Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/2.2
2.2 Taal en recht
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349730:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
K. Bovend’Eerdt, C. de Kluiver, L. Trapman & M. Samadi, ‘Recht en taal’, AA 2015,afl. 7, p. 554.
Bovend’Eerdt, De Kluiver, Trapman & Samadi 2015, p. 554.
Loth 1982, p. 188.
Franken e.a. 1999, p. 142 e.v.
Taekema, Gaakeer & Loth 2015, p. 41.
M.A. Loth, Recht in drievoud. Enkele gedachten over recht, norm en rechtsvinding, Deventer: Kluwer 2001, p. 155.
J.J. van der Ven, ‘Rechtspreken, Aantekeningen over recht en taal’, in: J.F. Glastra van Loon, R.A.V. van Haersolte, J.M. Polak (red.), Speculum Langemeijer, 31 rechtsgeleerde opstellen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1973, p. 501 e.v.
Dit betekent overigens niet per definitie dat de betekenis van juridische begrippen niet kan wijzigen. Zie bijvoorbeeld: J.W.A. Fleuren, ‘Hoe komen juridische begrippen en regels aan hun betekenis? Het belang van de taalfilosofie van de latere Wittgenstein voor de rechtsgeleerdheid’, AA 2015, afl. 7, p. 575. Zij schrijft: “De grammatica van een begrip is niet alleen vaak implicieten niet eenduidig, maar ook aan ontwikkeling onderhevig. Zoals spelregels ontwikkeld en veranderd kunnen worden, kan ook de grammatica en daarmee de betekenis, dus het wezen, van een begrip veranderen. Zo was een ‘vrijgezel’ ooit een onge- huwde man, maar een vrouw zal tegenwoordig toch haar wenkbrauwen fronsen als zij op een feestje de man met wie zij samenwoont een eindje verderop tegen een jongedame hoort zeg- gen dat hij nog vrijgezel is”. Zij schrijft voorts: “Er zijn begrippen waarvan de gebruikswijzen zich zó hebben ontwikkeld dat het niet (meer) mogelijk is éé n enkele omschrijving te geven die recht doet aan al deze gebruikswijzen.”
A.M.P. Gaakeer, ‘Recht, taal en de ordening van de werkelijkheid’, AA 2015, afl. 7, p. 602.
Vgl. Gaakeer 2015, p. 603.
Fleuren 2015, p. 575.
Fleuren 2015, p. 574.
Bovend’Eerdt, De Kluiver, Trapman & Samadi 2015, p. 554.
Wat betreft de betekenis in de maatschappij kan worden opgemerkt dat de dynamiek van de ontwikkeling van taal en betekenis in de samenleving lang niet altijd naadloos in te passen is in de institutionele taal die het recht is. Begrippen uit ons dagelijks taalgebruik hebben in het juridisch begrippenapparaat veelal een andere, niet zelden scherp afgebakende betekenis. Zie: Gaakeer 2015, p. 602.
HR 11 november 1960, NJ 1961, 35.
J.M. Polak, ‘De conclusies van Langemeijer’, in: J.F. Glastra van Loon, R.A.V. van Haersolte, J.M. Polak (red.), Speculum Langemeijer, 31 rechtsgeleerde opstellen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1973, p. 409 onder verwijzing naar HR 4 januari 1949, NJ 1949, 286; HR 13 juni 1958, NJ 1958, 352; HR 8 januari 1960, NJ 1960,127 m.nt. L.E.H. Rutten;HR 11 november 1960, NJ 1961, 35 en HR 24 januari 1964, NJ 1964, 465 m.nt.G.J. Scholten.
