Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.6.3:5.6.3 Ontbinding van een vereniging
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.6.3
5.6.3 Ontbinding van een vereniging
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633835:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 2012, p. 87; Asser/Rensen 2-III 2017/106 en 107.
Kamerstukken II 1985/86, 16635, nr. 7, p. 8(antwoord 24 en 25).
Kamerstukken II 1985/86, 16635, nr. 7, p. 9(antwoord 24 en 25).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De algemene vergadering heeft de bevoegdheid om een vereniging te ontbinden. Deze bevoegdheid kan in de statuten afhankelijk worden gesteld van een goedkeuringsrecht van een andere instantie, zoals een externe religieuze autoriteit.1 De wet biedt de mogelijkheid om de ontbinding van de vereniging ondanks het ontbreken van de vereiste goedkeuring toch te laten plaatsvinden mits alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en zich met algemene stemmen voor de ontbinding uitspreken (art. 2:43, lid 2 jo. artikel 2:42 lid 4 BW). Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid tot statutenwijziging.
Een geestelijk genootschap dat georganiseerd is in de rechtsvorm van een vereniging kan door de rechter worden ontbonden wegens strijd met de openbare orde, want artikel 2:20 BW is rechtstreeks van toepassing op verenigingen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter bij de toepassing van de bepalingen van rechtspersonen rekening moet houden met de aard van de bijzondere verhoudingen binnen het geestelijke genootschap.2 Zoals ook hiervoor bij het kerkgenootschap opgemerkt, brengt volgens de staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ‘de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging mee dat de rechter bij de beoordeling of een geestelijk genootschap in strijd is met de openbare orde en voor ontbinding in aanmerking komt, de grootst mogelijke terughoudendheid moet betrachten voor wat betreft het geestesgoed van het genootschap’.3 In zijn visie sluit dit toetsing van het geestelijke doel van het genootschap uit. Ontbinding op grond van de werkzaamheden van het genootschap is wel mogelijk, zoals wanneer de feitelijke werkzaamheid van het genootschap het verspreiden van rassenhaat is.4