschouwd als een inbreuk die van 22 februari 2002 tot en met 30 juni 2003 is gepleegd,
- —
en 28 954 000 EUR voor de met Ranbaxy gesloten overeenkomst, die is beschouwd als een inbreuk die van 16 juni 2002 tot en met 31 december 2003 is gepleegd.21.
B. Procedure bij het gerecht
20.
Bij akte van 30 augustus 2013 heeft Lundbeck bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en, subsidiair, tot opheffing of verlaging van het bedrag van de geldboeten die haar waren opgelegd. Bij het Gerecht heeft de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) Lundbeck ondersteund.
21.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen en Lundbeck verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Commissie, terwijl de EFPIA is verwezen in haar eigen kosten.
III. Procedure bij het hof en conclusies van partijen
22.
Bij akte van 18 november 2016 heeft Lundbeck hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest, daarbij nog steeds ondersteund door de EFPIA.
23.
Tegelijkertijd hebben ook de andere adressaten van het litigieuze besluit hogere voorzieningen ingesteld tegen de arresten van het Gerecht waarbij hun beroepen tegen dat besluit waren verworpen22., en er is beslist om al die hogere voorzieningen gezamenlijk en gecoördineerd te behandelen.
24.
Bij beschikking van de president van het Hof van 13 december 2016, Lundbeck/Commissie23., is beslist dat de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit ten aanzien van de EFPIA vertrouwelijk moet worden behandeld.
25.
Bij akte van 10 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om in de onderhavige procedure in hogere voorziening te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van de president van het Hof van 5 juli 2017, Lundbeck/Commissie24., is het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie en is besloten dat de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit ten aanzien van die lidstaat vertrouwelijk moet worden behandeld.
26.
Na de indiening van alle schriftelijke stukken door de verschillende partijen is de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak gesloten op 13 november 2017: al die stukken samen, zonder rekening te houden met de bijlagen, het bestreden arrest en het litigieuze besluit, tellen bijna 300 bladzijden en overschrijden aldus ruimschoots, met name wat de door Lundbeck en de Commissie ingediende stukken betreft, het volume dat is aanbevolen in de Praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken.
27.
Bij beslissing van het Hof van 27 november 2018 is de onderhavige zaak toegewezen aan de Vierde kamer, die uitspraak zal doen na een gezamenlijke pleitzitting met de vijf andere hogere voorzieningen die zijn ingesteld tegen de arresten van het Gerecht waarbij de beroepen tegen het litigieuze besluit zijn verworpen.25.
28.
Lundbeck verzoekt het Hof
- —
het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
- —
het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover het haar betreft, of subsidiair, de aan haar opgelegde geldboeten nietig te verklaren of, nog meer subsidiair, het bedrag van die geldboeten wezenlijk te verlagen;
- —
de Commissie te verwijzen in de gerechts- en andere kosten die Lundbeck tijdens de procedure in hogere voorziening en de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt;
- —
zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof;
- —
elke andere maatregel te treffen die het Hof passend acht.
29.
De EFPIA verzoekt het Hof
- —
de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk toe te wijzen;
- —
zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten die de EFPIA tijdens de procedure in hogere voorziening en de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt.
30.
De Commissie verzoekt het Hof
- —
de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen; en
- —
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
31.
Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof
- —
de door Lundbeck ingestelde hogere voorziening in haar geheel af te wijzen.
32.
Partijen zijn tijdens de gezamenlijke terechtzitting van 24 januari 2019 in hun opmerkingen en hun antwoorden op de vragen van het Hof gehoord.
33.
Op 30 januari 2020 heeft het Hof zijn arrest in de zaak Generics (UK) e.a.26. gewezen. Op 7 februari 2020 heb ik de partijen bij de onderhavige procedure krachtens artikel 62, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de mogelijkheid gegeven om schriftelijk een standpunt in te nemen over de eventuele gevolgen van dat arrest voor de in de onderhavige zaak aangevoerde middelen met betrekking tot het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten die partij zijn bij de litigieuze overeenkomsten, en de kwalificatie van die overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking. De antwoorden op die vraag zijn ingekomen bij het Hof op 6 maart 2020.
IV. Beoordeling
34.
Met hun in hogere voorziening aangevoerde middelen betwisten rekwirantes de vaststellingen van het Gerecht inzake zowel het bestaan van een inbreuk op artikel 101 VWEU (onder A) als die inzake de geschiktheid van de door de Commissie opgelegde geldboete (onder B).
A. Bestaan van een inbreuk op Artikel 101 vweu (eerste tot en met vierde middel)
35.
Wat betreft het bestaan van een inbreuk op artikel 101 VWEU, betogen rekwirantes met hun eerste tot en met derde middel dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door mee te gaan met de vaststelling van de Commissie dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden. Daarnaast voeren rekwirantes met hun vierde middel aan dat het Gerecht ten onrechte de beoordeling van de Commissie heeft bevestigd dat er op het moment van sluiting van de overeenkomsten een potentiële concurrentieverhouding tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten bestond.
36.
Aangezien artikel 101 VWEU enkel van toepassing is op sectoren die openstaan voor concurrentie, veronderstelt de kwalificatie van een overeenkomst tussen ondernemingen als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, dat er mededinging bestaat die kan worden beperkt.27. Derhalve dient hieronder allereerst rekwirantes' middel inzake het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten te worden behandeld (onder 1), alvorens te kijken naar de middelen inzake de kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking (onder 2).
1. Bestaan van potentiële mededinging tussen lundbeck en de generieke fabrikanten (vierde middel)
37.
Het vierde middel van rekwirantes bestaat uit meerdere onderdelen.
38.
Allereerst voeren rekwirantes aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan het feit dat Lundbecks octrooien juridische drempels vormden voor het op de markt brengen van citalopram, die elke concurrentieverhouding tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten uitsloten [(zie hieronder onder a)].
39.
Vervolgens betogen rekwirantes dat het Gerecht zich heeft vergist bij de beoordeling van de bewijzen die de Commissie heeft aangevoerd om het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en die fabrikanten aan te tonen [(zie hieronder onder b)].
40.
Ten slotte voeren rekwirantes argumenten aan waarmee zij willen aantonen dat het Gerecht de vaststellingen van de Commissie inzake het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen Lundbeck en elk van de betrokken generieke fabrikanten ten onrechte heeft bevestigd [(zie hieronder onder c)].
a) Vermeende door lundbecks octrooien tot stand gebrachte juridische drempels voor het op de markt brengen van citalopram
41.
Volgens rekwirantes en de EFPIA heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat Ludbecks octrooien, vanwege het geldigheidsvermoeden dat ervan uitgaat, juridische drempels vormden waardoor generieke fabrikanten niet tot de markt konden toetreden en er derhalve geen sprake kon zijn van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten. De mogelijkheid van een zogenaamd ‘risicovolle’ marktlancering van een generiek geneesmiddel die de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel ertoe kan aanzetten een inbreukprocedure in te leiden onder aanvoering dat nog geldige octrooirechten op dat geneesmiddel beletten dat de generieke versie op de markt wordt gebracht, kan volgens hen niet worden beschouwd als een reële en concrete mogelijkheid om tot de markt toe te treden. In het geval van exclusieve rechten dient aldus te worden aangetoond dat de eventueel als potentiële concurrenten te kwalificeren ondernemingen de mogelijkheid hebben gehad op een rechtmatige manier tot de markt toe te treden, dat wil zeggen zonder inbreuk te maken op eventuele octrooirechten van ondernemingen die in die markt aanwezig zijn. Door van de Commissie niet het bewijs te verlangen dat de generieke fabrikanten tot de markt hadden kunnen toetreden zonder inbreuk te maken op Lundbecks octrooien, heeft het Gerecht dan ook de regels inzake de bewijslast geschonden.
42.
De Commissie werpt vooraf tegen dat sommige van de litigieuze octrooien op het moment van sluiting van bepaalde litigieuze overeenkomsten nog niet waren verleend, maar zich nog in het stadium van aanvraag of behandeling door de bevoegde autoriteiten bevonden.28.
43.
Op dat bezwaar hoeft evenwel niet dieper te worden ingegaan, daar rekwirantes' betoog dat de litigieuze octrooien juridische drempels vormden die beletten dat generieke fabrikanten tot de markt konden toetreden, niet kan worden aanvaard, zelfs al waren die octrooien op het moment van sluiting van de litigieuze overeenkomsten reeds verleend.
44.
Zo heeft het Gerecht in het bestreden arrest Lundbecks betoog dienaangaande afgewezen door met name vast te stellen dat dit betoog op de onjuiste premisse berustte dat de betrokken octrooien zonder enige twijfel geldig waren en elk van de concurrerende generieke producten op die octrooien inbreuk maakte. Het Gerecht heeft aldus aangegeven dat, hoewel het juist is dat octrooien worden vermoed geldig te zijn totdat zij uitdrukkelijk door een daartoe bevoegde autoriteit of rechter worden ingetrokken of ongeldig verklaard, een dergelijk vermoeden niet gelijk kan worden gesteld aan een vermoeden van onrechtmatigheid van geldig in de handel gebrachte generieke producten waarvan de octrooihouder meent dat die inbreuk maken op het octrooi. Een risicovolle toetreding is dus op zich niet onrechtmatig en het is juist aan Lundbeck om in het geval generieke producten op de markt komen, aan te tonen dat die inbreuk maken op het ene of het andere van haar werkwijzeoctrooien en zich te verweren tegen eventuele door de generieke fabrikanten opgeworpen excepties van ongeldigheid van die octrooien. Het Gerecht is dan ook tot de slotsom gekomen dat de Commissie geen fout heeft begaan met haar standpunt dat Lundbecks werkwijzeoctrooien geen onoverkomelijke drempels voor de generieke fabrikanten vormden.29.
45.
Anders dan rekwirantes betogen, berusten die vaststellingen niet op een onjuiste rechtsopvatting.
46.
Het is inderdaad zeker juist dat voor het bewijs dat een onderneming die niet op een bepaalde markt aanwezig is, een potentiële concurrent voor de op die markt gevestigde ondernemingen vormt, dient te worden nagegaan of er op de betrokken markt geen onoverkomelijke toetredingsdrempels bestaan30. en of de ondernemingen die als potentiële concurrenten van de aldaar gevestigde ondernemingen kunnen worden aangemerkt, over reële en concrete mogelijkheden beschikken om met die ondernemingen te concurreren.31.
47.
Zoals het Hof recentelijk in zijn arrest in de zaak Generics (UK) e.a. heeft vastgesteld, kan het bestaan van een octrooi ter bescherming van de werkwijze voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof evenwel niet als zodanig worden beschouwd als een onoverkomelijke drempel in een situatie als de onderhavige waarin het gaat om de beoordeling van de potentiële concurrentieverhouding tussen, enerzijds, een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van een dergelijk werkwijzeoctrooi, en anderzijds, fabrikanten van generieke geneesmiddelen die zich voorbereiden om toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof.
48.
Het bestaan van een dergelijk werkwijzeoctrooi staat er dus niet aan in de weg dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt aangemerkt als een ‘potentiële concurrent’ van de fabrikant van het betrokken oorspronkelijke geneesmiddel wanneer die eerste fabrikant daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden en zich door zijn stappen bereid heeft getoond om de geldigheid van dat octrooi te betwisten en het risico op zich te nemen dat hij bij toetreding tot de markt geconfronteerd wordt met een door de houder van dit octrooi ingeleide inbreukprocedure.32.
49.
Het feit dat een octrooi op een geneesmiddel voor een fabrikant van een generieke versie van dit geneesmiddel geen onoverkomelijke drempel voor toetreding tot de markt vormt, wordt met name verklaard doordat het vermoeden van geldigheid van octrooien slechts het automatische gevolg is van de indiening van de octrooiaanvraag en vervolgens de afgifte van een octrooi aan de houder ervan, en dus geen enkele informatie verschaft over de uitkomst van een eventueel geding over de geldigheid van dat octrooi.33. Derhalve betogen rekwirantes ten onrechte dat de mogelijkheid van een toekomstige ongeldigheidverklaring van een octrooi irrelevant is voor de vaststelling van een potentiële concurrentieverhouding tussen de octrooihouder en andere marktdeelnemers.
50.
Zoals rekwirantes in herinnering brengen, klopt het inderdaad dat een door een openbare autoriteit verleend intellectuele-eigendomsrecht normalerwijs wordt verondersteld geldig te zijn en wettig toe te behoren aan de onderneming die hiervan houdster is.34. Derhalve worden octrooien vermoed geldig te zijn totdat zij uitdrukkelijk worden ingetrokken of ongeldig verklaard door een daartoe bevoegde autoriteit of rechter. Zoals het Gerecht in het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld, kan een dergelijk vermoeden van geldigheid evenwel niet gelijk worden gesteld aan een vermoeden van onrechtmatigheid van geldig in de handel gebrachte generieke producten waarvan de octrooihouder meent dat die inbreuk maken op dat octrooi.35.
51.
Onzekerheid over de geldigheid van octrooien ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel en over het inbreukmakende karakter van generieke versies van dat geneesmiddel is daarentegen een fundamenteel kenmerk van de concurrentieverhoudingen in de farmaceutische sector.36. Aldus vormen geschillen en gedingen in dat verband een aanwijzing van het bestaan van een concurrentieverhouding tussen de betrokken marktdeelnemers.37.
52.
Zoals het Hof heeft gepreciseerd in door het Gerecht in het bestreden arrest terecht in herinnering gebrachte rechtspraak38., bestaat het voorwerp van een octrooi er aldus inderdaad in om de octrooihouder het uitsluitende recht te verschaffen om een uitvinding te gebruiken voor de vervaardiging en het als eerste in het verkeer brengen van producten, alsmede het recht zich tegen inbreuken te verzetten.39. Dat voorwerp kan evenwel niet aldus worden uitgelegd dat het ook bescherming verleent tegen acties tot betwisting van de geldigheid van het octrooi, aangezien het algemene belang de opheffing vereist van alle belemmeringen van de economische activiteit die het gevolg kunnen zijn van een ten onrechte verleend octrooi.40.
53.
Het octrooirecht houdt dan ook in dat, ondanks het vermoeden van geldigheid van octrooien, pas zekerheid over de geldigheid ervan en over het inbreukmakende karakter van concurrerende producten kan bestaan nadat de ter zake bevoegde autoriteiten en rechters een en ander hebben onderzocht.
54.
In een dergelijke context maken geschillen en gedingen tussen fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen en fabrikanten van generieke versies van die geneesmiddelen vaak deel uit van de voorbereidingen voor de marktintroductie van die generieke geneesmiddelen. Aangezien het voor het verkrijgen van een vergunning voor het in de handel brengen (VHB) van een generiek geneesmiddel niet dient te worden aangetoond dat dit geneesmiddel geen inbreuk maakt op eventuele octrooirechten van de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel41., kan de onzekerheid over de geldigheid van het octrooi en over het inbreukmakende karakter van het generieke geneesmiddel bovendien zelfs blijven bestaan nadat een dergelijk geneesmiddel op de markt is gebracht.
55.
Derhalve kan niet worden betoogd dat een risicovolle marktintroductie van een generiek geneesmiddel, die de houder van het octrooi op het oorspronkelijke geneesmiddel ertoe kan aanzetten een inbreukprocedure in te leiden, geen reële en concrete mogelijkheid voor de generieke fabrikant vormt om tot de markt toe te treden wanneer er nog octrooirechten op het oorspronkelijke geneesmiddel gelden.
56.
Zoals het Gerecht in het bestreden arrest terecht heeft aangegeven42., geldt dat te meer in een context als die van het onderhavige geval waarin de litigieuze octrooien geen moleculeoctrooien ter bescherming van het WFB zelf van het oorspronkelijke geneesmiddel zijn, maar werkwijzeoctrooien ter bescherming van bepaalde wijzen voor de vervaardiging van dit WFB. Anders dan bij een moleculeoctrooi beletten deze werkwijzeoctrooien, los van de vraag van de geldigheid ervan, de generieke fabrikanten dus niet om tot de markt toe te treden met het betrokken volgens andere werkwijzen vervaardigde WFB. Met andere woorden: omgekeerd, in een situatie waarin het octrooi op het WFB van een geneesmiddel is verstreken en een initiërend farmaceutisch bedrijf alleen nog werkwijzeoctrooien bezit, maakt een markttoetreding van generieke versies van het betreffende geneesmiddel alleen inbreuk op de octrooirechten van dat bedrijf als vaststaat dat de betreffende werkwijzeoctrooien geldig zijn en dat elk van de potentiële toetreders daarop inbreuk heeft gemaakt.43.
57.
In die omstandigheden kan niet worden betoogd, zoals rekwirantes suggereren, dat de Commissie voor het bewijs van het bestaan van een concurrentieverhouding tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en de fabrikant van een generieke versie van dat geneesmiddel ‘positief dient aan te tonen’ dat het betrokken generiek geneesmiddel geen inbreuk maakt op het betrokken octrooi, in casu dus dat de door de generieke fabrikanten gehanteerde werkwijzen voor de vervaardiging van citalopram geen inbreuk maakten op Lundbecks litigieuze octrooien.
58.
Het is immers niet aan de Commissie om bij de beoordeling van de kracht van de betrokken octrooien of van het inbreukmakende karakter van de generieke producten voorspellingen te doen over de uitkomst van geschillen tussen octrooihouders en generieke fabrikanten teneinde de concurrentieverhoudingen tussen die marktdeelnemers voor de toepassing van het mededingingsrecht te beoordelen. Zoals het Gerecht in punt 159 van het bestreden arrest in wezen heeft samengevat, zou het feit dat van de Commissie het bewijs wordt verlangd dat de generieke fabrikanten zeker of heel waarschijnlijk in een octrooigeschil met Lundbeck in het gelijk zouden zijn gesteld en zeker of heel waarschijnlijk met hun producten tot de markt zouden zijn toegetreden, er bovendien op neerkomen dat reële en potentiële mededinging met elkaar worden verward en dat wordt voorbijgegaan aan het feit dat artikel 101 VWEU juist ook potentiële mededinging beschermt.44.
59.
Het is juist dat een mededingingsautoriteit niet elke octrooirechtelijke kwestie die van invloed kan zijn op de vaststelling van het bestaan van een dergelijke concurrentieverhouding buiten beschouwing moet laten, daar eventuele octrooien ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging ervan ontegenzeglijk deel uitmaken van de economische en juridische context die de concurrentieverhoudingen tussen de houders van die octrooien en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen kenmerkt. De beoordeling door de mededingingsautoriteit van door een octrooi verleende rechten mag echter niet bestaan in een onderzoek naar de kracht van het octrooi of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en dat er sprake is van een inbreuk. Deze beoordeling moet veeleer betrekking hebben op de vraag of de fabrikant van generieke geneesmiddelen, ondanks het bestaan van dit octrooi, over reële en concrete mogelijkheden beschikt om op het relevante tijdstip tot de markt toe te treden.45.
