Art. 15e Wet VPB 1969 bevat de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Het artikel is onderdeel van de in afdeling 2.10a van de Wet VPB 1969 opgenomen regeling van de objectvrijstelling. Het ziet op de wijze waarop buitenlandse winsten en verliezen bij de belastingheffing van een inwoner van Nederland in aanmerking worden genomen. Tot 2012 gold voor de buitenlandse winsten, in voorkomende gevallen, een belastingvrijstelling op grond van de belastingverdragen of het Bvdb 2001.
Art. 15e, eerste lid, Wet VPB 1969 bevat de hoofdregel van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Bij een belastingplichtige – inwoner van Nederland - met winst uit een andere staat, wordt de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat (aant. 2). Het begrip "staat" dient hierbij ruim te worden uitgelegd (aant. 2.2.6). De objectvrijstelling wordt per staat afzonderlijk toegepast (aant. 2.2.10). Met de systematiek van de objectvrijstelling is zo veel mogelijk aangesloten bij de tot 2012 geldende systematiek van de belastingvrijstelling in het Bvdb 2001. Wat wijzigt is de wijze waarop met buitenlandse winsten en verliezen rekening wordt gehouden, maar niet de wijze waarop de buitenlandse winsten en verliezen worden vastgesteld (aant. 2.3).
In art. 15e, tweede lid, Wet VPB 1969 wordt omschreven wat onder de winst uit een andere staat wordt verstaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verdragssituaties en niet-verdragssituaties. Voor dit onderscheid is relevant of in de relatie tot de andere staat een verdrag van kracht is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in een regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de belastingplichtige (aant. 4). Voor beide gevallen geldt overigens dat het begrip winst uit een andere staat ruimer is dan alleen de winst uit een vaste inrichting aldaar (aant. 4.1.2).
In verdragssituaties bestaat de winst uit een andere staat uit het gezamenlijke bedrag van een drietal opgesomde winstcategorieën (aant. 5). Dit betreft de winst uit een buitenlandse onderneming in die staat (aant. 5.2), de opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken (aant. 5.3) en de overige voordelen uit die staat die op grond van het verdrag of de getroffen wederkerige regeling aan die staat zijn toegewezen (aant. 5.4). De buitenlandse winsten en verliezen vallen alleen onder de objectvrijstelling voor zover Nederland hiervoor op basis van het verdrag of de wederkerige regeling een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen. Voor de invulling van voornoemde winstcategorieën en de daarbij gebruikte begrippen, wordt aldus aangesloten bij het relevante belastingverdrag (aant. 5.6).
In niet-verdragsituaties bestaat de winst uit de andere staat uit het gezamenlijke bedrag van een drietal opgesomde winstcategorieën (aant. 6). Dit betreft de winst uit een buitenlandse onderneming in de andere staat (aant. 6.2), de opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken (aant. 6.3) en de opbrengsten uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in de andere staat is gevestigd, voor zover deze rechten niet opkomen uit effectenbezit (aant. 6.4). Voor het onder de objectvrijstelling vallen van deze opbrengsten is niet (meer) vereist dat deze in de andere staat zijn onderworpen aan een belastingheffing naar de winst (aant. 6.6).
In art. 15e, derde tot en met zesde lid, Wet VPB 1969 zijn – alleen voor niet-verdragssituaties - enige nadere regelingen opgenomen voor de bepaling van de winst uit een andere staat waarop de objectvrijstelling van toepassing is. Op basis van art. 15e, derde lid, Wet VPB 1969 worden werkzaamheden van ten minste 30 dagen binnen het winningsgebied van een andere staat mede als een buitenlandse onderneming beschouwd (aant. 8). Art. 15e, vierde lid, Wet VPB 1969 geeft een omschrijving van wat onder het "gebied van een andere staat" moet worden verstaan (aant. 9). Art. 15e, vijfde lid, Wet VPB 1969 bevat voor het inkomen uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in het internationale verkeer een uitzondering op het ontbreken van een onderworpenheidsvereiste. Dit inkomen wordt voor de toepassing van de objectvrijstelling alleen als winst uit een andere staat in aanmerking genomen, voor zover het in de andere staat in een belastingheffing naar de winst wordt betrokken (aant. 10). Art. 15e, zesde lid, Wet VPB 1969 geeft voor niet-verdragssituaties een regeling voor de bepaling van de aan een vaste inrichting toe te rekenen winst (aant. 11).