Taalgebruik komt in de wet groot gewicht toe. De wet moet immers begrijpelijk zijn om nageleefd te kunnen worden. Een wet die niet duidelijk, helder en precies is verwoord, is nutteloos. De praktijk leert echter dat niet alle wetten probleemloos te begrijpen zijn voor de burger. De wet buigt zich immers over uiteenlopende, vaak complexe onderwerpen en dat brengt mee dat het taalgebruik niet altijd overzichtelijk en duidelijk is. Juridische kennis is dan ook vaak noodzakelijk voor het begrijpen van de wet. Zo bezien kan de taal van het recht worden beschouwd als een taal op zichzelf.1
Ook in de rechtspraak is taal het belangrijkste communicatiemiddel, zowel voor de partijen onderling als voor het kenbaar maken van het rechterlijk oordeel naar buiten toe. De rechter gebruikt de taal om de wet te interpreteren en te motiveren hoe hij tot zijn beslissing is gekomen. Hij moet hierbij altijd bewust zijn van een zorgvuldig taalgebruik: de beslissing moet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd zijn en mag geen tegenstrijdigheden bevatten. Deze kunnen immers ten koste gaan van de legitimiteit van de beslissing. Ook bij het kunnen begrijpen van een rechterlijke beslissing komt kennis van de ‘juridische taal’ van pas.2
Kortom, alle recht is in taal geformuleerd.3 Taal en recht zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Recht is een verschijnsel dat zonder taalgebruik nauwelijks voorstelbaar is omdat wetten en rechterlijke beslissingen in een taal zijn geformuleerd. Processen van rechtsvorming en rechtstoepassing kunnen worden gezien als processen van informatieverwerking waarin de taal het communicatiemiddel is.4 Recht is een talige activiteit die door het aanwenden van een eigen begrippenapparaat de wereld ordent.5 In dit begrippenapparaat geldt dat (i) de betekenis van woorden vaak zodanig discursief is bepaald dat de taalgebruiker ze alleen maar kan gebruiken in de betekenis die zij hebben6 en (ii) onze hedendaagse rechtscultuur sterk gebonden is aan geschreven en dus bedachte en gerationaliseerde vormen,7 hetgeen noopt tot een consequent gebruik van taal.8 De taal in het recht is als het ware een institutionele taal met een specifiek begrippenapparaat en specifieke procedures.9 Dit betekent dat wij juristen denken en spreken in die institutionele beroepstaal. Dat taalgebruik is medebepalend voor de wijze waarop wij de juridische wereld zien.10 Wie het wezen van een (juridisch) begrip wil doorgronden, moet overigens ook kijken hoe dit begrip in de betrokken taalgemeenschap gebruikt wordt.11 Fleuren schreef recentelijk:
“begrippen – de categorie ë n waarin we de wereld, de verschijnselen en de handelingen indelen (bijvoorbeeld ‘object’, ‘rivier’, ‘kleur’, ‘rood’, ‘levend wezen’, ‘mens’, ‘jongen’, ‘zeehond’, ‘lopen’, ‘contract’, ‘wet’) – [zijn] menselijke instituties: het zijn producten van de taal. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen werkelijkheid bestaat buiten de taal, maar gegeven de diversiteit van het landschap is het de taalgemeenschap die een onderscheid maakt tussen bergen, heuvels, rivieren, beken, dalen, bos, heide, enz. De verbinding tussen taal en werkelijkheid wordt in de taal gelegd. De taal maakt deel uit van de menselijke levensvorm en brengt tot uitdrukking waar we belang in stellen.”12
Taal en terminologie hebben dus niet een doel op zich, maar – zeker in het recht – als doel de werkelijkheid te ordenen en betekenis te geven. De taal is het communicatiemiddel, het instrument om duidelijk te maken wat men van elkaar mag verwachten. In het recht, dat wordt geuit in taal, ligt als het ware de systematiek van de samenleving vast.13 De wet heeft dus geen betekenis en geen functie zonder taal, omdat de wet in taal kenbaar is gemaakt. Rechterlijke beslissingen zijn gebaseerd op een interpretatie van die taal en zijn zelf ook weer kenbaar gemaakt door taal. Om deze rechterlijke beslissingen af te dwingen, zal de deurwaarder de taal van de beslissing weer dienen uit te leggen, enzovoort.
