Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/1.3
1.3 Verantwoording onderzoeksmethode
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS388240:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit was het onderwerp van de dissertatie van Klaassen, zie Klaassen 2007.
Het afbouwen van het stemrecht op de financieringspreferente aandelen in ABN AMRO en de voorgeschiedenis ervan is destijds beschreven in een column van Paul Frentrop in FEM/ De Week. Zie ‘De stille revolutie bij ABN AMRO’, in P.M.L. Frentrop, Corporate en andere Governance, Amsterdam: Bert Bakker 2000, p. 175-176.
Zie voor een overzicht van deze discussie J.M. de Jongh, ‘Privatisering, bescherming en algemeen belang’, WPNR 2015 (7048), p. 118-124 met verwijzingen naar de voornemens vanuit het Ministerie van Financiën en naar overige voorstellen die in reactie hierop in de literatuur zijn gedaan.
Zie voor een voorbeeld H.E. Boschma & J.N. Schutte-Veenstra, ‘De tanden van het vennootschapsrecht; een eerste verkenning van het sanctie-arsenaal’, RM Themis 2012, p. 51-73.
Asser/Vranken ***, Algemeen Deel (vervolg), Deventer: Kluwer 2005, nr. 147.
Ibid.
Een voorbeeld hiervan is A. de Jong, D.V. DeJong, G. Mertens & C.E. Wasley, ‘The Role of Self-Regulation in Corporate Governance: Evidence and Implications from the Netherlands’, working paper van 9 januari 2004 (1e versie oktober 1999), bron:
Een geslaagd voorbeeld is de dissertatie van Vermeulen. Zie E.P.M. Vermeulen, The Evolution of Legal Business Forms in Europe and the United States: venture capital, joint venture and partnership structures, diss. Tilburg 2002, Deventer: Kluwer Law International 2003. Een goed voorbeeld van nuttige praktijkwetenschap zijn de bijdragen van Kaemingk, geschreven vanuit zijn eigen kennis en ervaring als advocaat in de private equity-markt. Zie bijvoorbeeld H.L. Kaemingk, ‘Aandeelhouderswaarde als ondernemingsstrategie?’, in P.J. van der Korst, R. Abma & G.T.M.J. Raaijmakers (reds.), Handboek Onderneming en Aandeelhouder, Serie Onderneming en Recht nr. 69, Deventer: Kluwer 2012, p. 477-512.
Recente voorbeelden van onderzoek waarin een soortgelijke benadering is gehanteerd zijn Hijink 2010, p. 337-342 en De Jongh 2014, p. 384-423. Een ander voorbeeld is de dissertatie van Van Ginneken. Zie M.J. van Ginneken, Vijandige overnames, diss. UvA 2010, IVO-reeks nr. 74, Deventer: Kluwer 2010, p. 359-408. Een voorbeeld van zuiver rechtseconomisch onderzoek is A.M. Pacces, Featuring Control Power: Corporate Law and Economics Revisited, diss. Rotterdam 2008, Rotterdam: RILE 2008. Zie voor een kritische noot bij het gebruik van rechtseconomische concepten, inzichten en uitgangspunten in juridische wetenschappelijke verhandelingen L. Timmerman, ‘Rechtsvinding in een gelaagd en door crisissen geplaagd ondernemingsrecht’, in L. Timmerman et al. (reds), Ondernemingsrecht in tijdens van crisis, IVO-reeks nr. 96, Deventer: Kluwer 2013, p. 135-146.
Ik voel mij hierin aangemoedigd door de opmerking van Kuhn dat “paradigms are not corrigible by normal science” (Kuhn 1962, p. 122). Een meer radicale aansporing voor een zekere anarchie in methodologie is P.K. Feyerabend, Against Method, London: Verso Editions 1978 (1e druk 1975). Zie voor een meer bescheiden pleidooi gericht op de rechtwetenschap Asser/Vranken 2005, nrs. 149-151.
F.A. Hayek, The Road to Serfdom, London: Routledge 2010 (1e druk 1944).
Een serie presentaties over Hayek in de conservatieve TV-show van Glenn Beck op de Amerikaanse conservatieve zender Fox News zorgde er in 2010 – op het hoogtepunt van de Tea Party beweging in de VS – voor dat The Road to Serfdom 65 jaar na publicatie wederom de bestsellerlijsten bestormde. Zie ‘Glenn Beck and Friedrich Hayek: Essential Reading’, Economist, 24 juni 2010.
