Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.4:9.4 Handhaving van informatierechten
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.4
9.4 Handhaving van informatierechten
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972025:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder beschikt over een aantal instrumenten om zijn informatierechten in rechte te handhaven. Uit de reële dreiging van handhaving kan een preventieve werking uitgaan. Zonder remedies bestaat het risico dat informatierechten zinledig worden, omdat aan de schending daarvan geen sancties zijn verbonden.
Ik begin bij de informatievordering. Dit is een vordering van de aandeelhouder tegen de vennootschap tot verstrekking van bepaalde informatie door die vennootschap. Het gaat dan om informatie waarop die aandeelhouder aanspraak kan maken uit hoofde van zijn hoedanigheid als aandeelhouder, en niet vanwege eventuele andere betrokkenheid bij de vennootschap (zoals die van schuldeiser of commerciële contractspartij). Een dergelijke informatievordering zal in het algemeen pas kunnen worden toegewezen indien de vennootschap – op oneigenlijke gronden – weigert de verlangde inlichtingen te verstrekken aan de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder.
Artikel 2:8 BW biedt de juridische grondslag voor een dergelijke vordering. De verplichting van de vennootschap en de institutioneel betrokkenen om zich jegens elkander te gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid is derhalve een rechtsplicht waarvan de nakoming in rechte kan worden afgedwongen. Dat geldt ook voor de daaraan ontleende verplichting van de vennootschap om informatie te verstrekken aan haar aandeelhouders, mits aan de toepasselijke vereisten is voldaan. Voor toewijzing van die vordering zal de aandeelhouder voldoende onderbouwd moeten aantonen dat hij een voldoende en redelijk belang heeft bij toegang tot de betreffende informatie en dat de vennootschap onder de gegeven omstandigheden gehouden is die informatie te verstrekken. De vennootschap kan vervolgens, naast een betwisting van de stellingen van de aandeelhouder, bij wijze van (bevrijdend) verweer aanvoeren dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen verstrekking van de aldus verzochte informatie verzet.
De aandeelhouder beschikt ook over verschillende subsidiaire grondslagen waar hij zich in rechte op kan beroepen. Deze subsidiaire grondslagen bieden geen zelfstandig recht op informatie van de vennootschap, maar dienen slechts om een reeds bestaand informatierecht te effectueren. Te denken valt aan de exhibitievordering uit hoofde van artikel 843a respectievelijk 22 en 162 Rv, het voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv, de vordering tot openlegging van de administratie uit hoofde van artikel 3:15j BW en de onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW.
Ten tweede wijs ik op de enquêteprocedure, een speciale procedure gericht op de beslechting van geschillen binnen de vennootschap, voor de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, een gespecialiseerde rechter. De meeste geschillen over de informatierechten van aandeelhouders worden in enquête beslecht. In voorkomende gevallen kan ingrijpen door de Ondernemingskamer geboden zijn. Dat ingrijpen dient te worden bezien vanuit de doeleinden van het enquêterecht: sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de rechtspersoon, de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Voorts gaat van het enquêterecht een preventieve werking uit, die mede is gelegen in de mogelijkheid van de Ondernemingskamer om op verstrekkende wijze in te grijpen in de rechtspersoon.
Bij de handhaving van informatierechten in enquête is een belangrijke rol weggelegd voor onmiddellijke voorzieningen. De Ondernemingskamer kan desverzocht in elke stand van het geding onmiddellijke voorzieningen treffen voor ten hoogste de duur van het geding indien, dit gelet op de belangen van de rechtspersoon en de institutioneel betrokkenen, vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. De voornaamste voorziening die de Ondernemingskamer kan treffen om informatierechten van aandeelhouders te waarborgen, is de tijdelijke benoeming van een onafhankelijke commissaris die het (mede) tot zijn taak mag rekenen om toezicht te houden op de informatievoorziening.
Wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, kan de Ondernemingskamer een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap. Het verslag van de onderzoeker(s) kan een belangrijke informatiebron vormen voor de aandeelhouder. Het onderzoeksrapport zal echter niet altijd een volwaardig alternatief bieden voor een geschonden informatierecht. Het onderzoek vindt pas plaats nadat het kwaad is geschied, terwijl het informatierecht van de aandeelhouder er veelal juist toe zal hebben gestrekt om dit kwaad te voorkomen door de aandeelhouder daar tijdig over te informeren. Daarbij moet worden bedacht dat het veelal ruim een jaar kan duren voordat het (finale) onderzoeksverslag beschikbaar komt.
Ten slotte wijs ik op de mogelijkheid van aantasting van besluiten. Besluiten van de algemene vergadering die op basis van onvolledige of ontoereikende informatie tot stand zijn gekomen, zijn aantastbaar. Dat geldt ook voor besluiten van de vennootschapsleiding waarbij procedurele normen zijn geschonden die nopen tot informatieverstrekking aan de aandeelhouders. Een dergelijk gebrekkig besluit is vernietigbaar. Betreft het een gebrekkige beslissing, dan kan een verbod op de uitvoering van die beslissing worden gevorderd, althans een gebod tot intrekking daarvan.
Vooruitlopend op, althans ter voorkoming van gebrekkige besluitvorming kan een ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder opschorting van die besluitvorming vorderen. Die opschorting kan op verschillende wijzen worden vormgegeven, waaronder bijvoorbeeld het verdagen van een algemene vergadering of bestuursvergadering, of een tijdelijk verbod om het litigieuze voorstel in stemming te brengen. Indien het bestreden besluit reeds is genomen, kan de uitvoering daarvan – in bepaalde gevallen – (tijdelijk) worden geschorst of verboden.