Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.1
V.3.1 Everyone
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598624:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de toepasselijkheid van mensenrechten op rechtspersonen onder ook andere continentale mensenrechtenverdragen: Emberland 2004; Van Kempen 2011a.
General Comment 2004/31, par. 9. Zo ook Van Kempen 2011a, p. 356-357; Schild 2012, p. 12.
Zie CRM 26 juli 1994, nr. 455/1991, par. 11.2 (Singer/Canada), waarin de eigenaar van een drukkerij klaagde over schending van zijn vrijheid van meningsuiting doordat het zijn bedrijf was verboden in het Engels te adverteren.
Publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen van het individuele klachtrecht geen gebruik maken, zie Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 53 met verdere verwijzingen.
Te denken valt aan het recht op leven (art. 2 EVRM), en het recht niet onderworpen te worden aan vernederende of onmenselijke behandeling (art. 3 EVRM). Dat een recht naar zijn aard slechts voor toepassing op natuurlijke personen geschikt is, moet niet te snel worden aangenomen. Zo was het EHRM van oordeel dat een rechtspersoon wel een ‘huisrecht’ op grond van art. 8 EVRM bezit, zie EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 (Stes Colas Est e.a./Frankrijk) en hebben ook commerciële aanbieders van satelliettelevisie het recht op vrije meningsuiting in EHRM 22 mei 1990, nr. 12726/87 (Autronic AG/ Zwitserland).
Zo maakt een kerkelijke organisatie aanspraak op de vrijheid van religie, maar een organisatie met winstoogmerk niet. Vgl. en contrasteer ECieRM 27 februari 1979, nr. 7865/77, dec. (Company X./Zwitserland) met ECieRM 15 april 1996, nr. 20471/92, dec. (Kustannus oy vapaa ajatelija ab e.a./Finland).
Vgl. op die manier Tophinke 2000, p. 143-144. Zie ook het meer normatieve betoog van Shiner 2014, die ervoor pleit bewijslastomkeringen ten aanzien van rechtspersonen in veel ruimere mate toe te staan dan bij natuurlijk verdachten.
Vgl. Van Kempen 2011a, p. 373 e.v.; Schild 2012, p. 230; Bulten 2013, p. 318. Zie ook met zoveel woorden ECieRM 30 mei 1991, nr. 11598/85, rep. (Société Stenuit/Frankrijk).
EHRM 25 januari 2000, nr. 32602/96, dec. (Aannemersbedrijf Gebroeders Van Leeuwen BV/ Nederland).
Zie bijv. EHRM 23 maart 2000, nr. 36706/97, dec. (Haralambidis, Y. Haralambidis-Liberpa S. en Liberpa Ltd/Griekenland); EHRM 23 juli 2002, nr. 36985/97 (Vastberga taxi aktiebolag en Vulic/Zweden); EHRM 30 maart 2004, nr. 53984/00 (Radio France e.a./Frankrijk); EHRM 17 juni 2008, nr. 44298/02 (Synnelius en Edsbergs Taxi AB/Zweden). Zie eerder ook al ECieRM 9 september 1998, nr. 26493/95, rep., NJCM-bull. 1999, p. 675-679, m.nt. Myjer (Zegwaard en Zegwaard B.V./Nederland). In die zaken werd overigens steeds óók geklaagd door een natuurlijke persoon.
Richtlijn 2016/343, overweging 13 en 14.
Zie HvJ 22 december 2010, C-279/09 (DEB/Duitsland) waarin het HvJ uit art. 47 Hv de mogelijkheid afleidt dat een rechtspersoon recht heeft op kosteloze rechtsbijstand.
Van Noorloos 2016, p. 160.
Het gaat om HvJ 18 oktober 1989, 374/87 (Orkem/EC); GEA 20 februari 2001, T-112/98 (Mannesmannröhren-Werke/EC); HvJ 29 juni 2006, C-301/04 P (EC/SGL Carbon).
Vgl. Van Kempen 2011a, p. 375-376; Veenbrink 2015, p. 128.
