Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.1:4.4.1 Relevantie van de strafbepalingen
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.1
4.4.1 Relevantie van de strafbepalingen
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343684:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het aangaan van rechtshandelingen terwijl de bestuurder weet of behoort te weten dat de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet binnen een redelijke termijn kunnen worden nagekomen door de vennootschap heeft iets weg van het misleiden van de betrokken schuldeiser, althans voor de situatie waarin de bestuurder kennis draagt van de niet-nakoming. Immers, de schuldeiser sluit de desbetreffende overeenkomst in de veronderstelling dat de overeenkomst zal worden nagekomen door de vennootschap. De bestuurder is hiervan op de hoogte, maar neemt de eventueel door hem gecreëerde onjuiste voorstelling van zaken niet weg bij de schuldeiser en laat deze in een bij voorbaat tot mislukken gedoemde rechtsbetrekking stappen.
In het Wetboek van Strafrecht zijn onder de titel ‘Bedrog’ bepalingen opgenomen die gedragingen strafbaar stellen waarmee een ander wordt bewogen tot het verrichten van bepaalde (onder meer) op het vermogen betrekking hebbende handelingen. Voor de situatie waarin een bestuurder namens de vennootschap rechtshandelingen verricht terwijl hij weet dat hieraan geen gevolg kan worden gegeven door de vennootschap zijn de delicten van oplichting en flessentrekkerij zoals geformuleerd in art. 326 Sr en 326a Sr van belang. Bezien zal worden of en zo ja hoe deze strafbepalingen de ruimte voor de bestuurder om deze rechtshandelingen te verrichten inperken. Aangezien de toepassing en uitleg van delictsomschrijvingen plaatsvindt tegen het licht van de aard en de strekking van die bepalingen, volgt eerst een korte uiteenzetting van de wordingsgeschiedenis van art. 326 Sr en art. 326a Sr.