Zie de verdediging van Hayek door de – bepaald niet conservatieve – Amsterdamse hoogleraar en publicist Engelen: “Wie tot zich door laat dringen dat op bevel van diezelfde staat tussen 1932 en 1945 rond de zestig à zeventig miljoen mensen zijn vermoord, kijkt met andere ogen naar de felheid waarmee Hayek zich in The Road to Serfdom teweerstelde tegen de blauwdruk voor de naoorlogse Britse verzorgingsstaat die Lord Beveridge in 1942 publiceerde.” E. Engelen, ‘Even Euromoe’, De Groene Amsterdammer, 5 oktober 2011.
Hayek zou dit later nog zelf benadrukken in een als naschrift bij zijn boek The Constitution of Liberty gepubliceerd essay getiteld ‘Why I am not a conservative’. Zie F.A. Hayek, The Constitution of Liberty, Chicago: University of Chicago Press 2009 (1e druk 1961), p. 519- 533.
Zie bijvoorbeeld de dubbelbiografie van Wapshott over Hayek en zijn tijdgenoot John Maynard Keynes. N. Wapshott, Keynes Hayek: the clash that defined modern economics, London: W.W. Norton 2011.
Zie voor een prikkelend voorbeeld T. Judt, Ill fares the land: a treatise on our present discontents, London: Penguin 2010, p. 97-105 met de bewust scherp geformuleerde conclusie “Behind every cynical (or merely incompetent) banking executive or trader sits an economist, assuring them (and us) from a position of unchallenged intellectual authority that their actions are publicly useful and should in any case not be subject to collective oversight. Behind that economist and his gullible readers there stand in turn participants in long-dead debates.”
Zie bijvoorbeeld G. Rietkerk, ‘Ondernemingsdoelstelling bij separatie van eigendom en leiding’, De NV 1998, p. 285-290, waarin sprake is van de klassieke misvatting dat in een vennootschap de bevoegdheden van het bestuur zijn gedelegeerd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Uit economisch perspectief moge dit een interessantegedachte zijn, juridisch is zij – dwingendrechtelijk – onjuist (artikel 2:129 BW jo. artikel 2:107 lid 1 BW). In hetzelfde artikel schreef Rietkerk: “De juridische uitwerkingen staan niet los van de ondernemingsdoelstellingen, maar moeten de realisatie daarvan ondersteunen.” (ibid, p. 285). Deze veronderstelde normatieve superioriteit van de economie boven het recht is een terugkerend thema in veel rechtseconomisch onderzoek.
H. Hansmann & R. Kraakman, ‘The End of History for Corporate Law’, Georgetown Law Journal 2001, 89 (2), p. 439-468. Een ‘working paper’ van hetzelfde artikel werd eerder gepubliceerd in janari 2000 (bron: https://www.ssrn.com). In het navolgende zal ik de paginanummering van deze working paper versie aanhouden.
Dat het hier om een normatieve stelling ging, is later door de auteurs zelf bevestigd. Hansmann en Kraakman gingen hierbij zelfs zover dat ze deze stelling aanduidden als een ‘ideological claim’. Zie H. Hansmann & R. Kraakman, ‘Reflections On the End of History for Corporate Law’, in A. Rasheed & T. Yoshikawa (reds.), Convergence of Corporate Governance: Promise and Prospects, London: Palgrave-MacMillan 2012, ook beschikbaar als working paper (augustus 2011), te raadplegen op
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228 m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010, 105 m.nt. P.M. Storm en AAe 2010-11 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (ASMI).
In deze zin wel H.H. Kersten, ‘Fusies en overnames in het post-crisis tijdperk’ inL. Timmerman et al (reds.), Samenwerken in het ondernemingsrecht, IVO-reeks nr. 80, Deventer: Kluwer 2011, p. 100 en F.J. Oranje, ‘Convocatie- en agenderingsrecht van aandeelhouders’, in P.J. van der Korst, R. Abma & G.T.M.J. Raaijmakers (reds.), Handboek Onderneming en Aandeelhouder, Serie O&R nr. 69, Deventer: Kluwer 2012, p. 303.
Dit is een juridisch proefschrift. Als zodanig is het onderzoek in de hoofdzaak gericht op de beschrijving en analyse van ontwikkelingen in het positieve recht. De hoofdmoot van de gebruikte bronnen bestaat dan ook uit juridische literatuur, jurisprudentie en parlementaire geschiedenis bij relevante wet- en regelgeving. Ik wijk op punten evenwel af van de standaard-juridische onderzoeksmethode van literatuur- en jurisprudentieonderzoek. Dit werkt door in de selectie van relevante bronnen en in het perspectief waarin de beschreven juridische ontwikkelingen worden geplaatst. Deze afwijkingen zijn ingegeven door de doelstelling om niet alleen de ontwikkelingen in het juridisch kader zelf in het onderzoek te betrekken, maar ook aan de hand van buiten het juridisch kader gelegen factoren (de al genoemde gebeurtenissen en ideeën) te onderzoeken waarom deze ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.
