Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.4.c
4.4.c Karakter van de toegangsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604693:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. EHRM 16 oktober 2012, nr. 21124/04 (Tsonyo Tsonev/Bulgarije).
Zie uitzonderlijk en casuïstisch EHRM 31 maart 2015, nr. 9935/06 & 23339/06 (Nalbandyan/Armenië) (advocaat wel of niet gemachtigd cassatie in te stellen?).
Vgl. het Hof in EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië): “The Rome Court of Appeal, as is readily understandable, was empowered to rule solely on those aspects of the decision referred to in the grounds of appeal.” De beoordeling van klachten door het EHRM hangt niet alleen wat betreft ontvankelijkheid van klachten bij het Hof zelf (uitputting nationale rechtsmiddelen), maar ook materieel samen met de vraag of de verdachte bezwaren heeft opgeworpen. Heeft een klager voor nationale gerechten zijn standpunten of wensen niet naar voren gebracht, dan ligt schending van 6 EVRM minder voor de hand, zie bijv. EHRM 22 november 1995, nr. 19178/91 (Bryan/Verenigd Koninkrijk) (full jurisdiction); EHRM 10 juni 2010 (ontv.), nr. 27841/07 (Orams/Cyprus) (civiel) (oral hearing); EHRM 7 december 2010, nr. 18381/05 (Mishgjoni/Albanië) (civiel) (motivering); EHRM 17 maart 2015, nr. 11993/05 (Qeska/Albanië) (motivering).
ECRM 3 december 1997 (ontv.), nr. 28941/95 (Lupander/Finland); ECRM 3 december 1997 (ontv.), nr. 29400/95 (M.L./Finland); EHRM 21 augustus 2002, nr. 28856/95 (Jokela/ Finland) (civiel); EHRM 12 februari 2004, nr. 47287/99, NJ 2005, 12 (Perez/Frankrijk) (civiel); EHRM 22 september 2009, nr. 13566/06 (Kari-Pekka Pietiläinen/Finland); EHRM 11 oktober 2011, nr. 36755/06 (Fomin/Moldavië); EHRM 15 maart 2016, nr. 39966/09, AB 2016/132, m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Gillissen/Nederland) (civiel); zie ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 429.
EHRM 22 februari 2007, nr. 12365/03 (Krasulya/Rusland); EHRM 5 mei 2011, nr. 6642/05 (Ilyadi/Rusland); EHRM 26 juli 2011, nr. 35485/05, 45553/05, 35680/05 & 36085/05, EHRC 2011/141, m.nt. Van Kampen (Huseyn e.a./Azerbeidjan).
EHRM (GK) 21 januari 1999, nr. 30544/96, NCJM-bull. 1999, p. 763-770, m.nt. Lawson (Garciá Ruiz/Spanje); EHRM (GK) 12 februari 2004, nr. 47287/99 (Perez/Frankrijk); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland).
Zie voor argumenten voor deze houding Lawson 1999, p. 51-54.
EHRM 27 mei 2010, nr. 847/05 (Berhani/Albanië); EHRM 13 december 2011, nr. 20883/09 (Ajdarić/Kroatië); EHRM 7 februari 2012, nr. 20134/05 (Alimucaj/Albanië).
Zie bijv. EHRM 6 september 2005, nr. 65518/01 (Salov/Oekraïne) (toepassing nationaal recht); EHRM 27 mei 2010, nr. 847/05 (Berhani/Albanië) (bewijsbeslissing); zie zeer uitgebreid, met name over conflict van rechtspraak, EHRM (GK) 20 oktober 2012, nr. 13279/05, NJ 2012/563, m.nt. Alkema (Şahin & Şahin/Turkije); vgl. onder het IVBPR, CRM 19 maart 2010, nr. 1523/2006 (Tiyagarajah/Sri Lanka) en General Comment 2007/32, nr. 26.