60.
Daarbij dient er behalve met het feit dat een werkwijzeoctrooi niet belet dat volgens andere werkwijzen vervaardigde producten op de markt komen, juist in het bijzonder rekening te worden gehouden met het feit dat onzekerheid over de geldigheid van octrooien voor geneesmiddelen een fundamenteel kenmerk van de farmaceutische sector is; dat het vermoeden van geldigheid van een octrooi op een oorspronkelijk geneesmiddel niet gelijkstaat met een vermoeden van onrechtmatigheid van een generieke versie van dit geneesmiddel dat op geldige wijze in de handel is gebracht; dat een octrooi geen bescherming waarborgt tegen vorderingen tot nietigverklaring en dat dergelijke vorderingen, en met name de zogenoemde ‘risicovolle’ lancering van een generiek geneesmiddel, alsmede de daarmee gepaard gaande gerechtelijke procedures, doorgaans plaatsvinden in de fase vóór of onmiddellijk volgend op de marktintroductie van een dergelijk generiek geneesmiddel.46.
61.
Hieruit volgt dat de aanhoudende onzekerheid omtrent de octrooirechtelijke rechtmatigheid van het in de handel brengen van een generiek geneesmiddel geenszins de vaststelling uitsluit dat de fabrikant van dat generiek geneesmiddel over reële en concrete mogelijkheden beschikt om tot de betrokken markt toe te treden en er dus voor de toepassing van artikel 101 VWEU een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen die fabrikant en de houder van een octrooi op het oorspronkelijke geneesmiddel.
62.
Derhalve kunnen rekwirantes niet betogen dat het bestaan van octrooien ter bescherming van een bepaald geneesmiddel een juridische drempel vormt die elke mededinging uitsluit, zoals exclusieve rechten die in eerdere zaken als dergelijke drempels zijn erkend47., hetgeen het Gerecht overigens, anders dan rekwirantes stellen, op een correcte manier in het bestreden arrest heeft uiteengezet.48.
63.
Evenzo wordt in het door rekwirantes ingeroepen punt 29 van de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van artikel 101 VWEU op overeenkomsten inzake technologieoverdracht49. inderdaad aangegeven dat partijen bij een overeenkomst geacht worden geen concurrenten te zijn wanneer een technologierecht niet kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op een ander geldig technologierecht. In dat punt wordt evenwel gepreciseerd dat er in de praktijk gevallen zullen zijn waarin het niet zeker is of een bepaald technologierecht geldig is en of er inbreuk op is gemaakt, hetgeen specifiek het geval is voor octrooien als die in het onderhavige geval.
64.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het Gerecht zich niet heeft vergist door vast te stellen dat de litigieuze octrooien geen onoverkomelijke drempels vormden voor de toetreding van generieke fabrikanten tot de markt voor citalopram en dat de Commissie voor het bewijs dat er een potentiële concurrentieverhouding bestond tussen Lundbeck en die fabrikanten niet hoefde aan te tonen dat die fabrikanten tot de markt konden toetreden zonder inbreuk te maken op eventuele octrooirechten van Lundbeck.
65.
Het eerste onderdeel van het vierde middel dient derhalve te worden afgewezen.
b) Vermeende misslagen van het gerecht bij de beoordeling van het door de commissie aangevoerde bewijsmateriaal voor het bestaan van potentiële mededinging tussen lundbeck en de generieke fabrikanten
66.
Met het tweede en het derde onderdeel van hun vierde middel, die tezamen dienen te worden onderzocht, betogen rekwirantes dat het Gerecht misslagen heeft begaan bij de beoordeling van het bewijsmateriaal dat moest aantonen dat er op het moment dat de litigieuze overeenkomsten zijn gesloten sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten.
67.
De Commissie voert aan dat rekwirantes met dat betoog proberen de feitelijke bevindingen van het Gerecht in twijfel te trekken en te bewerkstelligen dat het bij het Gerecht ingediende bewijsmateriaal door het Hof opnieuw wordt bekeken, hetgeen in het kader van een hogere voorziening niet ontvankelijk is.
68.
Dat punt van bezwaar dient evenwel te worden genuanceerd.
69.
Zo klopt het inderdaad dat rekwirantes met betrekking tot de beoordeling van de feiten door het Gerecht enkele argumenten aandragen die, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal, hetgeen in casu noch wordt aangevoerd noch duidelijk blijkt, in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn.50.
70.
Evenwel dient te worden vastgesteld dat de kern van rekwirantes' betoog ziet op de methode die de Commissie en het Gerecht hebben toegepast om tot de bevinding te komen dat er tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten potentiële mededinging bestond op het moment dat de litigieuze overeenkomsten werden gesloten, hetgeen overigens tot uiting komt in de bewuste antwoorden die de Commissie ter afwijzing van rekwirantes' betoog heeft gegeven. Derhalve gaat het om rechtsvragen die in hogere voorziening vatbaar zijn voor toetsing door het Hof.
71.
Zo betogen rekwirantes dat het Gerecht zich ten onrechte heeft geschaard achter de benadering van de Commissie, die erin bestond dat zij zich voor de conclusie dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten hoofdzakelijk heeft gebaseerd op elementen die getuigden van Lundbecks subjectieve beoordeling van de kracht van haar octrooien, en daardoor geen rekening heeft gehouden met het vele objectieve bewijsmateriaal waarmee kon worden aangetoond dat een dergelijke potentiële concurrentieverhouding ontbrak.
72.
Hierdoor heeft het Gerecht, op willekeurige wijze en in een zichzelf tegensprekende motivering, telkens geweigerd rekening te houden met bewijsmateriaal dat dateert van na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten wanneer dat gunstig voor rekwirantes zou zijn uitgevallen, terwijl het niet heeft geaarzeld om zich voor conclusies in hun nadeel wel op dergelijk materiaal te baseren.
73.
Dat betoog kan evenwel niet worden aanvaard.
74.
Zo zijn rekwirantes aantijgingen ten eerste gebaseerd op een partiële en onjuiste uitlegging van het bestreden arrest.
75.
Zoals de Commissie terecht heeft benadrukt, heeft het Gerecht in punt 142 van het bestreden arrest immers uitdrukkelijk aangegeven dat rekwirantes ten onrechte beweerden dat de Commissie zich ‘vrijwel uitsluitend’ op Lundbecks subjectieve beoordelingen van de kracht van haar octrooien had gebaseerd om aan te tonen dat er sprake was van potentiële mededinging tussen haar en de generieke fabrikanten.
76.
Het Gerecht heeft in hetzelfde punt 142 van het bestreden arrest ook nog vastgesteld dat de Commissie voor elk van de betrokken generieke ondernemingen nauwgezet heeft onderzocht welke reële en concrete mogelijkheden zij hadden om tot de markt toe te treden, waarbij zij zich heeft gebaseerd op objectieve gegevens, zoals met name de reeds gedane investeringen, de stappen die waren ondernomen om een VHB te verkrijgen en de bevoorradingscontracten die met hun leveranciers van het WFB waren gesloten. Bovendien heeft het Gerecht zich in punt 144 van het bestreden arrest ook gebaseerd op andere objectieve elementen, zoals het bestaan op zich van die litigieuze overeenkomsten en van Lundbecks betalingen aan generieke fabrikanten, om tot de slotsom te komen dat de Commissie rechtens genoegzaam had aangetoond dat er tussen die marktdeelnemers potentiële mededinging bestond.
77.
Die werkwijze strookt met de criteria die het Hof heeft ontwikkeld voor de beoordeling van het bestaan van potentiële mededinging tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en een fabrikant van een generieke versie van datzelfde geneesmiddel.
78.
Om te beoordelen of er een potentiële concurrentieverhouding tussen dergelijke marktdeelnemers bestaat, dient immers te worden nagegaan of de generieke fabrikant op de datum van sluiting van de litigieuze overeenkomsten voldoende voorbereidende administratieve, gerechtelijke en commerciële stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat zou hebben gesteld concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen en om aldus aan te tonen dat hij het vaste voornemen had en in staat was toe te treden tot die markt, zelfs wanneer de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen nog over werkwijzeoctrooien beschikte.51.
79.
Voor de beoordeling van het bestaan van potentiële mededinging tussen een generieke fabrikant en een initiërend farmaceutisch bedrijf dient bovendien rekening te worden gehouden met de perceptie die dit bedrijf heeft van het risico dat de generieke fabrikant voor zijn commerciële belangen meebrengt: die perceptie blijkt met name al uit de sluiting van een overeenkomst tussen die marktdeelnemers en uit de bereidheid van het initiërende farmaceutische bedrijf om waarden aan de generieke fabrikant over te dragen in ruil voor een uitstel van diens markttoetreding.52.
80.
Ten tweede volgt uit het voorgaande dat, anders dan rekwirantes lijken aan te voeren, de benadering van het Gerecht om zich voor de slotsom dat er sprake is van een potentiële concurrentieverhouding, te midden van vele aanwijzingen ook te baseren op bewijsmateriaal waaruit blijkt dat Lundbeck zich bewust was van de door de generieke fabrikanten uitgeoefende concurrentiedruk, vanuit methodologisch oogpunt steekhoudt. De perceptie van de aanwezige marktdeelnemer is juist een relevante factor om te beoordelen of er een concurrentieverhouding tussen hem en een onderneming buiten de markt bestaat.53.
81.
Derhalve heeft het Gerecht geen misslag begaan door, met name in punt 145 van het bestreden arrest, onder andere rekening te houden met het door rekwirantes ter discussie gestelde feit dat Lundbeck twijfels had over de geldigheid van haar octrooien, en op grond daarvan tot de slotsom te komen dat de Commissie rechtens genoegzaam had aangetoond dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten.
82.
Rekwirantes stellen ten derde evenwel dat het Gerecht een misslag heeft begaan door, gelet op de stukken waarop het zich heeft gebaseerd, tot de slotsom te komen dat Lundbeck twijfelde over de geldigheid van haar octrooien, hoewel het stukken betrof die na sluiting van de litigieuze overeenkomsten waren opgesteld. Volgens rekwirantes heeft het Gerecht aldus op een onjuiste, tegenstrijdige en willekeurige manier bewijsmateriaal van na de sluiting van die overeenkomsten toegelaten ten nadele van rekwirantes en tegelijkertijd geweigerd dergelijk later bewijsmateriaal in aanmerking te nemen wanneer dat ten gunste van rekwirantes was aangevoerd.
83.
Ook dat betoog is evenwel ongegrond.
84.
Zo mag het Gerecht de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie inderdaad niet bevestigen wanneer het over bewijzen beschikt waaruit blijkt dat die vaststelling niet juist is.54. Het behoort evenwel eveneens tot vaste rechtspraak dat in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering primeert en het enige relevante criterium ter beoordeling van aangedragen bewijzen de geloofwaardigheid ervan is.55. Volgens de algemeen toepasselijke bewijsregels hangt de geloofwaardigheid, en dus de bewijswaarde van een stuk, af van de herkomst ervan, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen, degene tot wie het is gericht en de vraag of de inhoud ervan redelijk en geloofwaardig is.56.
85.
In het onderhavige geval strookt de door rekwirantes ter discussie gestelde bewijsbeoordeling door het Gerecht evenwel met deze beginselen.
86.
Aldus heeft het Gerecht in de punten 139 en 141 van het bestreden arrest terecht verklaard dat de Commissie juist heeft gehandeld door zich, ter bepaling van de stand van de concurrentie tussen de partijen bij de litigieuze overeenkomsten op het moment van sluiting daarvan, te baseren op stukken waaruit bleek welke perceptie de partijen op dat moment hadden van de kracht van de litigieuze octrooien. Zij hebben immers uitsluitend op basis van de inlichtingen waarover zij destijds beschikten en de marktperceptie die zij toen hadden besloten om zich op een bepaalde manier te gedragen en de litigieuze overeenkomsten te sluiten. Zoals ook het Gerecht in punt 141 van het bestreden arrest heeft aangegeven, is het dus juist dat met bewijs van na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten rekening kan worden gehouden indien op grond daarvan kan worden aangetoond wat de positie van de partijen op het relevante tijdstip was.
87.
Derhalve heeft het Gerecht ten eerste, anders dan rekwirantes aanvoeren, geen misslag begaan noch de bewijslast omgekeerd door zich, voor de vaststelling dat Lundbeck twijfelde over de geldigheid van de litigieuze octrooien, in punt 254 van het bestreden arrest te baseren op bewijs uit de periode van na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten met de verklaring dat Lundbeck niets had aangevoerd dat kon uitleggen in welke zin zij deze kwestie voorheen anders zou hebben gezien.
88.
De stukken waarvan rekwirantes de inaanmerkingneming door het Gerecht ter discussie stellen, betroffen namelijk interne stukken van Lundbeck.57. Het ging dus niet om stukken die na sluiting van de litigieuze overeenkomsten waren opgesteld ter verdediging van Lundbeck in de procedure bij de Commissie, hetgeen de geloofwaardigheid ervan zou hebben aangetast.58. Het Gerecht heeft dan ook zonder een misslag te begaan of de bewijslast om te keren tot de slotsom kunnen komen dat die stukken bij gebreke van elementen waaruit bleek dat Lundbeck redenen zou hebben gehad om na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten haar standpunt op dat punt radicaal te wijzigen, op een geloofwaardige manier ook Lundbecks perceptie van de kracht van haar octrooien op het moment van sluiting van die overeenkomsten tot uitdrukking brachten.
89.
Ten tweede stellen rekwirantes eveneens ten onrechte dat het Gerecht een misslag heeft begaan door in de punten 136 en 143 tot en met 146 van het bestreden arrest geen rekening te willen houden met de gegevens die door Lundbeck waren verstrekt om te bewijzen dat de generieke fabrikanten inbreuk hadden gemaakt op haar octrooien, dat zij rechterlijke bevelen of andere voorlopige maatregelen had verkregen in inbreukzaken of dat het EOB het octrooi op kristallisatie in 2009 in alle opzichten had bevestigd.
90.
Anders dan rekwirantes betogen, heeft het Gerecht die gegevens niet alleen niet in aanmerking willen nemen omdat zij dateerden van na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten. Die weigering was veeleer ingegeven door het feit dat die gegevens, ook al betrof het objectieve feiten en geen subjectieve, in tempore suspecto afgegeven verklaringen, eenvoudigweg niet relevant waren voor de beoordeling van de concurrentieverhoudingen tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten op het moment van sluiting van die overeenkomsten. Zoals het Gerecht terecht heeft geconstateerd, deden die gegevens aldus niet af aan het feit dat de generieke fabrikanten op dat moment door Lundbeck als een bedreiging werden gezien, dat al die marktdeelnemers twijfelden over de geldigheid van het octrooi op kristallisatie en dat het niet uitgesloten was dat een nationale rechter dat octrooi ongeldig zou kunnen verklaren.
91.
Anders dan rekwirantes menen, is het, los van de vraag of dat in casu het geval is, immers niet omdat de perceptie die een marktdeelnemer op het tijdstip van sluiting van een overeenkomst heeft van een bepaalde realiteit, achteraf ongegrond blijkt te zijn, dat met die desbetreffende perceptie geen rekening kan worden gehouden voor de beoordeling van potentiële mededinging op het relevante tijdstip. Rekwirantes' opvatting dat marktdeelnemers elkaar ‘subjectief’ op een bepaald moment ‘ten onrechte’ als potentiële concurrenten kunnen beschouwen terwijl achteraf ‘objectief’ kan blijken dat zij in feite op dat moment geen potentiële concurrenten van elkaar waren, is immers onjuist. Die opvatting gaat voorbij aan het feit dat marktdeelnemers noodzakelijkerwijs op een bepaald moment handelen op basis van hun perceptie van de realiteit op dat moment en dat die handelingen op hun beurt de realiteit vormgeven door aldus bij te dragen tot het bestaan of veeleer het gebrek aan potentiële concurrentie. Indien vanwege een aantal gegevens tot de slotsom kan worden gekomen dat er op een gegeven moment een potentiële concurrentieverhouding bestaat, zal een latere gebeurtenis of een later feit het bestaan van die potentiële mededinging op dat bewuste moment achteraf dan ook niet op losse schroeven kunnen zetten.
92.
Voort heeft het Gerecht zich voor haar bevinding dat er in casu sprake was van potentiële mededinging, hoe dan gebaseerd op een geheel van gegevens en niet louter op de mogelijkheid dat het octrooi op kristallisatie ongeldig zou worden verklaard of op de perceptie die partijen dienaangaande hadden. Insgelijks is het niet nodig te onderzoeken of het Gerecht in punt 146 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat Lundbeck op het moment van sluiting van de litigieuze overeenkomsten geen enkele voorlopige maatregel had verkregen, hetgeen door rekwirantes wordt betwist. Het bestaan van dergelijke voorlopige maatregelen kan immers hoe dan ook niet afdoen aan de vaststelling dat er sprake is van potentiële mededinging tussen een initiërend farmaceutisch bedrijf en generieke fabrikanten tegen wie dat bedrijf dergelijke maatregelen heeft verkregen.59.
93.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het Gerecht geen methodologische fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van het bewijsmateriaal dat de Commissie heeft overgelegd om aan te tonen dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten op het moment dat de litigieuze overeenkomsten werden gesloten.
94.
Derhalve dienen ook het tweede en het derde onderdeel van het vierde middel te worden afgewezen.
c) Rekwirantes' argumenten die het vermeend ontbreken van een potentiële concurrentieverhouding tussen lundbeck en elk van de betrokken generieke fabrikanten beogen aan te tonen
95.
Met het vierde tot en met het zevende onderdeel van hun vierde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht misslagen heeft begaan door de bevestiging in de punten 207 tot en met 330 van het bestreden arrest van de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen Lundbeck en elk van de betrokken generieke fabrikanten op elk grondgebied waarop de litigieuze overeenkomsten betrekking hadden.
96.
De Commissie voert nog aan dat dit betoog niet-ontvankelijk is omdat ermee wordt beoogd de feitelijke bevindingen van het Gerecht ter discussie te stellen en het bij het Gerecht ingediende bewijsmateriaal opnieuw te laten onderzoeken door het Hof. Ofschoon rekwirantes inderdaad feitelijke gegevens aandragen waarvan het enkel aan het Gerecht staat om deze te onderzoeken, blijkt evenwel uit hun betoog dat zij het Gerecht eveneens verwijten bij zijn onderzoek van de potentiële mededinging tussen Lundbeck en elk van de generieke fabrikanten methodologische fouten te hebben gemaakt, hetgeen zij in het stadium van de hogere voorziening mogen aandragen.
