Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.6:7.6 Afsluiting
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.6
7.6 Afsluiting
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258474:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk is gewijd aan de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, waarbij de vaststelling van de douanewaarde bij opeenvolgende verkopen (hoofdstuk 9) en de transactiewaarde bij verbonden partijen (hoofdstuk 10) summier aan bod zijn gekomen en de prijsaanpassingen die volgen uit de artikelen 71 en 72 DWU (hoofdstuk 11) onbesproken zijn gelaten.
De achtste en negende deelvraag stonden in dit hoofdstuk centraal. De achtste deelvraag luidt:
“Op welke wijze zijn de bepalingen van de CVA ingebed in het Douane Wetboek van de Unie?”
Reeds uit onderdeel 3.3 is gebleken dat de CVA is ingebed in diverse bepalingen van het DWU-wetgevingspakket. Uit de concordantietabel in Bijlage A, zoals ook nader besproken in onderdeel 3.3.3.5, blijkt dat niet alle CVA-bepalingen hun weerslag hebben gevonden in het DWU-wetgevingspakket, wat de uniformiteit van het stelsel kan aantasten en in voorkomende gevallen zelfs kan leiden tot de vaststelling van arbitraire of fictieve waardes. Op basis van wat in dit hoofdstuk is besproken kunnen hier ook een aantal andere bevindingen aan worden toegevoegd. Ten eerste heeft de Europese wetgever gemeend dat het niet langer noodzakelijk is om Decision 4.1 van de Commissie douanewaarde van de WHO in te bedden in het DWU-wetgevingspakket (onderdeel 7.2.3). Mede daardoor is het onder de douanewaardebepalingen van het DWU-wetgevingspakket niet geheel duidelijk in hoeverre de waarde van software in de douanewaarde moet worden begrepen. In tijden van digitalisering waarbij functionaliteiten van stoffelijke zaken in toenemende mate afhankelijk zijn van software, zou het wenselijk zijn als de voorwaarden waaronder de waarde van software in de douanewaarde moet worden begrepen nauwgezet uitgekristalliseerd worden. Ten tweede is het begrip ‘verkoop’ net als in de CVA niet gedefinieerd. Wel heeft het Hof van Justitie zich in een aantal situaties uitgelaten over de reikwijdte van het begrip, waar zij, net als de Technische commissie douanewaarde van de WDO, blijk geeft voorstander te zijn van een ruime opvatting van het begrip verkoop (onderdeel 7.4.2.3). Ik meen dat voor een verkoop de overdracht van financieel risico echter noodzakelijk is (onderdeel 7.4.2.3.3). In die zin is het begrip verkoop naar mijn mening in het Ioannis Christodoulou e.a. tegen Elliniko Dimosio-arrest te ver opgerekt (onderdeel 7.4.2.3.2), omdat in die concrete situatie de eigendom en het financiële risico nooit zijn overgedragen.
De negende deelvraag uit dit onderzoek luidt:
“In hoeverre wordt de draagwijdte van de bepalingen in het Douane Wetboek van de Unie bepaald door arresten van het Hof van Justitie gewezen onder de voorgangers van het Douane Wetboek van de Unie?”
In dit hoofdstuk zijn een aantal arresten aan bod gekomen die zijn gewezen onder Verordening (EEG) nr. 1224/80 en het CDW-wetgevingspakket. De zienswijze van het Hof van Justitie in deze arresten lijkt ten aanzien van de in dit hoofdstuk besproken onderwerpen nog steeds toepassing te vinden en in die zin wordt de draagwijdte van de bepalingen nog steeds medebepaald door reeds onder de voorgangers van het DWU gewezen arresten. Een uitzondering daarop vormt het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest voor zover daarin is bepaald dat de termijn van één jaar waarbinnen het verzoek om teruggaaf of kwijtschelding na aanvaarding van de invoeraangifte ingediend moet worden ongeldig is. De ‘ongeldigheidsverklaring’ van artikel 145, lid 3, TCDW werkt niet automatisch door naar artikel 132, onderdeel c, UDWU waar tot voorkort de éénjaarstermijn was opgenomen onder het DWU-wetgevingspakket. Niettemin had artikel 132, onderdeel c, UDWU, om redenen zoals genoemd in het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest, ongeldig moeten worden verklaard, indien het Hof van Justitie daarom was verzocht. Zover is het uiteindelijk niet gekomen, omdat voornoemde bepaling is ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment van inwerkingtreding van de UDWU (onderdeel 7.2.4.3.4).