Bratza & Pavlovschi onder EHRM 8 april 2008, nr. 7170/02 (Grădinar/Moldavië); Bratza, Garlicki & David Thór Björgvinsson onder EHRM 18 mei 2010, nr. 36552/02, EHRC 2010/87 (Vetrenko/Moldavië); López Guerra onder EHRM 15 januari 2013, nr. 50054/07 (Mitrofan/Moldavië).
Expliciet in EHRM 17 juni 2008, nr. 81/04 (Victor Savitchi/Moldavië); zie ook EHRM 8 april 2008, nr. 7170/02 (Grădinar/Moldavië); EHRM 26 juli 2011, nr. 35485/05, 45553/05, 35680/05 & 36085/05, EHRC 2011/141, m.nt. Van Kampen (Huseyn e.a./Azerbeidjan); EHRM 11 oktober 2011, nr. 36755/06 (Fomin/Moldavië), zie nader paragraaf 4.4e.
EHRM 22 februari 2007, nr. 12365/03 (Krasulya/Rusland); EHRM 5 mei 2011, nr. 6642/05 (Ilyadi/Rusland).
EHRM 12 februari 2004, nr. 47287/99, NJ 2005/12 (Perez/Frankrijk) (civiel); EHRM 18 mei 2010, nr. 36552/02, EHRC 2010/87 (Vetrenko/Moldavië).
EHRM 18 mei 2010, nr. 36552/02, EHRC 2010/87 (Vetrenko/Moldavië).
EHRM 18 mei 2010, nr. 36552/02, EHRC 2010/87 (Vetrenko/Moldavië); zie voor nog concretere toetsing ook EHRM 26 juli 2011, nr. 35485/05, 45553/05, 35680/05 & 36085/05, EHRC 2011/141, m.nt. Van Kampen (Huseyn e.a./Azerbeidzjan), waarin overigens op meer punten schendingen werden vastgesteld.
Zie EHRM 5 mei 2011, nr. 6642/05 (Ilyadi/Rusland) (centrale getuige-infiltrant blijkt – lijkt? – niet te bestaan).
EHRM 18 mei 2010, nr. 36552/02, EHRC 2010/87 (Vetrenko/Moldavië); EHRM 5 mei 2011, nr. 6642/05 (Ilyadi/Rusland); EHRM 11 oktober 2011, nr. 36755/06 (Fomin/Moldavië); EHRM 15 januari 2013, nr. 50054/07 (Mitrofan/Moldavië).
EHRM 15 oktober 2013 (ontv.), nr. 1867/06 (Moldovan/Roemenië).
Paragraaf 4.2d.
EHRM 24 november 2015 (ontv.), nr. 45234/08 (Bărză e.a./Roemenië).
Een wezenlijk verschil tussen het recht op beroep en het recht op een eerlijk proces is dat laatstgenoemd recht nauwelijks de inhoud van het onderzoek naar een strafzaak in beroep normeert. Artikel 6 EVRM stelt vooral eisen aan de procedure, niet zozeer aan de aard van de beoordeling door de rechter. Concreet bepaalt artikel 6 EVRM dus niet of de beoordeling in beroep feitelijk en/of juridisch van aard moet zijn,1 welke omvang de beoordeling in beroep dient te hebben en van welke documenten kennis moet worden genomen.2 Ook wordt niets vereist ten aanzien van de kwestie of in de beroepsprocedure (ambtshalve beoordeling van) de tenlastelegging dan wel grieven centraal moeten staan.3 Op dit uitgangspunt bestaat één, lastig te duiden uitzondering: het recht op proper examination van standpunten en grieven.