97.
Ten gronde kan rekwirantes' betoog evenwel niet worden aanvaard, aangezien het, ten eerste, ruimschoots de methodologische kritiek overlapt die bij het onderzoek van de voorgaande onderdelen van het onderhavige middel reeds is weerlegd en, ten tweede, voor het overige eveneens ongegrond blijkt te zijn.
98.
Aldus verwijten rekwirantes het Gerecht ten eerste dat het ten onrechte heeft erkend dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en Merck (GUK) in het Verenigd Koninkrijk en in de hele EER, tussen Lundbeck en Arrow in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken, tussen Lundbeck en Alpharma in de EER en tussen Lundbeck en Ranbaxy in de EER, zonder van de Commissie het bewijs te verlangen dat die generieke fabrikanten tot de markt hadden kunnen toetreden met niet-inbreukmakend citalopram, dat wil zeggen citalopram dat volgens andere dan de onder bescherming van Lundbecks litigieuze octrooien vallende werkwijzen was vervaardigd. Evenzo herhalen rekwirantes hun opvatting dat vanwege het vermoeden van geldigheid van de octrooien, de mogelijkheid om de geldigheid ervan te betwisten niet als uiting van potentiële mededinging kan worden beschouwd.
99.
Zoals hierboven in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel reeds is aangegeven, hoeft de Commissie voor het bewijs van het bestaan van een concurrentieverhouding tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en een fabrikant van een generieke versie van dat geneesmiddel evenwel niet aan te tonen dat die generieke versie geen inbreuk maakt op het betrokken octrooi of dat dit octrooi tijdens een gerechtelijke procedure ongeldig is verklaard, en kunnen de zogeheten ‘risicovolle’ toetreding van een generiek geneesmiddel tot de markt alsmede de betwisting van de geldigheid van een octrooi juist worden beschouwd als reële en concrete mogelijkheden om met de octrooihouder te concurreren.60.
100.
Ten tweede voeren rekwirantes aan dat het Gerecht, door zich op subjectieve bewijselementen te baseren en voorbij te gaan aan latere objectieve bewijselementen, ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat Merck (GUK) en Arrow concurrenten van Lundbeck waren. Voor zover deze argumenten geen heronderzoek door het Hof beogen van bepaalde reeds door het Gerecht beoordeelde feitelijke elementen, maar een methodologische kritiek vormen op de beoordeling van die feiten door het Gerecht, zijn zij reeds weerlegd in het kader van het onderzoek hierboven van het tweede en derde onderdeel van het onderhavige middel.61.
101.
Ten derde betogen rekwirantes ten slotte dat het Gerecht zich ten onrechte heeft geschaard achter de vaststellingen van de Commissie over het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten ofschoon die fabrikanten voor hun producten in een deel van de landen waarop de litigieuze overeenkomsten betrekking hebben pas VHB's hebben aangevraagd dan wel hebben verkregen gedurende de looptijd of na het verstrijken van die overeenkomsten.
102.
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat het Gerecht met name in de punten 168 tot en met 182 van het bestreden arrest uitvoerig heeft onderzocht of het feit dat een generieke fabrikant nog niet over een VHB voor de markt van een bepaald land beschikt, belet dat er sprake is van potentiële mededinging tussen die fabrikant en de houder van een octrooi op het oorspronkelijke geneesmiddel dat reeds op de betrokken geografische markt wordt verkocht. Daarnaast heeft het Gerecht in die punten voor elk van de generieke fabrikanten die partij bij die litigieuze overeenkomsten waren, de situatie onderzocht wat betreft de VHB's voor de geografische markten waarop die overeenkomsten betrekking hadden.
103.
Het Gerecht heeft aldus allereerst vastgesteld dat het feit dat een generieke fabrikant voor zijn product in een bepaalde lidstaat nog niet over een VHB beschikt, niet belet dat sprake is van potentiële mededinging tussen die fabrikant en een in het betrokken gebied reeds actief initiërend farmaceutisch bedrijf, daar potentiële mededinging onder meer de activiteiten van de generieke fabrikanten ter verkrijging van VHB's omvat, alsook alle administratieve en commerciële stappen die ter voorbereiding van de markttoetreding ervan onmiskenbaar zijn.62. Zoals het Gerecht ook nog heeft aangegeven, is de afronding van de procedure voor de verkrijging van een VHB weliswaar onontbeerlijk, wil daadwerkelijke mededinging bestaan, maar wijst de weg om daartoe te komen op potentiële mededinging wanneer die wordt afgelegd door een onderneming die haar markttoetreding reeds lange tijd in alle ernst aan het voorbereiden is.63.
104.
Evenzo heeft het Gerecht in de punten 163 en 232 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie voor het bewijs dat er in casu sprake is van potentiële concurrentie, niet hoeft aan te tonen dat de markttoetreding van de generieke fabrikanten in elk van de landen waarop de litigieuze overeenkomsten betrekking hebben met zekerheid vóór het verstrijken van die overeenkomsten zou hebben plaatsgevonden, aangezien daarvoor niet hoeft te worden aangetoond dat markttoetreding zeker is, maar enkel dat daartoe reële en concrete mogelijkheden bestaan.
105.
Rekwirantes voeren evenwel geen enkel element aan ter weerlegging van deze overwegingen, waaruit overigens geen enkele onjuiste rechtsopvatting blijkt.
106.
Het weigeren te erkennen dat er een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en een fabrikant van een generieke versie van dat geneesmiddel, van wie bovendien is aangetoond dat hij het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden, louter vanwege het feit dat die fabrikant nog niet over een VHB beschikt, zou er immers op neerkomen dat het bestaan van potentiële mededinging en daardoor ook elke toepassing van het mededingingsrecht tijdens de voorbereidende fase van de marktintroductie van generieke geneesmiddelen, waarvan de stappen ter verkrijging van een VHB juist deel uitmaken, zou worden uitgesloten. Een dergelijk standpunt zou volledig indruisen tegen de nuttige werking van artikel 101 VWEU, aangezien het in dat geval zou zijn toegestaan om de voorbereidingen van toekomstige markttoetreders door middel van uitsluitingsovereenkomsten stop te zetten of te vertragen, zodat dergelijke ondernemingen nooit tot de markt zouden kunnen toetreden en er dus nooit daadwerkelijke mededinging tot stand zou kunnen komen.
107.
Vervolgens heeft het Gerecht vastgesteld dat de generieke fabrikanten in casu niet alleen hun markttoetreding reeds lange tijd in alle ernst aan het voorbereiden waren, maar daarenboven hetzij reeds over een VHB beschikten, hetzij stappen hadden gezet om er op korte of middellange termijn een te verkrijgen. In die context heeft het Gerecht specifiek de situatie van elk van de betrokken generieke fabrikanten onderzocht en heeft daaruit de conclusie getrokken dat elk van hen reële en concrete mogelijkheden had om, binnen een termijn die voldoende kort was om concurrentiedruk op Lundbeck uit te oefenen,VHB's te verkrijgen en aldus tot de markt van citalopram in meerdere EER-landen toe te treden, met name door gebruik te maken van de in richtlijn 2001/8364. opgenomen procedure van wederzijdse erkenning.65.
108.
Rekwirantes betwisten de feiten waarop het Gerecht zich voor die conclusie heeft gebaseerd niet en voeren evenmin aan dat het Gerecht deze onjuist zou hebben opgevat, doch stellen louter dat de generieke fabrikanten voor hun producten in een deel van de landen waarop de litigieuze overeenkomsten betrekking hebben geen VHB's hebben aangevraagd dan wel pas hebben verkregen gedurende de looptijd of na het verstrijken van die overeenkomsten.
109.
Op basis van datzelfde betoog voeren rekwirantes in hun antwoord op mijn vraag betreffende de gevolgen voor de onderhavige procedure66. van het arrest van het Hof in de zaak Generics (UK) e.a.67. aan dat in casu niet is voldaan aan het door het Hof in dat arrest ontwikkelde criterium om het bestaan vast te stellen van potentiële mededinging tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en fabrikanten van generieke versies van dat geneesmiddel.
110.
Zoals zonet is vastgesteld, kan het nog niet beschikken over een VHB evenwel niet afdoen aan de vaststelling dat er tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten potentiële mededinging bestond. Dat geldt des te meer omdat het, zoals de Commissie in de onderhavige zaak ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, onmogelijk is te weten of deze fabrikanten er niet juist door de litigieuze overeenkomsten zelf van hebben afgezien om sneller de noodzakelijke stappen te ondernemen om voor hun producten een VHB te verkrijgen in de lidstaten waarop die overeenkomsten betrekking hebben.
111.
Anders dan rekwirantes betogen, sluit dat eveneens aan bij de vaststellingen van het Hof in de punten 43 en 44 van het arrest Generics (UK) e.a.68.. In die punten heeft het Hof immers enkel aangegeven dat voor de beoordeling van de potentiële concurrentieverhouding tussen de octrooihouder en een fabrikant van generieke geneesmiddelen in soortgelijke omstandigheden als in het onderhavige geval dient te worden nagegaan of die fabrikant op het relevante tijdstip voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat zou hebben gesteld concurrentiedruk uit te oefenen op de octrooihouder. Tot die stappen kunnen onder meer die behoren welke worden ondernomen om binnen die termijn over de nodige VHB's te beschikken.
112.
Zoals zonet is opgemerkt, betwisten rekwirantes evenwel niet de feitelijke vaststellingen waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd om tot de slotsom te komen dat de generieke fabrikanten reële en concrete mogelijkheden hadden om, binnen een voldoende korte termijn om concurrentiedruk op Lundbeck uit te oefenen, VHB's te verkrijgen en aldus tot de markt van citalopram in meerdere EER-landen toe te treden.
113.
In die omstandigheden dienen eveneens het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel, net als dat middel in zijn geheel, te worden afgewezen.
2. Kwalificatie van de overeenkomsten tussen lundbeck en de generieke fabrikanten als mededingingsbeperkingen naar strekking (eerste tot en met derde middel)
114.
Met hun eerste drie middelen van hogere voorziening voeren rekwirantes aan dat het Gerecht zich heeft vergist door de litigieuze overeenkomsten te kwalificeren als mededingingsbeperkingen naar strekking.
115.
Allereerst voeren rekwirantes in het kader van hun eerste middel aan dat het Gerecht ten onrechte de beoordeling van de Commissie heeft bevestigd dat die overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden, ook al vielen de voorziene beperkingen binnen de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien, dat wil zeggen dat wordt verondersteld dat die overeenkomsten enkel de marktintroductie verhinderden van generiek citalopram dat de partijen bij de overeenkomsten als een potentiële inbreuk op die octrooien beschouwden, en niet van elk soort generiek citalopram.69.
116.
Vervolgens stellen rekwirantes in het kader van hun tweede middel dat het Gerecht zich heeft vergist door tot de slotsom te komen dat vijf van de zes litigieuze overeenkomsten verder gaan dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien, dat zij met andere woorden de generieke fabrikanten verboden generiek citalopram te verkopen van om het even welke soort en niet enkel citalopram dat volgens de door de litigieuze octrooien beschermde werkwijzen was vervaardigd.
117.
Ten slotte voeren rekwirantes met hun derde middel aan dat zelfs in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat sommige van de litigieuze overeenkomsten de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien overschreden door de verkoop van elk generiek citalopram te verbieden, het Gerecht niettemin tot de onjuiste slotsom is gekomen dat die overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden.
a) Kwalificatie als mededingingsbeperkingen naar strekking van overeenkomsten die niet verder gaan dan de beschermingsomvang van een octrooi (eerste middel)
118.
Volgens rekwirantes heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkend naar strekking waren, zelfs in de veronderstelling dat de op basis daarvan aan de generieke fabrikanten opgelegde beperkingen niet verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien. Rekwirantes zijn aldus van mening dat een overeenkomst waarbij vergelijkbare beperkingen worden opgelegd als die welke de octrooihouder door middel van rechterlijke beslissingen had kunnen verkrijgen, niet naar aard als schadelijk voor de mededinging kan worden beschouwd. Een dergelijke overeenkomst geeft immers enkel uiting aan het prerogatief van de octrooihouder om inbreukmakende producten van de markt te houden.
119.
Een schikkingsovereenkomst inzake octrooien kan des te minder een mededingingsbeperking naar strekking vormen doordat de schikking van een octrooigeschil een rechtmatige en gangbare manier is om gedingen te voorkomen.
120.
Ten slotte kan, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, het feit dat de octrooihouder aanzienlijke waarde heeft overgedragen aan de generieke fabrikant die de betrokken overeenkomst heeft ondertekend, in dit verband niet relevant zijn voor de kwalificatie van een overeenkomst als een mededingingsbeperking naar strekking.
121.
Het Gerecht heeft dat betoog in het bestreden arrest afgewezen met de verklaring dat er ongetwijfeld rechtmatige overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen kunnen bestaan, zelfs wanneer die gepaard gaan met betalingen door de octrooihouder aan een generieke fabrikant. Wanneer een dergelijke betaling wordt gecombineerd met een uitsluiting van concurrenten van de markt of een vermindering van de prikkels om tot een dergelijke toetreding te komen, kan volgens het Gerecht evenwel worden aangenomen dat een dergelijke beperking niet uitsluitend voortvloeit uit het oordeel dat de partijen zich van de kracht van het octrooi hebben gevormd, maar dat deze via een dergelijke betaling is verkregen en daarom veel weg heeft van een het afkopen van concurrentie.
122.
Het Gerecht heeft ook nog in herinnering gebracht dat overeenkomstig artikel 101 VWEU iedere marktdeelnemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt wil voeren. Derhalve heeft het Gerecht de beoordeling van de Commissie aanvaard volgens welke overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen onder het verbod van die bepaling vallen wanneer zij omvangrijke betalingen in omgekeerde richting bevatten die elke prikkel voor de generieke fabrikanten om gedurende een bepaalde periode tot de markt toe te treden, verminderen of wegnemen zonder evenwel het onderliggende octrooigeschil te regelen. In dat geval komt de waardeoverdracht immers in de plaats van de autonome beoordeling door de partijen van de kracht van de octrooien van het initiërende farmaceutische bedrijf, en van de beoordeling van hun kansen om in geval van een eventueel geding in het gelijk te worden gesteld.
123.
Het Gerecht heeft dan ook geoordeeld dat rekwirantes door de sluiting van de litigieuze overeenkomsten de onzekerheid over de uitkomst van dergelijke gedingen hadden omgezet in de zekerheid dat de generieke fabrikanten niet tot de markt zouden toetreden, door middel van de omvangrijke betalingen in omgekeerde richting, waardoor zij elke, zelfs potentiële, concurrentie op de markt hebben doen verdwijnen voor de looptijd van die overeenkomsten.70.
124.
Het Gerecht is dientengevolge tot de slotsom gekomen dat het ‘criterium van de beschermingsomvang van het octrooi’, volgens hetwelk de contractuele beperkingen die qua tijd, gebied en inhoud onder de rechten van de octrooihouder vallen, niet in strijd zijn met het mededingingsrecht, niet kan worden aanvaard. Volgens het Gerecht leidt dit criterium immers ten eerste tot het vermoeden dat een generiek geneesmiddel inbreuk maakt op het octrooi van het initiërende farmaceutische bedrijf, terwijl de kwestie of het generieke geneesmiddel al dan niet inbreuk maakt nog niet is afgedaan. Ten tweede berust dit criterium volgens het Gerecht op de veronderstelling dat elk octrooi dat in het kader van een minnelijke regeling wordt ingeroepen, in geval van betwisting van zijn geldigheid als geldig zal worden beschouwd, terwijl daarvoor geen grondslag in het recht of in de praktijk te vinden is.
125.
Aldus betekende het feit dat bepaalde beperkingen in de litigieuze overeenkomsten door de Commissie waren beschouwd als beperkingen die mogelijk binnen de beschermingsomvang van Lundbecks octrooien vielen, volgens het Gerecht alleen dat rekwirantes vergelijkbare beperkingen hadden kunnen verkrijgen door middel van rechterlijke beslissingen ter handhaving van hun octrooien, verondersteld dat zij voor de bevoegde nationale rechterlijke instanties in het gelijk zouden zijn gesteld. Dus ook al bevatten de litigieuze overeenkomsten tevens beperkingen die mogelijk binnen de beschermingsomvang van rekwirantes' octrooien vielen, die overeenkomsten gingen verder dan het specifieke voorwerp van hun intellectuele-eigendomsrechten, die uiteraard het recht omvatten om zich tegen inbreuken te verzetten, maar niet het recht om overeenkomsten te sluiten waarmee daadwerkelijke of potentiële concurrenten op de markt werden betaald om niet tot de markt toe te treden.71.
126.
Anders dan rekwirantes menen, wordt in die overwegingen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
127.
Zoals het Hof in zijn arrest in de zaak Generics (UK) e.a.72. heeft uiteengezet, kunnen overeenkomsten waarbij een generieke fabrikant de geldigheid van een octrooi erkent en in ruil voor een waardeoverdracht door de octrooihouder zich ertoe verbindt dat octrooi niet te betwisten noch tot de markt toe te treden, de mededinging immers beperken. De reden hiervoor is dat de betwisting van de geldigheid van octrooien, met name door een zogenaamde ‘risicovolle’ markttoetreding, deel uitmaakt van de normale werking van de mededinging in sectoren waarin exclusieve rechten op technologie bestaan.
128.
Zo is het ongetwijfeld mogelijk dat een generieke fabrikant zelfstandig beslist af te zien van markttoetreding en in dat kader een overeenkomst te sluiten tot schikking van een octrooigeschil. Op grond van artikel 101 VWEU dient elke marktdeelnemer zijn marktgedrag evenwel zelfstandig te bepalen en mogen dergelijke marktdeelnemers onderlinge feitelijke samenwerking niet welbewust in de plaats stellen van de risico's van de mededinging. Derhalve heeft een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil veel weg van een mededingingsbeperking naar strekking wanneer de waardeoverdracht vanwege de octrooihouder aan de generieke fabrikant uitsluitend wordt verklaard door het gemeenschappelijke commerciële belang van de partijen om geen mededinging op basis van verdienste te voeren.
129.
Wanneer de generieke fabrikant in ruil voor die overdracht geen andere tegenprestatie hoeft te leveren dan af te zien van markttoetreding en van betwisting van het octrooi, wijst dat er immers op, bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring, dat niet zijn perceptie van de kracht van het octrooi, maar het vooruitzicht van de waardeoverdracht hem ertoe heeft aangezet niet tot de markt toe te treden en het octrooi niet te betwisten.
130.
