Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.1:6.1 Inleiding
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS598851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de meeste uitkoopprocedures staat de uitkoopprijs centraal. Over de ontvankelijkheid van de uitkoper bestaat zelden discussie. Toch is het een belangrijk aspect van de uitkoopregeling.
Met name voor de niet verschenen gedaagden in een uitkoopprocedure is het van belang dat de uitkoper is wie hij is en heeft wat hij heeft. In verstekzaken onderzoekt de OK dan ook ambtshalve of de uitkoper aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet (§ 6.3.5 sub a).
Voor toepassing van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW moet een uitkoper alleen, of samen met een groepsmaatschappij (§ 6.2.4), voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in de doelvennootschap verschaffen. Daarnaast geldt voor de regeling van art. 2:201a BW dat hij ook minimaal 95% van de stemrechten in de algemene vergadering moet kunnen uitoefenen. In § 6.3 en § 6.4 bespreek ik de wijze van berekening van het kapitaal-en stemrechtvereiste en de stukken die de uitkoper hiervoor over moet leggen.
De bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW kent – anders dan de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW – een uitkooprecht per soort. De uitkoper kan alleen een vordering instellen ten aanzien van de soort waarvoor hij aan het kapitaal- en stemrechtvereiste voldoet. De toepassing van het uitkooprecht per soort roept een aantal specifieke vragen op. Deze beantwoord ik afzonderlijk in § 6.5. De hoogte en de wijze van berekening van het kapitaal-en stemrechtvereiste zijn vergelijkbaar met die van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW.
Tot slot stelt het tweede lid van art. 2:359a BW met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten en certificaathouders voor toepassing van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW gelijk met aandelen en aandeelhouders (§ 6.2.3). Dit betekent dat ook een certificaathouder het recht van uitkoop op grond van art. 2:359c BW toekomt en dat een dergelijke vordering bovendien betrekking kan hebben op bewilligde certificaten. De toepassing van het uitkooprecht voor de certificaathouder, waaronder de berekening van het kapitaal- en stemrechtvereiste, komen in § 6.3.4, § 6.4.4 en § 6.5.3 aan de orde.