Artikel 6 EVRM garandeert dat de procespartijen mondeling of schriftelijk standpunten over de rechtszaak aan een gerecht kunnen overleggen. Na introductie in civiele zaken, bepaalt het EHRM thans ook ten aanzien van strafzaken dat dit recht “can only be seen to be effective if the observations are actually ‘heard’, that is duly considered by the trial court. In other words, the effect of Article 6 is, among others, to place the ‘tribunal’ under a duty to conduct a proper examination of the submissions, arguments and evidence adduced by the parties, without prejudice to its assessment of whether they are relevant.”4 Dit vereiste van ‘behoorlijk onderzoek’ wordt in verschillende zaken weliswaar beperkt tot duidelijk geformuleerde en relevante standpunten,5 maar impliceert volgens het citaat anderzijds dat alle standpunten inclusief bewijskwesties behoorlijk moeten worden nageplozen. Daarmee rijst de vraag of dit vereiste van behoorlijk onderzoek betekenis heeft voor de beoordeling in beroep. Stelt artikel 6 EVRM de eis dat in beroep feitelijke kwesties of – iets beperkter – bewijsvraagstukken op verzoek van de verdachte opnieuw worden onderzocht en beslist? Mag de verdachte in dat verband nieuwe bewijsstukken aanleveren?
Die vragen zijn moeilijk te beantwoorden. Dit niet alleen omdat de rechtspraak over de eis van proper examination nogal casuïstisch is, maar ook omdat het EHRM bij de beoordeling van dit vereiste soms in de rol van een zogeheten fourth instance komt. Dat vergt enige inleiding. Het EHRM is in zoverre terughoudend in de beoordeling van klachten dat it is not its function to deal with errors of fact or law allegedly committed by the national courts.6 Het EHRM is in beginsel geen “third or fourth instance” waarbij kan worden geklaagd over verkeerde feitenvaststelling of onjuiste toepassing van nationaal recht.7 Niettemin kan de inhoud van een strafzaak onder artikel 6 EVRM toch aan de orde komen als de beslissingen van nationale gerechten “appear arbitrary or manifestly unreasonable”.8 Is aan die strenge willekeur-maatstaf voldaan, dan aarzelt het Hof uiteindelijk niet om toch als vierde instantie op te treden.9 Het punt is nu dat het EHRM de vraag of behoorlijk onderzoek is verricht enkel kan beoordelen door zelf intensief kennis te nemen van het dossier, hetgeen in diverse afwijkende opinies ook door leden van het Hof wordt benoemd.10 Om onderzoek als onbehoorlijk te bestempelen, is kort gezegd vaak fourth instance-toetsing nodig. Niet zelden koppelt het Hof de om deze reden omstreden eis van behoorlijk onderzoek bovendien aan de in dit opzicht eveneens bekritiseerde verplichting een uitspraak te motiveren.11 Een gebrek aan motivering laat immers in het midden of de nationale rechter “neglected to deal with a part of the applicant’s arguments […] or whether the [...] Court had actually reviewed the applicant’s arguments and evidence in their entirety but had merely failed to mention it and state specific reasons for dismissing it”.12 Het Hof is van de spanning tussen de eis van behoorlijk onderzoek en de fourth instance-doctrine klaarblijkelijk op de hoogte. In proper examination- zaken benoemt het vaak dat het EHRM niet de functie heeft om feitelijke of juridische fouten van nationale gerechten recht te zetten13 – om daar vervolgens soms toch toe over te gaan.