Derhalve kan niet worden gesteld dat de sluiting van een dergelijke overeenkomst uit het voorwerp van het octrooi voortvloeiende prerogatieven van de houder ervan ten uitvoer legt, noch dat zij van de zijde van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen alleen maar een erkenning is van de vermoedelijke geldige octrooirechten van de houder ervan. Aangezien het vermoeden dat een octrooi geldig is geen enkele informatie over de uitkomst van een eventueel geding betreffende de geldigheid ervan verschaft, heeft een overeenkomst waarbij partijen de onzekerheid dienaangaande door middel van een waardeoverdracht aan de generieke fabrikant wegnemen, immers veel weg van het uitschakelen van potentiële mededinging die er zonder die overeenkomst zou zijn geweest.73.
131.
Uit geen enkel van rekwirantes' argumenten in de onderhavige procedure kan worden afgeleid dat het Gerecht ten onrechte de beoordeling van de Commissie zou hebben bevestigd volgens welke, in casu, de litigieuze overeenkomsten neerkwamen op dergelijke mededingingsbeperkingen die ertoe strekten dat de generieke fabrikanten zich ertoe verplichtten om gedurende de overeengekomen periode niet te concurreren in ruil voor een betaling door Lundbeck, met slechts die verbintenis als tegenprestatie.
1) Asymmetrie tussen de risico's van lundbeck en de generieke fabrikanten
132.
Ten eerste heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat, voor de conclusie dat een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil tussen de octrooihouder en een generieke fabrikant die gepaard gaat met een waardeoverdracht vanwege de eerste aan de tweede een mededingingsbeperking naar strekking vormt, uit de analyse van de overeenkomst dient te blijken dat die waardeoverdracht uitsluitend wordt verklaard door de verbintenis van de generieke fabrikant om gedurende de overeengekomen periode niet met zijn product te concurreren. Derhalve dient vast te staan dat die overdracht niet wordt gerechtvaardigd in het licht van de legitieme doelstellingen van de partijen bij de overeenkomst, zoals de vergoeding voor kosten in verband met hun geschil, de daadwerkelijke levering van goederen of diensten of het afzien van financiële verplichtingen die de octrooihouder is aangegaan. Als dat het geval is, moet volgens het Hof ook nog worden nagegaan of de waardeoverdracht aan de generieke fabrikant groot genoeg is om hem daadwerkelijk aan te zetten van toetreding tot de betrokken markt af te zien.74.
133.
Rekwirantes voeren evenwel geen enkel element aan waaruit in casu zou blijken dat de generieke fabrikanten in ruil voor Lundbecks waardeoverdrachten een andere tegenprestatie zouden hebben geleverd dan het niet toetreden tot de markt. Evenzo roepen rekwirantes geen enkel element in dat kan afdoen aan de slotsom van het Gerecht dat in casu de in de litigieuze overeenkomsten opgenomen bedragen van de betalingen in omgekeerde richting hoog genoeg waren om de generieke fabrikanten de beperkingen van hun autonomie te doen aanvaarden en hun prikkels om tot de markt toe te treden te doen afnemen. Aldus heeft het Gerecht vastgesteld dat uit de stukken bleek dat die fabrikanten niet zouden hebben aanvaard om eenzijdig van de markt te blijven, met name omdat zij reeds grote inspanningen hadden geleverd en omvangrijke investeringen hadden gedaan, indien Lundbeck hun niet zou hebben betaald.75.
134.
In plaats van zelfs maar het geringste concrete element aan te reiken om die betalingen op een andere manier te verklaren dan de Commissie en het Gerecht hebben gedaan, voeren rekwirantes immers louter aan dat die betalingen kunnen worden verklaard door asymmetrie in de risico's tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten. Wanneer die fabrikanten in strijd met Lundbecks octrooien tot de markt zouden zijn toegetreden, zou de schadevergoeding die Lundbeck zou hebben kunnen verkrijgen indien zij voor de rechter in het gelijk zou zijn gesteld, aldus nooit hebben volstaan om de veroorzaakte verliezen te compenseren, hetgeen verklaart waarom zij bereid was de litigieuze betalingen te verrichten.
135.
Zoals het Gerecht in de punten 379 tot en met 387 van het bestreden arrest terecht heeft uiteengezet, is het evenwel niet omdat de sluiting van een overeenkomst vanuit economisch en commercieel oogpunt een rationele en rendabele oplossing voor partijen biedt, dat een dergelijke overeenkomst aan de toepassing van artikel 101 VWEU zou ontsnappen. Evenzo staat het aan de overheid en niet aan particuliere ondernemingen om de naleving van de wettelijke voorschriften te verzekeren.76. Het is dus niet aan dergelijke ondernemingen een vermeende tekortkoming in de regelgeving door middel van mededingingsverstorende overeenkomsten te neutraliseren en aldus het recht in eigen handen te nemen.77. Derhalve kunnen noch ‘een asymmetrie tussen risico's’ als die welke rekwirantes aanvoeren, noch eventuele tekortkomingen in het nationale octrooirecht, zelfs indien die reëel blijken te zijn, een rechtvaardiging vormen voor overeenkomsten waarbij een marktdeelnemer zijn concurrenten betaalt om buiten de markt te blijven.
2) ‘contrafeitelijk scenario’
136.
Ten tweede betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 472 en 473 van het bestreden arrest te weigeren het ‘contrafeitelijke scenario’ te onderzoeken, dat wil zeggen de situatie zoals die zich zonder de litigieuze overeenkomsten zou hebben voorgedaan. Volgens rekwirantes zou uit een dergelijk onderzoek zijn gebleken dat de generieke fabrikanten niet vanwege die overeenkomsten, maar louter vanwege Lundbecks octrooien niet tot de markt zijn toegetreden.
137.
In hun antwoord op mijn vraag betreffende de gevolgen van het arrest van het Hof in de zaak Generics (UK) e.a.78. voor de onderhavige zaak79. benadrukken rekwirantes dat punt nog door aan te voeren dat het Hof in dat arrest het belang zou hebben erkend van een contrafeitelijke analyse en van het bij de toepassing van artikel 101 VWEU in aanmerking nemen van de gunstige gevolgen die de te onderzoeken overeenkomsten hebben gehad voor de mededinging, waarvan zonder die overeenkomsten geen sprake zou zijn geweest.
138.
Allereerst dient evenwel te worden opgemerkt dat het Hof in het door rekwirantes aangevoerde punt 37 van het arrest Generics (UK) e.a. heeft volstaan met de verklaring dat voor de analyse van het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen marktdeelnemers dient te worden nagegaan of er zonder de overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat de onderneming die niet op de markt aanwezig is, met de reeds op die markt gevestigde onderneming zou concurreren.
139.
Los van de vraag of een dergelijke analyse eventueel gelijkenissen vertoont met een zogenaamde contrafeitelijke analyse van de ontwikkelingen die zich zouden hebben voorgedaan zonder een overeenkomst, en of een dergelijke contrafeitelijke analyse dient te worden uitgevoerd in gevallen waarin het gaat om overeenkomsten die mededingingsbeperkingen naar strekking vormen, volstaat evenwel de vaststelling dat het Gerecht in het bestreden arrest uitvoerig heeft onderzocht of de generieke fabrikanten op het moment van sluiting van de litigieuze overeenkomsten reële en concrete mogelijkheden hadden om tot de markt toe te treden, zodat kan worden geconcludeerd dat die mogelijkheden als gevolg van die overeenkomsten waren uitgesloten.80.
140.
Bovendien is het onjuist om, net als rekwirantes, te betogen dat uit een contrafeitelijke analyse zou zijn gebleken dat de generieke fabrikanten niet vanwege de litigieuze overeenkomsten hadden afgezien van markttoetreding, maar vanwege het bestaan van Lundbecks octrooien die de marktintroductie van die inbreukmakende producten verhinderden. Een dergelijk betoog gaat immers voorbij aan het feit dat er op het moment van sluiting van de litigieuze overeenkomsten onzekerheid bestond over de geldigheid van de litigieuze octrooien en over het inbreukmakende karakter van de producten van de generieke fabrikanten. Zoals het Hof in het arrest Generics (UK) e.a.81. heeft vastgesteld, is het evenwel juist die onzekerheid die, zolang zij duurt, bijdraagt tot het bestaan van een minstens potentiële mededingingssituatie tussen de houder van een octrooi op een geneesmiddel en een fabrikant die met een generieke versie van dat geneesmiddel tot de markt wenst toe te treden.
141.
Als vaststaat dat een overeenkomst bedoeld is om die onzekerheid weg te nemen, mag derhalve de conclusie worden getrokken dat zij een mededingingsbeperking naar strekking vormt daar zij ervoor zorgt dat, in de plaats van een situatie waarin de partijen de risico's en kansen als gevolg van die onzekerheid zelfstandig beoordelen, een gecoördineerde situatie ontstaat als gevolg van feitelijke samenwerking tussen de partijen.82. Het Gerecht is juist door een analyse te maken van dat punt tot de vaststelling gekomen dat de litigieuze overeenkomsten in casu mededingingsbeperkingen naar strekking vormden.83.
142.
Wat ten slotte het in aanmerking nemen van eventuele voor de mededinging gunstige gevolgen van de overeenkomst betreft, klopt het inderdaad dat het Hof in het door rekwirantes ingeroepen punt 103 van het arrest Generics (UK) e.a.84. heeft vastgesteld dat voor de kwalificatie van de overeenkomst als mededingingsbeperking naar strekking, naar behoren rekening moet worden gehouden met dergelijke gevolgen als elementen van de context van die overeenkomst, aangezien zij de algehele beoordeling van de voldoende mate van schadelijkheid van de desbetreffende collusie van de mededinging en bijgevolg de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking op de helling kunnen zetten.
143.
In casu beroepen rekwirantes zich in hun schriftelijke stukken in de onderhavige procedure in hogere voorziening evenwel niet op enige vermeende gunstige invloed van de litigieuze overeenkomsten op de mededinging waardoor de analyse van het Gerecht inzake de kwalificatie van die overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking op de helling zou worden gezet.
3) Ontbreken van bedingen in de litigieuze overeenkomsten op grond waarvan de geldigheid van de relevante octrooien niet mocht worden aangevochten
144.
Ten derde voeren rekwirantes in hun antwoord op mijn vraag betreffende de gevolgen van het arrest van het Hof in de zaak Generics (UK) e.a. voor de onderhavige procedure85. aan dat de analyse van het Hof in dat arrest, volgens welke overeenkomsten als in die zaak aan de orde mededingingsbeperkingen naar strekking kunnen vormen, hoofdzakelijk berustte op het feit dat die overeenkomsten bedingen bevatten op grond waarvan de geldigheid van de relevante octrooien niet mocht worden aangevochten. Aangezien dergelijke bedingen in de litigieuze overeenkomsten in de onderhavige zaak ontbreken, heeft het Gerecht zich vergist door die overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking te kwalificeren. Uit het feit dat de litigieuze overeenkomsten geen niet-betwistingsbedingen bevatten, blijkt immers dat de generieke fabrikanten niet als gevolg van die overeenkomsten, maar als gevolg van hun zelfstandige beoordeling van de kracht van Lundbecks octrooien die litigieuze octrooien niet hebben betwist.
145.
Dat betoog kan evenwel evenmin worden aanvaard.
146.
Los van de vraag of de betrokken overeenkomsten in de zaak Generics (UK) e.a. uitdrukkelijke bedingen bevatten op grond waarvan het betrokken octrooi niet mocht worden betwist, dan wel of de verplichting om dat octrooi niet te betwisten louter voortvloeide uit de context en de algemene opzet van die overeenkomsten86., dient aldus te worden vastgesteld dat in casu het ontbreken van uitdrukkelijke niet-betwistingsbedingen in de litigieuze overeenkomsten hoe dan ook niet kan afdoen aan de beoordeling van het Gerecht dat die overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden.
147.
Rekwirantes voeren immers geen enkel argument aan dat kan afdoen aan de slotsom van het Gerecht in de punten 398 en 399 van het bestreden arrest dat, ook al was er in de litigieuze overeenkomsten geen niet-betwistingsbeding opgenomen, de generieke fabrikanten er na de sluiting van die overeenkomsten geen enkel belang bij hadden om de geldigheid van Lundbecks octrooien aan te vechten, aangezien de betalingen in omgekeerde richting ongeveer overeenstemden met de winst die zij met een markttoetreding verwachtten te behalen of met de schadevergoeding die zij zouden hebben kunnen verkrijgen indien zij in eventuele rechtszaken tegen Lundbeck in het gelijk zouden zijn gesteld, en dat het, zelfs gesteld dat die betalingen lager waren dan de verwachte winst, ondanks alles een zeker en onmiddellijk voordeel betrof dat die fabrikanten verkregen zonder dat zij de risico's hoefden te lopen die met een markttoetreding gepaard gaan.
148.
Die overwegingen gelden des te meer aangezien uit de door het Gerecht geanalyseerde feiten blijkt dat op grond van de litigieuze overeenkomsten Lundbecks betalingen aan de generieke fabrikanten minstens gedeeltelijk dienden te worden verricht in over de overeengekomen looptijd van die overeenkomsten te spreiden tranches.87. In het licht van de algemene opzet van die overeenkomsten is het evenwel weinig waarschijnlijk dat die fabrikanten ervan zouden zijn uitgegaan dat Lundbeck de betalingen in ruil voor de verbintenissen van die fabrikanten zou voortzetten indien zij tegelijkertijd een beroep tot betwisting van de geldigheid van de litigieuze octrooien zouden hebben ingesteld.
149.
Dat is overigens de reden waarom Lundbecks argument dat de litigieuze overeenkomsten de generieke fabrikanten niet zouden hebben verhinderd tot de markt toe te treden met niet-inbreukmakende producten, geenszins overtuigt. Allereerst berust dat argument nog maar eens op de onjuiste premisse dat zou vaststaan dat de producten van de betrokken generieke fabrikanten inbreuk maakten op Lundbecks octrooien, terwijl dat juist onzeker was.88. Bovendien is het echter gewoonweg onwaarschijnlijk dat de generieke fabrikanten nog steeds de prikkel hadden om met wat voor citalopram dan ook tot de markt toe te treden, terwijl zij tegelijkertijd door Lundbeck werden beloond om de geldigheid van de met die molecule verband houdende octrooien waarvan Lundbeck nog houder was, niet ter discussie te stellen.89.
4) Vermeend novum van het bestraffen van minnelijke regelingen van octrooigeschillen
150.
Ten vierde menen rekwirantes dat de litigieuze overeenkomsten, aangezien daarmee de legitieme doelstelling wordt nagestreefd een octrooigeschil te beslechten, eenvoudigweg niet kunnen worden gelijkgesteld met onverbloemde marktuitsluitingsovereenkomsten die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat zij als mededingingsbeperkingen naar strekking dienen te worden gekwalificeerd. Dat gaat te meer op daar er ten tijde van de sluiting van de litigieuze overeenkomsten grote onzekerheid heerste over de manier waarop overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen op het gebied van het mededingingsrecht dienden te worden beoordeeld.
151.
Dat betoog kan evenmin overtuigen.
152.
Zo blijkt, zoals het Gerecht in het bestreden arrest90. terecht heeft vastgesteld, in de eerste plaats uit de rechtspraak van het Hof dat noch het feit dat met een overeenkomst de legitieme doelstelling wordt nagestreefd een geschil minnelijk te regelen91., noch het feit dat een overeenkomst betrekking heeft op een intellectuele-eigendomsrecht92., een dergelijke overeenkomst kan onttrekken aan de volledige en onverkorte toepassing van de Unierechtelijke mededingingsregels. In de door rekwirantes in dat verband aangevoerde arresten kan geen steun worden gevonden voor de opvatting dat overeenkomsten in de regel de mededinging niet kunnen beperken indien zij louter betrekking hebben op zaken van intellectuele eigendom.93.
153.
Bovendien voeren rekwirantes geen enkel element aan dat kan afdoen aan de overwegingen van het Gerecht waarbij de conclusie van de Commissie wordt bevestigd dat de litigieuze overeenkomsten in casu geen einde hebben kunnen maken aan de onderliggende octrooigeschillen tussen partijen bij die overeenkomsten.94. Het enkele feit dat de looptijd van de litigieuze overeenkomsten was gekoppeld aan de uitkomst van een ‘testgeschil’ tussen Lundbeck en een andere generieke fabrikant in het Verenigd Koninkrijk, kan immers niet aantonen dat met die overeenkomsten de onderliggende octrooigeschillen zijn beslecht, maar enkel dat zij daarmee voor de overeengekomen tijd in de wacht zijn gezet.
154.
Voorts kunnen rekwirantes zich voor hun stelling dat die overeenkomsten niet kunnen worden gelijkgesteld met mededingingsbeperkingen naar strekking evenmin beroepen op het vermeende gebrek aan ervaring met het uit hoofde van het mededingingsrecht bestraffen van soortgelijke overeenkomsten als die in de onderhavige zaak, noch op het feit dat de Konkurrence- og Forbrugerstyrels (mededingings- en consumentenzakenautoriteit, Denemarken) (hierna: ‘KFST’) en de Commissie aanvankelijk zelf twijfels hadden over de juridische kwalificatie van die overeenkomsten.
155.
Anders dan rekwirantes menen, is het niet omdat het onderhavige geval het eerste is waarin de Commissie artikel 101 VWEU heeft toegepast op overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen in de farmaceutische sector tussen een initiërend farmaceutisch bedrijf en generieke fabrikanten, dat die overeenkomsten niet kunnen worden gekwalificeerd als mededingingsbeperkingen naar strekking in de zin van die bepaling.
156.
Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft verklaard, is het voor de kwalificatie van een overeenkomst als mededingingsbeperking naar strekking niet vereist dat voorheen reeds overeenkomsten van dezelfde soort werden veroordeeld. De rol van de ervaring, en dus de voorzienbaarheid in dat verband, heeft, zoals het Gerecht terecht heeft uiteengezet, immers geen betrekking op de specifieke categorie van een overeenkomst in een bepaalde sector, maar op het feit dat vaststaat dat bepaalde vormen van onderlinge afstemming, zoals de marktuitsluiting van concurrenten, in de regel en zoals de ervaring leert, de mededinging in die mate nadelig kunnen beïnvloeden dat niet hoeft te worden aangetoond dat zij in het specifieke geval gevolgen hebben gehad.
157.
Daarenboven heeft het Gerecht er in de punten 752 en 775 van het bestreden arrest eveneens terecht op gewezen dat het volgens de rechtspraak niet vereist is dat een overeenkomst prima facie of zonder twijfel als voldoende nadelig voor de mededinging moet worden aangemerkt, om die zonder diepgaand onderzoek naar haar inhoud, doelstelling en economische en juridische context als mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101 VWEU te kunnen kwalificeren.95.
