Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/21
21 Belang als voorwaarde voor ontvankelijkheid
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393496:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema, NJB 1932, p. 190. Scheltema verwijst naar HR 6 december 1918, NJ 1919, 137; Hof Amsterdam 24 juni 1927, W. 11724; Rb. Alkmaar 26 februari 1931, NJ 1931, 1545.
Hof Amsterdam 24 juni 19727, W. 11724 overweegt dat de eiser ‘voldoende belang’ moet hebben bij zijn vordering.
Rb. Alkmaar 26 februari 1931, NJ 1931, 1545 overweegt dat de eiser ‘dadelijk belang’ moet hebben bij zijn vordering.
HR 15 december 1939, NJ 1940, 206 (Vereenigd Industrieel Bezit no. 39/Staat). Dat de Hoge Raad in dit arrest voor het eerst overwoog dat de eiser belang moet hebben bij toewijzing van de vordering die strekt tot een verklaring voor recht, baseer ik op een onderzoek dat ik heb gedaan naar alle arresten die over het declaratoire vonnis zijn gepubliceerd in het tijdschrift Nederlandse Jurisprudentie vanaf 1913. De onderzoeksresultaten heb ik verwerkt in de bijlagen 1 t/m 8.
HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29 (Dominee); HR 19 mei 1991, NJ 1991, 534 (Lippinkhof & Boerriger/De Oude Zwolsche); HR 15 december 1989, NJ 1990, 765 (Dros/Rabobank) en HR 7 december 1990, NJ 1990, 781 (Paktank/BCT).
Zie hierna, nr. 34 e.v.
Zie hierna, nr. 22 e.v.
Hoewel het voor toewijzing van de vordering volgens Scheltema dus niet nodig is om aan te knopen bij het belangvereiste, merkt Scheltema wel op dat uit de rechtspraak vanaf het begin van de twintigste eeuw lijkt te volgen dat een gevorderde verklaring voor recht slechts kan worden toegewezen als de eiser daarbij belang heeft. Scheltema verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar drie uitspraken.1 Naar mijn idee biedt HR 6 december 1918, NJ 1919, 137 geen steun voor zijn stelling. In dat arrest heeft de Hoge Raad slechts ten aanzien van de ontvankelijkheid van de eiser overwogen – onder verwijzing naar de conclusie van A-G Noyon – dat van een geschil geen sprake is zolang partijen alleen nog maar met elkaar van mening verschillen. Dat is niet hetzelfde als het verlangen dat de eiser belang heeft bij de vordering die strekt tot een verklaring voor recht. In het arrest van het hof Amsterdam en in het vonnis van de rechtbank Alkmaar waarnaar Scheltema ook verwijst, heeft het hof respectievelijk de rechtbank wel overwogen dat de eiser voldoende2 respectievelijk dadelijk3 belang moet hebben bij toewijzing van de vordering die strekt tot verklaring voor recht. De Hoge Raad heeft in 1939 voor het eerst overwogen dat de eiser belang moet hebben bij toewijzing van de vordering die ‘uitsluitend strekt om bij gewijsde te doen vaststellen wat omtrent een bepaalde rechtsverhouding rechtens is’.4 Die regel heeft de Hoge Raad naderhand in diverse arresten herhaald.5 Vanaf 1992 is in art. 3:303 BW opgenomen dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering (dus ook niet de vordering die strekt tot verklaring voor recht) toekomt. De invulling van deze regel komt in het volgende hoofdstuk aan de orde.6
De hiervoor besproken rechtspraak ligt overigens ook ten grondslag aan de codificatie van de verklaring voor recht in art. 3:302 BW. De vereisten die uit dit artikel voortvloeien, komen eveneens in het volgende hoofdstuk aan de orde.7