M en R 2011/18
De juistheid van de uitvoering is van bijzonder belang wanneer de vogelrichtlijn in geding is, waar het beheer van het gemeenschappelijke erfgoed wordt toevertrouwd aan de respectieve lidstaten voor hun grondgebied, maar zij kan deze lidstaten hoe dan ook niet de verplichting opleggen om de uit artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen op te nemen in de rechtshandeling die voor elke SBZ de beschermde soorten en habitats en de instandhoudingsdoelstellingen vaststelt. De vaststelling van positieve maatregelen voor de instandhouding en de verbetering van de staat van een SBZ is niet systematisch maar hangt af van de concrete situatie van de betrokken SBZ. De bescherming van de SBZ’s tegen de activiteiten van particulieren vereist weliswaar bijvoorbeeld dat deze preventief worden belet om eventueel schadelijke activiteiten te verrichten, maar de verwezenlijking van die doelstelling vereist niet dat voor elke SBZ of voor elke soort specifieke verboden worden vastgesteld. De identificatie van de soorten die de aanwijzing van die SBZ hebben gerechtvaardigd moet een onbetwistbare dwingende vorm hebben. De instandhoudingsdoelstellingen behoeven niet voor elke beschouwde soort afzonderlijk te worden gespecificeerd en behoeven ook niet te worden opgenomen in de rechtshandeling waarbij het gebied als beschermd gebied wordt aangewezen.
HvJ EU 14-10-2010, ECLI:EU:C:2010:602, m.nt. Bastmeijer
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
14 oktober 2010
- Zaaknummer
C-535/07
- Noot
Bastmeijer
- LJN
BU3057
- JCDI
JCDI:ADS880742:1
- Vakgebied(en)
Milieurecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2010:602, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑10‑2010
- Wetingang
Vogelrichtlijn art. 4, lid 1 en 2; Habitatrichtlijn art. 6 lid 2
Essentie
De juistheid van de uitvoering is van bijzonder belang wanneer de vogelrichtlijn in geding is, waar het beheer van het gemeenschappelijke erfgoed wordt toevertrouwd aan de respectieve lidstaten voor hun grondgebied, maar zij kan deze lidstaten hoe dan ook niet de verplichting opleggen om de uit artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen op te nemen in de rechtshandeling die voor elke SBZ de beschermde soorten en habitats en de instandhoudingsdoelstellingen vaststelt. De vaststelling van positieve maatregelen voor de instandhouding en de verbetering van de staat van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.