Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.2.5:6.2.5 De toerekening van opzet en schuld aan natuurlijke personen
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.2.5
6.2.5 De toerekening van opzet en schuld aan natuurlijke personen
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS609821:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 december 2006, BNB 2007, 151.
HR 15 juli 1988, BNB 1988, 270.
Deze last was in de praktijk overigens minder zwaar dan hij voorkomt. Zie de noot van De Bont onder 2 bij HR 1 december 2006, BNB 2007, 151.
De Hoge Raad laat in het midden of dat ook daadwerkelijk het geval zou zijn.
HR 1 december 2006, BNB 2007, 151, to. 3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 december 2006 deed de belastingkamer van de Hoge Raad uitspraak in een tweetal praktisch identieke zaken.1 In beide zaken was aan de verdachte (belastingplichtig onder de Wet inkomstenbelasting 1964) een boete opgelegd (destijds verhoging genoemd) wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Het verweer van beide verdachten hield in dat zij bij het doen van de aangifte waren afgegaan op hun adviseur. Dit verweer werd door het Hof verworpen. Het Hof had zich daarbij laten leiden door een arrest van de Hoge Raad uit 1988.2 Daarin was beslist dat een belastingplichtige de verantwoordelijkheid voor zijn aangifte niet bij zijn adviseur kan neerleggen, tenzij hij zou aantonen dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de fiscale aanvaardbaarheid van de mededelingen of adviezen van zijn adviseur. De bewijslast van die stelling rustte op de belastingplichtige.3 In beide zaken uit 2006 kwam de Hoge Raad expliciet terug op het in 1988 ingenomen standpunt. Toerekening van de schuld of opzet van een adviseur aan een belastingplichtige zou namelijk in strijd kunnen zijn met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM.4 De Hoge Raad overwoog:
`Opmerking verdient dat laatstbedoelde bepaling [art. 6 lid 2 EVRM; MM] niet eraan in de weg staat dat het bewijs van opzet of grove schuld van de belastingplichtige in een voorkomend geval kan worden geleverd met behulp van vermoedens (HR 17 januari 1990, nr. 26 282, BNB 1990/ 193). De enkele omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, rechtvaardigt evenwel niet het vermoeden dat ook bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest.'5
De belastingplichtige kan eventueel wel worden verweten niet de redelijkerwijs van hem te vergen zorg te hebben betracht bij de keuze van en samenwerking met de adviseur. De inspecteur draagt hiervan echter de stelplicht en bewijslast.
Opzet of schuld van een adviseur kan dus niet aan de verdachte worden toegerekend. Het advies van een ander kan hem onder omstandigheden wel baten. Indien een wetsovertreding is ingegeven door een gebrekkig advies of onjuiste informatie van een derde, kan de verdachte zich beroepen op avas. In het vervolg van dit hoofdstuk bespreek ik twee vormen van avas, te weten (rechts)dwaling en redelijkerwijs te vergen zorg. Deze vormen van avas houden direct verband met de informatiebasis van beslissingen en de betrouwbaarheid van informatie die in dit onderzoek centraal staan.