De keuze voor een bepaalde term door de rechter (in dit proefschrift: de term ‘ernstig verwijt’) kan dus niet los worden gezien van de betekenis en de functie die deze term in de taalgemeenschap al dan niet heeft en had. Wat betekent die term? Waarom gebruikt de rechter die term? Is het gebruik van die term taalkundig te rechtvaardigen in het licht van de betekenis die deze heeft in de institutionele taal van het recht (mede bezien in het licht van de in de rechtswetenschap omschreven interpretatiemethoden die in de volgende paragrafen worden omschreven) en in de betekenis die daaraan in de maatschappij wordt gegeven?14 Terwijl in dit verband op de wetgever de verantwoordelijkheid rust (taalkundig) duidelijke wetten te maken om zo onduidelijkheid over interpretatie zo veel mogelijk te voorkomen, dient de rechter zich bij het proces van rechtsvinding in beginsel te houden aan de letterlijke woorden van de wettekst. Afwijking van deze woorden is slechts bij uitzondering toegelaten. Andere dan taalkundige overwegingen die bij rechtsvinding een rol kunnen spelen zullen van uitzonderlijke kracht moeten zijn, willen zij een ondubbelzinnige taalkundige betekenis opzij kunnen zetten. Deze kracht van de woorden wordt gerechtvaardigd door de rechtszekerheid. In de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 11 november 196015 wordt dat als volgt toegelicht:16
“De burger moet kunnen vertrouwen op wetsvoorschriften die bij onbevangen lezing op zich zelf slechts één uitlegging toelaten en ten aanzien waarvan ook niet daarnaast staande omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de onredelijkheid van de uitkomst of de onverklaarbare afwijking van een gevestigde traditie, aan die uitlegging twijfel wekken. Ook al moge de burger-niet-jurist zich zelden bij zijn gedrag aan de wetstekst ori ë nteren, de mogelijkheid moet toch voor hem blijven openstaan om dit wel te doen. In ieder geval is het wenselijk dat een jurist hem in de regel omtrent de strekking van de wet kan voorlichten zonder dat dit moeite en dus kosten behoeft mede te brengen van de orde van grootte van die welke met een geding in drie instanties gepaard gaan.”
Het betoog van Langemeijer onderstreept dat taal en rechtswetenschap onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Uitgangspunt is dat de rechter zich aan de woorden van de wet dient te houden en tot een rechterlijke beslissing dient te komen door een strikte toepassing van de wet middels het syllogisme (zie par. 2.3.2 hierna). Dat is ook logisch: nu recht zich uit in taal, zal taalgebruik van de rechter, dat afwijkt van taalgebruik van de wetgever, in (zeer) strikte zin kunnen worden gezien als een inbreuk op de trias politica (zie par. 2.3.2 hierna). Dat is natuurlijk niet altijd het geval. Als de rechter toch afwijkt van de letterlijke bewoordingen van de wettekst, kunnen daar verschillende in de rechtswetenschap omschreven interpretatie- en redeneermethoden (zie hierna par. 2.4 e.v.) aan ten grondslag liggen, zonder dat daarmee derhalve steeds een inbreuk wordt gemaakt op de trias politica.
Ook bij het toepassen van voornoemde interpretatie- en redeneermethoden, waar de rechter zich bijvoorbeeld kan baseren op de wets- en rechtsgeschiedenis of op jurisprudentie waarin reeds eerder op een bepaald onderwerp of een bepaalde term is ingegaan, dient de rechter het belang van de institutionele taal van het recht uiteraard in het oog te houden. Simpel gezegd: als de rechter en de juridische taalgemeenschap steeds de term ‘blauw’ hebben gebruikt voor een specifieke rechtstoestand, zal het tot verwarring leiden als de rechter dezelfde term plots gaat gebruiken voor een andere rechtstoestand, die in de taalgemeenschap bijvoorbeeld eerder als ‘rood’ werd gezien. Daarnaast geldt dat als de wetgever aan een bepaalde rechtstoestand het juridische begrip ‘rood’ heeft gekoppeld, het niet aan de rechter is aan die rechtstoestand het begrip ‘blauw’ te koppelen. Als uitgangspunt geldt immers dat de rechter in beginsel niet de vrijheid heeft van de wet af te wijken en de verplichting heeft de wet toe te passen. De rechter dient het recht ‘te vinden’ en niet ‘uit te vinden’, dat is in beginsel namelijk aan de wetgever voorbehouden. Nu het recht zich uit in taal, is daarmee onlosmakelijk verbonden dat de rechter zich zo veel mogelijk aan de taal van de wet dient te houden.