Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.5.1
4.5.1 Grondslag reguliere voordelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455347:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van aandelen, Fiscale Monografie nr. 29, blz. 25, Kluwer, Deventer, 1984,
Memorie van toelichting, Kamerstuknr. 5380, nr. 3, blz. 18-19.
Blijkens HR 14 november 1956, BNB 1957/20 gold dit op dezelfde wijze voor de inkoop van eigen aandelen door de vennootschap die niet moest worden gekwalificeerd als een voorbijgaande belegging.
In sommige situaties was eveneens sprake van belaste inkomsten uit het aandeel, indien (nog) geen winstreserves waren gevormd door de vennootschap, maar dit binnen afzienbare tijd wel het geval zou zijn. Dit staat bekend als het leerstuk van de winstanticipatie. Zie onder meer HR 1 november 1989, BNB 1990/63-64, HR 9 december 1992, BNB 1993/68 (OAMF), HR 12januari 1994, BNB 1994/182 en HR 30 november 1994, BNB 1995/32.
Onbelast bleven derhalve de ontvangst resp. verkoop van een claim, zijnde een vermogensrecht dat deel uitmaakt van het complex van rechten dat de aandeelhouder aan het bezit van zijn aandeel ontleent (Zie HR 21 oktober 1953, BNB 1953/296 en 297), de uitgifte aan aandeelhouders van winstbewijzen met overeenkomstige vermindering van hun winstrechten (HR 1 oktober 1941, B. 7374) en de splitsing van aandelen zonder vergroting van de daaraan verbonden vermogensaanspraken (HR 14 maart 1979, BNB 1979/167).
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761. nr. 3, blz. 52.
Op de betekenis van art. 44 Wet IB voor de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling ga ik hierna in hoofdstuk 6. onderdeel 6.2.4 afzonderlijk in.
Zie onder meer HR 27 april I960, BNB 1960/226. HR 25 januari 1961, BNB 1961/101 en Hof 's-Gravenhage 1 februari 1965, BNB 1965/276.
De belastingheffing met betrekking tot de inkomsten uit aandelen op basis van de bron 'inkomsten uit vermogen' vindt zijn grondslag in wat door J.C.K.W. Bartel de basisconceptie is genoemd.1 Deze conceptie houdt in dat voor de totaliteit van aandeelhouders uiteindelijk als inkomen wordt beschouwd (en belast) het totaal van de door de vennootschap vanaf de oprichting tot en met de liquidatie behaalde en aan hen als zodanig toekomende winst.2 In het tot 1 januari 1997 geldende regime was dit aldus vormgegeven dat alles wat door de vennootschap werd uitgekeerd boven het gestorte kapitaal geacht werd uit de winst(reserves) van de vennootschap afkomstig te zijn en tot de belaste inkomstensfeer werd gerekend. Dit betekende dat de fiscus op de gereserveerde winsten een latente inkomstenbelasting- (resp. dividendbelastingjclaim had. Kapitaal daarentegen dat al dan niet formeel in de vennootschap was ingebracht, was de vermogenswaarde die in beginsel buiten het bereik van de inkomstenbelasting bleef (zie tevens hoofdstuk 3, onderdeel 3.2.1). Dit objectieve regime bleek duidelijk uit het tot 1 januari 1997 ook voor aanmerkelijkbelanghouders geldende art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB, ingevolge welke bepaling tot de inkomsten uit vermogen behoorde hetgeen bij liquidatie op de aandelen werd uitgekeerd boven het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal; bedroeg de liquidatie-uitkering minder dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, dan was in zoverre sprake van een niet-aftrek-baar (bron)verlies 3 Waren deze voordelen niet afkomstig uit de winst(reserves) van de vennootschap en vormden zij derhalve teruggaven van al dan niet formeel gestort kapitaal, dan waren zij niet belast met inkomstenbelasting, behoudens een specifieke bepaling ter voorkoming van misbruik (art. 29, tweede lid, Wet IB)4 Voorts volgde uit het hierboven weergegeven wettelijke systeem dat overgangen van de met inkomsten- resp. dividendbelasting beclaimde winstreserves naar het fiscaal onbeclaimde gestorte kapitaal, gepaard diende te gaan met een fiscale afrekening. In dit verband bepaalde art. 29, eerste lid, Wet IB tot 1 januari 1997 ook voor aanmerkelijkbelanghouders dat in geval van uitreiking van aandelen aan aandeelhouders de nominale waarde als dividend werd beschouwd voor zover niet bleek dat storting had plaatsgevonden of zou plaatsvinden, waarbij bijschrijving op aandelen met uitreiking van aandelen werd gelijkgesteld. Wijzigingen in de verhouding tussen de vennootschap en de aandeelhouder die zich binnen de vermogenssfeer voltrokken en waardoor geen geld of geldswaarde aan het vermogen van de vennootschap werd onttrokken, leidden aldus niet tot een belastbare inkomst.5
Onduidelijk is of bovenvermelde grondslag van de belastingheffing met betrekking tot de inkomsten uit aandelen in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime onverkort zijn gelding heeft behouden. De memorie van toelichting merkt op dat de in art. 20b Wet IB genoemde voordelen in grote lijnen overeenkomen met specifieke bepalingen die in het vroegere stelsel zijn opgenomen onder de zuivere inkomsten.6 Deze opmerking biedt niet meer houvast voor de grondslag van de huidige belastingheffing over de reguliere voordelen dan dat in grote lijnen het vroegere regime van de inkomsten uit vermogen is gehandhaafd. Veel richting verschaft een dergelijke opmerking niet.