De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten vindt op grond van art. 15e, zevende lid, Wet VPB 1969, in beginsel, geen toepassing op de winsten uit een buitenlandse onderneming die als een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming kan worden aangemerkt (aant. 13). Deze uitzondering op de objectvrijstelling dient in verdragssituaties in samenhang te worden gezien met de voorkomingsregels uit het verdrag (aant. 13.2). Zo is de uitzondering van art. 15e, zevende lid, Wet VPB 1969 niet van toepassing, en geldt de objectvrijstelling ook voor de winsten uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming, indien, kortgezegd, het verdrag geen specifieke regeling kent voor passieve vaste inrichtingen en Nederland op grond van het verdrag voor de hiermee behaalde winsten een vrijstelling dient te verlenen (aant. 13.2.1).
De objectvrijstelling vindt geen toepassing bij fiscale beleggingsinstellingen (aant. 15).
Daarnaast is de objectvrijstelling niet van toepassing indien sprake is van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting als bedoeld in artikel 12ac, eerste lid, onderdeel b, van de Wet VPB 1969 (aant. 16). Verder is de objectvrijstelling ook niet van toepassing op de aan een vaste inrichting toerekenbare zogenoemde ‘besmette voordelen’ (aant. 18).
Tot slot wordt de objectvrijstelling voor de toepassing van enige andere wettelijke bepalingen, expliciet, als een regeling ter voorkoming van dubbele belasting aangemerkt (aant. 16).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 15e Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 05-11-2025
05-11-2025, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2025/123 en V-N 2025/45.39.
01-01-2012 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 15e Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15e
Beschouwing
Art. 15e Wet VPB 1969 bevat de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Het artikel is onderdeel van de in afdeling 2.10a van de Wet VPB 1969 opgenomen regeling van de objectvrijstelling. Het ziet op de wijze waarop buitenlandse winsten en verliezen bij de belastingheffing van een inwoner van Nederland in aanmerking worden genomen. Tot 2012 gold voor de buitenlandse winsten, in voorkomende gevallen, een belastingvrijstelling op grond van de belastingverdragen of het Bvdb 2001.
Art. 15e, eerste lid, Wet VPB 1969 bevat de hoofdregel van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Bij een belastingplichtige – inwoner van Nederland - met winst uit een andere staat, wordt de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat (aant. 2). Het begrip "staat" dient hierbij ruim te worden uitgelegd (aant. 2.2.6). De objectvrijstelling wordt per staat afzonderlijk toegepast (aant. 2.2.10). Met de systematiek van de objectvrijstelling is zo veel mogelijk aangesloten bij de tot 2012 geldende systematiek van de belastingvrijstelling in het Bvdb 2001. Wat wijzigt is de wijze waarop met buitenlandse winsten en verliezen rekening wordt gehouden, maar niet de wijze waarop de buitenlandse winsten en verliezen worden vastgesteld (aant. 2.3).
In art. 15e, tweede lid, Wet VPB 1969 wordt omschreven wat onder de winst uit een andere staat wordt verstaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verdragssituaties en niet-verdragssituaties. Voor dit onderscheid is relevant of in de relatie tot de andere staat een verdrag van kracht is dat, of een regeling is getroffen die, voorziet in een regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de belastingplichtige (aant. 4). Voor beide gevallen geldt overigens dat het begrip winst uit een andere staat ruimer is dan alleen de winst uit een vaste inrichting aldaar (aant. 4.1.2).