Om te kunnen analyseren waarom de rechtsontwikkeling in het ondernemingsrecht is gelopen zoals hij is gelopen, is het van belang om de beïnvloeding van het juridisch kader door factoren van buitenaf zoals politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen in kaart te brengen. Daarbij hanteer ik voor de beschrijving een onderverdeling van ontwikkelingen en gebeurtenissen op drie verschillende niveaus, te weten een juridisch niveau, een feitelijk niveau en tot slot een normatief niveau. Ik licht deze onderverdeling hieronder toe.
Het juridisch niveau is het terrein van de klassieke juridische analyse. Veranderingen op dit niveau betreffen in feite de veranderingen in de formele (juridische) positie van aandeelhouders – en van de algemene vergadering van aandeelhouders als orgaan van de vennootschap – ten opzichte van de vennootschap en de overige betrokken organen.1 De ‘formele positie’ dient hier te worden verstaan als het geheel van bevoegdheden, aanspraken en verplichtingen die een aandeelhouder, zowel in zijn individuele hoedanigheid als in collectieve zin als deel uitmakend van het vennootschapsorgaan de algemene vergadering van aandeelhouders, op grond van wet en statuten jegens de vennootschap heeft. Voor zover deze bevoegdheden, aanspraken en verplichtingen nader worden ingevuld door ‘open’ wettelijke normen, in het bijzonder de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:8 BW, is ook de wijze waarop deze normen in de rechtspraak zijn geconcretiseerd een relevante factor. Uiteraard mag de reikwijdte van relevante wet- en regelgeving niet worden beperkt tot enkel een nationaal niveau, maar moet ook het relevante gedeelte van de Europese regelgeving bij deze analyse worden betrokken, ook voor zover het om regelgeving gaat die door implementatie van de betreffende bepaling in nationale wetgeving is ‘omgezet’. Of bepalingen uit de Code en andere instrumenten van zelfregulering ook tot de bronnen van ‘formele’ bevoegdheden, aanspraken en verplichtingen moeten worden gerekend is voor discussie vatbaar, maar ik zal deze vraag als vertrekpunt vanuit een juridische analyse benaderen.
Het feitelijk niveau heeft betrekking op waarneembare feiten. Het betreft hier dus niet de formele (juridische) positie, maar de materiële positie van aandeelhouders in beursvennootschappen. Hier gaat het om een beschrijving van de feitelijke ontwikkelingen met betrekking tot aandeelhouders in beursvennootschappen, gebeurtenissen dus. Een voorbeeld van een dergelijke feitelijke ontwikkeling is de verandering in samenstelling van het aandeelhoudersbestand van Nederlandse beursvennootschappen zoals die zich heeft voltrokken. Een ander voorbeeld is het opduiken van het verschijnsel van de ‘moderne’ activistische aandeelhouder – hoofdzakelijk in de gedaante van activistische hedge funds en andere activistische vermogensbeheerders – bij verschillende Nederlandse beursvennootschappen in de jaren vanaf 2005. Het gaat hier dus om feitelijk waarneembare- en controleerbare gebeurtenissen zoals deze achteraf kunnen worden vastgesteld.
Aan dit feitelijk niveau komt naast het juridische niveau een zelfstandige betekenis toe: de feitelijke positie komt immers niet altijd overeen met de juridische positie. Ook is er – zeker op het gebied van het ondernemingsrecht – een levendige wisselwerking tussen feitelijke ontwikkelingen en het juridisch bestel: veranderende omstandigheden in de feitelijke constellatie kunnen een aanleiding vormen voor veranderingen op juridisch niveau, bijvoorbeeld via wetswijzigingen of wendingen in de jurisprudentie, terwijl omgekeerd dergelijke veranderingen in het juridisch kader – al dan niet in de beoogde mate en op de beoogde wijze – weer een bepaalde weerslag op de feitelijke omstandigheden zullen hebben. Zo reageren ontwikkelingen op het feitelijk niveau met ontwikkelingen op het juridisch niveau en omgekeerd.
