Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/8.5
8.5 Integratie in de omgevingsvergunning?
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608222:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 13
Evaluatie Ministerie van VROM 2007, p. 22 en 23.
Zo ook de redenering van de regering over de keuze tot het invoeren van een broeikasgasemissievergunning in plaats van integratie in de milieuvergunning (MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 13).
Zie voor de motivering voor het instellen van de Nederlandse emissieautoriteit: MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 46 en 47. Zie in dat kader ook Teuben 2005, p. 263. Zij vindt vooral de deskundigheid van (het bestuur van) de NEa een doorslaggevende factor.
Al biedt de Omgevingswet wel ruimte voor een verdere aanscherping: Thurlings 2016b.
Gepubliceerd op 21 december 2015, Stb. 2015, nr. 521.
In het bijzonder zij hierbij gewezen op artikel 5.3 lid 4 aanhef en onder b Wabo jo het voorgestelde artikel 7.1 jo bijlage IV ontwerp-besluit VTH. In het kader van activiteiten die op bijlage I, categorie 4 Richtlijn IE vermeld staan, zijn er zes omgevingsdiensten bevoegd (artikel 5.3 lid 4 Wabo jo artikel 7.1 lid 3 jo bijlage V ontwerp-besluit VTH, voor het overige zijn er momenteel 29 omgevingsdiensten actief (http://www.regioatlas.nl/indelingen/indelingen_indeling/t/omgevingsdiensten_regionale_uitvoeringsdiensten, laatst geraadpleegd op 12 februari 2017) die op grond van artikel 5.3 Wabo jo artikel 7.1 lid 1 jo bijlage IV, categorie 1 en 3 ontwerp-besluit VTH een wettelijk verplichte status zullen verkrijgen. Zie over de omgevingsdiensten tevens: Olivier & Collignon 2015.
Zowel bij het oorspronkelijke wetsvoorstel,1 als in een evaluatie uit 2007,2 is aan de orde gekomen of de broeikasgasemissievergunning moet worden geïntegreerd in een vergunning met de milieuvergunning (nu de omgevingsvergunning). Dit zou een aantal voordelen kunnen opleveren, waaronder:
Coördinatie-knelpunten met de broeikasgasemissievergunning worden door integratie vermeden;
De drijver van de inrichting heeft één aanspreekpunt voor de vergunning en eventuele handhavingsaspecten.
Een groot en belangrijk nadeel is echter de versnippering over lokale bevoegde organen, met name GS en in voorkomende gevallen het college van B en W. Dit bergt het risico in zich van verschillen in (kwaliteit van) toezicht en handhaving.3 Door een centraal orgaan in het leven te roepen, kan specialistische kennis rondom de technische wetgeving worden geconcentreerd, en is een uniforme (kwaliteit van) handhaving eenvoudiger te bereiken.4 Momenteel vervult het bestuur van de NEa deze centrale rol. Door het bijzondere vergunningstelsel, dat tot het exclusieve domein van het bestuur van de NEa behoort, wordt bewerkstelligd dat er een duidelijk afgebakend terrein bestaat voor de handel in emissierechten. Daar komt bij dat de afstemming blijkens de Afdelingsjurisprudentie in de praktijk naar de letter van de wet plaatsvindt. Dat wil zeggen, het lokaal bevoegd gezag treedt niet op het terrein van de broeikasgasemissiehandel door emissiegrenswaarden aan omgevingsvergunningen te verbinden. Een verdere integratie van de vergunningen lijkt nochtans dus niet noodzakelijk.5
Hoewel met de ‘wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving)’6 bepaalde taken, onder meer inzake de verlening van omgevingsvergunningen voor het in werking hebben van een inrichting, bij een omgevingsdienst zullen moeten worden ondergebracht, blijft daarmee een versnippering bestaan tussen meerdere van deze diensten.7 Derhalve blijft het risico van verschillen in (kwaliteit van) toezicht en handhaving tot op zekere hoogte bestaan. Hierbij zij in aanmerking genomen, zoals in hoofdstuk 7 is gebleken, dat het ETS eigen en zeer technische monitoringsvereisten bevat. De controle hierop vereist specialistische kennis en capaciteit die nu reeds is ondergebracht en opgebouwd bij de NEa. In hoofdstuk 7 is daarbij gebleken dat de NEa haar toezicht- en handhavingstaken ook goed uitvoert. Mijns inziens verdient het daarom de voorkeur de NEa als toezichthoudende instantie in het kader van het ETS aan te houden, met het bestuur van de NEa als bevoegd bestuursorgaan.