Bij gebreke van een heldere uiteenzetting over de grondslag van belastingheffing over de reguliere voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen, kan de uitwerking van het nieuwe regime in de wet wellicht meer duidelijkheid verschaffen. Worden de wettelijke bepalingen, waarin het nieuwe regime met betrekking tot de reguliere voordelen van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen is neergelegd, bekeken, dan valt allereerst op dat de centrale bepaling van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB in het nieuwe regime niet meer wordt teruggevonden. De belastingheffing ter zake van de liquidatie van de vennootschap is overgebracht van de reguliere voordelen naar de vervreemdingsvoordelen (art. 20a, zesde lid, onderdeel c, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.3) met als effect dat in geval van liquidatie van de vennootschap het verschil tussen de liquidatie-uitkering(en) en de (gemiddelde) verkrijgingsprijs wordt belast. De link met het objectieve gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal is aldus losgelaten. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het feit dat ook een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat als wordt ingeteerd op het gestorte kapitaal; van een niet-aftrekbaar bronverlies is onder het nieuwe regime in zoverre geen sprake meer. Dit systeem geldt evenzeer voor de belastingheffing ter zake van een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap (art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.1). Ook bij een inkoop van aandelen wordt het verschil tussen de inkoopprijs en de (gemiddelde) verkrijgingsprijs belast, ook als dit een intering op het gestorte kapitaal inhoudt. Het bepaalde in art. 29, tweede lid, Wet IB daarentegen wordt wel teruggevonden in art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB, met dien verstande dat de toevoeging 'indien en voorzover er zuivere winst is' is vervangen door de zinsnede 'voor zover deze niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs' (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.4). Ook hiervoor geldt evenals voor de belastingheffing ter zake van liquidatie van de vennootschap en inkoop van eigen aandelen door de vennootschap dat de (gemiddelde) verkrijgingsprijs de ondergrens van de belastingheffing vormt. Overigens spreekt art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB wel over de teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, waardoor in zoverre weer een link wordt gelegd met het gestorte kapitaal. In de uitwerking van dit reguliere voordeel in het vervolg van art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB wordt het begrip 'gestorte kapitaal' echter niet meer teruggevonden, hetgeen de vraag oproept welke betekenis moet worden gehecht aan het gestorte kapitaal. De bepaling van art. 29, eerste lid, Wet IB ten slotte wordt wel en zelfs volledig teruggevonden in het huidige art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.2). In deze bepaling wordt heel duidelijk een link gelegd met het gestorte kapitaal doordat de nominale waarde van aan aandeelhouders uitgereikte aandelen tot de reguliere voordelen wordt gerekend voor zover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
De nieuwe wettelijke bepalingen overziend, kan worden geconcludeerd dat de betekenis van het gestorte kapitaal voor de belastingheffing van inkomsten uit aanmerkelijkbelangaandelen aanmerkelijk is teruggedrongen. Blijkens de wettekst speelt het gestorte kapitaal nog op twee plaatsen een rol:
• de uitgifte van bonusaandelen ex art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB en
• de teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort ex art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB.