Met het inzichtelijk maken van de wisselwerking tussen het feitelijk niveau en het juridisch niveau is nog niet het gehele krachtenveld weergegeven. Het feitelijke niveau en het juridische niveau reageren niet alleen op elkaar, maar worden beide ook beïnvloed – gezamenlijk dan wel afzonderlijk – door een onderstroom aan (rechts)politieke afwegingen, waarderingen en meningen, kortom: ideeën. Deze onderstroom heeft niet zozeer betrekking op de vraag wat de (formele dan wel materiële) positie van aandeelhouders in beursvennootschappen is, maar houdt zich bezig met de vraag wat deze positie zou moeten zijn. Deze derde stroom, naast het feitelijk en het juridisch niveau, duid ik hierna aan als het normatief niveau.
Tot het domein van het normatief niveau behoort in de eerste plaats de rechtspolitiek, in deze context begrepen als de uitgangspunten, doelstellingen en prioriteiten zoals die van tijd tot tijd in van overheidswege gevoerd beleid worden vastgelegd en uitgevoerd. Voor wetgeving op nationaal niveau kunnen rechtspolitieke afwegingen een rol spelen zowel binnen het/de voor de betreffende wetgeving verantwoordelijk(e) ministerie(s) als ook bij de parlementaire behandeling ervan. Op Europees niveau spelen rechtspolitieke afwegingen vooral een rol op het niveau van het betreffende Directoraat-Generaal (DG) binnen de Europese Commissie, voor het Europese ondernemingsrecht dus het DG Interne Markt. Van rechtspolitieke afwegingen kan sprake zijn indien een keuze wordt gemaakt tussen twee of meer alternatieven waarbij het juridisch kader neutraal staat tegenover deze keuze, althans niet de doorslag geeft. Het uiteindelijk in wet- en regelgeving verankerde resultaat van een dergelijke keuze behoort tot het juridisch niveau, de drijvende krachten en achterliggende afwegingen behoren in mijn analyse tot het normatief niveau.
Ook relevante opvattingen uit de uitvoeringspraktijk behoren tot dit normatief niveau. Dergelijke opvattingen beïnvloeden immers de opstelling en het handelen van ‘gebruikers’ van het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen, zoals bestuurders, aandeelhouders en andere marktpartijen, en kunnen dus van belang zijn voor het duiden van bepaalde feitelijke gebeurtenissen. Hetzelfde geldt voor relevante opvattingen uit politiek of maatschappij: deze kunnen doorwerken in het normatief niveau voor zover zij van invloed zijn op het politiek en maatschappelijk draagvlak voor het functioneren en handelen van beursvennootschappen en de betrokken actoren. Ideologische opvattingen maken ook deel uit van het normatief niveau, maar zoals ik in de hiernavolgende hoofdstukken uiteen zal zetten is het omgekeer niet juist om elke normatieve stelling als ideologische opvatting te kwalificeren. Tot slot kan ook een deel van de inzichten, stellingen en opvattingen afkomstig uit de wetenschap tot het normatief niveau worden gerekend. Wat betreft de rechtswetenschap gaat het niet om de publicaties die het geldend recht weergeven of die beogen een bepaalde rechtsontwikkeling vanuit een juridisch perspectief te duiden. Deze horen eerder thuis in het juridisch niveau. Wanneer stelling wordt genomen over wat een wetgever of rechter zou moeten doen of laten kan de betreffende opvatting wel op het normatief niveau worden geplaatst.
Anders dan bij het juridisch en het feitelijk niveau zijn de inhoud, reikwijdte en invloed van ontwikkelingen op het normatief niveau niet objectief vast te stellen, maar zijn zij alleen via een subjectieve benadering en waardering te identificeren. Opvattingen over wat de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen zou moeten zijn, zijn per definitie subjectief, of het nu gaat om standpunten van politici, aanbevelingen van wetenschappers of druk vanuit ‘de markt’. Bovendien is de exacte invloed van een mening, opvatting of idee niet te meten, zeker niet wanneer dit achteraf gebeurt. Ook is inherent aan het normatief niveau dat er altijd verschillende en onderling tegengestelde opvattingen naast elkaar bestaan. Zou het feitelijk niveau worden vergeleken met een nieuwsoverzicht in een krant, dan is het normatief niveau te vergelijken met de opiniepagina’s en de ingezonden brieven. Hier komt bij dat niet is vast te stellen – anders dan via subjectieve observaties over ‘algemeen aanvaarde opvattingen’ of een ‘heersende leer’ – hoe die verschillende opvattingen zich in rangorde en gewicht tot elkaar verhouden. Dit is een belangrijke beperking in de wetenschappelijke bruikbaarheid van observaties die betrekking hebben op het hiervoor geschetste normatief niveau. Toch zijn dergelijke observaties instructief en in voorkomende gevallen zelfs noodzakelijk om veranderingen in het juridisch kader en in de feitelijke werkelijkheid op een juiste wijze te kunnen duiden.
