Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/8.3.3
8.3.3 Taakafbakening in internationaal perspectief
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS399428:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. ’s-Gravenhage (pres.) 19 mei 1992, JAR 1992/22 (Grabowski), r.o. 4.5.
Idem.
I. Zaal, ‘De rol van de OR bij collectieve arbeidsvoorwaardenvorming’,ArbeidsRecht 2014/4 en E. Koot-van der Putte, Collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en individuele contractsvrijheid (diss. Amsterdam UvA), Kluwer 2007, p. 217-219. Zie ook: A.B. van Els e.a., ‘Rol van de vakbond en ondernemingsraad bij (primaire) arbeidsvoorwaarden’, in: L.C.J. Sprengers & G.W. van der Voet, De toekomst van de medezeggenschap, Kluwer: Deventer 2009, p. 68.
Rb. Rotterdamdam 14 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2839.
Zie ook: M.M. Olbers, ‘Vakbond of ondernemingsraad?’, in: C.J. Loonstra, H.W.M.A. Staal en W. Zeijlstra (red.), Arbeidsrecht en mensbeeld 1946-1996, Deventer: Kluwer 1996, p. 189.
Zie ook: Advies inzake het arbeidsreglement en het instemmingsrecht van de ondernemingsraad (SER-advies 94/06 van 20 mei 1994), Den Haag: SER 1994, p. 113.
De taakafbakening tussen vakbonden en ondernemingsraden op het terrein van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming is ook onderwerp van ILO-verdragen 135 en 154. In ILO-verdrag 135 is in artikel 5 bepaald dat:
Where there exist in the same undertaking both trade union representatives and elected representatives, appropriate measures shall be taken, wherever necessary, to ensure that the existence of elected representatives is not used to undermine the position of the trade unions concerned or their representatives and to encourage co-operation on all relevant matters between the elected representatives and the trade unions concerned and their representatives.
Uit artikel 3 van ILO-verdrag 154 volgt:
Where […] the term collective bargaining also includes negotiations with the workers' representatives […], appropriate measures shall be taken, wherever necessary, to ensure that the existence of these representatives is not used to undermine the position of the workers' organizations concerned.
Het overleg tussen sociale partners over arbeidsvoorwaarden wordt internationaal van cruciaal belang geacht voor een gezond en evenwichtig stelsel van arbeidsverhoudingen en voornoemde verdragsbepalingen (alsmede verdragen met betrekking tot de vrijheid van vakorganisatie en de vrijheid van collectief onderhandelen) onderstrepen dit. ILO-verdragen nr. 135 en 154 brengen voor de Nederlandse wetgever kort gezegd mee dat passende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de positie van vakbonden op het terrein van collectieve onderhandelingen wordt ondermijnd door de ondernemingsraad. In de eerder besproken Grabowsky-zaak overwoog de Rechtbank Den Haag niet alleen dat de WOR zich er niet tegen verzet dat bij overeenkomst het instemmingsrecht van de ondernemingsraad kan worden uitgebreid tot primaire arbeidsvoorwaarden, maar ook dat deze uitbreiding van bevoegdheden niet in strijd is met onder meer voornoemde verdragen. Volgens de rechtbank beperkt het toekennen van bevoegdheden aan de ondernemingsraad op het terrein van primaire arbeidsvoorwaarden werknemers immers niet in hun recht zich te organiseren en wordt hiermee evenmin inbreuk gemaakt op hun mogelijkheden tot collectief onderhandelen.1 Voornoemde verdragsbepalingen waarborgen volgens de rechtbank bepaalde rechten van werknemers, maar zij creëren geen plicht voor werkgevers met vakbonden te onderhandelen.2
Koot-van der Putte en Zaal zijn in lijn met de Rechtbank Den Haag van mening dat mede vanwege de huidige wettelijke taakafbakening tussen ondernemingsraad en vakbonden in art. 27 lid 3 en art. 32 lid 3 WOR voldoende is gewaarborgd dat de positie van de vakbond niet wordt ondermijnd door aan de ondernemingsraad op het terrein van primaire arbeidsvoorwaarden bevoegdheden toe te kennen.3 Voor een deel kan ik mij hierin vinden. Voor zover er een cao is, voldoet de huidige wettelijke taakafbakening. Art. 27 lid 3 en art. 32 lid 3 WOR brengen mee dat er voor de ondernemingsraad geen rol meer is weggelegd ten aanzien van onderwerpen die uitputtend in een cao geregeld zijn. Voor zover de cao ruimte laat voor nadere regeling op ondernemingsniveau, wordt de bevoegdheid van de ondernemingsraad niet ingeperkt. Cao-partijen kunnen op grond van de WOR en de Wet Cao opkomen tegen tussen de ondernemer en ondernemingsraad overeengekomen regelingen (of eenzijdig door de werkgever vastgestelde besluiten waarmee de ondernemingsraad heeft ingestemd) die in strijd zijn met de cao. Uitgangspunt is dat met de cao strijdige bepalingen nietig zijn. De redelijkheid en billijkheid kunnen in uitzonderingssituaties meebrengen dat de afspraken met de ondernemingsraad toch hun geldigheid behouden.4 Daarmee wordt de positie van de vakbond echter niet ondermijnd. Dit neemt niet weg dat een werkgever strategisch ervoor zou kunnen kiezen in overleg te treden met zijn ondernemingsraad en niet met een vakbond.5 Er komt dan geen cao tot stand maar een (met de ondernemingsraad) overeengekomen arbeidsvoorwaardenregeling en feitelijk kan de positie van de vakbond daarmee dus wel worden ondermijnd. De wet verplicht werkgevers immers niet tot het aangaan van cao’s of uitsluitend met vakbonden te onderhandelen over collectieve arbeidsvoorwaarden, terwijl dus de ondernemingsraad ook over primaire arbeidsvoorwaarden een regeling kan treffen. Om te voorkomen dat werkgevers strategisch kiezen voor het overleg met de ondernemingsraad in plaats van met de vakbond in een cao-loze periode of om het cao-overleg te frustreren, zou aan art. 32 lid 3 WOR moeten worden toegevoegd dat de ondernemingsraad niet alleen geen rol meer heeft ten aanzien van een bepaald onderwerp als dat in een cao is geregeld, maar ook als dat onderwerp geregeld pleegt te worden in een voor de onderneming normaliter geldende cao.6
Aanbeveling 1:
Artikel 32 lid 3 (nieuw): Indien aan de ondernemingsraad op grond van dit artikel een adviesrecht of instemmingsrecht is toegekend, is het advies of de instemming van de ondernemingsraad niet vereist, voor zover de aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is of pleegt te worden geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.