De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/6.5.4
6.5.4 Aankoop bloot eigendom op Waddeneilanden
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS388475:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1927, 146.
Nationale ombudsman 17 december 1992, ECLI:NL:XX:1992:AN2909, AB 1993/116 (Minister van Financiën, Dienst der Domeinen, Inspectie Meppel), Nationale Ombudsman 14 maart 1994, ECLI:NL:XX:1994:AN3597, AB 1994/270, m.nt. P.J. Stolk (Minister van Financiën, Dienst der Domeinen, Inspectie Meppel) en Nationale Ombudsman 29 juni 1995, ECLI:NL:XX:1995:AN4373, AB 1995/453, m.nt. (erfpachter/Staatssecretaris van Financiën, Dienst der Domeinen, Regionale Inspectie Domeinen Noord).
Art. 9 lid 9 van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006, gebaseerd op art. 38 Comptabiliteitswet 2001 die het beheer van de financiën van de Rijksoverheid regelt, bepaalt over onroerende zaken: “Verkoop of verhuur aan derden geschiedt tegen marktconforme prijzen.”
Zie onder meer de motie van 23 april 2008 over teruggave van gronden die geen natuurfunctie hebben (Kamerstukken II 2007/08, 29659, 17), de reactie van de minister van 9 oktober 2009 op het rapport van de onafhankelijke commissie De Jong (Kamerstukken II 2009/10, 29659, 39), de discussie met de Kamer tijdens een algemeen overleg op 8 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 29659, 45) en de aangenomen motie van 1 juli 2010 over een redelijke prijs voor de blote eigendom (Kamerstukken II 2009/10, 29659, 55) die door de minister onuitvoerbaar werd geacht.
Brief van de minister aan de Kamer van 3 maart 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29659, 66).
Zie onder meer het verslag van het algemeen overleg van 3 april 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 29659, 82), de motie van 4 juli 2012 met het verzoek om onafhankelijke taxateurs (Kamerstukken II 2011/12, 29659, 91), de instelling van de commissie Van der Werf (Kamerstukken II 2012/13, 29659, 97), de brief van de minister van 18 december 2014 waarin onder meer een aantal proeftaxaties wordt aangekondigd (Kamerstukken II 2014/15, 29659, 137), de brief van de minister van 8 april 2016 over de resultaten van de beoordeling van de waarderingsmethode van het RVB (Kamerstukken II 2015/16, 29659, 143) en de brief van de minister van 4 juni 2018 over de verkoop van bloot eigendom (Kamerstukken II 2017/18, 29659, 149 met bijlage).
Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224 (23 erfpachters/Staatsbosbeheer).
Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224, r.o. 4.2.
Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224, r.o. 4.5-4.6. Door het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) werd op 24 mei 2018 echter geoordeeld dat de onafhankelijke deskundigen bij de beoordeling van de waarderingsmethode weliswaar niet in strijd met de Nederlandse Gedragscode Wertenschapsbeoefening, maar wel ‘verwijtbaar onzorgvuldig’ hadden gehandeld, bron: <www.lowi.nl/nl/bestanden/LOWIadvies201805.pdf>, geraadpleegd op 8 december 2018. Daarmee staat de wetenschappelijkheid van de waarderingsmethode niet langer vast.
Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224, r.o. 4.9: “Gezien de verwijzing van [taxateur] Wiberg naar deze jurisprudentie gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat Wiberg geen depreciatie heeft toegepast op de marktwaarde, omdat zij – in lijn met dit oordeel van het gerechtshof – van mening is dat het feit dat sprake is van in (onder)erfpacht uitgegeven grond geen aftrek op de verkoopprijs van de grond rechtvaardigt, nu de grond wordt verkocht aan de zittende (onder)erfpachter, zodat op eventueel uit de erfpachtvoorwaarden voortvloeiende beperkingen niet langer acht behoeft te worden geslagen. Hieruit volgt dat Wiberg wel degelijk het bloot eigendom van de percelen (in bebouwde staat) heeft gewaardeerd, maar van mening is dat deze gelijk is aan de waarde van de volle, vrije eigendom van die percelen (in bebouwde staat).”
Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224, r.o. 4.17.
