Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/7.3.2
7.3.2 Het herwaarderingsverbod van artikel 33 Wet Vpb 1969 onder de netto-voordeeltoerekening
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630465:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In HR 21 november 1990, nr. 26 197, BNB 1991/90 heeft de Hoge Raad overwogen dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat op de fiscale openingsbalans geen goodwill mag worden geactiveerd als belastingplicht ontstaat als gevolg van een winststreven. Als het lichaam vervolgens het winststreven laat varen waardoor de belastingplicht eindigt, hoeft op de eindbalans ook geen rekening te worden gehouden met de niet meer te benutten goodwill.
Nu de contouren voor het systeem zijn geschetst, komt de vraag op welke invloed dit systeem heeft op artikel 33 Wet Vpb 1969. De achtergrond van artikel 33 Wet Vpb 1969 is dat de wetgever wil vermijden dat overheidsbedrijven en woningcorporaties een concurrentievoordeel krijgen. In artikel 33 Wet Vpb 1969 is daarom bepaald dat de genoemde vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd op de historische kostprijs, verminderd met de afschrijvingen die zouden hebben plaatsgevonden indien het lichaam steeds belastingplichtig was geweest. Ook voor verenigingen en stichtingen die belastingplichtig worden omdat op enig moment een winststreven ontstaat, geldt een activeringsverbod voor goodwill.1
Bij de voordeeltoerekening worden de voordelen toegerekend aan de periode waarin de bedrijfsuitoefening plaatsvindt. Goodwill vertegenwoordigt de toekomstige overwinst. Deze winst moet (conform het Duitse systeem, zie paragraaf 5.2.2) in de heffing worden betrokken op het moment dat de werkzaamheden worden verricht waarmee die winst wordt gegenereerd (toerekeningscriterium 1 en 2). Dit in tegenstelling tot waardemutaties van vermogensbestanddelen die door een marktmutatie komen (toerekeningscriterium 3). Het past daarom niet om bij de binnenlandse situaties waarbij geen heffing over de goodwill heeft plaatsgevonden, de goodwill te waarderen op de fiscale openingsbalans tegen de waarde in het economische verkeer. Overheidsbedrijven en woningcorporaties worden hierdoor op eenzelfde wijze in de belastingheffing betrokken als andere ondernemingen die altijd al belastingplichtig waren. De voordelen worden belast op het moment dat ze opkomen door de bedrijfsuitoefening en doordat de zelfgevormde goodwill niet wordt gewaardeerd op de fiscale openingsbalans kunnen er ook geen (additionele) afschrijvingen in aanmerking worden genomen. Op het moment dat een vrijstelling vervalt, is er geen verschil meer tussen het overheidsbedrijf en een onderneming die altijd al belastingplichtig was. Hetzelfde geldt voor de lichamen die geen goodwill mogen vormen op grond van BNB 1991/90. Door de voordeeltoerekening worden de resultaten die komen door de bedrijfsuitoefening vanaf het moment dat de belastingplicht aanvangt in de heffing betrokken. In beide gevallen kan daarom het goodwillverbod komen te vervallen.