De bruikbaarheid van normatieve observaties kan worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld over het afbouwen van een beschermingscon structie bij ABN AMRO. Zoals bij vele beursvennootschappen had ABN AMRO tot aan het begin van de 21ste eeuw een permanente beschermingsconstructie in de vorm van een oligarchische regeling. In het geval van ABN AMRO bestond deze regeling in een aparte klasse financieringspreferente aandelen die door een stichting werden beheerd en waarmee de stichting 50% van de stemrechten op alle uitstaande aandelen (tegen een kapitaalbelang van 1,3%) kon uitoefenen. Juridisch gezien was deze regeling moge lijk op grond van de wet en de statuten van ABN AMRO. Normatief gezien was dit ook lange tijd geen probleem; het gebruik van dergelijke oligarchische regelingen als permanente beschermingsconstructie voor beursvennootschappen was in Nederland een algemeen aanvaarde praktijk. Dit normatieve uitgangspunt begon eind jaren ’80 echter te kantelen (zie Hoofdstuk 3) en eind jaren ’90 was inmiddels de tegenovergestelde opvatting in zwang geraakt: het gebruik van beschermingsconstructies had een drukkend effect op de koersen van de Nederlandse beursvennootschappen en moest worden teruggedrongen.
Juridisch gezien was het gebruik van financieringspreferente aandelen als beschermingsconstructie ook op dat moment nog steeds mogelijk. Het zelfde gold voor certificering van alle aandelen zonder verplichting tot ver lening van stemvolmachten in vredestijd – artikel 2:118a BW zou pas vier jaar later van kracht worden. De normatieve opvatting over beschermingsconstructies was echter veranderd. Dit leidde destijds tot de feitelijke gebeur tenis dat de stichting die de financieringspreferente aandelen in ABN AMRO hield in 1999 vrijwillig besloot om het stemrecht op de financieringsprefe rente aandelen terug te (laten) brengen tot het kapitaalbelang van 1,3%.2 Weer enkele jaren later was de opvatting over permanente beschermingscon structies door veranderde omstandigheden gewijzigd. Het afbouwen van de beschermingsconstructie ABN AMRO werd juist betreurd omdat hiermee de deur voor activistische aandeelhouders opengezet zou zijn met als uitein delijk gevolg de overname en opsplitsing van ABN AMRO in 2007.
Ook daarmee was de discussie over beschermingsconstructies bij ABN AMRO nog niet ten einde. Bij de al genoemde nationalisatie van de Nederlandse activiteiten van Fortis in het najaar van 2008 werden ook de Nederlandse activiteiten van ABN AMRO genationaliseerd. Enkele jaren later maakte het Ministerie van Financiën bekend voornemens te zijn om deze ondernemingen gezamenlijk in de vorm van een ‘nieuw’ ABN AMRO naar de beurs te brengen. De discussie in de aanloop naar deze beursgang spitste zich niet toe op de vraag of bij ABN AMRO nog voorafgaand aan de beursgang een beschermingsconstructie zou worden opgetuigd, maar op de vraag welke beschermingsconstructies dat zouden zijn en hoe deze vorm gegeven zouden worden.3
In dit voorbeeld is de normatieve opvatting over het gebruik van permanente beschermingsconstructies in een tijdsbestek van twintig jaar dus twee keer gewisseld, de tweede keer in reactie op feitelijke gebeurtenissen (de overname van ABN AMRO, de financiële crisis) en de eerste keer hoofdzakelijk in reactie op veranderende opvattingen in de markt en de praktijk. De juri dische wijzigingen die zich in deze periode hebben voorgedaan (de invoe ring van artikel 2:118a BW in 2004 en de presentatie van de eerste Code met daarin de aanbeveling tot afschaffing van certificering in 2003) zijn terug te voeren op de eerste normatieve wending uit de jaren ’90. De tweede nor matieve wending heef daarentegen geen weerslag in het juridisch kader gevonden. Iemand die de positie van aandeelhouders enkel vanuit juri disch perspectief bekijkt zou deze ontwikkeling dus wellicht kunnen missen. Voor iemand die naast het juridisch kader ook de feitelijke gebeurtenissen onderzoekt is de tweede wending te duiden als een oorzaak=gevolg gebeur tenis, maar dit geldt niet voor de eerste wending. Zonder de normatieve context is het ‘blote’ feit dat ABN AMRO aan het begin van de 21ste eeuw besloot tot afbouw van haar beschermingsconstructies niet te verklaren: hiervoor was immers geen rechtstreekse aanleiding in het juridisch- en/of feitelijk kader, dus een oorzaak=gevolg redenering gaat in dit kader niet op. Alleen wanneer de indertijd heersende opvattingen, sentimenten en standpunten over decertificering in de analyse worden betrokken, kan een volledig beeld van de ontwikkelingen op het onderwerp van beschermingsconstructies worden geschetst.