De erfpachters hadden onvoldoende argumenten aangevoerd voor het tegendeel, Rb. Noord-Nederland (vzr) 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4224, r.o. 4.23: “Zoals hiervoor is overwogen, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de door Staatsbosbeheer gehanteerde verkooprijzen niet marktconform zijn. Eisers hebben geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die maken dat het vragen van een marktconforme prijs voor het bloot eigendom van de percelen onevenredig is jegens hen of één of enkele van hen gelet op de gevolgen die dit voor hen heeft. Daarbij komt dat eisers geenszins verplicht zijn om het perceel dat zij in (onder)erfpacht hebben, te kopen. Zij kunnen immers hun (onder)erfpachtrelatie voortzetten. Reeds hierop strandt het beroep van eisers op het evenredigheidsbeginsel en in het verlengde daarvan ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. In het midden kan blijven of Staatsbosbeheer, gelet op de eis van marktconformiteit in de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006, de vrijheid heeft om op grond van omstandigheden in een individueel geval een (onder)erfpachter het bloot eigendom van een perceel grond aan te bieden voor een lagere prijs dan de marktwaarde.” Een groep erfpachters op Terschelling deed vergeefs een verzoek in het kader van Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) om het rapport ‘Toets waarde bloot eigendom SBB’ openbaar te maken, de financiële belangen van de Staat verhinderden in dit geval volledige openbaarmaking, Rb. Noord-Nederland 22 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4422 (Vereniging Terschellinger Erfpachters/Minister voor Wonen en Rijksdienst).
Op Terschelling werd in de jaren twintig een perceel Staatsgrond uitgegeven voor onbepaalde duur wat alleen bij hoge uitzondering mogelijk was en dan bij wet moest geschieden omdat de Staat altijd controle over het gebruik van de grond wilde houden.1 Uit drie oordelen van de Nationale ombudsman van begin jaren negentig blijkt dat de Staat ook op Ameland en Schiermonnikoog grond in eeuwigdurende erfpacht had uitgegeven en dat deze erfpachters na wijziging van het Rijkszeeweringenreglement in 1987 in de gelegenheid waren gesteld de blote eigendom aan te kopen.2 Deze beleidswijziging werd door de Dienst Domeinen echter niet direct, maar pas in 1991 aan de erfpachters bekendgemaakt ondanks dat erfpachters al sinds het begin van de jaren tachtig met enige regelmaat hadden verzocht om aankoop van de blote eigendom. In verband met de stijgende grondprijzen rond 1990 en het voorschrift van de Comptabiliteitswet dat de Staat haar grond alleen tegen marktconforme prijzen mag verkopen ontstonden problemen over de koopprijs.3 Dat sommige erfpachters de blote eigendom voor een eerder gedaan aanbod en dus voor lagere prijzen hadden kunnen kopen dan anderen was volgens de erfpachters in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Nationale ombudsman oordeelde dat de Dienst Domeinen niet behoorlijk handelde door de beleidswijziging niet tijdig bekend te maken en door in het algemeen niet zorgvuldig met erfpachters te communiceren. Erfpachters die konden aantonen dat zij al voor de beleidswijziging verzoeken tot koop hadden gedaan moesten de blote eigendom tegen de lagere prijs kunnen kopen, aldus de aanbeveling van de ombudsman.
Een vergelijkbare strijd over de hoogte van de aankoopprijs voor de blote eigendom van grond onder (recreatie)woningen op de Waddeneilanden wordt nog altijd gevoerd en betreft in de kern de prijs voor de blote eigendom van de grond, met name het in die prijs verdisconteerde aandeel in de waardeontwikkeling dat aan de grondeigenaar toekomt. Staatsbosbeheer is als erfverpachter in beginsel bereid op verzoek grond die niet nodig is voor natuurbeheer te verkopen aan de zittende erfpachters en die erfpachters willen de grond graag kopen, maar alleen tegen een redelijke koopprijs. Sinds 2008 vormt dit conflict ook onderwerp van overleg tussen de Tweede Kamer en de betreffende minister en zijn verschillende commissies ingesteld om de kwestie te onderzoeken en er nader over te adviseren.4 In 2011 werd een bestuurlijk akkoord gesloten tussen Staatsbosbeheer en de Waddengemeenten over verkoop van bloot eigendom5 en sindsdien spitst het conflict zich toe op de waarderingsmethode tot het bepalen van de koopprijs.6 Deze krachtmeting tussen de Staat als erfverpachter en erfpachters van (recreatie)woningen op de Waddeneilanden betreft au fond de waarde van hetgeen aan ieder der partijen toekomt. Het betreft percelen duingrond waarop door de erfpachters (recreatie)woningen zijn gebouwd en naast de koopprijs voor de blote eigendom betreft het conflict ook de wijze waarop de canon door Staatsbosbeheer wordt berekend. Niet het beginsel van marktconforme prijzen staat ter discussie als wel het aandeel in de waardetoename van de grond dat aan de erfpachters dient te worden toegerekend.
