Zie onder andere: HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m. nt. T.M.C.J. Schalken, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.
HR, 26-11-2024, nr. 23/02186
ECLI:NL:HR:2024:1704
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
23/02186
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1704, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:966
ECLI:NL:PHR:2024:966, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1704
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0307
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. auto-inbraken en autodiefstal, art. 311.1.5 Sr. Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde in Nederland gebleken uit een aan schriftuur gehecht bevel tot bewaring van RC (van 15-5-2023). Dagvaarding in hoger beroep (voor tz. van 15-5-2023) is uitgereikt aan medewerker OM na vergeefse aanbieding van dagvaarding op BRP-adres van verdachte. Als dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP, geldig is betekend en verdachte niet op tz. is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan rechter (behalve bij duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht. Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte tijdens behandeling van zijn zaak i.v.m. andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit rechter bekend was. Aan herkomst en betrouwbaarheid van stuk dat in cassatie is overgelegd, behoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit dat stuk moet worden afgeleid dat verdachte tijdens behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep i.v.m. andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat dagvaarding om op tz. in h.b. te verschijnen rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt en op die tz. geen raadsman aanwezig was, is ’s hofs beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en onderzoek op tz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens groot belang van verdachte om bij behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn aanwezigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat ‘s hofs uitspraak moet worden vernietigd en dat zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02186
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 mei 2023, nummer 22-002771-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van den Boogert, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het voert daartoe aan dat de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd en dat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2.1
Bij de stukken bevinden zich:a. een akte van uitreiking die inhoudt dat de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2023 op 27 maart 2023 is uitgereikt aan de medewerker van het openbaar ministerie, omdat er op het in de basisregistratie personen (BRP) opgenomen adres van de verdachte niemand aanwezig of bereid was de dagvaarding aan te nemen en de dagvaarding ook niet was afgehaald op het postkantoor nadat daarvan een bericht van aankomst was achtergelaten.b. het proces-verbaal van die terechtzitting dat inhoudt dat daar de verdachte niet is verschenen en ook niet een raadsman, dat tegen de verdachte verstek is verleend en dat het onderzoek is gesloten.
2.2.2
In cassatie is – door aanhechting aan de schriftuur – overgelegd een bevel tot bewaring van de verdachte, afgegeven door de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2023.
2.3
Als de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, geldig is betekend (uitgereikt) en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan de rechter – behalve bij duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.
2.4
Aan de herkomst en betrouwbaarheid van het stuk dat in cassatie is overgelegd, behoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit dat stuk moet worden afgeleid dat de verdachte tijdens de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in verband met een andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2023 te verschijnen rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt en op die terechtzitting geen raadsman aanwezig was, is de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek op de terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet de verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn aanwezigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte is in h.b. niet-ontvankelijk verklaard. Achteraf bezien is door het hof ten onrechte verstek verleend omdat verdachte t.t.v. de behandeling van h.b. uit andere hoofde was gedetineerd. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02186
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 mei 2023 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2022, waarin hij wegens driemaal “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel (van) valse sleutels” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd als bedoeld in art. 27 Sr. De rechtbank heeft daarnaast een inbeslaggenomen stuk gereedschap verbeurd verklaard en beslist op de vordering van de benadeelde partij. Ook heeft de rechtbank in vier zaken de tenuitvoerlegging gelast van aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. van den Boogert, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het door het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof – achteraf bezien – ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep werd vastgehouden in verband met zijn inverzekeringstelling en voorgeleiding bij de rechter-commissaris in een andere zaak, en hij dus niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] (…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De voorzitter deelt mede dat de raadsvrouw van de verdachte heden op voorhand per e-mail heeft laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen. Zij heeft omtrent de reden van haar niet-verschijnen – desgevraagd per e-mail van heden door de griffier – laten weten helaas geen nadere toelichting te kunnen geven waarom zij niet zal verschijnen.”
2.3
Als uitgangspunt geldt dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en noch de verdachte noch een bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat ten onrechte verstek is verleend tegen de verdachte, bijvoorbeeld omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.1.
2.4
In cassatie is door de raadsman van de verdachte – door middel van aanhechting aan de schriftuur – een bevel tot bewaring overlegd, inhoudende dat de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam op 15 mei 2023 een bevel tot bewaring heeft verleend ten aanzien van de verdachte.
2.5
Uit het hiervoor onder 2.4 vermelde stuk – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was.2.Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen, zodat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.
3. Slotsom
3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042.