De hierboven geschetste onderverdeling van ontwikkelingen in een juridisch, feitelijk en normatief niveau is niet bedoeld als rigide standaard voor de inrichting van dit onderzoek. Zij is geen doel op zich, maar is dienstbaar aan de primaire doelstelling van dit onderzoek om alle relevante ontwikkelingen over de positie van aandeelhouders in kaart te brengen. Om ontwikkelingen uit het verleden goed te kunnen duiden, is het noodzakelijk om de verschillende oorzaken en gevolgen te identificeren en vast te stellen welke gevolgen bij welke oorzaken horen. Het veronderstellen van een normatief niveau biedt een handvat om ook de invloed van veranderende ideeën in de analyse van oorzaken en gevolgen te betrekken. Zo ontstaat een vollediger, genuanceerder en kleurrijker beeld van de context waarin de rechtsontwikkeling zich heeft voorgedaan.
In de wetenschappelijke literatuur op het gebied van ondernemingsrecht komen in de regel alle drie de dimensies (juridisch, feitelijk en normatief) terug, maar niet als afzonderlijk benoemd of van elkaar onderscheiden. Aan de uitersten van het spectrum bevinden zich wetenschappelijke artikelen die hetzij geheel op het juridische niveau zijn gericht hetzij geheel uitgaan van een feitelijk-normatieve analyse. In de eerste categorie vallen juridische verhandelingen, gebaseerd op enkel juridische bronnen, die alle feiten en opvattingen ‘importeren’ naar een juridisch kader.4 Door bijvoorbeeld het grillige en aan vele krachten onderhevige wetgevingsproces te abstraheren tot ‘de wetgever’ waaraan dan weer bepaalde opvattingen toegerekend kunnen worden, kan worden bewerkstelligd dat de argumentatie en analyse juridisch-dogmatisch zuiver gehouden kunnen worden. Deze benadering kan er evenwel in resulteren dat de werkelijke complexiteit en weerbarstigheid van de materie onvoldoende tot uitdrukking komt. Ook bestaat het gevaar voor verhullende argumentaties waarin arbitraire keuzes of feitelijke toevalligheden vanuit een juridisch-dogmatisch perspectief worden gepresenteerd als logische en onvermijdelijke ontwikkelingen.
Dit laatste is treffend verwoord door Vranken: “Wat opvalt, is dat ondanks (…) aanzetten tot verbreding van het interpretatiekader, de benadering in het recht nog steeds overwegend juridisch-dogmatisch is. Daarmee bedoel ik dat argumenten vooral ontleend worden aan de interpretatie van regels, beginselen, precedenten en leerstukken, die verondersteld wor den een samenhangend geheel te vormen. Hierbij worden rechtspolitieke keuzen vaak als interpretatie vermomd en is de feitelijke grondslag van veel argumenten meer intuïtief dan empirisch.”5 Vranken benadrukt tegelijkertijd dat goed juridisch-dogmatisch onderzoek van grote waarde kan zijn. In dit verband merkt hij het volgende op: “Voor vernieuwend onder zoek is niet nodig dat het multidisciplinair is. Daarom moet de rechtswetenschap dit werk als een heel belangrijk onderdeel van haar taak blijven beschouwen. Wetgeving en rechtspraak zouden zonder haar hulp niet kunnen functioneren zoals zij doen.”6
Aan het andere uiterste van het spectrum bevinden zich de wetenschappelijke onderzoeken waarin geheel wordt uitgegaan van normatieve stellingen en observaties, al dan niet getoetst op feitelijk niveau met behulp van empirisch onderzoek, waarbij het juridisch kader slechts als onderdeel van een feitencomplex in de analyse wordt betrokken. In dergelijke onderzoeken wordt juist het juridisch kader geabstraheerd tot een kale, gesimplificeerde en modelmatige weergave van regels zonder acht te slaan op de werking van de onderliggende normen en het eigen karakter van recht en rechtsregels.7 Dit verschijnsel doet zich met name voor wanneer wetenschappers uit andere vakgebieden, zoals bestuurskundigen, economen, organisatiewetenschappers en gedragspsychologen, hun onderzoek (mede) richten op juridische aangelegenheden. Ook veel multidisciplinair onderzoek en onderzoek uit de verschillende ‘law & …’ stromingen gaat, al dan niet noodgedwongen, uit van een sterk vereenvoudigde weergave van het relevante juridisch kader.