Een voorbeeld van dit conflict vormt de beslissing in kort geding van 8 november 2017.7 Het geschil tussen 23 ondererfpachters op Vlieland en Staatsbosbeheer als erfverpachter, erfpachter was de beheerorganisatie van het recreatiepark waar de percelen gelegen waren, betreft de waardering van de blote eigendom van deze percelen in het kader van een koopaanbod. De voorzieningenrechter toetste het koopaanbod van Staatsbosbeheer aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en wees de vorderingen van de ondererfpachters af. Het uitgangspunt bij deze toetsing vormde de bestaande rechtsverhouding, ondanks dat in beginsel geen rechtsverhouding bestond tussen de erfverpachter en ondererfpachters:
“In beginsel geldt voor Staatsbosbeheer contractsvrijheid, wanneer hij als grondeigenaar een aanbod doet tot koop van die grond aan een ondererfpachter. De contractsvrijheid geldt echter niet onbeperkt. Staatsbosbeheer dient als publiekrechtelijke rechtspersoon bij het doen van een aanbod tot koop de geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht in acht te nemen (artikel 3:14 BW). Volgens eisers wordt de contractsvrijheid van Staatsbosbeheer daarnaast beperkt door de regels van redelijkheid en billijkheid, omdat deze regels de rechtsverhouding tussen Staatsbosbeheer als eigenaar en hen als ondererfpachters beheersen. Deze stelling miskent dat tussen een eigenaar en een ondererfpachter, anders dan tussen een eigenaar en een erfpachter, geen vermogensrechtelijke rechtsverhouding bestaat. Door het verzoek van eisers aan Staatsbosbeheer tot het doen van een koopaanbod en het daaropvolgende koopaanbod van Staatsbosbeheer aan eisers is tussen hen echter wel een precontractuele rechtsverhouding ontstaan, die wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. De voorzieningenrechter is daarom, zij het op andere gronden dan door eisers gesteld, van oordeel dat de contractsvrijheid van Staatsbosbeheer eveneens wordt beperkt door de eisen van redelijkheid en billijkheid.”8
Het koopaanbod werd gedaan binnen een verbintenisrechtelijke precontractuele rechtsverhouding. Omdat het koopaanbod was gebaseerd op een taxatie uitgevoerd door een onafhankelijke taxateur en aan de hand van een door onafhankelijke deskundigen bevestigde waarderingsmethode, mocht Staatsbosbeheer naar het oordeel van de voorzieningenrechter, zijn koopaanbod op deze taxatie baseren.9 In deze taxatie werd, onder verwijzing naar het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2013, afgezien van uit de erfpachtvoorwaarden voortvloeiende beperkingen omdat het om verkoop aan de zittende erfpachter ging.10 De argumenten van de erfpachters dat zij daarmee de volle grondwaarde betaalden in plaats van de waarde van grond bezwaard met erfpacht stuitte af op de stelling van Staatsbosbeheer dat de waardetoename van de grond bij aankoop van bloot eigendom door de erfpachter tussen partijen gedeeld werd:
“Bij verkoop aan de zittende erfpachter worden de erfpachtbeperkingen opgeheven en wordt de tijdens de looptijd van de erfpacht toegepaste depreciatie (ten gevolge van de erfpachtbeperkingen) van 25% teniet gedaan. Deze economische waarde valt de erfpachter toe zonder dat de erfpachter hiervoor wat hoeft te doen. Een verdeling van 50/50 (van de totale waarde depreciatie = 12,5%) van dat voordeel is een verdeelsleutel tussen eigenaar en erfpachter die ook volgens [B] en [C] voldoet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, aldus gedaagden.”11
De voorzieningenrechter achtte deze handelwijze niet onredelijk. Ik kan me echter niet aan de indruk onttrekken dat er naar een resultaat toe geredeneerd wordt. Het uitgangspunt is de verplichting voor de overheid om haar grond tegen marktconforme prijzen te verkopen. Voor de bloot eigendom van een perceel duingrond bezwaard met een erfpachtrecht bestaat geen markt, althans Staatsbosbeheer is niet bereid dit eigendom aan derden over te dragen en maakt alleen een uitzondering voor de zittende erfpachters en dan alleen van grond waarvoor geen natuurbestemming (meer) bestaat. Voor de erfpachtrechten die recht geven op gebruik van de grond en de daarop geplaatste recreatiewoningen bestaat wel een markt. De crux lijkt te zitten in het verschil tussen de waarde van het gekochte op het moment van koop, de bloot eigendom van Staatsbosbeheer waarvan de waarde zich niet marktconform laat vaststellen, en het resultaat van de transactie, de erfpachter wordt door vermenging vol eigenaar van een perceel duingrond in een gewild recreatiegebied. Van dat waardeverschil eigent Staatsbosbeheer zich de helft toe, en handelt daarmee niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus de voorzieningenrechter.12 Naar verwachting zal het conflict nog enige tijd voortduren.