5) Conclusie
158.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat rekwirantes geen argumenten hebben aangevoerd waaruit kan blijken dat het Gerecht ten onrechte de conclusie van de Commissie heeft bevestigd dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat met die overeenkomsten aan de generieke fabrikanten beperkingen waren opgelegd die Lundbeck eveneens had kunnen verkrijgen door middel van vorderingen in rechte op basis van de litigieuze octrooien indien de geldigheid van die octrooien en het inbreukmakende karakter van de generieke producten waren komen vast te staan. Het eerste middel dient derhalve te worden afgewezen.
b) Vermeend onjuiste slotsom van het gerecht dat vijf van de zes overeenkomsten verder gingen dan de beschermingsomvang van lundbecks octrooien (tweede middel)
159.
In het kader van hun tweede middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht misslagen heeft begaan door te oordelen dat vijf van de zes litigieuze overeenkomsten verder gingen dan de beschermingsomvang van Lundbecks octrooien, doordat op grond daarvan niet alleen de verkoop werd verboden van citalopram dat potentieel op de door de litigieuze octrooien beschermde werkwijzen inbreuk maakte, maar de verkoop van elk soort citalopram, ongeacht de productiewijze ervan.
160.
Meteen dient te worden vastgesteld dat dit middel zowel niet ter zake dienend als niet-ontvankelijk is.
161.
Zo blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat argumenten tegen in een beslissing van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet tot vernietiging van die beslissing kunnen leiden en dus niet ter zake dienend zijn.96.
162.
In casu heeft het Gerecht in de punten 539 tot en met 541 van het bestreden arrest uitdrukkelijk aangegeven dat rekwirantes' betoog waarmee zij aanvoerden dat in het litigieuze besluit ten onrechte werd geconcludeerd dat de litigieuze overeenkomsten beperkingen omvatten die verder gingen dan die welke inherent zijn aan de uitoefening van hun bij de octrooien verleende rechten, niet ter zake dienend was.
163.
Zelfs wanneer de litigieuze overeenkomsten niet verder gingen dan de beschermingsomvang van rekwirantes' octrooien, vormden zij immers volgens het Gerecht niettemin mededingingsbeperkingen naar strekking in de zin van artikel 101 VWEU daar zij mededingingsregelingen inhielden die tot doel hadden de markttoetreding van de generieke fabrikanten te vertragen in ruil voor omvangrijke betalingen in omgekeerde richting die de onzekerheid ten aanzien van een dergelijke toetreding hebben omgevormd tot de zekerheid dat die tijdens de looptijd van de litigieuze overeenkomsten niet zou plaatsvinden.
164.
Het Gerecht heeft rekwirantes' argumenten waarmee zij aanvoerden dat de Commissie ten onrechte tot de slotsom was gekomen dat de door de litigieuze overeenkomsten opgelegde beperkingen verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien, in de punten 542 tot en met 705 van het bestreden arrest derhalve louter subsidiair onderzocht.97.
165.
Aan het feit dat die in eerste aanleg aangevoerde argumenten niet ter zake dienend waren, wordt overigens niet afgedaan door de omstandigheid dat de Commissie zowel voor de vaststelling van het mededingingsverstorende karakter van die overeenkomsten als voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten rekening heeft gehouden met het feit dat de litigieuze overeenkomsten beperkingen omvatten die verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien. Het Gerecht heeft er immers uitdrukkelijk op gewezen dat dit gegeven in het litigieuze besluit een relevante, maar niet doorslaggevende factor was voor zowel de vaststelling of er sprake was van een beperking naar strekking in de zin van artikel 101 VWEU als voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten.98.
166.
Verder dient met de Commissie te worden vastgesteld dat het tweede middel van de hogere voorziening hoe dan ook niet-ontvankelijk is.
167.
Rekwirantes stellen namelijk dat zij met hun betoog aanvoeren dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de analyse van de vraag of de door de litigieuze overeenkomsten opgelegde beperkingen verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien, niet het geschikte juridische criterium te hebben toegepast. Aldus voeren zij aan dat het Gerecht, onder verwijzing naar de beginselen van het contractenrecht in elk van de rechtsstelsels waaronder de litigieuze overeenkomsten vallen, had moeten analyseren of het daadwerkelijk de bedoeling van zowel Lundbeck als de generieke fabrikanten was om die fabrikanten te verbieden tot de betrokken markten toe te treden met gelijk welk soort citalopram en niet enkel met citalopram dat volgens Lundbeck inbreuk op haar octrooien maakte.
168.
Onder het mom van dat betoog proberen rekwirantes evenwel in werkelijkheid van het Hof te verkrijgen dat het de uitlegging die het Gerecht aan de bewoordingen van de overeenkomsten en de feitelijke elementen die hun conclusie omringen heeft gegeven, opnieuw onderzoekt, hetgeen behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de feiten — wat in casu niet wordt aangevoerd noch duidelijk blijkt — niet is toegelaten in het stadium van de hogere voorziening.99.
169.
Hieruit volgt dat het tweede middel dient te worden afgewezen zonder dat inhoudelijk hoeft te worden ingegaan op de door rekwirantes tot staving ervan ontwikkelde argumenten.
c) Vermeend onjuiste kwalificatie van bepaalde litigieuze overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking, zelfs in de veronderstelling dat zij verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien (derde middel)
170.
In het kader van hun derde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht, zelfs al zou het Hof oordelen dat bepaalde litigieuze overeenkomsten verder gingen dan de beschermingsomvang van de litigieuze octrooien doordat zij de verkoop van elk generiek citalopram verboden, ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat die overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking vormden.
171.
Tot staving van die bewering verwijzen rekwirantes naar de argumenten die zij in het kader van hun eerste middel hebben ontwikkeld. Zo stellen zij dat het Gerecht zich heeft vergist door de litigieuze overeenkomsten als mededingingsbeperkingen naar strekking te kwalificeren, aangezien het onvoldoende rekening heeft gehouden met de context waarin die overeenkomsten zijn tot stand gekomen, zoals met name de asymmetrische risico's tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten, het contrafeitelijk scenario niet heeft onderzocht en, met name gelet op de twijfel die de KFST en de Commissie in dat verband aanvankelijk zelf hadden, ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat die overeenkomsten de mededinging voldoende nadelig beïnvloedden om als mededingingsbeperkingen naar strekking te worden aangemerkt.
172.
Aangezien die argumenten reeds zijn afgewezen in het kader van het onderzoek hierboven van het eerste middel100., kan het derde middel evenmin worden aanvaard.
B. Geldboeten (vijfde en zesde middel)
173.
Met hun vijfde en zesde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht zich heeft vergist door de door de Commissie opgelegde geldboeten naar het beginsel ervan (onder 1), alsook wat de berekeningswijze ervan betreft (onder 2), te bevestigen.
1. Bevestiging van de geldboeten door het gerecht (vijfde middel)
174.
In het kader van hun vijfde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht ten onrechte heeft bevestigd dat de Commissie in casu bevoegd was om aan Lundbeck geldboeten op te leggen. Zo heeft het Gerecht allereerst niet het juiste criterium toegepast om te bepalen of in casu een geldboete mocht worden opgelegd (onder a). Vervolgens heeft het Gerecht zich vergist door de slotsom van de Commissie te bevestigen dat Lundbeck er niet onkundig van kon zijn dat haar gedrag mededingingsverstorend was (onder b). Ten slotte heeft het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht geschonden door zijn bevestiging van de oplegging van een sanctie van meer dan een symbolische geldboete (onder c).
a) Voor het opleggen van een geldboete vereiste ‘mate van schuld’
175.
Rekwirantes voeren aan dat het Gerecht niet het juiste criterium heeft toegepast met betrekking tot de ‘mate van schuld’ die mededingingsrechtelijk vereist is voor het opleggen van een geldboete. Zo heeft het Gerecht in punt 762 van het bestreden arrest inderdaad verklaard dat een dergelijke geldboete volgens rechtspraak van het Hof slechts kan worden opgelegd wanneer een onderneming ‘niet onkundig kan zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag’. Het Gerecht heeft dat criterium vervolgens evenwel niet toegepast om Lundbecks schuld vast te stellen, maar heeft zich daarentegen beperkt tot de verklaring in punt 777 van het bestreden arrest dat de litigieuze overeenkomsten door Lundbeck ‘redelijkerwijs als in strijd met artikel 101 VWEU hadden kunnen worden beschouwd’, waardoor de voor het opleggen van een geldboete vereiste mate van schuld ten onrechte werd omlaaggebracht.
176.
Vooraf dient erop te worden gewezen dat uit de door het Gerecht in punt 762 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof inderdaad blijkt dat, wat de vraag betreft of een inbreuk op het mededingingsrecht opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan en daardoor overeenkomstig artikel 23 van verordening (EG) nr. 1/2003101. met een geldboete kan worden bestraft, aan dat vereiste is voldaan wanneer de betrokken onderneming niet onkundig kan zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag, ongeacht of zij zich ervan bewust is geweest de mededingingsregels van het Verdrag te schenden. Met name het feit dat de betrokken onderneming haar gedrag waarop de vaststelling van de inbreuk is gebaseerd juridisch onjuist heeft gekwalificeerd, kan er dus niet toe leiden dat haar geen geldboete wordt opgelegd.102.
177.
Dit vooropgesteld, dient te worden geconstateerd dat het Gerecht het aldus vastgestelde criterium in het bestreden arrest niet onjuist heeft toegepast.
178.
Allereerst dient er, in navolging van de Commissie en anders dan rekwirantes aanvoeren, op te worden gewezen dat het feit dat dient vast te staan dat een onderneming ‘niet onkundig kon zijn’ van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag, niet inhoudt dat de Commissie dient aan te tonen dat vaststond dat die onderneming op de hoogte was van het feit dat dit gedrag mededingingsverstorend was. Met andere woorden: het hoeft niet te worden bewezen dat de betrokken onderneming wist dat haar gedrag mededingingsverstorend was. Het volstaat daarentegen dat de Commissie gegevens aandraagt waaruit blijkt dat van een zorgvuldige marktdeelnemer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon worden verwacht dat hij zich van het mededingingsverstorende karakter van zijn gedrag bewust was.
179.
Derhalve verdraaien rekwirantes de woorden van het Gerecht met de verklaring dat het Gerecht die bewijsstandaard in casu niet in acht heeft genomen door er in punt 777 van het bestreden arrest op te wijzen dat de mededingingsbeperkingen in de litigieuze overeenkomsten door de partijen ‘redelijkerwijs als in strijd met artikel 101 VWEU hadden kunnen worden beschouwd’. Anders dan rekwirantes menen, blijkt uit die formulering immers geenszins dat het Gerecht zich zou hebben tevredengesteld met een bewijsstandaard volgens welke ‘de loutere mogelijkheid’ dat Lundbeck van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag wist, volstond. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 832 en 833 van het bestreden arrest duidelijk verklaard dat Lundbeck ‘er niet onkundig van kon zijn’ dat de litigieuze overeenkomsten inbreuk konden maken op artikel 101 VWEU en dat zij ‘zich bewust was’ van het mogelijke inbreukmakende karakter van genoemde overeenkomsten.
180.
Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het vijfde middel dient te worden afgewezen.
b) Kwestie of lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag
181.
Voorts menen rekwirantes dat het Gerecht de voor het opleggen van een geldboete vereiste bewijsstandaard niet in acht heeft genomen, aangezien de gegevens waarnaar het Gerecht heeft verwezen niet konden aantonen dat Lundbeck niet van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag onkundig kon zijn.
182.
Aangezien de litigieuze overeenkomsten niet konden worden gelijkgesteld met eenvoudige marktverdelings- of marktuitsluitingsovereenkomsten, maar integendeel de toepassing van intellectuele-eigendomsrechten in het kader van het nastreven van een legitiem doel inhielden, was het aldus veel lastiger om het mededingingsverstorende karakter ervan te bevatten dan dat in het geval van onverbloemde marktverdelingsovereenkomsten zou zijn geweest. Desondanks heeft het Gerecht zich in punt 776 van het bestreden arrest evenwel op slechts twee documenten gebaseerd om Lundbecks schuld vast te stellen, terwijl uit die documenten geenszins kon worden opgemaakt dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag. Het Gerecht heeft de bewijselementen dus kennelijk onjuist opgevat en onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het Lundbecks schuld heeft bevestigd.
183.
Dat betoog is volstrekt ongegrond.
184.
In de eerste plaats blijkt uit de hierboven reeds uiteengezette overwegingen dat rekwirantes niet op goede gronden kunnen stellen dat de litigieuze overeenkomsten geen marktuitsluitingsovereenkomsten vormden, en dat de achtergrond van die octrooiovereenkomsten niet kan worden aangegrepen om die overeenkomsten te onttrekken aan de volledige en onverkorte toepassing van de regels van het mededingingsrecht.103.
185.
In de tweede plaats dient te worden geconstateerd dat niet blijkt waarom het Gerecht de drie (en niet de twee zoals rekwirantes aangeven) in punt 776 van het bestreden arrest aangehaalde documenten onjuist zou hebben opgevat bij het in aanmerking nemen van die documenten in het kader van het onderzoek van de vraag of Lundbeck van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag niet onkundig kon zijn:
- —
zo verwijst het Gerecht in punt 776 van het bestreden arrest ten eerste naar overweging 190 van het litigieuze besluit ter ondersteuning van zijn verklaring dat bepaalde generieke fabrikanten wel degelijk hadden beseft dat met de litigieuze overeenkomsten vergelijkbare overeenkomsten een inbreuk vormden en juist om die reden hadden geweigerd om dergelijke overeenkomsten aan te gaan. In die overweging 190 van het litigieuze besluit wordt een door NM Pharma aan Lundbeck gerichte e-mail aangehaald, die was ingedeeld bij een document van Lundbeck met als titel ‘Generic citalopram update 04 09 2002’, en waaruit blijkt dat NM Pharma Lundbecks uitnodiging voor een vergadering had afgewezen met de verklaring dat haar mededingingsbeleid (‘Antitrust Policy’) haar niet toeliet nog verder met Lundbeck te onderhandelen. Derhalve heeft het Gerecht zich zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting op dat document kunnen baseren tot staving van de vaststelling dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag;
- —
ten tweede haalt het Gerecht in punt 776 van het bestreden arrest een e-mail aan van een medewerker van Lundbeck, die in overweging 265 van het litigieuze besluit wordt vermeld. In dat document verzet de betrokken medewerker zich met de verklaring dat het onrechtmatig is overeenkomsten over wederverkooprijzen te sluiten, tegen een voorstel van Lundbeck aan Merck (GUK) om in de loop van aan de overeenkomst Merck (GUK) voor het Verenigd Koninkrijk voorafgaande onderhandelingen afspraken te maken over met name de wederverkoopprijzen van het in het kader van die overeenkomst door Lundbeck aan Merch (GUK) te leveren citalopram. Hieruit volgt dat het Gerecht dat document eveneens zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting heeft kunnen aanmerken als een element waaruit blijkt dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag;
- —
ten derde verwijst het Gerecht in punt 776 van het bestreden arrest naar een interne e-mail van Lundbeck, die in overweging 188 van het litigieuze besluit wordt aangehaald, waarin ten aanzien van de onderhandelingen met Ranbaxy wordt opgemerkt dat een overeenkomst moeilijk zou zijn, met name gezien het mededingingsrecht. In het licht daarvan blijkt niet waarom het Gerecht dat document onjuist zou hebben opgevat door te verklaren dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag.
186.
Ten slotte zijn het, in de derde en laatste plaats, hoe dan ook rekwirantes zelf die het bestreden arrest onjuist opvatten door te betogen dat het Gerecht zich voor de vaststelling dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag, enkel op de hierboven onderzochte documenten heeft gebaseerd, en dat het die vaststelling onvoldoende heeft toegelicht.
187.
Zo vloeit uit de overwegingen van het Gerecht in de punten 764 tot en met 776 van het bestreden arrest voort dat de vaststelling in punt 777 van dat arrest dat de mededingingsbeperkingen in de litigieuze overeenkomsten door de partijen bij die overeenkomsten redelijkerwijs als in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU hadden kunnen worden beschouwd, niet uitsluitend is gebaseerd op de in punt 776 vermelde feitelijke gegevens, maar op alle overwegingen in de punten 764 tot en met 776.
188.
In die overwegingen heeft het Gerecht uitvoerig uiteengezet waarom het tot de slotsom is gekomen dat Lundbeck het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag redelijkerwijs kon voorzien. Zo heeft het Gerecht in punt 764 van het bestreden arrest met name verklaard dat het niet onvoorzienbaar was dat overeenkomsten waarmee een initiërend farmaceutisch bedrijf gedurende een bepaalde periode potentiële concurrenten van de markt kan houden door middel van omvangrijke betalingen in omgekeerde richting, in strijd zouden kunnen zijn met artikel 101, lid 1, VWEU, ongeacht of deze al dan niet verder gingen dan de beschermingsomvang van de octrooien van dat bedrijf.
189.
Zoals de Commissie terecht aanvoert, blijkt voorts uit meerdere punten van het bestreden arrest dat het Gerecht is meegegaan met de door de Commissie uitgevoerde beoordeling van diverse feitelijke elementen, naast de in punt 776 van het bestreden arrest genoemde elementen, waaruit bleek dat Lundbeck van het mededingingsverstorende karakter van haar gedrag niet onkundig kon zijn, of zich daarvan zelfs bewust was.104. In het kader van de onderhavige hogere voorziening stellen rekwirantes de aldus door het Gerecht verrichte feitelijke beoordelingen evenwel niet ter discussie. Evenmin blijkt dat het Gerecht relevante feitelijke elementen onjuist zou hebben opgevat.
190.
In die omstandigheden dient het tweede onderdeel van het vijfde middel eveneens te worden afgewezen.
c) Rechtszekerheidsbeginsel en verbod van terugwerkende kracht
191.
In het kader van het derde onderdeel van het vijfde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht heeft geschonden door te aanvaarden dat aan Lundbeck meer dan een symbolische geldboete werd opgelegd.
192.
Volgens rekwirantes verbieden die beginselen de toepassing met terugwerkende kracht van een nieuwe uitlegging van een bepaling die een inbreuk vastlegt wanneer die uitlegging niet redelijkerwijs voorzienbaar was op het moment waarop die inbreuk is begaan. Dat is precies het geval met de in casu door de Commissie toegepaste en door het Gerecht bevestigde uitlegging volgens welke overeenkomsten als de litigieuze overeenkomsten onder het verbod van artikel 101 VWEU kunnen vallen.
193.
Dat betoog kan niet worden aanvaard.
194.