Het merendeel van het voor het ondernemingsrecht relevante wetenschappelijk onderzoek bevindt zich ergens tussen de twee hierboven beschreven uitersten en bevat dus in wezen een mix van recht, praktijk en opvattingen. Wanneer juridische bronnen en argumentatie in de juiste mate en op de juiste wijze zijn afgestemd op inzichten uit de theorie (normatief) en praktijk (feitelijk) kan dit in gedegen en nuttig fundamenteel onderzoek resulteren.8 Het is dus de kunst om zowel in brongebruik als ook in methode de juiste balans te vinden.
Voor de duidelijkheid merk ik nog op dat dit proefschrift niet is bedoeld als rechtseconomisch onderzoek. Weliswaar is een apart hoofdstuk gewijd aan de ontwikkeling van het aandeelhoudersgeoriënteerd model van corporate governance binnen de economische wetenschap in het algemeen en bin nen de verwante stroming van ‘law & economics’ in het bijzonder, maar dit gedeelte van het onderzoek ziet louter op een stuk ideeëngeschiedenis en dus niet op een rechtseconomische analyse van het onderwerp.9
Zou men de verschillende niveaus afzonderlijk willen onderzoeken, dan zou voor het beschrijven en analyseren van ontwikkelingen op juridisch niveau de juridisch-dogmatische onderzoeksmethode gehanteerd moeten worden, voor de ontwikkelingen op feitelijk niveau een empirische onderzoeksmethode (data-verzameling en statistische analyse) en voor ontwikkelingen op normatief niveau een kwalitatieve onderzoeksmethode (bijvoorbeeld enquêtes of opiniepeilingen). Het is ondoenlijk, zo niet onmogelijk om al deze typen onderzoeksmethoden op een zinvolle en behapbare wijze te integreren, laat staan om de verschillende methoden als gelijke grootheden toe te passen. Om toch het bredere perspectief van feitelijke en normatieve ontwikkelingen te kunnen hanteren, hanteer ik daarom een eigen onderzoeksmethode.10
Deze eigen methode is geënt op de klassieke juridisch-dogmatische methode, maar heeft in aanvulling hierop drie bijzondere aandachtspunten. Ten eerste betrek ik naast juridische bronnen ook nadrukkelijk niet-juridische bronnen in mijn onderzoek, een en ander met het oogmerk om de ontwikkelingen op juridisch niveau in een bredere context van feitelijke en normatieve ontwikkelingen te kunnen plaatsen. Voorbeelden van dergelijke niet-juridische bronnen zijn economische wetenschappelijke artikelen en bedrijfsgeschiedenissen, maar ook krantenartikelen, politieke biografieën en opiniestukken. Ik ga daarbij zoveel mogelijk uit van contemporaine bronnen. Het is bij schrijvers immers een bekend fenomeen dat de weergave van hun vroege ideeën in latere geschriften gekleurd kan zijn door latere ervaringen en inzichten. Bij het gebruik van bronnen in de normatieve sfeer ligt het accent op het plaatsen van elke bron in de juiste context van plaats en tijd. Dit is essentieel voor het op juiste wijze kunnen duiden van veranderende opvattingen. Hierbij kunnen naast de primaire bronnen zelf (wetenschappelijke boeken of artikelen) ook secundaire bronnen van belang zijn, waaronder ook populairwetenschappelijke boeken of artikelen. Ook hierbij ligt de focus op het plaatsen en duiden van de contemporaine bronnen en dus niet op het recyclen van interpretaties uit secundaire bronnen.