Een voorbeeld hiervan is de zaak Vetrenko/Moldavië.14 De verdachte wordt van het plegen van een gruwelijke verdrinkingsmoord in twee instanties vrijgesproken, waarna het hooggerechtshof de vrijspraak evenwel vernietigt en een nieuw proces beveelt. Nu wordt de klager door zowel de rechtbank als het hof veroordeeld en laat het hooggerechtshof de veroordeling in stand. De zesvoudige beoordeling van de zaak door nationale instanties staat er niet aan in de weg dat het EHRM de bewijsconstructie secuur en kritisch navlooit. Het EHRM beoordeelt de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, onderzoekt of van verklaringen is gedenatureerd en behandelt discrepanties tussen verschillende getuigenverklaringen. Het Hof besluit na vooropstelling van de eis van proper examination tot een schending van artikel 6 EVRM vanwege een gebrek aan motivering. Drie van de zeven rechters uit het EHRM vinden deze toetsing te concreet. Zij maken in hun opinion duidelijk dat tegenover de lezing van de meerderheid een even geldige alternatieve lezing van de feiten staat, waarin de veroordeling van de klagers helemaal niet getuigt van onbehoorlijk onderzoek. Door zo feitelijk en concreet te toetsen, snijdt het Hof zichzelf in de vingers, aldus de dissenters.15
Deze samenloop van de eis van proper examination en het motiveringsvereiste, het casuïstische karakter van de beoordeling van deze eisen en de algemene terughoudendheid van het EHRM om als vierde instantie op te treden, maken algemene uitspraken over de eis van behoorlijk onderzoek dus moeilijk. In mijn ogen is de eis van proper examination vooral een gelegenheidsmaatstaf, ingezet als het EHRM de uitkomst van een strafzaak niet ‘voor zijn rekening wil nemen’. Hoewel in bepaalde zaken de onbehoorlijkheid van het onderzoek evident is,16 normeert de rechtspraak over de eis van behoorlijk onderzoek het karakter van het onderzoek in beroep niet op inzichtelijke wijze.
Onder dat voorbehoud kunnen uit rechtspraak over de eis van proper examination toch enkele conclusies worden getrokken. De eerste is dat hieruit géén algemene voorschriften voor de omvang of het karakter van beroepsbeoordeling mogen worden afgeleid. Hoewel volgens de vaste overweging een gerecht verplicht is “to conduct a proper examination of the submissions, arguments and evidence adduced by the parties”, impliceert dit vereiste niet dat de verdachte in beroep over alle aspecten van de strafzaak moet kunnen klagen of daarover nieuw bewijsmateriaal moet kunnen aanleveren. In geen enkele uitspraak stelt het EHRM dergelijke specifieke eisen. Integendeel – tweede conclusie – in enkele uitspraken waarin het EHRM een schending van het vereiste van behoorlijk onderzoek vaststelt, neemt het daarbij in aanmerking dat de beroepsrechter volgens nationaal recht verplicht was grondig dan wel feitelijk te toetsen en te motiveren.17 Deze legaliteitstoetsing doet vermoeden dat het ontbreken van uitgebreid (feiten)onderzoek minder problematisch is indien volgens nationaal recht beperkte toetsing aanvaardbaar of de norm is. Dit wordt ook geïllustreerd door zaken waarin het EHRM het beperkte karakter van cassatietoetsing erkent en (mede op grond daarvan) niet tot een schending van artikel 6 EVRM besluit.18 Hierin is de algemene benadering van rechtsmiddelen door het EHRM terug te zien, namelijk dat de betekenis van het recht op een eerlijk proces mede afhankelijk is van de bijzondere kenmerken van het rechtsmiddel en dus van het nationale recht.19 Ten derde blijkt uit de rechtspraak van het EHRM niet dat de insteller van het beroep recht heeft op behoorlijke inhoudelijke behandeling van de zaak indien niet aan ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan, althans uitspraken van het EHRM over deze kwestie ontbreken. Vergelijkbaar is wellicht een zaak waarin de klager te laat beroep had ingesteld tegen een bestuursbesluit en mede daarom geen schending van het recht op behoorlijk onderzoek werd aangenomen.20
Samengevat lijkt het recht op proper examination van een zaak vooral een gelegenheidsmaatstaf waarmee het Hof zijn onvrede uitdrukt over het gebrek aan grondigheid of validiteit van de nationale berechting van een zaak of beroep. Algemene eisen voor het karakter van de beoordeling in beroep kunnen hieruit niet of nauwelijks worden afgeleid, maar in uitzonderlijke gevallen kan het EHRM toch tot een schending besluiten. Deze conclusies gelden mijns inziens nog meer voor de in paragraaf 7 te bespreken eis van full and thorough examination, welk vereiste in de zaak Lalmahomed/Nederland een belangrijke rol speelt.