Zo komt uit de door rekwirantes aangevoerde rechtspraak inderdaad naar voren dat het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, dat thans verankerd is in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet aldus kan worden uitgelegd dat het de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid verbiedt. Dit beginsel verzet zich niettemin tegen de retroactieve toepassing van een jurisprudentiële uitlegging van een norm waarin een inbreuk wordt omschreven, waarvan het resultaat redelijkerwijs niet kon worden voorzien toen de inbreuk werd gepleegd, met name gelet op de uitlegging die toentertijd werd gehanteerd in de rechtspraak betreffende de wettelijke bepaling in kwestie.105.
195.
Niettemin dient te worden vastgesteld dat het Gerecht zich geenszins heeft vergist door de omstandigheden van het onderhavige geval aan het aldus vastgestelde criterium van voorzienbaarheid te toetsen en door te constateren dat het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen er in casu niet aan in de weg stond dat de litigieuze overeenkomsten uit hoofde van artikel 101 VWEU zouden worden bestraft.
196.
Dienaangaande herhalen rekwirantes allereerst hun hierboven reeds aangehaalde argument106. dat de litigieuze overeenkomsten — in het kader van de nastreving van een legitiem doel — de toepassing inhielden van intellectuele-eigendomsrechten, waardoor het veel ingewikkelder was de aard ervan te bevatten dan die van onverbloemde marktverdelingsovereenkomsten. Anders dan het Gerecht in punt 765 van het bestreden arrest verklaart, kan uit een letterlijke lezing van artikel 101, lid 1, VWEU dan ook niet worden opgemaakt dat dergelijke overeenkomsten onder het verbod van die bepaling zouden kunnen vallen.
197.
Ten eerste blijkt uit de hierboven reeds onderzochte vaststellingen van het Gerecht evenwel dat de litigieuze overeenkomsten waren bedoeld om de generieke fabrikanten ertoe aan te zetten gedurende de overeengekomen perioden niet zelfstandig tot de markt van citalopram toe te treden, door middel van betalingen vanwege Lundbeck die slechts als tegenprestatie hadden dat zij van die markttoetreding zouden afzien.107. Anders gesteld: in die overeenkomsten is afgesproken dat Lundbeck de generieke fabrikanten zou betalen om niet tot de markt toe te treden, waardoor die overeenkomsten als marktuitsluitingsovereenkomsten dienden te worden aangemerkt.
198.
In haar hoedanigheid van partij bij die overeenkomsten kon Lundbeck evenwel niet onkundig zijn van het feit dat haar betalingen geen andere tegenprestatie van de generieke fabrikanten vergden dan het afzien van markttoetreding gedurende de overeengekomen perioden. Het Gerecht heeft dan ook zonder misslag te begaan in de punten 764 en 765 van het bestreden arrest kunnen vaststellen dat het voor Lundbeck niet onvoorzienbaar was dat de litigieuze overeenkomsten onder het verbod van artikel 101 VWEU konden vallen, daar uit een letterlijke lezing van die bepaling perfect kan worden opgemaakt dat overeenkomsten tussen concurrenten die ertoe strekken een aantal onder hen van de markt uit te sluiten, onrechtmatig zijn.
199.
Ten tweede vloeit ook uit de hierboven reeds weergegeven argumentatie voort dat rekwirantes niet op goede gronden kunnen aanvoeren dat zij door de octrooirechtelijke achtergrond van de litigieuze overeenkomsten konden geloven dat die overeenkomsten zouden ontsnappen aan de toepassing van het mededingingsrecht. Uit gevestigde rechtspraak van het Hof blijkt immers dat zowel een gerechtelijke schikking als de voorwaarden voor uitoefening van een intellectuele-eigendomsrecht onder de verboden van artikel 101 VWEU kunnen vallen.108.
200.
Anders dan rekwirantes stellen, heeft het Gerecht in de punten 766 tot en met 770 van het bestreden arrest derhalve terecht verklaard dat rekwirantes uit de omstandigheid dat de litigieuze overeenkomsten in casu waren gesloten in de vorm van schikkingen die intellectuele-eigendomsrechten betreffen, niet konden afleiden dat de mededingingsrechtelijke onrechtmatigheid daarvan een novum of onvoorzienbaar was.
201.
Anders dan rekwirantes menen, is het voorts niet omdat het onderhavige geval het eerste is waarin de Commissie artikel 101 VWEU heeft toegepast in de farmaceutische sector op overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen tussen een initiërend farmaceutisch bedrijf en generieke fabrikanten, dat die toepassing een ‘volkomen nieuwe koers’ inhoudt die niet kan worden gezien als een geleidelijke verfijning van de toepassingsvoorwaarden van die bepaling als bedoeld in de rechtspraak die hierboven in punt 194 van deze conclusie is aangehaald. Zoals reeds is geconstateerd, is het voor de kwalificatie van een overeenkomst als mededingingsbeperking naar strekking immers niet vereist dat voorheen reeds overeenkomsten van dezelfde soort werden veroordeeld, noch dat een overeenkomst prima facie of zonder twijfel als voldoende nadelig voor de mededinging moet worden aangemerkt.109.
202.
Rekwirantes kunnen zich dus evenmin beroepen op het vermeend ‘ingewikkelde’ karakter van de litigieuze overeenkomsten om te stellen dat het bestraffen ervan uit hoofde van artikel 101 VWEU niet voorzienbaar zou zijn geweest. Dit gaat te meer op daar in de rechtspraak is gepreciseerd dat het vereiste van voorzienbaarheid van de wet niet belet dat personen, en in het bijzonder beroepsbeoefenaars, deskundig advies moeten inwinnen om de gevolgen van hun gedrag te kunnen beoordelen.110. Zoals reeds is aangegeven, blijkt evenzeer uit de rechtspraak dat het feit dat de betrokken onderneming haar gedrag waarop de vaststelling van de inbreuk gebaseerd is, juridisch onjuist heeft gekwalificeerd, er niet toe kan leiden dat haar geen geldboete wordt opgelegd wanneer zij niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van dat gedrag.111.
203.
Rekwirantes' betoog ten slotte dat het Gerecht onvoldoende heeft uiteengezet of duidelijk gemaakt waarom zij naar het oordeel van het Gerecht konden verwachten dat de litigieuze overeenkomsten uit hoofde van artikel 101 VWEU zouden worden bestraft terwijl de KFST en de Commissie dienaangaande zelf twijfels hadden, kan evenmin worden aanvaard.
204.
Aldus heeft het Gerecht in punt 772 van het bestreden arrest erop gewezen dat uit het door verzoeksters ingeroepen perscommuniqué van de KFST duidelijk volgt dat overeenkomsten die bedoeld zijn om marktexclusiviteit van een concurrent te kopen, mededingingsverstorend zijn. Het Gerecht heeft in dat punt evenzeer opgemerkt dat de Commissie haar benadering na afloop van haar onderzoek van de farmaceutische sector heeft kunnen verfijnen en het mededingingsverstorende karakter van overeenkomsten als die in het onderhavige geval ten volle heeft kunnen bevatten.
205.
Anders dan rekwirantes lijken te suggereren, is die uitleg evenmin inhoudelijk onjuist. Zoals is opgemerkt112., hoeft het mededingingsverstorende karakter van een overeenkomst aldus niet prima facie of zonder twijfel vast te staan om een dergelijke overeenkomst als mededingingsbeperking naar strekking te kunnen kwalificeren. Het feit dat de Commissie diepgaande onderzoeken heeft moeten uitvoeren alvorens bepaalde gedragingen als mededingingsbeperkingen te kwalificeren, betekent dan ook niet dat het mededingingsverstorende karakter van dergelijke gedragingen niet voorzienbaar zou zijn voor de marktdeelnemers die daaraan deelnemen. Zoals de Commissie terecht aangeeft, klemt dat temeer daar de betrokken marktdeelnemers, in tegenstelling tot die autoriteit, die eerst de feiten dient te onderzoeken, volledig op de hoogte zijn van die feiten. In tegenstelling tot de Commissie wist Lundbeck in casu dus vanaf het begin dat haar in de litigieuze overeenkomsten opgenomen betalingen aan de generieke fabrikanten geen andere tegenprestatie hadden dan dat die fabrikanten ervan zouden afzien met hun producten tot de markt toe te treden.
206.
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat eveneens het derde onderdeel van het vijfde middel, net als derhalve dat middel in zijn geheel, dient te worden afgewezen.
2. Bevestiging door het gerecht van de berekening van de hoogte van de geldboeten (zesde middel)
207.
Met hun zesde middel voeren rekwirantes ten eerste aan dat het Gerecht een misslag heeft begaan door te bevestigen dat de Commissie bij de berekening van de hoogte van de aan Lundbeck opgelegde geldboeten rekening mocht houden met Lundbecks verkopen die niet door de litigieuze overeenkomsten konden zijn beïnvloed (onder a). Ten tweede menen rekwirantes dat het Gerecht de door de Commissie bij de berekening van de hoogte van de aan Lundbeck opgelegde geldboeten in aanmerking genomen factor voor de ernst ten onrechte heeft bevestigd (onder b).
a) Bij de berekening van de hoogte van de geldboeten in aanmerking genomen verkopen van lundbeck
208.
Uit de punten 68 en 70 tot en met 75 van het bestreden arrest en de overwegingen van het litigieuze besluit waarnaar daarin wordt verwezen113., blijkt dat de Commissie bij de berekening van de hoogte van de aan Lundbeck opgelegde geldboeten de algemene methode heeft gevolgd die is omschreven in de richtsnoeren bij de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (hierna: ‘richtsnoeren van 2006’)114., gebaseerd op de waarde van de verkopen van het betrokken product die door elke karteldeelnemer op de desbetreffende geografische markt zijn behaald. Zoals hierboven reeds is aangegeven115., heeft de Commissie voorts vier afzonderlijke geldboeten opgelegd aan Lundbeck, aangezien de zes litigieuze overeenkomsten werden geacht vier afzonderlijke inbreuken te vormen doordat de twee overeenkomsten tussen Lundbeck en Merck (GUK), net als de twee overeenkomsten tussen Lundbeck en Arrow, als één enkele en voortgezette inbreuk zijn aangemerkt.
209.
Derhalve heeft de Commissie bij de berekening van elke geldboete rekening gehouden met Lundbecks verkopen van citalopram op de geografische markten waarop elk van de vier inbreuken betrekking hebben.
210.
In het kader van het eerste onderdeel van het zesde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht door die methode voor de berekening van de hoogte van de geldboeten te bevestigen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
211.
Volgens rekwirantes heeft de Commissie ten onrechte al Lundbecks verkopen van citalopram die zij gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten heeft verricht op de geografische markten waarop die overeenkomsten betrekking hebben116. in de berekening van de hoogte van de geldboeten opgenomen, terwijl sommige van die verkopen niet door de betrokken overeenkomsten konden zijn beïnvloed. De reden hiervoor is dat de generieke fabrikanten gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten niet tot de markten van bepaalde lidstaten hebben kunnen toetreden, aangezien zij in een groot aantal van die lidstaten pas na het verstrijken van de overeenkomsten de afgifte van een VHB hebben verkregen en daarnaast het moleculeoctrooi voor citalopram gedurende een groot deel van de looptijd ervan nog van kracht was gebleven in Oostenrijk, daar het ginds pas in april 2003 is verstreken.
212.
Om de verkopen van een onderneming in aanmerking te kunnen nemen bij de berekening van de hoogte van een geldboete volgens de betrokken methode, dient de Commissie volgens rekwirantes evenwel te onderzoeken of die verkopen daadwerkelijk door de inbreuk zijn beïnvloed. Dat zou in casu hebben ingehouden dat diepgaand had moeten zijn onderzocht welke concrete perspectieven de generieke fabrikanten hadden om gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten daadwerkelijk toe te treden tot de markt van elke lidstaat waarop die overeenkomsten betrekking hadden. Indien de generieke fabrikanten gedurende de relevante periode niet tot de markt van een lidstaat konden toetreden, konden Lundbecks verkopen in die lidstaat immers evenmin door de litigieuze overeenkomsten zijn beïnvloed. Derhalve dienen alle verkopen die zijn behaald in perioden waarin de generieke fabrikanten in de betrokken lidstaten niet over een VHB beschikten of waarin het moleculeoctrooi voor citalopram in Oostenrijk nog van kracht was, van de bij de berekening van de hoogte van de geldboete gebruikte waarde van Lundbecks verkopen te worden uitgesloten.
213.
Het Gerecht heeft dat betoog in het bestreden arrest afgewezen door ten eerste in punt 804 van het bestreden arrest te oordelen dat, aangezien inbreuken naar strekking aan de orde waren, de Commissie zich bij de berekening van de hoogte van de geldboeten op de gehele geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten mocht baseren, zonder daarbij diepgaand te hoeven onderzoeken welke concrete perspectieven de generieke fabrikanten in elk van de betrokken lidstaten hadden om tot de markt toe te treden. Ten tweede heeft het Gerecht in punt 815 van het bestreden arrest uiteengezet dat het betrokken betoog diende te worden afgewezen omdat ermee zou worden miskend dat er een onderscheid is tussen daadwerkelijke mededinging en potentiële mededinging en dat artikel 101 VWEU net zo goed die laatste beschermt.
214.
Anders dan rekwirantes menen, wordt in die vaststellingen geen blijk gegeven van enige onjuiste rechtsopvatting.
215.
Rekwirantes voeren aan dat voor hun standpunt steun wordt gevonden in de punten 6 en 13 van de richtsnoeren van 2006 op grond waarvan ‘[d]e combinatie van de waarde van de verkopen in verband met de inbreuk en de duur van de inbreuk […] als een geschikte maatstaf [wordt] beschouwd waarin zowel de economische impact van de inbreuk tot uiting komt als het relatieve gewicht van elke onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen’, zodat de Commissie bij de toepassing van de betrokken berekeningsmethode uitgaat van ‘de waarde van de op de desbetreffende geografische markt […] verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk’117..
216.
Rekwirantes' betoog dat de gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten door Lundbeck verrichte verkopen van citalopram in de lidstaten die onder het toepassingsgebied ervan vallen, slechts verkopen ‘in verband met de inbreuk’ in de zin van die bepalingen kunnen vormen wanneer de generieke fabrikanten voor hun producten in elk van de betrokken lidstaten over een VHB beschikken, kan evenwel niet worden aanvaard. Hetzelfde kan gezegd worden van het betoog dat is gebaseerd op de vermeende onmogelijkheid, vanwege het bestaan van een octrooi ter bescherming van het WFB van dat geneesmiddel, om gedurende een deel van de looptijd van de overeenkomsten generiek citalopram in de handel te brengen in Oostenrijk.
217.
Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat punt 13 van de richtsnoeren van 2006 tot doel heeft om bij de berekening van de hoogte van de aan een onderneming op te leggen geldboete uit te gaan van een bedrag dat het economische belang van de inbreuk en het aandeel van deze onderneming daarin weerspiegelt. Ook al kan het in dat punt 13 bedoelde begrip ‘waarde van de verkopen’ beslist niet zo ruim worden opgevat dat het ook de verkopen van de onderneming in kwestie omvat die niet binnen de reikwijdte van het gelaakte kartel vallen, het zou dus strijdig zijn met het doel van deze bepaling indien dit begrip aldus werd uitgelegd dat het enkel ziet op de omzet die is gerealiseerd met verkopen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door dit kartel zijn beïnvloed.118.
218.
Door de bij de berekening van een geldboete alleen die verkopen in aanmerking te nemen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door een kartel zijn beïnvloed, zou het economische belang van de door een bepaalde onderneming gepleegde inbreuk immers op kunstmatige wijze worden geminimaliseerd en zou er uiteindelijk een geldboete worden opgelegd die niet in verhouding staat tot de omvang van de betrokken inbreuk.119.
219.
Dat is met name het geval omdat het beperken van de bij de berekening van de hoogte van een geldboete in aanmerking te nemen verkopen tot enkel de verkopen waarvan is vastgesteld dat zij daadwerkelijk door een kartel zijn beïnvloed, zou betekenen dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat een van de voornaamste doelstellingen van talloze kartels is om te komen tot een stabilisatie-effect dat naar zijn aard voordelig is voor alle activiteiten van de karteldeelnemers op de betrokken markt. Als het onrechtmatige doel van een kartel de hele markt bestrijkt, dienen ook alle op die markt gerealiseerde verkopen te worden meegenomen in de berekening van de hoogte van de geldboete.120.
220.
In casu waren de litigieuze overeenkomsten precies bedoeld, zoals de Commissie in overweging 1325 van het litigieuze besluit heeft vastgesteld en ter terechtzitting van de onderhavige zaak in herinnering heeft gebracht, om Lundbecks verkopen van citalopram in het geografische gebied waarop elk van de litigieuze overeenkomsten betrekking had, te beschermen.
221.
Zoals hierboven is geconstateerd, heeft Lundbeck met die overeenkomsten immers het risico weggenomen dat generieke fabrikanten tot alle betrokken markten zouden toetreden, door hen middels betalingen ertoe aan te zetten gedurende de overeengekomen perioden hun inspanningen te staken om met hun producten tot die markten toe te treden of voorbereidingen daartoe te treffen.121. Derhalve heeft Lundbeck met de litigieuze overeenkomsten de potentiële mededinging van de generieke fabrikanten ten aanzien van citalopram uitgeschakeld.122.
222.
Zoals het Gerecht in het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld, belet het feit dat een generieke fabrikant voor zijn product in een bepaalde lidstaat nog niet over een VHB beschikt, evenwel niet dat er potentiële mededinging bestaat tussen die fabrikant en een in het betrokken geografische gebied reeds actief initiërend farmaceutisch bedrijf. Bovendien heeft het Gerecht vastgesteld dat de generieke fabrikanten in casu niet alleen reeds lange tijd en in alle ernst hun markttoetreding aan het voorbereiden waren, maar daarenboven hetzij reeds over een VHB beschikten, hetzij stappen hadden gezet om er op korte of middellange termijn een te verkrijgen. Derhalve had elk van die generieke fabrikanten reële en concrete mogelijkheden om binnen een voldoende korte termijn teneinde concurrentiedruk op Lundbeck uit te oefenen die VHB's te verkrijgen en aldus tot de markt van citalopram in meerdere EER-landen toe te treden.123.
223.