Voor de overige situaties is het gestorte kapitaal niet meer van betekenis.7
Wat betekent dit voor de grondslag van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling voor zover het de reguliere voordelen betreft? Enerzijds is sprake van een duidelijke grensverlegging in de richting van een meer subjectief getint regime; dit geldt voor de liquidatie van de vennootschap, inkoop van eigen aandelen door de vennootschap en de teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort. Anderzijds is deze grensverlegging ook weer niet zodanig dat alle objectieve elementen zijn komen te vervallen. Dit blijkt uit de belastingheffing ter zake van uitgereikte winstbonusaandelen (art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB) alsmede ter zake van teruggaven van gestort kapitaal (art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB). Ter zake van beide reguliere voordelen speelt het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal nog steeds een pregnante rol, hetgeen mijns inziens niet past in een subjectieve wijze van belastingheffing. Door de uitgifte van winstbonusaandelen verrijkt de aanmerkelijkbelanghouder in subjectieve zin immers niet. Door de uitgifte van de winstbonusaandelen wordt enkel zijn gerechtigdheid tot het aandelenkapitaal en de winstreserves van de vennootschap over meer aandeelpapieren verdeeld. Dit betekent dat mijns inziens de uitgifte van winstbonusaandelen evenals de uitgifte van agiobonusaandelen in een subjectief regime onbelast had behoren te blijven. Hetzelfde geldt voor teruggaven van gestort kapitaal. Het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal behoort hierbij, naast de subjectieve verkrijgingsprijs, mijns inziens niet langer van belang te zijn. In een subjectief regime zou de hoogte van de subjectieve verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelanghouder voldoende moeten zijn. Als derde voorbeeld kan hieraan worden toegevoegd de belastingheffing ter zake van meegekochte dividenden. Meegekochte dividenden worden, evenals dat tot 1 januari 1997 het geval was, volledig in de belastingheffing betrokken, ook al moeten dergelijke dividenduitkeringen veel eerder als een partiële teruggaaf van de (subjectieve) verkrijgingsprijs worden beschouwd. Van een verrijking in subjectieve zin is dan ook geen sprake; de vennootschap betaalt louter een deel van de investering terug. In de winstsfeer komt dit tot uitdrukking doordat de als meegekocht dividend te kwalificeren dividenduitkering kan worden afgeboekt op de boekwaarde van de aandelen en winstbewijzen, waardoor de (meegekochte) dividenduitkering onbelast blijft.8 De nieuwe aanmerkelijkbelangregeling bevat evenals haar voorganger geen mogelijkheid om uitkeringen van zgn. meegekocht dividend als onbelast op de verkrijgingsprijs in mindering te brengen. In de objectieve bron 'inkomsten uit vermogen', waarvoor de winstreserves van de vennootschap het uitgangspunt vormen, is dit logisch, in een (meer) subjectieve bron 'winst uit aanmerkelijk belang' niet. Ook in zoverre is dus geen sprake van een zuiver subjectief regime.
Uit bovenvermelde drie voorbeelden blijkt mijns inziens afdoende dat het huidige aanmerkelijkbelangregime niet kan worden aangeduid als een zuiver subjectief regime doch veel meer als een op (zeer belangrijke) onderdelen ge-subjectiveerd regime. Van een waarlijk subjectief regime is (nog) geen sprake; de wetgever is als het ware halverwege blijven steken. Het feit dat de categorie reguliere voordelen (nog) niet op volledig subjectieve leest is geschoeid, betekent mijns inziens voorts dat onduidelijk is of de subjectieve invalshoek van de aanmerkelijkbelanghouder moet worden gekozen dan wel de objectieve invalshoek van de aandelen of winstbewijzen. Onder het oude regime kon de ratio nog worden gekend doordat alles wat door de vennootschap werd uitgekeerd boven het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, geacht werd uit de winst(reserves) van de vennootschap afkomstig te zijn en tot de belaste inkomstensfeer werd gerekend. In het nieuwe regime ontbreekt een dergelijke heldere richtlijn. In geval van twijfel kon in het oude regime de aandacht worden gericht op de winstreserves van de vennootschap, in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime komt men er niet meer door louter naar de winstreserves van de vennootschap te kijken. Wat dan wel doorslaggevend is, blijft onduidelijk. De grondslag van de reguliere voordelen kan mijns inziens dan ook het beste worden geduid door het uitgangspunt van de basisconceptie dat aan het oude regime ten grondslag lag (toch) nog te laten gelden voor het nieuwe regime, tenzij uit specifieke wettelijke bepalingen het tegendeel blijkt. Erg bevredigend is dit mijns inziens niet.