Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178.
Hof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, nr. 24/3
ECLI:NL:GHSHE:2025:3624, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
17-12-2025
- Zaaknummer
24/3
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:3624, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 17‑12‑2025; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2023:6829, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
Belastingblad 2026/115 met annotatie van A.P. Monsma
Uitspraak 17‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Aanslag forensenbelasting 2021. De aanslag wordt verminderd naar een aanslag op grond van het voor 2019 geldende tarief (zie Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178). De WOZ-waarde mag als heffingsmaatstaf worden gebruikt.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/3
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 22 november 2023, nummer ROE 23/656, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,
hierna: de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag forensenbelasting 2022 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in mijn Rechtspraak geplaatst.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn partner [partner] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft zijn hoofdverblijf in [woonplaats] en is mede-eigenaar van een woning gelegen aan [adres] in [plaats] .
2.2.
Aan belanghebbende is een aanslag forensenbelasting opgelegd voor het jaar 2022 tot een bedrag van € 3.860 (hierna: de aanslag).
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag forensenbelasting terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
3.2.
Op de zitting heeft belanghebbende de beroepsgrond dat de heffingsambtenaar niet bevoegd was om de aanslag op te leggen ingetrokken.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar het in 2019 geldende tarief.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van artikel 219, lid 2, Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.
4.2.
Op grond van artikel 223 Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
4.3.
Met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelastingen 2022 (de Verordening) heeft de raad van de gemeente [gemeente] van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
4.4.
Op grond van artikel 2, lid 1, Verordening wordt onder de naam 'forensenbelasting' een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
4.5.
Op grond van artikel 4, lid 1, Verordening wordt de belasting geheven naar een vast bedrag per woning. In het tweede lid is bepaald dat dit bedrag wordt verhoogd met een percentage van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen. Dit is de WOZ waarde van de woning. Op grond van artikel 5, lid 1, Verordening bedraagt de belasting per woning € 280,-. Dit bedrag wordt op grond van het tweede lid verhoogd met 1,0% van de WOZ-waarde.
4.6.
De Hoge Raad heeft op 13 september 20241.ten aanzien van de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag forensenbelasting geoordeeld dat het artikel van de Verordening forensenbelasting [gemeente] 2020, waarin voor 2020 het tarief voor de forensenbelasting is vastgelegd, buiten toepassing dient te blijven, omdat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het voorschrift in de Verordening waarbij het tarief van de forensenbelasting is verhoogd. Dat brengt, aldus de Hoge Raad, mee dat ook artikel 10 van die Verordening, waarbij de tot dan toe geldende Verordening Forensenbelasting [gemeente] 2015 is ingetrokken, in zoverre buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan blijft het direct voorafgaand aan 2020 geldende tarief van toepassing. De Hoge Raad heeft vervolgens de voor het jaar 2020 aan belanghebbende opgelegde aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar het direct voorafgaand aan 2020 geldende tarief.
4.7.
Naar aanleiding van dit arrest heeft de heffingsambtenaar toegezegd dat ook de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag forensenbelasting wordt verminderd tot een aanslag naar het voorafgaand in 2020, dus in 2019 geldende tarief.
Dit betekent dat het hoger beroep reeds hierom gegrond is.
4.8.
Belanghebbende heeft, na deze toezegging, desgevraagd zijn hoger beroep niet ingetrokken en zijn gronden aangevuld. Het hof begrijpt uit het betoog van belanghebbende dat hij zich op het standpunt stelt dat de aanslag verder moet worden verminderd.
Daaruit volgt dat, anders dan de heffingsambtenaar heeft gesteld, nog wel een procesbelang bestaat.
4.9.
Belanghebbende betoogt dat de forensenbelasting niet mag worden geheven naar de grondslag van de WOZ-waarde van de woning en doet daarbij een beroep op artikel 104 Grondwet en het gelijkheidsbeginsel.
4.10.
Het hof stelt voorop dat artikel 104 Grondwet ziet op rijksbelastingen. De forensenbelasting is echter een gemeentelijke belasting en dan is artikel 132, lid 6, Grondwet van toepassing. In dit artikel is bepaald dat de wet bepaalt welke belastingen gemeenten kunnen heffen. In artikel 223 Gemeentewet is bepaald dat een forensenbelasting kan worden geheven. Uit artikel 219, lid 2, Gemeentewet volgt dat gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in een belastingverordening opgenomen heffingsmaatstaven.
4.11.
De wetgever heeft aan gemeenten de bevoegdheid gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven te kiezen die zich het beste verstaan met gemeentelijk beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel.2.
4.12.
In dit geval heeft de raad van de gemeente [gemeente] een vast bedrag en een percentage van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf in de Verordening vastgelegd. Zoals de Hoge Raad in het onder 4.6 genoemde arrest heeft overwogen is dit niet in strijd met artikel 219, lid 2, Gemeentewet, een wet in formele zin.
In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding daarover anders te oordelen. Anders dan belanghebbende betoogt, volgt uit artikel 219, lid 2, Gemeentewet niet dat de forensenbelasting een voor alle forensen gelijk geldend vast bedrag moet zijn. De term bedrag in dat artikel kan immers niet los worden gezien van de term heffingsmaatstaf in datzelfde artikel. Afhankelijk van de keuze voor een bepaalde heffingsmaatstaf en een bepaalde tariefstructuur, kan dit leiden tot verschillende bedragen aan te betalen belasting.
De keuze voor een vast bedrag en een percentage van de WOZ-waarde leidt evenmin tot een zodanig verschil in te betalen forensenbelasting dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en deze keuze, met name met het oog op de uitvoering, niet van redelijke grond is ontbloot.
4.13.
Zoals de Hoge Raad in het arrest van 13 september 20243.heeft overwogen kan ook uit artikel 223 Gemeentewet niet worden afgeleid dat een verband dient te bestaan tussen het voordeel dat de forens heeft van de gemeentelijke voorzieningen en het bedrag van de door hem verschuldigde forensenbelasting.4.Ook om die reden slaagt het betoog van belanghebbende dat van alle forensen een gelijk bedrag moet worden geheven, omdat alle forensen, zoals belanghebbende stelt, in dezelfde mate profijt hebben, niet. Van een profijtbelasting, zoals door belanghebbende is gesteld, is immers geen sprake.
4.14.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de aanslag moet worden verminderd naar een aanslag berekend naar het in 2019 geldende tarief.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5. Beslissing
Het hof:
- -
verklaart het hoger beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- -
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar het in 2019 geldende tarief;
- -
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.E. Smorenburg en
J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen L.B.M. Klein Tank
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑12‑2025
Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943.
Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX0678.