HvJ 18 oktober 1989, 374/87 (Orkem/EC), par. 29 e.v. en EHRM 25 februari 1993, nr. 10828/84, NJ 1994, 485, m.nt. Knigge (Funke/Frankrijk).
Vgl. Veenbrink 2015, p. 134; Lamberigts 2016, p. 434 e.v.
Een eerste beperking op het toepassingsbereik betreft de persoon van de klager.1 Onder het IVBPR kunnen in beginsel alleen natuurlijke personen klagen over schending van hun mensenrechten. Op rechtspersonen is het IVBPR niet van toepassing.2 Wel kan een natuurlijke persoon klagen over schending van één van zijn rechten als gevolg van door de staat aan een juridische entiteit opgelegde beperkingen.3
De benadering van het EHRM is tegengesteld. Op grond van artikel 34 EVRM kunnen naast natuurlijke personen ook – private4 – organisaties en groepen personen klagen over schending van het verdrag. Wel kan het rechtspersoonlijke karakter van de klager van invloed zijn op de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Zo zijn sommige rechten zozeer verknocht met het menszijn, dat een beroep daarop door een rechtspersoon zich moeilijk laat denken.5 Het type organisatie kan daarbij bovendien van belang zijn.6 Hoewel men een boom kan opzetten over de mate waarin voor de onschuldpresumptie fundamentele begrippen als schuld en straf een hoogstpersoonlijk karakter hebben,7 heeft dat voor het EHRM geen doorslaggevende betekenis. Voor zover het de strafrechtelijke poot van artikel 6 EVRM betreft, komt aan het onderscheid tussen natuurlijke en rechtspersonen geen principiële betekenis toe. Een verdachte onderneming komt het recht op een eerlijk strafproces op dezelfde wijze toe als een natuurlijk persoon.8 Dat ook meer in het bijzonder over schending van het onschuldvermoeden door rechtspersonen kan worden geklaagd, nam het Hof expliciet aan in Aannemersbedrijf Gebroeders Van Leeuwen BV/Nederland.9 Nadien heeft het EHRM klachten van rechtspersonen over schending van de onschuldpresumptie meermaals inhoudelijk beoordeeld zonder te wijzen op het type klager.10
In artikel 2 van de richtlijn zijn rechtspersonen desondanks van toepasselijkheid uitgezonderd. Blijkens de voorafgaande overwegingen erkent de richtlijn daarmee “the different needs and levels of protection of certain aspects of the presumption of innocence as regards natural and legal persons”.11 Die beperking is opvallend, aangezien artikel 6 EVRM op rechtspersonen als gezegd wel van toepassing is. Ook het Hv strekt zich over rechtspersonen uit.12 Het EP had de werkingssfeer van de richtlijn dienovereenkomstig willen verruimen.13 De EC en de Raad achtten dit evenwel prematuur. Zij wensten niet voorop te lopen in dit volgens hen nog onbesliste debat. Blijkens de in het Groenboek en het voorstel voor een richtlijn door de EC aangehaalde rechtspraak, hadden zij vooral het oog op de grote mate waarin het HvJ het toelaatbaar acht om van overtreding van mededingingsregels verdachte ondernemingen te verplichten zichzelf incriminerende informatie te verstrekken.14 Dat betreft derhalve de toepassing van het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel op rechtspersonen. Zie ik het goed, dan zijn in de EHRM-rechtspraak over die beginselen geen aanknopingspunten te vinden voor afwijking van het uitgangspunt dat de procedurele rechten van artikel 6 EVRM op verdachte rechtspersonen van overeenkomstige toepassing zijn.15 Aan het verschil tussen natuurlijke en rechtspersonen refereerde het HvJ ook alleen expliciet in 1989, nog voor het EHRM het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel in Funke/ Frankrijk als geïmpliceerd onderdeel van artikel 6 EVRM aanvaardde.16 Het lijkt er dan ook op dat het HvJ het recht op een eerlijk proces ook op rechtspersonen toepasselijk acht,17 zodat de opstellers van de richtlijn controverse hebben willen vermijden over een inmiddels ook in het EU-recht reeds beslist punt.