Het feit dat het octrooi ter bescherming van de citaloprammolecule of van de oorspronkelijke werkwijzen voor de vervaardiging ervan gedurende een deel van de looptijd van de betrokken overeenkomsten in Oostenrijk nog van kracht was124., heeft evenmin belet dat er in die lidstaat op dat moment sprake was van potentiële mededinging. Een dergelijke potentiële mededinging kan immers spelen lang voordat een octrooi ter bescherming van de werkzame stof van een geneesmiddel is verstreken, aangezien de fabrikanten van generieke geneesmiddelen klaar willen zijn om tot de markt toe te treden op het moment dat dit octrooi verstrijkt.125. Dat geldt a fortiori in een geval als het onderhavige waarin de overeenkomsten relatief korte tijd vóór het verstrijken in Oostenrijk van het octrooi ter bescherming van citalopram zijn gesloten en sommige van de generieke fabrikanten op dat moment reeds van plan waren in dat land VHB's te verkrijgen. Alpharma heeft die VHB overigens verkregen tijdens de looptijd van haar overeenkomst met Lundbeck. De generieke fabrikanten beschikten derhalve, zelfs in de tijdspanne waarin het octrooi ter bescherming van de molecule van citalopram of de oorspronkelijke vervaardigingswerkwijzen ervan nog van kracht was in Oostenrijk terwijl de litigieuze overeenkomsten al waren gesloten, over reële en concrete mogelijkheden om de markt in die lidstaat te betreden binnen een termijn die voldoende kort was om concurrentiedruk op Lundbeck uit te oefenen.126.
224.
Aangezien Lundbeck door middel van de litigieuze overeenkomsten die concurrentiedruk heeft weggenomen voor al haar verkopen op de grondgebieden en gedurende de perioden waarop die overeenkomsten betrekking hebben, dienen derhalve ook al die verkopen te worden beschouwd als verkopen ‘in verband met de inbreuk’ in de zin van de punten 6 en 13 van de richtsnoeren van 2006.
225.
Zoals uit de hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt127., is het voor het in aanmerking nemen van verkopen bij de berekening van de hoogte van de aan een onderneming op te leggen geldboete immers niet doorslaggevend dat elke geboekte verkoop daadwerkelijk uit de betrokken mededingingsregeling voortkomt. Het is integendeel voldoende dat met deze regeling een vervalsing van de mededinging op de betrokken markt waar die verkopen hebben plaatsgevonden, werd beoogd of veroorzaakt. In een dergelijk geval moet in beginsel de totale op de betrokken markt behaalde verkoop bij de berekening van het bedrag van de geldboete in aanmerking worden genomen.128.
226.
Dat geldt onafhankelijk van de vraag of op een bepaalde markt de daadwerkelijke mededinging of, zoals in het onderhavige geval, de potentiële mededinging werd uitgeschakeld. Zoals het Gerecht heeft vastgesteld, zou er nooit daadwerkelijke mededinging plaatsvinden, of slechts met grote vertraging, indien het mogelijk zou zijn om concurrenten te betalen om hun voorbereidingsproces tot markttoetreding stop te zetten of te vertragen.129. Derhalve heeft de Commissie in de onderhavige zaak ter terechtzitting terecht betoogd dat het standpunt dat de geldboeten slechts kunnen worden opgelegd voor de periode waarvoor de Commissie kan aantonen dat de potentiële mededinging met zekerheid had kunnen uitmonden in daadwerkelijke mededinging, dient te worden afgewezen.
227.
Een dergelijk standpunt zou inderdaad volledig indruisen tegen de nuttige werking van artikel 101 VWEU, aangezien dat tot gevolg zou hebben dat ondernemingen de potentiële mededinging ongestraft zouden kunnen uitschakelen op grond dat niet zou zijn aangetoond dat de verkopen die zijn verricht op de markt waar die potentiële concurrentie is uitgeschakeld, daadwerkelijk door de betrokken inbreuk zijn beïnvloed en dus bij de berekening van de hoogte van de geldboete in aanmerking kunnen worden genomen.
228.
Dit gaat in casu des te meer op, daar het onmogelijk is te weten, zoals ook de Commissie in de onderhavige zaak terecht heeft opgemerkt ter terechtzitting, of het niet juist de litigieuze overeenkomsten zelf zijn die de generieke fabrikanten ertoe hebben aangezet om niet sneller de nodige stappen te ondernemen teneinde voor hun producten een VHB te verkrijgen in de lidstaten waarop die overeenkomsten betrekking hebben, dan wel of het geen andere initiatieven van Lundbeck zijn die de afgifte van dergelijke VHB's hebben vertraagd.130.
229.
Ten slotte zijn, anders dan rekwirantes stellen, de wijzen waarop de voor de berekening van de hoogte van de geldboeten in casu gebruikte waarde van Lundbecks verkopen zijn vastgesteld, evenmin onverenigbaar met de jurisprudentiële precedenten van het Gerecht in de zaken E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie131. en Telefónica/Commissie132..
230.
Aldus voeren rekwirantes ten eerste aan dat het Gerecht het onderscheid dat het in punt 816 van het bestreden arrest heeft gemaakt tussen de onderhavige zaak en de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, waarin is erkend dat juridische of feitelijke drempels elke mededinging gedurende een deel van de beoordelingsperiode verhinderden, niet voldoende heeft onderbouwd.133.
231.
Het Gerecht heeft in dat punt 816 van het bestreden arrest uiteengezet dat de omstandigheden van de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie niet vergelijkbaar waren met die van de onderhavige zaak, aangezien in de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie gedurende een deel van de beoordeelde periode zelfs zonder de mededingingsverstorende overeenkomst geen enkele mededinging mogelijk was vanwege een nationale wettelijke regeling waardoor er feitelijk een monopolie was ontstaan. In het onderhavige geval daarentegen hadden rekwirantes volgens het Gerecht niet aangetoond dat zonder de litigieuze overeenkomsten — zelfs potentiële — mededinging tussen hen en de generieke fabrikanten onmogelijk of onbestaand zou zijn geweest.
232.
Volgens rekwirantes wordt met die vaststellingen niet het argument weerlegd dat de generieke fabrikanten, net als de betrokken marktdeelnemers in de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, feitelijk zijn verhinderd met Lundbeck te concurreren op de markten van de lidstaten waar zij niet over VHB's beschikten. Zij stellen dat het argument dat de voorbereiding tot het verkrijgen van een VHB reeds wijst op het bestaan van potentiële mededinging, in dit verband niet kan worden aanvaard, daar de mogelijke voorbereidingen tot markttoetreding in de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie evenmin werden beschouwd als bewijs voor het bestaan van potentiële mededinging in een periode waarin een monopoliesituatie er nog aan in de weg stond dat de betrokken marktdeelnemers tot de betrokken markt zouden toetreden.134.
233.
Zoals de Commissie in wezen benadrukt, is een situatie waarin een wettelijke regeling of een feitelijke omstandigheid elke, zelfs potentiële, mededinging op een markt verhindert, evenwel niet vergelijkbaar met een situatie waarin een markt is opengesteld voor mededinging, zelfs wanneer de marktdeelnemers die tot die markt willen toetreden daarvoor moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden, zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van een VHB voor hun producten.
234.
In casu stond er, anders gesteld, geen enkele wettelijke regeling of feitelijke omstandigheid aan in de weg dat de generieke fabrikanten de stappen ondernamen om een VHB te verkrijgen en, eens zij erover beschikten, tot de betrokken markten toe te treden, terwijl de marktdeelnemers in de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, buiten hun wil om of welke stappen zij ook zouden ondernemen, rechtens of feitelijk verhinderd waren om tot de betrokken markten toe te treden, zolang de juridische of feitelijke markttoetredingsdrempels bleven bestaan. Het Gerecht heeft dus zowel rechtens genoegzaam uiteengezet als terecht geoordeeld dat het ontbreken van een VHB in casu helemaal niet hetzelfde is als een markttoetredingsdrempel waardoor elke, zelfs potentiële, mededinging is uitgesloten, zoals de desbetreffende drempels in de zaak E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie. Dat geldt eveneens voor de situatie in Oostenrijk, waar het oorspronkelijke octrooi, dat reeds op het punt stond te verstrijken, het bestaan van potentiële mededinging tussen de partijen om de hierboven uiteengezette redenen niet heeft verhinderd.135.
235.
Ten tweede kunnen de omstandigheden van de onderhavige zaak evenmin vergeleken worden met de eveneens door rekwirantes ingeroepen omstandigheden van de zaak Telefónica/Commissie. In die laatste zaak heeft het Gerecht met name geoordeeld dat niet vaststond dat alle bij de berekening van de hoogte van de geldboete in aanmerking genomen verkopen betrekking hadden op activiteiten waarvoor de partijen bij een overeenkomst potentiële concurrenten waren, zodat die vraag door de Commissie opnieuw moest worden onderzocht.136. In casu daarentegen hebben rekwirantes de bevindingen van het Gerecht waaruit blijkt dat Lundbeck en de generieke fabrikanten potentiële concurrenten van elkaar waren op alle markten die onder het toepassingsgebied van de litigieuze overeenkomsten vielen, niet ter discussie gesteld.137.
236.
Wat ten derde rekwirantes' argument betreft dat de gevolgen van een inbreuk zelfs in het geval van een inbreuk naar strekking relevant kunnen zijn voor de berekening van het bedrag van de geldboeten138., volstaat het vast te stellen dat de Commissie overeenkomstig punt 22 van de richtsnoeren van 2006 niet de gevolgen in aanmerking neemt, maar de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd, en dat in casu rekwirantes de bevindingen van het Gerecht waaruit blijkt dat de litigieuze overeenkomsten zijn geïmplementeerd, niet betwisten.139.
237.
Voorts is hoe dan ook geenszins aangetoond dat de litigieuze overeenkomsten in casu geen gevolgen hebben gehad gedurende de perioden waarin de generieke fabrikanten nog niet over VHB's voor hun producten beschikten. Dit is evenwel op zijn minst onduidelijk, aangezien het vaststaat dat die overeenkomsten precies bedoeld waren om de potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten gedurende de overeengekomen perioden uit te schakelen door hen ertoe aan te zetten hun inspanningen ter voorbereiding van hun markttoetreding, en dus ter verkrijging van een VHB, te staken.140.
238.
Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het zesde middel dient te worden afgewezen.
b) Mate van ernst die bij de berekening van de hoogte van de geldboeten in aanmerking is genomen
239.
Overeenkomstig de punten 19 en volgende van de richtsnoeren van 2006 wordt de vaststelling van het basisbedrag van de boete gelinkt aan een deel van de waarde van de verkopen dat wordt bepaald door de ernst van de inbreuk, die rekening houdend met alle relevante omstandigheden per geval wordt beoordeeld.
240.
Uit punt 72 van het bestreden arrest en de overwegingen van het litigieuze besluit waarnaar dat arrest verwijst141., blijkt dat de Commissie de inbreuken in dit geval als ‘ernstig’ heeft gekwalificeerd wegens het feit dat zij marktuitsluiting meebrachten, het hoge marktaandeel van Lundbeck voor de betrokken producten, de zeer ruime geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten en het feit dat al deze overeenkomsten waren geïmplementeerd. Uiteindelijk heeft de Commissie het bij de berekening van de hoogte van de geldboeten in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen vastgesteld op 11 % voor de inbreuken waarvan de draagwijdte de gehele EER was, dat wil zeggen voor de met Merck, Alpharma en Ranbaxy gesloten overeenkomsten, en op 10 % voor de inbreuk als gevolg van de met Arrow gesloten overeenkomsten die enkel op het Verenigd Koninkrijk en Denemarken betrekking hadden.142.
241.
In het kader van het tweede onderdeel van hun zesde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht misslagen heeft begaan door de aldus door de Commissie in aanmerking genomen factoren voor de ernst te aanvaarden.
242.
Alvorens naar dat betoog te kijken, dient in herinnering te worden gebracht dat enkel het Gerecht bevoegd is om na te gaan hoe de Commissie in elk afzonderlijk geval de ernst van de onrechtmatige gedragingen heeft beoordeeld. In hogere voorziening dient het Hof na te gaan of het Gerecht op een juridisch correcte wijze alle wezenlijke factoren in aanmerking heeft genomen om de ernst van een bepaald gedrag aan artikel 101 VWEU en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 te toetsen, en of het rechtens genoegzaam antwoord heeft gegeven op alle tot staving van het verzoek om opheffing of verlaging van de geldboete aangevoerde argumenten.143.
243.
Bovendien staat het niet aan het Hof, wanneer het zich in hogere voorziening uitspreekt over rechtsvragen, om zijn oordeel uit billijkheidsoverwegingen in de plaats te stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die aan ondernemingen zijn opgelegd. Het Hof kan dus pas vaststellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wanneer het van oordeel is dat de hoogte van de geldboete niet alleen niet passend is, maar ook zodanig overdreven dat de geldboete onevenredig is.144.
244.
In casu blijkt ten eerste uit de punten 796 tot en met 811 van het bestreden arrest evenwel dat het Gerecht alle wezenlijke factoren voor de beoordeling van de ernst van de betrokken inbreuken naar behoren in aanmerking heeft genomen, te weten de aard van mededingingsbeperkingen naar strekking, de ruime geografische draagwijdte en de implementering van die inbreuken alsook Lundbecks aanzienlijke marktaandeel, en dat het eveneens voldoende antwoord heeft gegeven op de door rekwirantes ingeroepen tegenargumenten, hetgeen die laatsten overigens niet betwisten.
245.
In het licht van de aldus in aanmerking genomen factoren, blijkt ten tweede dat de factoren voor de ernst waarmee de Commissie in casu rekening heeft gehouden en die door het Gerecht zijn aanvaard, geenszins onevenredig zijn, te meer daar, zoals het Gerecht in punt 806 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld, die factoren voor de ernst zich onderin in de bandbreedte bevinden waarin punt 21 van de richtsnoeren van 2006 voorziet.
246.
De door rekwirantes in het kader van de onderhavige hogere voorziening aangedragen argumenten kunnen aan die overwegingen niet afdoen.
247.
Zo voeren rekwirantes ten eerste aan dat het Gerecht, door de door de Commissie vastgestelde factoren voor de ernst te bevestigen, niet naar behoren rekening heeft gehouden met de geografische draagwijdte van de betrokken inbreuken, aangezien die draagwijdte beperkt was vanwege het feit dat een deel van de markten van de EER-landen in werkelijkheid gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten niet toegankelijk was voor generieke fabrikanten. Uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel blijkt echter dat dit betoog op onjuiste premissen is gebaseerd.145.
248.
Ten tweede stellen rekwirantes dat voor de ernst een aanzienlijk lagere factor in aanmerking had moeten worden genomen, aangezien de betrokken inbreuken niet beantwoordden aan de definitie van ‘mededingingsregelingen’. Uit de overwegingen hierboven blijkt evenwel dat die inbreuken bestonden uit overeenkomsten die bedoeld waren om concurrenten te betalen opdat zij buiten de markt zouden blijven en dat Lundbeck niet onkundig kon zijn van het mededingingsverstorende karakter van een dergelijke handelwijze.146. Dus los van de vraag wat rekwirantes onder ‘definitie van mededingingsregelingen’ verstaan, zie ik niet in waarom voor dat soort gedrag een lagere factor voor de ernst had moeten zijn vastgesteld.
249.
Uit deze overwegingen volgt dat ook het tweede onderdeel van het zesde middel, net als derhalve dat middel in zijn geheel, dient te worden afgewezen.
C. Conclusie
250.
Aangezien geen enkel van de door rekwirantes aangevoerde middelen kan slagen, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
V. Kosten
251.
Overeenkomstig artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer het de hogere voorziening afwijst.
252.
Allereerst wordt, ingevolge artikel 138, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd; indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Hof het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie. Rekwirantes hebben de hogere voorziening gezamenlijk ingesteld en zullen die kosten dan ook hoofdelijk dragen.
253.
Voorts kan het Hof, overeenkomstig artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering, beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelingen behandeling bij het Hof heeft deelgenomen, haar eigen kosten zal dragen. Aangezien de EFPIA aan de schriftelijke en mondelinge behandeling van de onderhavige hogere voorziening heeft deelgenomen, dient zij dus te worden verwezen in haar eigen kosten.
254.
Ten slotte volgt uit artikel 140, lid 1, juncto artikel 184, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dat de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen. Derhalve dient te worden beslist dat het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten zal dragen.
VI. Conclusie
255.
Op basis van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- ‘1.
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2.
H. Lundbeck A/S en Lundbeck Ltd zullen hoofdelijk hun eigen kosten en de kosten van de Europese Commissie dragen.
- 3.
De European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zullen elk hun eigen kosten dragen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑06‑2020
Oorspronkelijke taal: Frans.
Zie in die zin overwegingen 9 en 10 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), en arresten van 3 december 1998, Generics (UK) e.a. (C-368/96, EU:C:1998:583, punt 4), en 16 oktober 2003, AstraZeneca (C-223/01, EU:C:2003:546, punten 42 en 52); zie ook arrest van het Gerecht van 15 september 2015, Novartis Europharm/Commissie (T-472/12, EU:T:2015:637, punten 62 en 63), en mijn conclusie in de zaak Warner-Lambert Company (C-423/17, EU:C:2018:822, punten 1 e.v.).
Arresten van 31 oktober 1974, Centrafarm en De Peijper (15/74, EU:C:1974:114, punt 9); 18 februari 1992, Commissie/Italië (C-235/89, EU:C:1992:73, punt 17); 27 oktober 1992, Generics en Harris Pharmaceuticals (C-191/90, EU:C:1992:407, punt 23), en 5 december 1996, Merck en Beecham (C-267/95 en C-268/95, EU:C:1996:468, punten 30 en 31).
Arrest van 25 februari 1986, Windsurfing International/Commissie (193/83, EU:C:1986:75, punten 89 en 92).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 52 en 81); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 67–75).
Zie overwegingen 5 en 81 van besluit C (2013) 3803 final van de Commissie van 19 juni 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39226 — Lundbeck) (hierna: ‘litigieus besluit’).
Arrest van het Gerecht van 8 september 2016, Lundbeck/Commissie (T-472/13, EU:T:2016:449) (hierna: ‘bestreden arrest’). Naast het bestreden arrest heeft het litigieuze besluit aanleiding gegeven tot de arresten van het Gerecht van 8 september 2016, waartegen eveneens hogere voorziening is ingesteld, in de zaken Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (T-460/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:453; zaak C-586/16 P, aanhangig); Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (T-467/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:450; zaak C-601/16 P, aanhangig); Generics (UK)/Commissie (T-469/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:454; zaak C-588/16 P, aanhangig); Merck/Commissie (T-470/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:452; zaak C-614/16 P, aanhangig), en Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (T-471/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:460; zaak C-611/16 P, aanhangig).
C-307/18, EU:C:2020:52.