In verdragssituaties bestaat de winst uit een andere staat uit het gezamenlijke bedrag van een drietal opgesomde winstcategorieën (aant. 5). Dit betreft de winst uit een buitenlandse onderneming in die staat (aant. 5.2), de opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken (aant. 5.3) en de overige voordelen uit die staat die op grond van het verdrag of de getroffen wederkerige regeling aan die staat zijn toegewezen (aant. 5.4). De buitenlandse winsten en verliezen vallen alleen onder de objectvrijstelling voor zover Nederland hiervoor op basis van het verdrag of de wederkerige regeling een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen. Voor de invulling van voornoemde winstcategorieën en de daarbij gebruikte begrippen, wordt aldus aangesloten bij het relevante belastingverdrag (aant. 5.6).
In niet-verdragsituaties bestaat de winst uit de andere staat uit het gezamenlijke bedrag van een drietal opgesomde winstcategorieën (aant. 6). Dit betreft de winst uit een buitenlandse onderneming in de andere staat (aant. 6.2), de opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken (aant. 6.3) en de opbrengsten uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in de andere staat is gevestigd, voor zover deze rechten niet opkomen uit effectenbezit (aant. 6.4). Voor het onder de objectvrijstelling vallen van deze opbrengsten is niet (meer) vereist dat deze in de andere staat zijn onderworpen aan een belastingheffing naar de winst (aant. 6.6).
In art. 15e, derde tot en met zesde lid, Wet VPB 1969 zijn – alleen voor niet-verdragssituaties - enige nadere regelingen opgenomen voor de bepaling van de winst uit een andere staat waarop de objectvrijstelling van toepassing is. Op basis van art. 15e, derde lid, Wet VPB 1969 worden werkzaamheden van ten minste 30 dagen binnen het winningsgebied van een andere staat mede als een buitenlandse onderneming beschouwd (aant. 8). Art. 15e, vierde lid, Wet VPB 1969 geeft een omschrijving van wat onder het "gebied van een andere staat" moet worden verstaan (aant. 9). Art. 15e, vijfde lid, Wet VPB 1969 bevat voor het inkomen uit de exploitatie van schepen en luchtvaartuigen in het internationale verkeer een uitzondering op het ontbreken van een onderworpenheidsvereiste. Dit inkomen wordt voor de toepassing van de objectvrijstelling alleen als winst uit een andere staat in aanmerking genomen, voor zover het in de andere staat in een belastingheffing naar de winst wordt betrokken (aant. 10). Art. 15e, zesde lid, Wet VPB 1969 geeft voor niet-verdragssituaties een regeling voor de bepaling van de aan een vaste inrichting toe te rekenen winst (aant. 11).
De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten vindt op grond van art. 15e, zevende lid, Wet VPB 1969, in beginsel, geen toepassing op de winsten uit een buitenlandse onderneming die als een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming kan worden aangemerkt (aant. 13). Deze uitzondering op de objectvrijstelling dient in verdragssituaties in samenhang te worden gezien met de voorkomingsregels uit het verdrag (aant. 13.2). Zo is de uitzondering van art. 15e, zevende lid, Wet VPB 1969 niet van toepassing, en geldt de objectvrijstelling ook voor de winsten uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming, indien, kortgezegd, het verdrag geen specifieke regeling kent voor passieve vaste inrichtingen en Nederland op grond van het verdrag voor de hiermee behaalde winsten een vrijstelling dient te verlenen (aant. 13.2.1).
De objectvrijstelling vindt geen toepassing bij fiscale beleggingsinstellingen (aant. 15).
Daarnaast is de objectvrijstelling niet van toepassing indien sprake is van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting als bedoeld in artikel 12ac, eerste lid, onderdeel b, van de Wet VPB 1969 (aant. 16). Verder is de objectvrijstelling ook niet van toepassing op de aan een vaste inrichting toerekenbare zogenoemde ‘besmette voordelen’ (aant. 18).
Tot slot wordt de objectvrijstelling voor de toepassing van enige andere wettelijke bepalingen, expliciet, als een regeling ter voorkoming van dubbele belasting aangemerkt (aant. 16).