Een voorbeeld: het boek The Road to Serfdom van Friedrich Hayek11 is niet goed te begrijpen zonder de inhoud te bezien tegen de achtergrond van de tijd waarin het geschreven is (1943-1944). Tegenwoordig wordt de boodschap van Hayek – onder invloed van zijn nieuwe aanhangers uit de Amerikaanse ‘Tea Party’ beweging12 – geduid als een pleidooi voor een ongebreidelde vrije markteconomie en als waarschuwing dat elk overheidsingrijpen in het leven van burgers onvermijdelijk leidt tot terreur. Hayek waarschuwde inderdaad voor staatsterreur, maar zijn referentiekader was het nazi-Duitsland dat zijn geboorteland Oostenrijk had bezet.13 Bovendien schreef Hayek zijn boek in een tijd en plaats (Engeland) waarin het model van de centraal geleide planeconomie uit de Sovjetunie op dat moment in invloedrijke kringen nog altijd als een realistisch alternatief voor een kapitalistische markteconomie werd gezien. Hayek’s redeneringen en argumenten – over de onmogelijkheid van een efficiënt werkende plangestuurde economie – waren dus tegen een heel andere vorm van ‘socialism’ gericht. In zoverre wordt Hayek tegenwoordig ten onrechte vereenzelvigd met een extreem conservatieve politieke positie.14 Om zijn ideeën goed in het toen malige tijdsgewricht te kunnen plaatsen, kunnen secundaire bronnen zoals biografieën over het leven en werk van Hayek behulpzaam zijn.15 Hetzelfde geldt voor bronnen waarmee de doorwerking van Hayek’s ideeën en de ver vorming die daarbij kan optreden benaderd kunnen worden.16
Het tweede aandachtspunt van de gevolgde onderzoeksmethode is gelegen in het duidelijk onderscheiden van juridische en normatieve argumenten. Met name in de rechtseconomische literatuur – ook in de literatuur van Nederlandse bodem – worden de twee nog wel eens onopgemerkt door elkaar heen gebruikt, wat tot aanzienlijke ‘vervuiling’ van de juridische argumentatie kan leiden.17 Een bredere selectie van bronnen noodzaakt derhalve tot meer zorgvuldigheid bij het identificeren en het onderscheiden van de karakters van verschillende argumenten. Een juridisch onderzoek kan bepaald worden verrijkt door het raam voor niet-juridische bronnen en argumenten open te zetten, zo lang men maar in de gaten houdt wat voor vogels er naar binnen vliegen. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen theorie (normatief) en praktijk (feitelijk dan wel juridisch). Zo bevatte het beroemde artikel over ‘The End of History for Corporate Law’ van de Amerikaanse hoogleraren Hansmann en Kraakman (zie Hoofdstuk 4) de stelling dat er sprake is van een “recent dominance of a shareholder-centered ideology of corporate law among the business, government, and legal elites in key commercial jurisdictions.”18 Dit lijkt een feitelijke constatering te zijn, maar bij nadere bestudering blijkt het een subjectieve waarneming te zijn die mooi aansluit op een bepaalde – door de auteurs zelf aangedragen – normatieve opvatting.19 Het onderscheid tussen het juridisch, feitelijk en normatief niveau is in zoverre bedoeld als handvat om een scherp onderscheid te kunnen maken tussen (rechts)regels, feiten en ideeën.
Het derde aandachtspunt is het hanteren van een zekere terughoudendheid bij het trekken van al te stellige conclusies. Mijn onderzoek is erop gericht om een zo volledig mogelijk beeld van alle ontwikkelingen te geven, maar daar past als beperking bij dat op basis van een in de hoofdzaak juridisch onderzoek nooit definitief uitsluitsel gegeven kan worden over feitelijke gevolgen van bepaalde juridische ontwikkelingen. Zo zou voor mij de conclusie niet vaststaan dat bestuurders van beursvennootschappen als gevolg van de beschikking van de Hoge Raad inzake ASMI20 niet meer bang hoeven te zijn voor een “brief van een activistische aandeelhouder”,21 dat wil zeggen voor een manifestatie van aandeelhoudersactivisme als waarmee ABN AMRO in 2007 in de vorm van The Children’s Investment Fund (TCI) te maken kreeg. Immers, of en zo ja hoe het oordeel uit ASMI-beschikking van de Hoge Raad over de juridische verhouding tussen bestuur en aandeelhouders van ASMI zal doorwerken in de feitelijke verhouding tussen bestuurders en aandeelhouders van beursvennootschappen in het algemeen, staat niet op voorhand vast. In zoverre past ons als juristen, net als wetenschappers uit andere disciplines, de nodige bescheidenheid.
Tot slot is een belangrijke beperking van het onderzoek gelegen in het feit dat geen kwalitatief onderzoek in de vorm van interviews met de betrokken personen is verricht. Het is een bewuste keuze geweest om dit niet te doen. De voornaamste reden hiervoor is dat er in dergelijke gesprekken sprake kan zijn van een zekere ‘hindsight bias’ in de verklaringen die de betrokkenen nu terugkijkend op hun eigen ideeën, drijfveren en belangen zouden kunnen geven. Ik heb geprobeerd om het ontbreken van deze persoonlijke gesprekken te ondervangen door zoveel mogelijk uit te gaan van contemporaine documenten die van de betrokken personen zelf afkomstig zijn. Met observaties van de betrokken personen die door anderen zijn gemaakt ben ik terughoudend omgegaan. Ook ben ik terughoudend geweest in het formuleren van definitieve oordelen en conclusies over personen.