Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.3.5.2
3.3.5.2 Verkrijgende verjaring
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476848:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 414 e.v. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/347; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/559.
Art. 3:105 jo. 3:306 jo. 3:314 lid 2 BW.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/560; en (voor de verjaring van art. 3:99 BW) Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/348.
Zie VV II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 417. Het ontwerpartikel behandelde de afstand van verkrijgende verjaring. Met het gewijzigd ontwerp werd deze mogelijkheid tot afstand geschrapt. Indien de behoefte bestaat om de verkrijging door verjaring ongedaan te maken, dan dient dat te geschieden door (terug)overdracht van het verkregen goed of afstand van het beperkte recht. Dit zou ook in verhouding tot de rechten van derden minder ongewenste moeilijkheden geven dan afstand van verjaring.
Vgl. VV II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 417.
Anders: Van Schaick 2011; en Van Schaick 2014/94.
Suijling V 1940/273; Pitlo 1957, p. 196; en Pitlo/Hidma 1981, p. 225 gaan uit van een verkrijging ex nunc. Zie voor een verkrijging ex tunc: Asser/Beekhuis 3-I 1975, p. 303-304; en Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 3-I 1985/593. Suijling V 1940/273, nam slechts terugwerkende kracht aan bij de zogenaamde twintigjarige verkrijging van art. 2000 lid 1 BW (oud). De reden hiervoor lag in het van ‘echte’ verjaring afwijkende karakter van deze specifieke figuur: zij had veeleer een tegen beschikkingsonbevoegdheid beschermend karakter.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/348.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/348.
67. Indien goederen worden verkregen door verjaring, speelt eveneens de vraag naar het exacte moment van verkrijging. De verkrijging van goederen door verjaring is gekoppeld aan een zeker tijdsverloop, waarna de verkrijging van rechtswege intreedt.1 Bij de verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW verwerft de bezitter het goed na verloop van een bepaalde tijd van onafgebroken bezit te goeder trouw. Bij rechten op roerende zaken niet-registergoederen en rechten aan toonder of order bedraagt de verjaringstermijn drie jaren, bij andere goederen tien jaren.2 Bij de verkrijging door bevrijdende verjaring van art. 3:105 BW is de verkrijging verbonden aan de verjaring van de rechtsvordering tot opeising van het bezit. Ook al is zijn bezit niet te goeder trouw, de bezitter verkrijgt het goed in beginsel twintig jaar na aanvang van de dag volgend op die waarop de rechthebbende het bezit heeft verloren.3
Vrij algemeen wordt aangenomen dat de verkrijging krachtens verjaring terugwerkende kracht heeft.4 Deze terugwerkende kracht komt echter niet in de wet tot uitdrukking. Zij wordt voornamelijk gebaseerd op een passage uit de parlementaire geschiedenis bij het vervallen ontwerpartikel 3.4.3.7 BW.5
In de literatuur worden echter vraagtekens gezet bij de terugwerkende kracht van verjaring. De ratio van verjaring is gelegen in de gedachte dat het recht zich op den duur bij de feiten dient aan te sluiten.6 Door Van Es is opgemerkt dat die gedachte niet eraan in de weg staat dat recht en feit gedurende een zekere periode uiteenlopen. De terugwerkende kracht is in zoverre niet inherent aan de ratio van de rechtsfiguur.7 Tekenend daarvoor is dat onder het oude burgerlijk recht terugwerkende kracht van verjaring juist niet algemeen werd aangenomen.8 Een middenpositie wordt ingenomen door Reehuis die meent dat terugwerkende kracht nog wel aansluit bij de ratio van de verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW, maar dat terugwerkende kracht bij de verkrijging door verjaring ex art. 3:105 BW geforceerd is te noemen nu de bezitter weet of behoort te weten dat hij geen rechthebbende was.9 Daarbij komt dat de terugwerkende kracht niet noodzakelijk is om te komen tot de bescherming van derden die hun rechten ontlenen aan de bezitter. Los van de mogelijke bescherming op grond van art. 3:86 of 3:88 BW, kan door de verkrijging van het goed bekrachtiging plaatsvinden van een eerdere – wegens beschikkingsonbevoegdheid – mislukte vestiging.10 H.J. Snijders gaat nog verder door aan te nemen dat – gelet op de mogelijkheid van bekrachtiging ex art. 3:58 BW – verkrijgende verjaring slechts in zoverre terugwerkende kracht heeft dat beperkte rechten gevestigd voorafgaand aan de voltooiing van de verjaring door de bezitter, kunnen worden geëerbiedigd. Dit betekent in wezen dat de verkrijging op grond van verjaring uit zichzelf niet terugwerkt, maar slechts kan leiden tot de eventuele bekrachtiging van door de bezitter verleende rechten in de periode voor de voltooide verjaring.