Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.3.6
3.6.3.6 De weg naar het systeem van Wro en Bro
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702005:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2005, 305.
Een dergelijke aanpassing sloot aan bij de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111).
Zie de (niet-gepubliceerde) ledenbrief van de VNG d.d. 7 juni 2005. De brief kan worden opgevraagd via het archief van de VNG.
Wetsvoorstel Wet ruimtelijke ordening, Kamerstukken II 2002/03-2005/06, 28916, nr. 1-40; Handelingen II 2005/06, nr. 47, 49, 52 en 54.
Koeman e.a. 2008; Van Buuren e.a. 2008.
Kamerstukken II 2002/03, 28916, 3, p. 60-61.
Zie uitgebreid: Van Ravels 2012, p. 137-174; Van den Broek 2002, p. 225 e.v.
Stb. 2008, 145.
Van Zundert, O&A 2010/62, § 1.3; J Van Zundert, in: T&C Ruimtelijk bestuursrecht, art. 6.1Wro (online, bijgewerkt 22 oktober 2021).
Bij de Wet van 8 juni 2005 is art. 49 WRO gewijzigd. 1Een belangrijke wijziging was de overheveling van de beslissingsbevoegdheid op planschadeverzoeken van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders. 2De VNG merkte op dat door de wetswijziging de bestaande gemeentelijke procedureverordeningen gedateerd raakten. 3Om die reden kwam de VNG met een (nieuwe) model-procedureregeling gericht aan de colleges van de gemeenten. De bevoegdheid tot het aanwijzen van een deskundige kwam bij het college te liggen. Ten opzichte van het NIROV-model knoopte het VNG-model voor de begripsbepaling van ‘adviseur’ volledig aan bij art. 3:5 Awb. Dat wil zeggen dat de ingeschakelde deskundige niet werkzaam mocht zijn onder de verantwoordelijkheid van het college. Tenslotte valt nog te wijzen op het feit dat de VNG expliciet verwachtte dat er gewerkt werd met een conceptrapport-procedure.
Reeds vóór deze wijziging, was de regering met een voorstel gekomen om de WRO fundamenteel te herzien. Voor een uitgebreide beschouwingen van de nieuwe Wro verwijs ik naar de parlementaire behandeling 4 en de daaraan gewijde literatuur.5 Ik beperk mij hier tot de kernpunten van de nieuwe planschaderegeling (afd. 6.1 Wro jo. afd. 6.1 Bro). Het over de jaren heen sterk in aantal toegenomen planschadeclaims en de honorering daarvan, waren voorname redenen om tot een herziening van art. 49 WRO over te gaan. De regering sprak in haar Memorie van Toelichting zelfs van een ‘claimcultuur’, die veel geld en tijd kostte. 6De nieuwe regeling was voornamelijk gericht op een ‘kanalisering van de procedures en op ongedaanmaking van enkele scherpe kanten in de regeling’.
De in de praktijk belangrijkste verandering van het nieuwe regime was de intrede van het normale maatschappelijke risico. Er kwam daarmee een einde aan een lange periode van een ‘naar billijkheid te bepalen’ schadevergoeding, welke in de praktijk veelal neerkwam op een volledige vergoeding. De wetgever sloot aan bij het égalité-beginsel. Slechts die schade die boven het normale maatschappelijke risico uitstijgt, komt voor vergoeding in aanmerking. 7Het normale maatschappelijke risico werd ook met zoveel woorden in de wet vastgelegd en voor een deel uitgewerkt in een minimum-forfaitregeling (art. 6.2 Wro). Voorts werden de voorzienbaarheid en de schadebeperkingsplicht (art. 6.3 Wro) wettelijk verankerd. Het schadebegrip werd op voorhand beperkt; alleen schade die bestond uit een inkomensderving of een waardevermindering van een onroerende zaak8 kwam nog voor vergoeding in aanmerking. Tenslotte valt nog te wijzen op art. 6.7 Wro, welk artikel de mogelijkheid opende om bij of krachtens AMvB nadere regels te stellen omtrent de inrichting en behandeling van planschadeverzoeken. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt. Dit nieuwe Bro 9 bevat, in tegenstelling tot het BRO 1985, een uitvoerige schaderegeling (Hoofdstuk 6). Eerder schreef ik dat er onder de vigeur van WRO en BRO (oud) weinig tot geen uniformiteit was in de wijze van de afhandeling van planschadeverzoeken (§ 3.6.3.4). Gemeenten dienden ieder voor zich uit te maken hoe zij omgingen met een verzoek. Met het nieuwe Bro kwam er een dwingendrechtelijk eind aan deze diffuse praktijk.
De nieuwe en uniforme Bro-regels hadden hoofdzakelijk betrekking op de procedurele aspecten bij de indiening, behandeling en beoordeling van een aanvraag en sloten zoveel mogelijk aan bij de Awb. De bestaande gemeentelijke procedureverordeningen werden echter niet zonder meer rechtsgeschiedenis. Een aantal van die regels werd namelijk rechtstreeks in het Bro gecodificeerd. Ik wijs op art. 6.1.3.1 Bro, welk artikel bepaalt dat het bestuursorgaan bevoegd is om de aanvraag binnen vier weken na ontvangst, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen, af te wijzen, indien de aanvraag kennelijk ongegrond is. Daarin is de ‘verkorte procedure’ uit de gemeentelijke procedureverordeningen te herkennen. Ook art. 6.1.3.2, welk artikel bepaalt dat het bestuursorgaan, tenzij het toepassing geeft aan artikel 6.1.3.1 of aan artikel 4:5 Awb, een adviseur dient aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing, is een erfstuk uit de oude procedureverordeningen. Art. 6.1.3.3 Bro verplicht gemeenten opnieuw om een procedureverordening op te stellen waarin nadere regels worden gegeven over de aanwijzing van een adviseur en de wijze waarop deze tot een advies komt. De VNG gaf zich reeds een week na inwerkintreding van Wro en Bro rekenschap van deze ontwikkelingen en is met een vernieuwde ‘model-procedureverordening advisering tegemoetkoming in planschade gekomen’. 10Bij die VNG model-procedureverordening werd door vrijwel alle Nederlandse gemeenten aangeknoopt. 11
Daarmee is dit onderzoek terug in de tegenwoordige tijd. Voor een uitgebreide beschrijving van de inzet en rol van planschadedeskundigen in de huidige (en toekomstige) tijd verwijs ik kortheidshalve naar § 2.3.