Zie besluit van de Commissie C (2014) 4955 final van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU [zaak AT.39612 — Périndopril (Servier)]; dat besluit heeft aanleiding gegeven tot de arresten van het Gerecht van 12 december 2018, waartegen inmiddels hogere voorziening is ingesteld, in de zaken Biogaran/Commissie (T-677/14, EU:T:2018:910; zaak C-207/19 P, aanhangig); Teva UK e.a./Commissie (T-679/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:919; zaak C-198/19 P, aanhangig); Lupin/Commissie (T-680/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:908; zaak C-144/19 P, aanhangig); Mylan Laboratories en Mylan/Commissie (T-682/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:907; zaak C-197/19 P, aanhangig); Krka/Commissie (T-684/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:918; zaak C-151/19 P, aanhangig); Servier e.a./Commissie (T-691/14, EU:T:2018:922; zaken C-176/19 P en C-201/19 P, aanhangig); Niche Generics/Commissie (T-701/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:921; zaak C-164/19 P, aanhangig), en Unichem Laboratories/Commissie (T-705/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:915; zaak C-166/19 P, aanhangig).
Punt 1 van het bestreden arrest.
Bedoeld in verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB 1992, L 182, blz. 1), inmiddels vervangen door verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB 2009, L 152, blz. 1).
Punten 15–17 van het bestreden arrest.
Punten 18–21 van het bestreden arrest; de litigieuze octrooien zijn respectievelijk verleend door het EOB in 2001 (amide) en in 2003 (jodium), alsook in meerdere lidstaten en door het EOB in 2002 (kristallisatie). Ten slotte is het octrooi voor de vervaardiging van citalopram door middel van filmdestillatie in 2001 verleend in het Verenigd Koninkrijk en in 2004 ingetrokken, en is een vergelijkbaar octrooi in 2002 verleend in Denemarken.
Punt 22 van het bestreden arrest.
Punten 3, 4 en 25–29 van het bestreden arrest.
Punten 30 en 31 van het bestreden arrest.
Punten 5–8 en 33–36 van het bestreden arrest.
Punten 37–39 van het bestreden arrest.
Punten 9–11 en 40–45 van het bestreden arrest.
Punten 12–14 en 46–48 van het bestreden arrest.
Punten 71 en 75 van het bestreden arrest.
Zie hierboven voetnoot 7 van de onderhavige conclusie.
C-591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:967.
C-591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:532.
Zie hierboven voetnoot 7 van de onderhavige conclusie.
C-307/18, EU:C:2020:52.
Zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 30–32), en mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 127 van het bestreden arrest en, voor de respectievelijke data van de goedkeuring van de octrooien en sluiting van de litigieuze overeenkomsten, hierboven punten 9 en 11–17 van de onderhavige conclusie.
Zie punten 120-122, 128, 130 en 132 van het bestreden arrest.
Arresten van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie (C-373/14 P, EU:C:2016:26, punten 31, 32 en 34), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 45); zie ook arresten van het Gerecht van 28 juni 2016, Portugal Telecom/Commissie (T-208/13, EU:T:2016:368, punt 181), en Telefónica/Commissie (T-216/13, EU:T:2016:369, punt 221).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 36 en 37); zie ook in die zin arrest van 28 februari 1991, Delimitis (C-234/89, EU:C:1991:91, punt 21); wat betreft de voorwaarden voor een onderneming om door de Commissie als een potentiële concurrent te worden aangemerkt, zie arresten van het Gerecht van 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie (T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, EU:T:1998:198, punt 137); 14 april 2011, Visa Europe en Visa International Service/Commissie (T-461/07, EU:T:2011:181, punten 68, 166 en 167), en 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332, punten 85 en 86); zie ook punt 10 van de richtsnoeren van de Commissie inzake de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (PB 2011, C 11, blz. 1).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 34 en 46).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 48).
Arrest van het Gerecht van 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie (T-321/05, EU:T:2010:266, punt 362).
Zie punt 121 van het bestreden arrest; zie ook arrest van het Gerecht van 12 december 2018, Servier e.a./Commissie (T-691/14, EU:T:2018:922, punt 359).
Zie op dat punt alleen al mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 67).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 52 en 81); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 73 en 74).
Zie punten 117, 119, 390 en 487 van het bestreden arrest.
Arresten van 31 oktober 1974, Centrafarm en De Peijper (15/74, EU:C:1974:114, punt 9); 18 februari 1992, Commissie/Italië (C-235/89, EU:C:1992:73, punt 17); 27 oktober 1992, Generics en Harris Pharmaceuticals (C-191/90, EU:C:1992:407, punt 23), en 5 december 1996, Merck en Beecham (C-267/95 en C-268/95, EU:C:1996:468, punten 30 en 31).
Arrest van 25 februari 1986, Windsurfing International/Commissie (193/83, EU:C:1986:75, punten 89 en 92).
Zie op dat punt mijn conclusie in de zaak Warner-Lambert Company (C-423/17, EU:C:2018:822, punt 57).
Zie punten 124–129 van het bestreden arrest.
Zie op dat punt al mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 40–42 en 72).
Zie op dat punt al mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 125).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 50); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punt 83).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 51); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 84 en 85).
Zie arrest van het Gerecht van 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie (T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, EU:T:1998:198, punt 139), ingeroepen door rekwirantes, en arrest van het Gerecht van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332, punt 89).
Zie punt 162 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met name met de punten 120–132 van dat arrest.
PB 2014, C 89, blz. 3.
Zie beschikking van 29 september 2010, EREF/Commissie (C-74/10 P en C-75/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2010:557, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 44); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punt 88).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 54 e.v.); zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 86 en 87).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 42, 56 en 57); zie ook arresten van het Gerecht van 14 april 2011, Visa Europe en Visa International Service/Commissie (T-461/07, EU:T:2011:181, punt 169), en 12 december 2018, Servier e.a./Commissie (T-691/14, EU:T:2018:922, punten 342 e.v.), en mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 60, 86, 87 en 94).
Zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie (C-603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72).
Arresten van 25 januari 2007, Dalmine/Commissie (C-407/04 P, EU:C:2007:53, punten 49 en 63), en 27 april 2017, FSL e.a./Commissie (C-469/15 P, EU:C:2017:308, punt 38); zie ook mijn conclusie in de zaak FSL e.a./Commissie (C-469/15 P, EU:C:2016:884, punten 30 e.v.).
Beschikking van 12 juni 2019, OY/Commissie (C-816/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:486, punt 4 [6]); alsook arresten van het Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie (T-25/95, T-26/95, T-30/95–T-32/95, T-34/95–T-39/95, T-42/95–T-46/95, T-48/95, T-50/95–T-65/95, T-68/95–T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, EU:T:2000:77, punt 1053); 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie (T-655/11, EU:T:2015:383, punt 183), en 14 maart 2018, Kim e.a./Raad en Commissie (T-533/15 en T-264/16, EU:T:2018:138, punt 224).
Zie met name punten 122 en 126 van het bestreden arrest, alsook overwegingen 149 en 157 en voetnoten 292 en 322 van het litigieuze besluit.
Zie in die zin arresten van het Gerecht van 27 september 2006, Archer Daniels Midland/Commissie (T-59/02, EU:T:2006:272, punt 277); 8 juli 2008, Lafarge/Commissie (T-54/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:255, punt 379); 11 juli 2014, Esso e.a./Commissie (T-540/08, EU:T:2014:630, punt 75), en 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie (T-655/11, EU:T:2015:383, punt 208).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 53); zie op dat punt ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 89–93).
Zie hierboven punten 44–64, en in het bijzonder punten 55–58 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punten 86–93 van deze conclusie.
Zie in het bijzonder punt 171 van het bestreden arrest.
Zie punten 313 en 314 van het bestreden arrest.
Zie hierboven voetnoot 2 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 179 van het bestreden arrest en specifiek betreffende Merck (GUK), punten 172, 230 en 231 van het bestreden arrest; betreffende Arrow, punten 173, 174, 246, 249 en 269 van het bestreden arrest; betreffende Alpharma, punten 175, 176 en 290 van het bestreden arrest, en betreffende Ranbaxy, punten 177, 178 en 312–326 van het bestreden arrest.
Zie hierboven punt 33 van de onderhavige conclusie.
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52).
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie met name punt 335 van het bestreden arrest.
Zie met name punten 352, 358–360, 363, 369, 401, 412, 414, 425, 428, 431 en 490 van het bestreden arrest.
Zie punten 478–500, en specifiek punten 491 en 495 van het bestreden arrest.
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 78, 81, 83-89, 92, 93, 97, 100 en 102); zie op die punten eveneens mijn conclusie in die zaak (EU:C:2020:28, punten 108–120 en 130–140).
Arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 85–95).
Zie met name punten 361, 363, 414, 430 en 431 van het bestreden arrest.
Arresten van 7 februari 2013, Slovenská sporiteľňa (C-68/12, EU:C:2013:71, punt 20), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 88).
Zie in die zin punt 387 van het bestreden arrest en het arrest van het Gerecht van 27 juli 2005, Brasserie nationale e.a./Commissie (T-49/02–T-51/02, EU:T:2005:298, punt 81).
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie hierboven punt 33 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punten 66–113 van de onderhavige conclusie (onderzoek van het vierde middel van hogere voorziening betreffende het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten).
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 100).
Zie op dat punt mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 121–129).
Zie met name punten 363, 369, 390, 401, 429 en 474 van het bestreden arrest.
Arrest van 30 januari 2020 (C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie hierboven punt 33 van de onderhavige conclusie.
Ofschoon de verwijzende rechter in de zaak Generics (UK) e.a. zich heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de betrokken overeenkomsten in die zaak de betrokken generieke fabrikanten verboden hun betwisting van het betrokken octrooi gedurende de overeengekomen periode voort te zetten, kan niet definitief worden uitgemaakt dat die overeenkomsten uitdrukkelijke bedingen bevatten op grond waarvan de geldigheid van dat octrooi niet mocht worden aangevochten (zie punten 13, 14 en 21 van het arrest van het Hof in die zaak van 30 januari 2020, C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie punten 23–48 van het bestreden arrest.
Zie op dat punt met name hierboven punten 49–58 en 140 van de onderhavige conclusie.
Zie in dat verband, specifiek met betrekking tot de tussen Lundbeck en Merck (GUK) gesloten overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk, punten 574–576 van het bestreden arrest.
Zie punten 427, 486-488, 498, 769 en 770 van het bestreden arrest.
Arresten van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke (65/86, EU:C:1988:448, punten 14–16), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 80); zie ook mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 133).
Arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie (56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 519); 18 februari 1971, Sirena (40/70, EU:C:1971:18, punt 9); 8 juni 1982, Nungesser en Eisele/Commissie (258/78, EU:C:1982:211, punt 28); 25 februari 1986, Windsurfing International/Commissie (193/83, EU:C:1986:75, punt 46); 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke (65/86, EU:C:1988:448, punt 16), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 49, 79, 81 en 82); zie ook mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 108–112).
Zie voor een analyse van die arresten voetnoot 84 van mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28). Het arrest van 8 juni 1982, Nungesser en Eisele/Commissie (258/78, EU:C:1982:211, punten 56–58), dat eveneens door rekwirantes wordt aangevoerd en niet in die voetnoot wordt besproken, levert geen andere slotsom op aangezien daarin louter inzake kwekersrechten wordt bevestigd dat in specifieke gevallen de verlening van een exclusieve licentie in overeenstemming kan zijn met [het huidige artikel 101 VWEU].
Zie punten 354, 360, 383, 384, 412, 475, 497, 718 en 835 van het bestreden arrest.
Zie arrest van 11 september 2014, CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie ook mijn conclusie in de zaken T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:110, punten 38 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 158), alsook de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punten 40 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak), en die van advocaat-generaal Bobek in de zaak Budapest Bank e.a. (C-228/18, EU:C:2019:678, punt 46).
Zie beschikking van 12 maart 2020, EMB Consulting e.a./ECB (C-571/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:208, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In het kader van dat onderzoek heeft het Gerecht in punt 569 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie rechtens niet genoegzaam had aangetoond dat de beperkingen in de overeenkomst tussen Merck (GUK) en Lundbeck voor het Verenigd Koninkrijk (punt 12 van de onderhavige conclusie en de punten 25–29 van het bestreden arrest) verder gingen dan de beschermingsomvang van Lundbecks octrooien. Het Gerecht heeft in de punten 570–577 van het bestreden arrest evenwel geoordeeld dat die vaststelling geen gevolgen kon hebben voor de rechtmatigheid van het litigieuze besluit, omdat de betrokken overeenkomst ten eerste hoe dan ook mededingingsverstorend was en er ten tweede voor Merck (GUK) wegens de bepalingen van die overeenkomst, bezien in hun context, hoe dan ook geen prikkel meer was om citalopram in de vorm van het WFB bij derden in te kopen of om ander citalopram in de vorm van eindproducten te verkopen dan die van Lundbeck, ook al stond dit haar op grond van die overeenkomst in beginsel vrij.
Zie punten 354, 515, 801 en 840 van het bestreden arrest.
Zie hierboven punt 69 van de onderhavige conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook, wat de uitlegging van de bewoordingen van de litigieuze overeenkomsten betreft, arrest van 29 oktober 2015, Commissie/ANKO (C-78/14 P, EU:C:2015:732, punt 23).
Zie hierboven punten 132–143 en 150–157 van de onderhavige conclusie.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Zie arrest van 18 juni 2013, Schenker & Co. e.a. (C-681/11, EU:C:2013:404, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name hierboven punten 133 en 152 van de onderhavige conclusie.
Zie met name punt 368 (‘de bewijzen die dateren van ten tijde van de litigieuze overeenkomsten tonen aan dat rekwirantes ‘een grote stapel [dollarbiljetten]’ wilden gebruiken om de generieken van de markt uit te sluiten’), of ook nog de punten 524, 528 en 839 van het bestreden arrest (vaststelling dat uit feitelijke elementen is gebleken dat er sprake is van een strategie van Lundbeck om de markttoetreding van generieken te vertragen: de litigieuze overeenkomsten maakten daarvan deel uit).
Arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 217 en 218).
Zie hierboven punten 182 en 184 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punt 133 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punt 152 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punten 156 en 157 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 219), eveneens aangehaald in punt 767 van het bestreden arrest.
Zie aangehaalde rechtspraak hierboven in punt 176 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punt 157 van de onderhavige conclusie.
Overwegingen 1316–1358 van het litigieuze besluit.
PB 2006, C 210, blz. 2.
Zie hierboven punt 19 van de onderhavige conclusie.
Zie voor de respectievelijke geografische toepassingsgebieden van de litigieuze overeenkomsten de punten 12–17 van de onderhavige conclusie.
Cursivering van mij.
Zie arresten van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie (C-444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 76); 12 november 2014, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (C-580/12 P, EU:C:2014:2363, punt 57); 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2015:184, punt 148); 23 april 2015, LG Display en LG Display Taiwan/Commissie (C-227/14 P, EU:C:2015:258, punt 53), en 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:631, punt 19); zie ook mijn conclusie in de zaak Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:258, punten 26 en 31–33).
Zie in die zin arresten van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie (C-444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 77); 12 november 2014, Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (C-580/12 P, EU:C:2014:2363, punt 58), en 9 juli 2015, InnoLux/Commissie (C-231/14 P, EU:C:2015:451, punt 62); zie ook mijn conclusie in de zaak Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:258, punt 34).
Zie in die zin arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:631, punt 22), en mijn conclusie in de zaak Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:258, punt 35).
Zie hierboven punt 133 van de onderhavige conclusie.
Zie met name hierboven punten 140 en 141 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punten 101–112 van de onderhavige conclusie.
In overweging 109 van het litigieuze besluit heeft de Commissie erop gewezen dat in Oostenrijk het oorspronkelijke octrooi niet de citaloprammolecule, maar enkel de oorspronkelijke werkwijzen voor de vervaardiging ervan beschermde, waardoor generieke fabrikanten in beginsel na afloop van de wettelijke gegevensbescherming (zie inzake het rechtskader in dat verband arrest van 28 juni 2017, Novartis Europharm/Commissie, C-629/15 P en C-630/15 P, EU:C:2017:498, punten 2 e.v.) tot de markt hadden kunnen toetreden indien zij een andere industrieel exploiteerbare productiewerkwijze hadden ontdekt. In de overwegingen 111 en 827 en in voetnoot 1124 van het litigieuze besluit verwijst de Commissie evenwel naar de bescherming van de molecule in Oostenrijk en over het algemeen lijkt de Commissie ervan te zijn uitgegaan dat de bescherming van het oorspronkelijke octrooi in Oostenrijk pas afliep in 2003 (zie met name voetnoot 644 van het litigieuze besluit).
Zie in dat verband punt 163 van het bestreden arrest en de arresten van het Hof van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie (C-457/10 P, EU:C:2012:770, punt 108), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 51); zie ook mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 76 en 84).
Zie met betrekking tot dit criterium om te bepalen of er ondanks het bestaan van een octrooi sprake is van potentiele mededinging, punt 59 hierboven van deze conclusie. Zie inzake de verkrijging van een VHB in Oostenrijk door de generieke fabrikanten, punten 176 en 227 van het bestreden arrest.
Zie de aangehaalde rechtspraak in de punten 217–219 van de onderhavige conclusie.
Zie op dat punt alleen al mijn conclusie in de zaak Pilkington Group e.a./Commissie (C-101/15 P, EU:C:2016:258, punt 36).
Punt 171 van het bestreden arrest.
Zie in dat verband overweging 171 van het litigieuze besluit.
Arrest van 29 juni 2012 (T-360/09, EU:T:2012:332).
Arrest van 28 juni 2016 (T-216/13, EU:T:2016:369).
Zie arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332, punten 88 e.v.).
Arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie (T-360/09, EU:T:2012:332, punten 90–93).
Zie hierboven punt 223 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest van 28 juni 2016, Telefónica/Commissie (T-216/13, EU:T:2016:369, punten 290 e.v.).
Zie hierboven punten 37–113 van de onderhavige conclusie (onderzoek van rekwirantes' vierde middel ontleend aan het ontbreken van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de generieke fabrikanten).
Rekwirantes baseren zich dienaangaande op punt 31 van het arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343).
Zie punten 399 en 805 van het bestreden arrest.
Zie hierboven punt 133 van de onderhavige conclusie. Zie op dat punt ook mijn conclusie in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punten 196–199).
Overwegingen 1331 en 1332 van het litigieuze besluit.
Zie hierboven punten 12–17 van de onderhavige conclusie.
Arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, EU:C:1998:608, punt 128); 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 244), en 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie (C-99/17 P, EU:C:2018:773, punt 192).
Arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, EU:C:1998:608, punt 129); 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 245); 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C-70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 57), en 26 januari 2017, Villeroy & Boch Oostenrijk/Commissie (C-626/13 P, EU:C:2017:54, punt 86).
Zie met name hierboven punten 211, 212, 222, 223, 228, 233 en 234 van de onderhavige conclusie.
Zie hierboven punten 133, 181–190 en 196–202 van de onderhavige conclusie.